Samenleven in de toekomst

Een verkenning naar sociale cohesie bij een veranderde

bevolkingssamenstelling in 2050Samenleven in de toekomst

Een verkenning naar sociale cohesie bij een veranderde

bevolkingssamenstelling in 2050

Isolde Woittiez

Bart van Hulst

Lisa Putman

Ingrid Ooms

Klarita Sadiraj

Sociaal en Cultureel Planbureau

Den Haag, december 2024Het Sociaal en Cultureel Planbureau is een interdepartementaal, wetenschappelijk instituut, dat – gevraagd

en ongevraagd – sociaal-wetenschappelijk onderzoek verricht. Het SCP rapporteert aan de regering,

de Eerste en Tweede Kamer, de ministeries en maatschappelijke en overheidsorganisaties. Het SCP valt

formeel onder de verantwoordelijkheid van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Het SCP is opgericht bij Koninklijk Besluit op 30 maart 1973. Het Koninklijk Besluit is per 1 april 2012 vervangen

door de ‘Regeling van de minister-president, Minister van Algemene Zaken, houdende de vaststelling

van de Aanwijzingen voor de Planbureaus’.

© Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag 2024

Opmaak binnenwerk: Xerox, Den Haag

Eindredactie en productiebegeleiding: Future Communication, Utrecht

Omslagontwerp: Xerox, Den Haag

Foto omslag: AFP | John MacDougall (kunstwerk van Angélica Dass)

Copyright

U mag citeren uit SCP-rapporten, mits u de bron vermeldt.

U mag SCP-bestanden op een server plaatsen mits:

1 het digitale bestand (rapport) intact blijft;

2 u de bron vermeldt;

3 u de meest actuele versie van het bestand beschikbaar stelt, bijvoorbeeld na verwerking van een erratum.

Contact

Sociaal en Cultureel Planbureau

Postbus 16164

2500 BD Den Haag

http://www.scp.nl

info@scp.nl

Via onze website kunt u zich kosteloos abonneren op een elektronische attendering bij het verschijnen van

nieuwe uitgaven.Inhoud

Voorwoord 5

1 Inleiding 6

1.1 Sociale cohesie: een belangrijk en veelomvattend begrip 6

1.2 Een blik op de bevolking van de toekomst 8

1.3 Een kwantitatieve verkenning van sociale cohesie in de toekomst 10

1.4 Onderzoeksvraag en -aanpak 12

1.5 Leeswijzer 15

2 Sociale cohesie: een kwantitatieve benadering 16

2.1 Inleiding 16

2.2 Een twee-bij-tweeraamwerk  16

2.3 Conceptueel model 17

2.4 Analysemodel 19

2.5 Data 30

3 Sociaal vertrouwen nu en in de toekomst 39

3.1 Wat weten we van sociaal vertrouwen? 40

3.2 Stand van zaken 43

3.3 Verandering in sociaal vertrouwen in de toekomst 47

3.4 Samenvatting 57

4 Sociale participatie nu en in de toekomst 59

4.1 Wat weten we van sociale participatie? 60

4.2 Stand van zaken 63

4.3 Verandering in sociale participatie in de toekomst 67

4.4 Samenvatting 75

5 Institutioneel vertrouwen nu en in de toekomst 77

5.1 Wat weten we van institutioneel vertrouwen? 77

5.2 Stand van zaken 80

5.3 Verandering in institutioneel vertrouwen in de toekomst 83

5.4 Samenvatting 88

6 Politieke participatie nu en in de toekomst 90

6.1 Wat weten we van politieke participatie? 90

6.2 Stand van zaken 93

6.3 Verandering in politieke participatie in de toekomst 95

6.4 Samenvatting 101

Literatuur 103

4 I n H O U DVoorwoord

Ons land verandert van samenstelling door het toenemend aantal migranten in ons land en de daarmee

samenhangende groei van de bevolking, maar ook door de vergrijzing. Het is dan ook een belangrijke

vraag wat de invloed is van demografische ontwikkelingen op onze samenleving: op het vertrouwen

dat mensen hebben in elkaar en op hun verhouding tot de overheid. Op hun motivatie en kansen om

mee te doen op het werk, in de buurt en bij vrijetijdsbesteding, en om bij te dragen aan de democratie.

Demografische ontwikkelingen kunnen zich vertalen in uitdagingen voor de samenleving. We lezen daarover

dagelijks in de krant: de uitbuiting van arbeidsmigranten, mensen die buiten slapen in Ter Apel, het tekort

aan woningen en het tekort aan personeel in de zorg en het onderwijs.

De gedachte is vaak dat bestaande scheidslijnen tussen mensen sterker worden onder invloed van demo-

grafische veranderingen en dat daarmee de veerkracht van de samenleving onder druk komt te staan.

Maar is dat ook zo? Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) naar sociaal vertrouwen

blijkt steeds dat het vertrouwen dat mensen in elkaar hebben consistent hoog blijft, hoger dan in de

meeste andere Europese landen. In deze toekomstverkenning rekenen we de gevolgen door van mogelijke

toekomstige demografische veranderingen voor de sociale samenhang. Het unieke van deze studie zit

in de grote hoeveelheid data waarop we ons baseren en de modelmatige doorrekening van verschillende

scenario’s van demografische ontwikkelingen. Daarbij kijken we niet alleen naar de invloed van demografie,

maar gaan we ook na hoe veranderingen op relevante nevenfactoren, zoals een afnemende sociale

partici­ patie van jongeren, van invloed zijn op sociale samenhang in de toekomst.

Deze toekomstverkenning naar sociale samenhang nuanceert de gedachte dat veranderende demografie

op zichzelf leidt tot aantasting van de sociale samenhang in ons land. Daar waar we knelpunten identi-

ficeren, biedt de verkenning denkrichtingen voor toekomstbestendig beleid, die hopelijk stimuleren tot

actie. Wij bedanken Henk Hilderink (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en Roel Jennissen

(Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) voor hun waardevolle commentaar op eerdere versies

van het rapport.

Prof. dr. Karen van Oudenhoven-van der Zee (directeur)

Drs. Charlotte van Hees (adjunct-directeur)

5 V O O R W O O R D1 Inleiding

Drukker, diverser en grijzer. Dat is de omschrijving die het Nederlands Interdisciplinair Demografisch

Instituut en het Centraal Bureau voor de Statistiek gebruiken om duidelijk te maken hoe op basis van

hun berekeningen de bevolking in Nederland in 2050 er naar alle waarschijnlijkheid uit zal zien (NIDI

en CBS 2020). Deze veranderingen zullen gevolgen hebben voor de samenleving; denk aan het onderwijs,

de arbeidsmarkt, de gezondheidszorg en de woningmarkt (NIDI en CBS 2021). De vraag naar zorg en

woningen zal er bijvoorbeeld door toenemen. Voor het samenleven is de binding die mensen met elkaar

hebben – sociale cohesie – ook belangrijk. Het is mogelijk dat de veranderingen in de toekomstige

samenstelling van de bevolking daar ook van invloed op zijn. In dit rapport wil het Sociaal en Cultureel

Planbureau (SCP) daarom aan de hand van een kwantitatieve analyse verkennen wat de invloed zou kunnen

zijn van de toekomstige veranderingen in de samenstelling van de bevolking op de sociale samenhang in

de samenleving.

Als het gaat over de gevolgen die vergrijzing in de toekomst voor het samenleven heeft, dan wordt

vooral gewezen op de toename in de vraag naar zorg. Hoewel ouderdom met gebreken komt, is het

niet alleen kommer en kwel. Vitale ouderen kunnen bijvoorbeeld langer blijven werken of bijdragen aan

vrijwilligerswerk (zie bv. Van Campen et al. 2024). Een samenleving met relatief veel ouderen kent andere

prioriteiten, zoals zorg en veiligheid, dan een samenleving met overwegend jongeren. Al een aantal

jaar op rij gaat de brede welvaart ‘hier en nu’ ten koste van de mogelijkheden voor volgende generaties

(CBS 2024a). Dat komt onder meer doordat de natuur en de grondstoffen die daaruit voortkomen in

omvang en kwaliteit zullen afnemen. Als de omstandigheden waaronder mensen opgroeien van invloed

zijn op wat zij in hun latere leven denken en doen en als die omstandigheden in de loop van de tijd

verand­ eren, dan kunnen jongeren andere opvattingen en ander gedrag hebben dan voorgaande generaties.

Dat zou gevolgen kunnen hebben voor de samenhang in de samenleving.

Ook voor andere wijzigingen in de bevolkingssamenstelling, migratie en een groter deel mensen met een

hbo- of wo-opleiding – de demografische ontwikkelingen die in deze verkenning centraal staan – geldt

dat er een positief, maar ook een negatief effect op de sociale cohesie vanuit zou kunnen gaan. Hier gaan

we in paragraaf 1.3 verder op in. Inzicht in de omvang van deze effecten is belangrijk. Een verkenning daarvan

brengt aan het licht waar zich mogelijk problemen voor kunnen doen. Daarnaast biedt een verken­ ning

denkrichtingen voor beleid, doordat ze beleidsmakers in staat stelt zich voor te bereiden op wat er in de

toekomst kan gebeuren. Ook biedt ze de mogelijkheid om beleid aan te passen of te ontwikkelen dat

gunstig is voor sociale cohesie (vgl. SDO2050 2024).

Voor we uiteenzetten welke onderzoeksvraag we in dit rapport willen beantwoorden en hoe we dat zullen

doen, schetsen we allereerst kort wat sociale cohesie is en waarom het belangrijk is voor de samenleving.

Vervolgens geven we aan welke demografische veranderingen ons in de toekomst te wachten kunnen

staan en wat we weten over de gevolgen die dat voor het samenleven kan hebben.

1.1 Sociale cohesie: een belangrijk en veelomvattend begrip

Hoe het gesteld is met de sociale samenhang in de samenleving is een van de hoofdonderwerpen van de

moderne sociologie. De grondleggers daarvan (Durkheim, Weber en Simmel) vroegen zich door ingrijpende

veranderingen in de samenleving in de loop van de negentiende eeuw af wat daarvan de gevolgen voor

de sociale samenhang waren. Ook in de huidige tijd houden verschillende sociologen zich bezig met de

vraag hoe het met de sociale cohesie in de samenleving is gesteld (zoals Ritzer en Putnam). Vaak is dat

ingegeven door zorgen over het gebrek daaraan (zie bv. Van Heerikhuizen 2014). In deze zorgen spelen

veranderingen zoals individualisering en secularisatie een rol, omdat zij een stempel op het samenleven

drukken. Zo veranderden in Nederland de rolpatronen (CvdRM 2023; Doorne-Huiskes et al. 2017), kiezen

mensen vaker voor alternatieve levensstijlen en samenlevingsvormen (Boderé et al. 2018; Kuyper 2018;

6 I n L E I D I n gOESO 2016), hebben zij meer vrijheden gekregen, zijn identiteiten fluïde geworden (Van de Vijver 2015)

en nam de kerkelijke betrokkenheid af (De Hart et al. 2022; Schmeets en Houben 2023). Deze ontwikke-

lingen hoeven niet per se negatieve gevolgen te hebben voor de samenhang in de samenleving. Er is ook

een positievere kijk op mogelijk (zie bv. Duyvendak en Hurenkamp 2004).

Behalve een van de voornaamste onderwerpen in de moderne sociologie, is de cohesie in de samenleving

ook een van de lastigste. Dat komt doordat aan sociale cohesie veel verschillende betekenissen worden

gegeven (De Bakker et al. 2023a; Schuyt 2006).1 We noemen hier enkele. In een van de betekenissen draait

het om de omgang met conflicten. Waar mensen samenkomen kunnen belangen en overtuigingen botsen

(Ter Avest et al. 2009). Conflicten kunnen de eenheid bedreigen. Dat kan ongemak geven. Als mensen

het met elkaar eens zijn, dan wordt dat vaak als eenheid ervaren. Tegelijkertijd kunnen conflicten ook

voor eenheid zorgen, doordat het samen ‘strijden tegen een vijand’ tot verbondenheid kan leiden

(vgl. Simmel). Die eenheid kan ook komen doordat conflicten de mogelijkheid bieden om gewoonten en

overtuigingen bij te stellen (zie Gijsberts et al. 2024).

Meedoen aan de samenleving is een andere betekenis van sociale cohesie. Als mensen dat niet doen, is dat

te zien als een bedreiging voor het samenleven. Groepen kunnen buitengesloten zijn omdat ze vanwege

armoede, werkloosheid of een andere reden niet mee (kunnen) doen. Dit zet het samenleven onder druk:

verschillen tussen mensen kunnen te groot worden.

Het contact dat mensen met elkaar hebben, de relaties die ze aangaan of de netwerken en organisaties

waar ze onderdeel van uit maken is een andere uiting van sociale cohesie. Mensen zijn beter in staat

hun belangen te behartigen als ze zich organiseren of verenigen. Een goed voorbeeld daarvan vormt het

maatschappelijk middenveld, waartoe onder andere vakbonden, werkgeversverenigingen, beroepsorganisaties,

belangenverenigingen en politieke partijen behoren. Van sociale cohesie, in de zin van

bindingen tussen mensen, is sprake als mensen betrokken zijn bij relaties, netwerken of organisaties.

Sociale cohesie kan ook solidariteit betekenen. Daar zijn verschillende vormen van. Vrijwillige acties voor

of financiële steun aan mensen die dat nodig hebben, wordt ‘warme’ solidariteit genoemd. Bij ‘koude’

solidariteit zijn mensen met elkaar verbonden maar hebben ze geen directe, ‘warme’ gevoelens voor

elkaar. Een voorbeeld daarvan is de verplichte deelname aan verzekeringsstelsels, zoals de oudedagvoorziening

of ziektekostenverzekering. In deze stelsels zorgt het meedoen van iedereen ervoor dat

ook degenen die niet de beschikking hebben over voldoende financiële middelen aanspraak kunnen

maken op goede voorzieningen. Van sociale cohesie in de zin van solidair zijn met elkaar is sprake als er

betrokken­ heid met elkaar is. Daarin speelt herkenning in of identificatie met de ander een rol.

Het overzicht van de verschillende betekenissen van sociale cohesie wekt misschien de indruk dat voor

een samenleving geldt: hoe meer sociale cohesie, hoe beter. Dat is niet zo. Te veel cohesie binnen een

groep gaat ten koste van sociale cohesie tussen groepen.2 De samenleving functioneert goed als mensen

voldoende mogelijkheden hebben om elkaar te ontmoeten en er tegelijkertijd voldoende mogelijkheden

zijn om elkaar te ontlopen. Mensen hebben namelijk de behoefte om ergens deel van uit te maken,

maar ook om zich soms aan de band met anderen te onttrekken.

In samenlevingen die complexer, onzekerder en cultureel gevarieerder worden, is het belangrijk de

omgang met die verschillen te regelen. Maatschappelijke instituties spelen daarin een belangrijke rol.

Schuyt (2006) noemt dit de tegenkrachten of steunberen van de samenleving. Zij kunnen mensen binden

die daar geen inhoudelijke gronden voor hebben. Een voorbeeld van zo’n verbindende maatschappelijke

institutie is de vrijheid van godsdienst; die bindt mensen die niet hetzelfde geloof delen. Andere voor-

beelden zijn de democratie, de wetenschap en de rechtsstaat. Zij maken het samenleven met verschillen

mogelijk en bieden houvast in een complexere, onzekerdere en cultureel gevarieerdere samenleving

(Schuyt 2006).

1 Lupi (2005) constateert dat sociale cohesie een containerbegrip is geworden.

2 Op het belang van contact tussen groepen wezen onder meer Granovetter (1973) en Putnam (2000).

7 I n L E I D I n gWat mensen bindt, kan in de loop van de tijd veranderen. Door de digitalisering zijn de mogelijkheden

om met elkaar in contact te komen veranderd (zie bv. Kool et al. 2021; Salverda et al. 2013). Mensen kunnen

elkaar op sociale media makkelijker vinden en bijvoorbeeld op die manier zonder tussenkomst van een

instantie tot actie oproepen en overgaan. Zo’n collectieve actie kent een mindere traditionele binding

dan via belangenverenigingen of politieke partijen. Of en hoe dat de politieke besluitvorming verandert,

is niet duidelijk. Welke invloed digitalisering op het elkaar ontmoeten heeft, staat ook niet vast. Het zou

kunnen dat mensen zich steeds meer richten op hun eigen online platforms waardoor sociale bubbels

ontstaan, een ‘digitale verzuiling’ (FreedomLab 2021; Gehem en Van den Berg 2023). Het is echter ook

mogelijk dat digitalisering zorgt voor verbondenheid (Gehem en Van den Berg 2023).

Deze korte schets van sociale cohesie laat zien dat het een belangrijk en veelomvattend begrip is. Of men

sociale cohesie als voldoende of niet kwalificeert, hangt af van het gehanteerde mens- en wereldbeeld

(zie De Bakker et al. 2023a). Hoe het met de sociale cohesie in Nederland is gesteld, is een onderwerp

dat het SCP sinds zijn ontstaan veelvuldig heeft bestudeerd. Zo ging de studie Zekere banden (De Hart

et al. 2002) in op de ontwikkelingen van sociale cohesie en integratie en legde ze verband tussen deze

concepten en veiligheid en veiligheidsbeleving. Sociale cohesie werd in de volle breedte belicht in het

rapport Betrekkelijke betrokkenheid met een overzicht op tal van terreinen, zoals publieke opinie, etnische

diversiteit en sociale contacten via digitale kanalen (Schnabel et al. 2008). In andere studies ging het SCP

in op een specifiek onderdeel van sociale cohesie, bijvoorbeeld het vrijwilligerswerk (Dekker 1999; Dekker

en De Hart 2009; Dekker et al. 2007), het verenigingsleven (De Hart et al. 2002; De Hart 2005; Van den

Berg et al. 2011; Posthumus et al. 2014), de diversiteit op scholen (Vogels et al. 2021), het opgroeien in

een kwetsbare wijk (Kullberg et al. 2021), de integratie (Dagevos et al. 2022) en politieke participatie van

minderheden (Dagevos en Vermeulen 2024) en de solidariteit tijdens de coronapandemie (Hoefman et

al. 2023). In de rapportages over het Continu Onderzoek Burgerperspectieven (zie bv. Dekker en Den Ridder

2019; Miltenburg et al. 2021; Den Ridder et al. 2018, 2022) wordt onder meer ingegaan op het vertrou-

wen dat mensen in anderen en instituties hebben. Recentelijk nog bracht het SCP in Koersen op kwaliteit

van de samenleving in beeld hoe de samenleving ervoor staat en welke beleidskeuzes een positief dan wel

negatief effect hebben op de kwaliteit van de samenleving (Vermeij et al. 2024). Voor de kwaliteit van de

samenleving neemt de sociale samenhang een belangrijke plek in.

1.2 Een blik op de bevolking van de toekomst

De toekomst is onzeker en laat zich lastig voorspellen. Aangeven hoeveel mensen Nederland de komende

jaren precies telt, kan niet. Dat komt doordat het aantal inwoners in de toekomst afhangt van hoeveel

mensen naar Nederland komen en (weer) vertrekken, hoeveel kinderen geboren worden en wat de

levensverwachting is. Ondanks deze moeilijkheden hebben NIDI en CBS (2020) geschat hoe de bevolking

zich tot 2050 kan ontwikkelen. Zij hebben dat gedaan door verschillende bevolkingsvarianten voor de

toekomst op te stellen, op basis van veronderstellingen over de hoogte van de migratie, het geboorte-

cijfer en de levensverwachting (NIDI et al. 2019). Hoe lastig het is om een voorspelling te maken, laten de

ontwikkelingen zien die plaatsvonden na het verschijnen van de rapporten van NIDI en CBS en die van

invloed zijn op de demografie in Nederland, zoals het uitbreken van de coronapandemie en de oorlog in

Oekraïne. Daarom heeft het CBS (2024b) in de zomer van 2024 een update uitgebracht van de schattingen

uit het oorspronkelijke rapport uit 2020. Op basis van deze nieuwe gegevens komt, afhankelijk van de

veronderstellingen van de verschillende bevolkingsvarianten, het aantal inwoners in 2050 uit tussen bijna

18 miljoen en bijna 22 miljoen. Uit de berekeningen volgt ook een beeld van de samenstelling van de

bevolking in 2050. Afhankelijk van de stijging van de levensverwachting in 2050 komt het aandeel in de

bevolking dat 65 jaar of ouder is uit tussen 21 en 28%. In 2023 was dat aandeel nog ongeveer 20%. Tot de

werkzame beroepsbevolking behoort momenteel circa 60% van de bevolking. In 2050 is dat gedaald tot

54% à 57%. Ruim een kwart van de bevolking heeft op dit moment een migratieachtergrond. In 2050 is

dat aandeel volgens de bevolkingsprognoses toegenomen tot bijna een derde of vier op de tien van de

bevolking. Zowel de eerste als de tweede generatie migranten zullen volgens de bevolkingsprognoses

in aandeel toenemen. De eerste generatie van 16% naar tussen de 19% en 26% en de tweede generatie

van 12% naar tussen de 15% en 17%. Net als nu zal in 2050 de eerste generatie groter zijn dan de tweede

generatie.

8 I n L E I D I n gDe veranderingen in de bevolking in 2050 zullen gepaard gaan met veranderingen in het onderwijs, op

de arbeidsmarkt, in de zorg en op de woningmarkt. Dat hebben NIDI en CBS (2021) ook in kaart gebracht.

Uit die berekeningen blijkt dat door de vergrijzing de vraag naar zorg toeneemt en dat deze vraag harder

groeit dan de beroepsbevolking. NIDI en CBS geven aan dat meer mensen in de zorg zullen moeten gaan

werken om aan de gestegen zorgbehoefte te kunnen voldoen. Vooral de behoefte aan langdurige zorg

zal toenemen. Als ouderen deze zorg krijgen, kunnen ze langer zelfstandig blijven wonen. NIDI en CBS

verwachten dat dit vaak in een inmiddels voor hen te grote gezinswoning is.

Uit deze berekeningen volgt verder dat door de komst van migranten naar Nederland het aandeel mensen

in de werkzame leeftijd minder hard terugloopt dan zonder migratie. De migranten kunnen vacatures

opvullen die vrij zullen komen als de toekomstige ouderen met pensioen gaan. NIDI en CBS waarschuwen

ervoor dat migratie niet dé oplossing voor vergrijzing is.3 De (huidige) migranten beschikken lang niet

altijd over de vaardigheden waar in de toekomst behoefte aan is.4 De komst van migranten zal, overigens

net als de toename van het aantal ouderen, ervoor zorgen dat het aantal eenpersoonshuishoudens

in Nederland in de toekomst stijgt. Migranten die naar Nederland komen hebben woonruimte nodig.

Dat zal de druk op de woningmarkt verder verhogen.

Naast wijzigingen in de bevolkingssamenstelling naar leeftijd (vergrijzing) en herkomst (migratie) verandert

de samenstelling van de bevolking in de toekomst ook naar opleidingstype. Uit de berekeningen van

NIDI en CBS volgt dat het aandeel mensen met een hbo- of wo-diploma zal toenemen. Dat komt doordat

de huidige jongeren vaker een hbo- of wo-opleiding hebben afgerond dan de huidige ouderen. Als de

jongeren in de toekomst de plaats innemen van de ouderen, dan zal de bevolking in 2050 vaker een hbo-

of wo-opleiding hebben gevolgd dan nu. Mensen met een dergelijke opleiding zijn over het algemeen

gezonder dan mensen die zo’n opleiding niet hebben voltooid. De ouderen van de toekomst zouden

daardoor langer kunnen blijven werken, pas op een hogere leeftijd zorg nodig hebben en langer zelfstandig

kunnen blijven wonen. NIDI en CBS verwachten dat op de arbeidsmarkt de vraag naar mensen met

een hbo- of wo-opleiding in de toekomst toe zal nemen. De behoefte aan mensen met een ander type

opleiding blijft overigens ook bestaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om mensen die werkzaam zullen zijn

als schoonmakers, chauffeurs of medewerkers in distributiecentra of in de zorg.

De ontwikkeling van de bevolking in de toekomst ligt niet vast. Daar getuigen de verschillende bevolkingsvarianten

van NIDI en CBS van. Als de ontwikkelingen ongunstig zijn, dan kan met beleid geprobeerd

worden dit aan te passen. Dat kan niet alleen met de ontwikkelingen in de bevolking, maar ook met de

gevolgen daarvan. In hun studie zetten NIDI en CBS een aantal beleidsopties op een rij. Een daarvan

is proberen te stimuleren dat vrouwen meer kinderen krijgen. Dat zal leiden tot een toename van de

beroepsbevolking. NIDI en CBS geven wel aan dat dit een aanpassing is die pas over vele jaren effect zal

hebben en die op de korte termijn misschien wel averechts werkt, omdat ouders met jonge kinderen

ervoor kunnen kiezen korter te gaan werken. De gevolgen van de demografische veranderingen proberen

aan te passen kan ook door in te zetten op verbetering van de gezondheid, waardoor de levensverwachting

kan stijgen. Daardoor zal weliswaar het aantal ouderen toenemen, maar kan ook de beroepsbevolking

stijgen, omdat de pensioengerechtigde leeftijd aan de levensverwachting is gekoppeld. Verder kan met

migratiebeleid de omvang van de beroepsbevolking geprobeerd worden te beïnvloeden. De komst,

maar ook het vertrek van migranten kan ermee gestimuleerd worden. Migranten die naar Nederland

komen om te werken zouden dat bijvoorbeeld slechts tijdelijk mogen doen. Naast migratie- en arbeids-

marktbeleid kan ook het onderwijs- en woningmarktbeleid een stempel drukken op de komst en het

vertrek van migranten.

Er bestaat een grote behoefte aan inzicht in de gevolgen van toekomstige demografische veranderingen

en hoe daarmee om te gaan. De rapporten van NIDI en CBS verschenen naar aanleiding van de motie-Dijkhoff

c.s. (TK 2018/2019), die het kabinet-Rutte III opriep de consequenties van de demografische

3 De studie Arbeidsmigratie: oplossing voor economie en demografie? van de Adviesraad Migratie (2023) bevestigt dat.

4 Om grip op migratie te krijgen, stelt de Adviesraad Migratie (2024) voor om bij de keuzes in het migratiebeleid de aandacht

niet alleen uit te laten gaan naar de economische belangen, maar ook rekening te houden met de maatschappelijke en

ecologische gevolgen.

9 I n L E I D I n gontwikkelingen voor de Nederlandse samenleving in verschillende scenario’s in kaart te brengen.

De motie-Den Haan c.s. (TK 2021/2022) bracht het belang van inzicht in de gevolgen van de demografische

ontwikkelingen nogmaals onder de aandacht. Deze motie vormde de aanleiding voor de instelling van de

Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 (SDO2050). Voor de welvaart in brede zin adviseert

de staatscommissie (2024) de bevolking gematigd te laten groeien tot 19 à 20 miljoen inwoners in 2050,

onder andere vanwege zorgen over de sociale cohesie in Nederland. Zij ziet een wisselwerking tussen

demografie en sociale cohesie. Volgens de staatscommissie kunnen de toekomstige demografische

veranderingen maatschappelijke scheidslijnen versterken en daardoor bij toenemende schaarste gelijke

kansen in de weg staan. Dat kan tot meer onbehagen leiden en de samenleving minder leefbaar, veilig en

welvarend maken. Demografische veranderingen kunnen ook leiden tot processen van in- en uitsluiting,

waardoor parallelle gemeenschappen ontstaan die geen contact hebben met elkaar of tegenover elkaar

komen te staan. Dat alles kan uitmonden in een groot aantal maatschappelijke bedreigingen, zoals

toenemende polarisatie, gebrek aan inclusie en verbindingen, afbrokkelend draagvlak voor de rechtstaat,

gebrek aan solidariteit, verharding van het maatschappelijke klimaat, radicalisering en extremisme.

De staatscommissie ziet het versterken van de sociale cohesie als een maatschappelijke opgave.

1.3 Een kwantitatieve verkenning van sociale cohesie in de toekomst

De manier waarop we leren, werken, wonen en zorgen zegt iets over de binding tussen mensen.

Denk aan het niet mee (kunnen) doen van groepen in de samenleving of de solidariteit waar het zorgstelsel

op is gebaseerd. Maar sociale cohesie is meer dan dat. Uit de wijze waarop we leren, werken, wonen

en zorgen wordt niet duidelijk hoe mensen met elkaar omgaan, welke houding ze tegenover elkaar aannemen,

of van welke netwerken of verenigingen ze deel uitmaken. Dat zijn belangrijke aspecten van sociale

cohesie. Als Nederland drukker, diverser en grijzer wordt, zou dat ook op die aspecten van sociale cohesie

invloed kunnen hebben.

In de inleiding van dit hoofdstuk schetsten we al dat de vergrijzing van de bevolking zowel een positief

als negatief effect kan hebben op de sociale cohesie. Een van de positieve effecten is dat als ouderen met

pensioen gaan dit niet per definitie betekent dat zij niet meer aan de samenleving bij kunnen dragen.

De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS 2020) ziet de fase vanaf de pensioengerechtigde

leeftijd, en dan met name de derde levensfase, als ‘het geschenk van de eeuw’.5 Vitale ouderen kunnen

(langer) doorwerken, bijdragen aan vrijwilligerswerk, hulp en steun bieden aan hun familie en netwerk en

nieuwe (partner)relaties aangaan (zie ook Van Campen et al. 2024). Pas in de vierde levensfase wordt de

kwetsbaarheid groter en neemt de behoefte aan hulp en zorg toe. Als de druk op de zorg toe neemt, kan

dat gevolgen hebben voor de wijze waarop mensen met elkaar leven en er voor elkaar zijn (zie ook WRR

2021). Dat kunnen negatieve effecten van de vergrijzing zijn. Tegenover een groeiende groep mensen die

niet meer actief is op de arbeidsmarkt staat een kleiner wordende groep die als arbeidskracht voor ‘de

handen aan het bed’ kan zorgen en die zorg draagt voor de bekostiging van de voorzieningen. Dat kan de

solidariteit tussen generaties onder druk zetten. Jongeren kunnen zich afvragen of zij nog van (oudedags-

en zorg)voorzieningen gebruik kunnen maken als zij oud zijn en ouderen kunnen van mening zijn dat zij

recht hebben op deze voorzieningen, omdat zij daar hun hele leven voor gewerkt hebben. Een samenleving

die uit relatief veel ouderen bestaat, kent andere prioriteiten dan een samenleving die uit overwegend

jongeren bestaat. Voor de kwaliteit van leven – gemeten via brede welvaart – geldt dat deze in 2023 voor

jongeren tot 35 jaar lager was dan voor oudere generaties. De verwachting is dat de brede welvaart voor

toekomstige generaties nog verder zal afnemen, onder andere doordat de natuur en de grondstoffen die

daaruit voortkomen in omvang en kwaliteit zullen afnemen (CBS 2024a). De omstandigheden waaronder

mensen opgroeien drukken een stempel op wat zij in hun latere leven denken en doen (zie bv. Inglehart

1977, 1997). Voor jongeren zijn die omstandigheden in verschillende opzichten anders dan voor de gene-

raties voor hen. Zo biedt een hbo- of wo-diploma niet per definitie een garantie voor succes. Doordat

velen zo’n diploma hebben, kan het minder waard worden. Het maakt het vinden van werk dat aansluit

op de opgedane vaardigheden moeilijker. Jongeren werken vaak op basis van een flexibel contract.

5 Van Campen et al. (2024) onderscheiden vier levensfasen: de eerste is de jeugd, de tweede is de levensfase waarin gewerkt

wordt, in de derde is men zelfstandig gepensioneerd en in de vierde wordt men afhankelijk van anderen.

10 I n L E I D I n gDaardoor is het vinden van een betaalbaar koophuis lastig. Jongeren zijn verder vaker verantwoordelijk

voor hun eigen succes en falen (Sandel 2020). De andere omstandigheden waarin jongeren opgroei-

en leiden tot ander gedrag dan dat van eerdere generaties (zie bv. Rekker 2024). Jongeren houden er

ook andere opvattingen op na (zie o.a. Van Houwelingen en De Hart 2019; Lubbers en Scheepers 2019;

Muis et al. 2019; Spierings 2024). Of dat komt door de andere omstandigheden waarin ze zijn opgegroeid

is (nog) niet duidelijk.

Ook voor migratie, een andere wijziging in de bevolkingssamenstelling die centraal staat in deze studie, geldt

dat er een positief of een negatief effect op sociale cohesie van uit kan gaan. Migratie is een onderwerp dat

de samenleving lijkt te verdelen. Zo hebben onder andere Leerdam, Rotterdam en Utrecht een monument

om migranten te eren voor het werk dat ze doen en de bijdrage die zij aan de stad leveren, en zijn steden

als Amsterdam en Arnhem dit van plan. Maar er klinkt ook een negatief geluid over migratie. Dat negatieve

geluid domineerde de Tweede Kamerverkiezingen van november 2023. Veel politieke partijen legden in hun

programma’s de nadruk op de negatieve effecten van migratie en wezen bijvoor­ beeld op de druk op de

woningmarkt en sociale samenhang in wijken en buurten (De Bakker et al. 2023b). Uit een peiling onder de

Nederlandse bevolking eind 2023/begin 2024 blijkt dat mensen vinden dat migratie hét onderwerp is waar

het nieuwe kabinet aandacht aan moet besteden (Den Ridder et al. 2024). Dat komt doordat mensen zich er

zorgen over maken (Miltenburg et al. 2023; Den Ridder et al. 2023a). Een belangrijk deel van hen vindt dat er te

veel migranten naar Nederland komen en dat migratie ten koste gaat van het oplossen van de problemen van

‘echte’ Nederlanders.6 Degenen die negatief tegenover migratie staan en vinden dat migranten te veel ruimte

opeisen of voorgetrokken worden, zien hen als een bedreiging voor hun eigen positie, zowel in economisch

als cultureel opzicht (Coenders en Dagevos 2024). Zij ervaren het als een verlies aan nationale eigenheid en

voelen zich daardoor minder thuis in Nederland. Als het gaat om de gevolgen die migratie voor het samenleven

heeft, dan hoort daar ook inzicht bij in de bindingen die migranten en hun kinderen in Nederland hebben.

Uit onderzoek blijkt dat zij met discriminatie te maken hebben (zie bv. Andriessen et al 2020; Thijssen et al.

2019). Het zijn vooral de mensen die al langer in Nederland zijn of die in Nederland zijn geboren die discrimi-

natie ervaren (Dagevos et al. 2022). Dit wordt ook wel de integratieparadox genoemd, omdat juist degenen

die het meest ‘geworteld’ zijn het grootste onbehagen hebben. Migranten die uitsluiting ervaren voelen zich

minder thuis en minder verbonden met de samenleving (Damen et al. 2024; Jasinskaja-Lahti et al. 2008).

Zoals eerder gemeld wordt migratie vooral in de politieke discussie in verband gebracht met risico’s

voor sociale cohesie (vgl. Koopmans 2023). Daarin wordt onder andere gewezen op de afnemende

sociale cohesie in buurten waar veel migranten wonen. Het onderzoek dat er naar is gedaan, levert er geen

overduide­ lijk bewijs voor. Robert Putnam (2007) is een van de onderzoekers die constateert dat de sociale

cohesie in Amerikaanse buurten afneemt door migratie. In de rapporten De nieuwe verscheidenheid (2018) en

Samenleven in verscheidenheid (2020) komt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) voor

Nederland tot dezelfde bevinding. In buurten waar veel migranten uit verschillende landen wonen, vinden de

bewoners dat de buurt minder samenhang heeft en voelen ze zich er minder thuis (WRR 2018). Dat vinden niet

alleen de bewoners die geen migratieachtergrond hebben; ook degenen met een migratie­ achtergrond vinden

dat (WRR 2020). Studies die de conclusie trekken dat niet aan te tonen is dat migratie tot afnemende sociale

cohesie leidt, doen dit om verschillende redenen. Sommige studies doen dit omdat niet voor alle aspecten

van sociale cohesie een negatieve relatie met migratie wordt gevonden. Gijsberts et al. (2012), bijvoor­ beeld,

vinden dat wel voor het contact met buren, maar niet als het gaat om het vertrouwen in anderen of het doen

van vrijwilligerswerk. Andere studies wijzen erop dat de buurt uit meer bestaat dan het aandeel migranten dat

er woont. Als ook naar de sociaal-economische status van de buurt wordt gekeken, dan blijkt dat de sociale

cohesie daardoor beïnvloed wordt en niet door het aandeel migranten in een buurt (Tolsma et al. 2009).

Als het gemiddeld inkomen in een buurt laag is, is er minder contact met buren, is de houding tegenover

mensen met een andere herkomst minder positief, is er minder vertrouwen in anderen en wordt er minder

vrijwilligerswerk gedaan. De verschillende bevindin­ gen voor de sociale cohesie in de buurt brachten

Van der Meer en Tolsma (2014: 459) tot de consta­ tering dat er een ‘kakafonie van empirische bevindingen’ is.

In aanvulling daarop stelt de WRR (2018: 79) vast dat er naar ‘een veelheid aan aspecten’ van sociale cohesie

wordt gekeken.

6 Onderscheid maken tussen ‘echte’ Nederlanders en ‘niet-echte’ Nederlanders wordt in de wetenschappelijke literatuur

‘nativisme’ genoemd (Kešić en Duyvendak 2019).

11 I n L E I D I n gNaast relatief meer ouderen en migranten zal in de toekomst de bevolking ook veranderen naar

opleidings­ type: er komen meer mensen bij met een hbo- of wo-opleiding. Al jaren neemt hun aantal

toe (Van der Mooren en De Vries 2022). Dat komt onder meer door een verbeterde toegang tot onderwijs. Ook

veranderende economische eisen spelen daarin een rol. Een toenemend aandeel hbo- en wo-opgelei­ den

past in het streven van de Nederlandse overheid en Europese Unie (EU). Zij hebben zich tot doel gesteld

dat in 2030 minimaal 45% van 25-35-jarigen een hbo- of wo-diploma heeft (Eurostat 2022). De gedachte

daarachter is dat mensen met een dergelijke opleiding via onderzoek en innovatie Nederland en Europa

op de kaart kunnen zetten als kenniseconomie. Investeringen in hbo- en wo-opleidingen leveren daarmee

niet alleen degenen die dit onderwijs hebben gevolgd profijt op via een goede baan qua inkomen en

status; dat geldt ook voor de maatschappij (Van der Velden en Glebbeek 2024). Dat uit zich in een

verbeterde concurrentiepositie en hogere welvaart, maar is ook terug te zien in aspecten van sociale

cohesie. Mensen met een hbo- of wo-opleiding hebben vaker vertrouwen in anderen (zie o.a. Charron

en Rothstein 2016) en instituties (Dekker en Den Ridder 2020; Hudson 2006; Putnam 2000; WRR 2023).

Ook hebben ze een positievere houding tegenover mensen die ‘anders’ zijn dan zij (Kuppens et al. 2018),

zijn ze vaker vrijwilliger (Arends en Tummers 2022) of lid van een vereniging, maken ze vaker de gang naar

de stembus en ondernemen ze vaker politieke activiteiten dan mensen die geen hbo- of wo-­ opleiding

hebben (Mulder et al. 2022). Kortom, als in de toekomst het aandeel mensen met een hbo- of wo-opleiding

in de bevolking toeneemt, zou dat voor veel aspecten van sociale cohesie een positief effect kunnen

hebben. Toch kunnen er ook negatieve gevolgen aan verbonden zijn (Van der Velden en Glebbeek 2024).

Er kunnen meer mensen een hbo- of wo-opleiding hebben gevolgd dan waar de arbeidsmarkt behoefte

aan heeft. Om van de voordelen van een hbo- of wo-opleiding te profiteren is dan meer nodig dan alleen

het hebben van dat diploma. Mensen zullen zich op een andere manier moeten onderscheiden, bijvoorbeeld

door van meerdere hbo- of wo-opleidingen een diploma te hebben behaald of door excellent-­ onderwijs

(zoals tweetalig onderwijs of honoursprogramma’s) te hebben gevolgd. Dat kan diploma-inflatie tot

gevolg hebben. Daar kan nog bij komen dat degenen die door hun hbo- of wo-opleiding al een bevoorrechte

positie hebben verworven dat voor hun kinderen proberen ‘veilig te stellen’; dat staat ook wel bekend

als ‘credentialism’ (Collins 1979) of de ‘social closure theory’ (Murphy 1988). Doordat zij over hulpbronnen

(zoals menselijk, financieel en cultureel kapitaal) beschikken, kunnen zij hun kinderen helpen om ook een

bevoorrechte positie te verwerven. De sociale ongelijkheid kan hierdoor toenemen. Daar is al sprake van,

doordat mensen met een hbo- of wo-opleiding vaak een partner hebben met zo’n opleiding. Daardoor

zijn in deze gezinnen veel hulpbronnen aanwezig (Kalmijn 1998). Bovendien komen mensen met een

hbo- of wo-opleiding in hun sociale leven vooral mensen in een bevoorrechte positie tegen (Kazmina

et al. 2024; Van Klingeren et al. 2024; Vermeij en Thijssen 2024). Politici hebben vaak een hbo- of wo-opleiding.

Dat kan problematisch zijn voor de vertegenwoordiging van de belangen van mensen met een

andere opleiding (Bovens en Wille 2017). Dat zou mogelijk kunnen leiden tot een lager vertrouwen van

deze groep in de politieke of uitvoerende instituties die voor verbinding kunnen zorgen.

1.4 Onderzoeksvraag en -aanpak

Het grote belang van binding in de samenleving maakt het de moeite waard om inzicht te verwerven in

de gevolgen die veranderingen in de bevolking kunnen hebben op sociale cohesie. Dat inzicht, ook al is

dat met onzekerheid omgeven, helpt beleidsmakers zich voor te bereiden op wat er zou kunnen gebeuren

en daarop mogelijk beleid te ontwikkelen als uitkomsten ongunstig zijn (vgl. SDO2050 2024). Daarom

verkennen wij in dit rapport welke effecten de toekomstige bevolkingssamenstelling kan hebben op de

binding in de samenleving. De vraag die centraal staat in ons onderzoek is:

Hoe zou de sociale cohesie in Nederland zich op de langere termijn kunnen ontwikkelen als gevolg van veranderingen in

de samenstelling van de bevolking?

Anders dan de staatscommissie verkent deze studie aan de hand van een kwantitatieve analyse wat de

invloed kan zijn van de demografische veranderingen op sociale cohesie. Deze studie is daarmee qua

methodologie anders ingestoken dan het rapport van de staatscommissie.

12 I n L E I D I n gVanwege de veelomvattendheid van het begrip sociale cohesie is het voor de beantwoording van onze

onderzoeksvraag belangrijk een duidelijke omschrijving te geven van sociale cohesie. Dat helpt om het

begrip te meten. In lijn met een eerdere studie van het SCP definiëren wij het als ‘de mate waarin (groepen)

mensen zich met elkaar en met allerlei instituties verbonden voelen en dat ook in hun gedrag aan de

dag leggen’ (De Bakker et al. 2023a: 32). Deze omschrijving is gebaseerd op de definitie van Chan et al.

(2006: 290) in hun overzichtsartikel over sociale cohesie:

Social cohesion is a state of affairs concerning both the vertical and the horizontal interactions among members of

society as characterized by a set of attitudes and norms that includes trust, a sense of belonging and the willingness to

participate and help, as well as their behavioural manifestations.

Chan et al. (2006) hebben ook een raamwerk opgesteld aan de hand waarvan sociale cohesie te meten is.7

Zij onderscheiden:

1 subjectieve beleving, zoals opvattingen, houdingen en gevoelens;

2 objectief gedrag, bijvoorbeeld feitelijke samenwerking en participatie;

3 horizontale vormen van sociale cohesie, die gaan over vertrouwen en verbondenheid tussen (groepen)

burgers onderling;

4 verticale vormen van sociale cohesie: de (vertrouwens)relatie tussen (groepen) burgers en instituties of

de overheid.

Tabel 1.1 presenteert de aspecten van sociale cohesie die wij aan de hand van hun raamwerk onderzoeken.

Tabel 1.1 Een twee-bij-tweeraamwerk voor het meten van sociale cohesie

subjectief (attitude) objectief (gedrag)

horizontaal (tussen burgers) sociaal vertrouwen sociale participatie

verticaal (tussen burgers en instituties) institutioneel vertrouwen politieke participatie

Bron: Chan et al. (2006); SCP-bewerking

Sociaal vertrouwen geeft de subjectieve, horizontale vorm van sociale cohesie weer. Dat gaat over hoe

mensen onderling over elkaar denken. Dat wordt gemeten aan de hand van verschillende indicatoren,

zoals het vertrouwen dat zij in elkaar hebben, welke houdingen zij tegenover elkaar aannemen en of

mensen zich thuis voelen in en verantwoordelijk voelen voor Nederland. Sociale participatie is de objec-

tieve, horizontale vorm van sociale cohesie en geeft aan wat mensen doen om de sociale samenhang te

versterken. Indicatoren die dat meten zijn het verrichten van vrijwilligerswerk, lid zijn van een vereniging

of het hebben van vriendennetwerk. Hoe mensen denken over de relatie tussen hen en organisaties als

het bedrijfsleven, banken of de pers en tussen hen en de overheid is de subjectieve, verticale vorm van

sociale cohesie. Dit geeft een indicatie van institutioneel vertrouwen. Politieke participatie is de weergave van

de objectieve, verticale vorm van sociale cohesie. Indicatoren van dit hoofdaspect van sociale cohesie zijn

stemmen bij verkiezingen of politici of ambtenaren op een andere manier kenbaar maken wat je wensen

zijn, bijvoorbeeld door de media in te schakelen of een bijeenkomst bij te wonen. Deze indicatoren kunnen

betrekking hebben op de Nederlandse samenleving als geheel, maar ook op groepen (De Bakker et al. 2023a;

Gijsberts et al. 2024). Veel onderzoek, ook dit onderzoek, gaat bij de analyses uit van het individuele niveau.

Op basis daarvan wordt een zo goed mogelijk beeld gegeven van hoe het in de samenleving of een deel

daarvan gaat met de indicatoren waarin sociale cohesie is op te delen.

Om inzicht te geven in de mogelijke toekomstige ontwikkelingen in de indicatoren van sociale cohesie,

maken we gebruik van gegevens uit het verleden. Daaruit kunnen we lessen trekken die helpen om te

verkennen wat zich in de toekomst voor kan doen (vgl. Van Sonsbeek et al. 2023). De lessen uit het verleden

helpen ook om bestaande ontwikkelingen in perspectief te plaatsen. Door een flink aantal decennia

7 Zij zijn daarin niet de enigen. Ook in andere studies zijn vergelijkbare indelingen te vinden, zoals in die van Schiefer en

Van der Noll (2017).

13 I n L E I D I n gterug te kijken, laat de studie van Van Sonsbeek et al. (2023) bijvoorbeeld zien dat een ontwikkeling als

vergrijzing niet alleen een verhaal van problemen, kosten en zorgen is, maar ook een van een aanzienlijke

stijging van de levensverwachting. Voor onze studie kunnen wij niet zover terug in het verleden kijken

als Van Sonsbeek et al. (2023). De gegevens waarvan we in onze toekomstverkenning gebruikmaken

zijn verzameld door het CBS tussen 2012 en 2022 en via het LISS (Centerdata) in 2022. Met deze infor-

matie brengen we de verbanden tussen demografische kenmerken en de verschillende indicatoren van

sociale cohesie in kaart. Als deze relaties zijn berekend, is het vervolgens de vraag hoe de indicatoren van

sociale cohesie er in 2050 uit zouden kunnen zien. Om dit te kunnen achterhalen voeren we simulaties

uit. Dat doen we allereerst aan de hand van de verschillende varianten die NIDI en CBS (2020) voor de

demo­ grafische situatie in 2050 hebben opgesteld en waarvan het CBS (2024b) onlangs een update heeft

gemaakt.8 In onze simulaties bekijken wij voor de varianten de invloed die de verandering in de samen-

stelling van de bevolking zou kunnen hebben op sociale cohesie in de toekomst. Concreet betekent dit dat

we nagaan hoe vergrijzing, migratie en een toename van de hbo- en wo-opgeleiden van invloed kunnen

zijn op onder andere het vertrouwen in de medemens, het vertrouwen in verbindende instituties als de

rechters, het verrichten van vrijwilligerswerk of het lidmaatschap van verenigingen. De onderliggende

veronderstelling bij deze simulaties is dat de gevonden verbanden tussen de demografische kenmerken

en de indicatoren van sociale cohesie in de toekomst niet veranderen. Veranderingen in de samenstelling

van de bevolking kunnen daar overigens wel toe leiden. Zo kan bijvoorbeeld een toename van het aantal

mensen in de bevolking dat niet mee kan komen in een ingewikkelder wordende samenleving ervoor

zorgen dat de houding van deze mensen tegenover instituties negatiever wordt. Dit is een indirect effect

van de veranderende bevolkingssamenstelling. Een indicatie van dergelijke indirecte effecten geven we

met behulp van zogenoemde ‘wat als’-scenario’s. Daarin maken we veronderstellingen over hoe de relatie

tussen de indicatoren van sociale cohesie en de verklarende demografische variabelen in de toekomst

zou kunnen veranderen.

In onze studie besteden we vooral aandacht aan wat veranderingen in de samenstelling van de bevolking

doen met de indicatoren van sociale cohesie. Uit verschillende studies weten we dat niet alleen de

kenmerken van mensen zelf – jong, oud, type opleiding, wel of geen migratieachtergrond – maar ook de

samenstelling van de buurt van invloed is op het vertrouwen dat zij in anderen hebben (Putnam 2007;

WRR 2018, 2020). Als door een verandering in de samenstelling van de bevolking in de toekomst ook de

samenstelling van de buurt verandert, dan kan dat gevolgen hebben voor het vertrouwen dat mensen in

anderen hebben. Om een indicatie te geven van het mogelijke effect van een veranderende leefomgeving

voeren we extra analyses uit. Daarbij gebruiken we toenemende diversiteit qua migratieachtergrond in

de buurt als maat voor een veranderende leefomgeving. Het is van belang vooraf al te melden dat de

uitkomsten van deze analyses met de nodige voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd. In zijn

algemeenheid zijn toekomstverkenningen met onzekerheid omgeven, omdat veronderstellingen over de

toekomst gemaakt moeten worden. Een verkenning van de invloed van veranderende buurtkenmerken

op het vertrouwen in anderen is met extra onzekerheid omgeven. Dat komt doordat onbekend is hoe

toekomstige ontwikkelingen in de samenstelling van en diversiteit in buurten eruitzien. Daarvoor moeten

aannames gemaakt worden over verhuizingen en geboorte- en sterftecijfers per buurt. De analyses naar

de invloed van de veranderende leefomgeving vereisen veel van de data, omdat individuele gegevens

aan buurtgegevens gekoppeld moeten worden. De uitkomsten van de extra analyses bieden daarom

vooral een eerste verkenning van de mogelijke effecten van een veranderende leefomgeving voor het

vertrouwen in anderen. Ze zijn daarmee complementair aan de samenstellingseffecten.

Daarnaast geven we ook een indicatie van het effect van de bevolkingsomvang via een kwantitatieve

internationale vergelijking. Daarbij zetten we de waarde van een indicator van sociale cohesie af tegen de

bevolkingsdichtheid van een land.

Niet alleen de veranderingen in de bevolking drukken een stempel op de binding in de samenleving.

Ook maatschappelijke ontwikkelingen als individualisering, globalisering en digitalisering doen dat,

net als crises, zoals de coronapandemie. Om het effect van een veranderende bevolkingssamenstelling

op de sociale samenhang in de samenleving in perspectief te plaatsen, schetsen we in onze studie ook

8 Daarnaast hebben we twee extra demografische scenario’s opgesteld. Dit lichten we verder toe in paragraaf 2.4.3.1.

14 I n L E I D I n gde mogelijke invloed van het samenspel van de maatschappelijke ontwikkelingen. In een aanvullende

kwalitatieve studie, die in het eerste kwartaal van 2025 zal verschijnen, gaan we nader in op de mogelijke

invloed en gevolgen van digitalisering voor sociale cohesie (De Bakker et al. nog te verschijnen).

Al met al vergelijken we op deze manier de sociale cohesie in het Nederland van nu met de sociale cohesie

van een mogelijk Nederland in 2050.

1.5 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 besteden we aandacht aan de conceptualisering van sociale cohesie. We gaan dieper

in op het raamwerk waarmee we sociale cohesie meten. Daarnaast beschrijven we in dit hoofdstuk de

methodologische stappen om de mogelijke effecten van de verschillende bevolkingsvarianten en de ‘wat

als’-scenario’s voor de diverse indicatoren van sociale cohesie in kaart te brengen. Hoofdstuk 3 belicht de

houding van (groepen) mensen ten opzichte van elkaar en het gaat daarmee over het sociaal vertrouwen.

In hoofdstuk 4 kijken we naar het gedrag tussen (groepen) mensen onderling: sociale participatie. Het

vertrouwen in instituties staat centraal in hoofdstuk 5. Tot slot draait hoofdstuk 6 om politieke participatie.

De samenvatting en conclusie is als een losstaande publicatie te vinden via http://www.scp.nl, op de webpagina

die bij dit rapport hoort.

15 I n L E I D I n g2 Sociale cohesie: een kwantitatieve benadering

2.1 Inleiding

Van het begrip sociale cohesie zijn vele definities en interpretaties te vinden in de sociaalwetenschappelijke literatuur

en in beleidsnotities. Het gaat er hier echter niet om uit te maken wat sociale cohesie ‘eigenlijk’ is. Het opstellen van

wezensdefinities behoort niet tot de taak van de empirische onderzoeker. Wel dient hij duidelijkheid te verschaffen over

de wijze waarop hij een begrip heeft opgevat en op welke wijze welke aspecten in zijn onderzoek zijn onderzocht.

(De Hart et al. 2002: 12)

Ook voor onze kwantitatieve onderzoeksvraag – hoe zou de sociale cohesie in Nederland zich tot 2050

kunnen ontwikkelen – is het van belang sociale cohesie nader te specificeren en te operationaliseren.

Dat doen we in dit hoofdstuk. Allereerst gaan we dieper in op het twee-bij-tweeraamwerk van Chan et al.

(2006) dat in de inleiding is aangestipt. Vervolgens bekijken we aan de hand van een conceptueel model

welke invloeden er mogelijk zijn op de ontwikkeling van sociale cohesie. Voortbouwend op dit conceptuele

model beschrijven we het analytische raamwerk waarmee we de toekomst van sociale cohesie verkennen.

Dit raamwerk bestaat uit een verklaringsmodel en simulaties onder diverse veronderstellingen, die beide

aan bod zullen komen. We sluiten het hoofdstuk af met een paragraaf over de data. Dat betreft een

beschrijving van de indicatoren van sociale cohesie op basis van enquêtebestanden. Ook beschrijven we

beknopt de verschillende demografische varianten van NIDI en CBS (2020) en de consequenties daarvan

voor de bevolkingsaantallen aan de hand van de update van het CBS (2024b). Aan de verschillende

demografische varianten hebben wij twee extra varianten toegevoegd, die eveneens input zijn voor

het simulatiemodel.

2.2 Een twee-bij-tweeraamwerk

Aan de hand van hun definitie formuleren Chan et al. (2006) drie criteria die als maatstaf kunnen dienen

om te bepalen of een samenleving in voldoende mate coherent is (‘aan elkaar plakt’).9 Mensen in een

samenleving worden gezien als een coherent verband wanneer:

1 ze hun medeburgers kunnen vertrouwen, helpen en ermee samenwerken;

2 ze samen een identiteit delen of het gevoel dat ze bij de samenleving horen;

3 de subjectieve gevoelens van 1 en 2 zich vertalen in objectief gedrag.

Deze criteria laten zich vertalen naar een twee-bij-tweeraamwerk dat gehanteerd kan worden voor

empirisch onderzoek. Dit raamwerk geeft op praktische wijze richting aan het vinden van indicatoren

waarmee sociale cohesie kwantitatief is te meten.10 Daarom is ervoor gekozen om in deze toekomstverkenning

op dit raamwerk voort te bouwen. Tabel 2.1 toont het twee-bij-tweeraamwerk van

Chan et al. (2006).

9

‘Cohere’ betekent ‘hold firmly together, form a whole’ (Chan et al. 2006: 288-289). Dit komt overeen met de betekenis van het

Latijnse werkwoord ‘cohaerere’. De associatie met ‘sociale lijm’, is dus taalkundig te billijken.

10 Vergelijkbare indelingen vinden we ook in andere studies, bijvoorbeeld bij Schiefer en Van der Noll (2017).

16 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n gTabel 2.1 Een twee-bij-tweeraamwerk voor het meten van sociale cohesie

horizontale dimensie

(cohesie tussen burgers)

subjectief (opvattingen) objectief (gedrag)

sociaal vertrouwen

vertrouwen in medeburgers

hoe denken (groepen) mensen

over elkaar

verbondenheid (zich thuis

voelen in en verantwoordelijk

voelen voor Nederland)

sociale participatie

vrijwilligerswerk

lidmaatschap belangen- of

recreatieve verenigingen

contacten met vrienden en

kennissen

verticale dimensie

(cohesie tussen burgers en instituties)

institutioneel vertrouwen

in politieke instituties

in uitvoerende instituties

in private instituties

politieke participatie

stemmen bij Tweede

Kamerverkiezingen

conventionele politieke

activiteiten

onconventionele politieke

activiteiten

Bron: Chan et al. (2006); SCP-bewerking

Het raamwerk maakt een onderscheid tussen subjectieve beleving (opvattingen, houdingen, gevoelens)

en objectief gedrag (feitelijke samenwerking, participatie), en tussen horizontale en verticale vormen

van sociale cohesie. Kort gezegd hebben de horizontale vormen van sociale cohesie betrekking op het

vertrouwen en de verbondenheid die (groepen) burgers onderling ervaren. De georganiseerde bindingen

tussen burgers, zoals in het maatschappelijke middenveld, worden ook wel de ‘civil society’ genoemd. Met

de verticale vormen wordt de (vertrouwens)relatie bedoeld tussen (groepen) burgers en instituties, zoals

de overheid of het bedrijfsleven. Op basis van de twee assen ‘subjectief-objectief’ en ‘horizontaal-

verticaal’ komen we op vier aspecten: sociaal vertrouwen, institutioneel vertrouwen, sociale participatie

en politieke participatie. De vier aspecten uit tabel 2.1 onderzoeken we aan de hand van verschillende

indicatoren (zie § 2.5.1). Deze indicatoren kunnen betrekking hebben op de Nederlandse samenleving

als geheel, maar ook op groepen of regio’s. Veel (kwantitatief) onderzoek, en ook dit onderzoek, gaat

bij de analyses uit van het individuele niveau; dat wil zeggen of iemand vertrouwen heeft in anderen of

instituties, of diegene contacten heeft en of deze persoon gaat stemmen. Vervolgens wordt op basis

daarvan een zo goed mogelijk beeld gegeven van hoe onze samenleving of een deel daarvan scoort op de

aspecten waarin sociale cohesie is op te delen (De Bakker et al. 2023a; Gijsberts et al. 2024). We beschrijven

de sociale cohesie hier dus op het niveau van de Nederlandse bevolking.

2.3 Conceptueel model

Sociale cohesie omvat een breed spectrum van verbindingen tussen burgers onderling (‘civil society’) en

tussen burgers en overheid en andere instituties. Al deze verbindingen worden door talloze factoren

gevormd en beïnvloed, waardoor de ontwikkeling van sociale cohesie lastig te voorspellen is. Figuur 2.1

geeft in een algemeen conceptueel model de factoren weer die inwerken op sociale cohesie. We houden

het enigszins eenvoudig door de vele mogelijke wisselwerkingen tussen afzonderlijke factoren (verzwakkend,

versterkend, neutraliserend) buiten beschouwing te laten.11 De factoren die van invloed zijn op sociale cohesie,

zijn over drie velden verdeeld: demografische en andere individuele factoren, kernstructuren Nederland

en bredere maatschappelijke en internationale factoren.

11 We spreken hier nadrukkelijk niet van een theoretisch verklarend model. Er zijn voor sociale cohesie wel een aantal (clusters

van) verklarende theorieën aan te geven die zich op verschillende aspecten richten, zoals structuren, instituties, hulpbronnen,

culturele waarden of psychosociale mechanismen. Naar ons weten zijn er echter geen integrale theoretische verklaringsmodellen

die zich gesteund weten door empirisch onderzoek (De Bakker et al. 2023a: 34-36). Ons algemene conceptuele

model biedt een overzicht van de diverse factoren die er bij sociale cohesie toe doen en geeft een aantal basale causale

relaties aan die we duidelijk achten (de zwarte en de blauwe pijlen in figuur 2.1).

17 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n gFiguur 2.1 Algemeen conceptueel model: factoren van invloed op sociale cohesie

demografische factoren

en andere kenmerken

• leeftijd

• geslacht

• migratieachtergrond

• opleiding

• geloof/religie

• gezondheid

• werk

• inkomen en vermogen

• positie in huishouden

kernstructuren Nederland

• democratische rechtstaat

• publieke sfeer (openbare

meningsvorming)

• verzorgingsstaat

horizontaal

• leefomgeving

verticaal

• omvang populatie

sociale cohesie

subjectief

(attitude)

sociaal

vertrouwen

institutioneel

vertrouwen

objectief

(gedrag)

sociale

participatie

politieke

participatie

bredere

maatschappelijke en

internationale factoren

economische conjunctuur

en concurrentiepositie

pandemieën

sociale gevolgen van

klimaatverandering

sociale ongelijkheden

digitalisering en technologie

individualisering

geopolitieke machts-

verschuivingen en conflicten

wijziging van leefstijlen

en wereldbeelden

globalisering

Bron: bewerking van De Bakker et al. (2023a)

Demografische en andere individuele factoren

Aan de linkerkant van het schema staan de demografische en andere individuele kenmerken die van

invloed kunnen zijn op sociale cohesie. Het betreft persoonskenmerken, de directe woonomgeving

van de persoon en de omvang van de populatie. In de themahoofdstukken 3 tot en met 6 wordt kort

ingegaan op de achterliggende mechanismen. In dit rapport maken we een onderscheid tussen demo-

grafische kenmerken en de andere individuele kenmerken. Wij gebruiken voor geslacht, leeftijd, migratieachtergrond

en opleiding een aparte term, namelijk demografische kenmerken, omdat het de factoren

zijn waarvoor we op basis van bevolkingsprognoses inzicht hebben in de toekomstige ontwikkeling.

De ontwikkelingen in deze demografische kenmerken zijn de belangrijkste sturende factoren van sociale

cohesie in dit onderzoek. De andere individuele kenmerken betreffen de maatschappelijke lagen die

in een samenleving zijn te onderscheiden waartussen mogelijk een ongelijkheidsverhouding bestaat,

zoals tussen mensen met en zonder werk. De ontwikkelingen in deze demografische en andere individuele

kenmerken kunnen meer of minder invloed hebben op de verhoudingen tussen burgers en zorgen oproepen

over de sociale cohesie in een samenleving.

Met een veranderde samenstelling van de bevolking kan ook de leefomgeving veranderen. De leefomgeving

is in dit rapport afgebakend tot de directe woonomgeving, meer specifiek de buurt waarin iemand

woont. Volgens de Amerikaanse socioloog Putnam zorgt meer etnische diversiteit in de woonomgeving

voor minder sociale cohesie tussen bewoners (Putnam 2007). Uit een recent SCP-literatuuronderzoek

blijkt dat dit effect van diversiteit op sociale cohesie in Nederlandse studies soms wel en soms niet

gevonden wordt (Gijsberts et al. 2024). Uit de studies die bewijs voor een verband tussen diversiteit en

de leefomgeving vinden, blijkt dat de effecten klein zijn en niet voor alle aspecten van sociale cohesie

gevonden worden. Individuele persoonskenmerken spelen doorgaans een grotere rol om verschillen in

sociale cohesie te verklaren dan buurtkenmerken. Met andere woorden, de samenstelling van de buurt

is belangrijker voor de sociale cohesie dan de omgeving. Technisch gezien is het, om meerdere redenen,

lastig een toekomstverkenning te maken van het effect van een veranderende leefomgeving op sociale

cohesie. Dat neemt niet weg dat de woonomgeving in de discussies rondom sociale cohesie een belang-

rijke rol speelt en daarom relevant is om in beschouwing te nemen. Dat doen we dan ook. Belangrijk is

wel te benadrukken dat de uitkomsten met enige terughoudendheid moeten worden geïnterpreteerd

(zie verder § 2.4.3.4).

18 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n gBij de effecten van de ontwikkeling van de bevolkingsomvang valt een onderscheid te maken tussen

verschillende mechanismen. Gaan we gemakshalve uit van een toename van de bevolkingsomvang,

dan kan in eerste instantie gedacht worden aan mogelijke effecten van verdichting. De hypothese is dan

dat een toename in de bevolkingsdichtheid van invloed is op sociale cohesie. Maar er zijn ook effecten

van bevolkingsomvang die via andere domeinen lopen. Zo kan een toename van de bevolking gevolgen

hebben voor de woningmarkt en infrastructuur. Dat kan de sociale cohesie onder druk kan zetten op

het moment dat het beleid in deze domeinen niet is afgestemd op een bevolkingstoename. Omgekeerd

kan het uitblijven van bevolkingsgroei de beroepsbevolking doen krimpen en via de arbeidsmarkt en de

collectieve lasten de sociale cohesie onder druk zetten. En zo zijn er nog een aantal domeinen te bedenken

waarvoor de omvang van de bevolking een effect heeft. Deze effecten zullen onmiskenbaar ook een

stempel drukken op de sociale cohesie. Een indicatie van dergelijke indirecte effecten geven we met

behulp van zogenoemde ‘wat als’-scenario’s. Tegelijkertijd zijn het vraagstukken waarbij het niet primair

om sociale cohesie gaat. Zodoende is de sociale cohesie bij dergelijke vraagstukken bijvangst van goed

beleid en bijkomende schade van falend beleid.

Kernstructuren Nederland

In het midden van figuur 2.1 zijn weergegeven: de democratische rechtsstaat, een goed functionerend

publiek discours en de collectieve arrangementen die onze verzorgingsstaat belichamen. Zij zijn te

beschouwen als kernstructuren van Nederland en hebben een grote stabiliserende invloed op de sociale

cohesie in onze samenleving. Het is lastig te bepalen in hoeverre deze kernstructuren in redelijke mate

functioneren en of er sprake zou zijn van een erosie (of zelfs teloorgang) die de sociale cohesie in de

samenleving op het spel zet. Maar wanneer allerlei vangnetten voor sociaal zwakkere groepen volledig

worden weggehaald (geen bijstandsuitkeringen meer of toeslagen, geen collectieve zorgvoorzieningen

meer, enz.), zal nagenoeg iedereen het erover eens zijn dat dit mogelijk een grote negatieve impact

kan hebben op de sociale cohesie in Nederland, ongeacht hoe men het functioneren van de huidige

verzorgings­ staat ook kwalificeert.

Bredere maatschappelijke en internationale factoren

Aan de rechterkant van figuur 2.1 zijn grotere factoren weergegeven die ons als het ware overschaduwen en

die via allerlei wegen (economisch, sociaal, cultureel) van invloed zijn op de sociale cohesie in Nederland.

Vermoedelijk zijn er nog meer te noemen en zijn er uiteraard ook allerlei nadere specificaties mogelijk,

maar de negen contextuele factoren en krachten die we hier opsommen lijken ons behoorlijk breed en

dekkend. We hebben ze bewust wat lukraak in een ‘ovale wolk’ gezet, in plaats van een keurig rijtje.

Hiermee willen we uitdrukken dat deze factoren op allerlei wijzen met elkaar verstrengeld zijn, dat ze

een dynamische kluwen vormen waarbij relaties empirisch heel lastig zijn vast te stellen. Zo kan globa-

lisering bijvoorbeeld individuele leefstijlen versterken en culturele waarden aanjagen, die (een verdere)

internationalisering van de economie bevorderen, die gepaard gaat met een hogere mate van flexibilisering

van arbeid en nieuwe sociale ongelijkheden, die hun weerslag hebben op de sociale verbondenheid

in een samenleving. Zulke mogelijke ketens van oorzaken en gevolgen zijn echter moeilijk meetbaar

vanwege de vele variabelen die hierbij een rol spelen. De impact van zulke brede ontwikkelingen op de

sociale cohesie is daarom lastig te voorspellen. Dat is nog los van het gegeven dat er ook voor iedere

brede ontwik­ keling een voorspelling nodig zou zijn voordat de invloed op de toekomstige sociale cohesie

vastgesteld kan worden.

2.4 Analysemodel

Het conceptuele model laat zien welke factoren er allemaal inwerken op sociale cohesie. Als we dit analytisch

meer handen en voeten geven, betekent dit dat we moeten weten hoe de verschillende factoren samen-

hangen met sociale cohesie. Als we vervolgens daarmee de toekomst willen verkennen, moeten we

weten hoe die verschillende factoren er in de toekomst uitzien. Bovendien moeten we de samenhang

en de toekomstige factoren met elkaar combineren. De mate van samenhang stellen we vast met een

verklaringsmodel dat een relatie legt tussen indicatoren van sociale cohesie en verklarende variabelen,

zoals geslacht, leeftijd, migratieachtergrond, opleiding, gezondheid, inkomen en stedelijkheid van de

woonomgeving. Voor de toekomstige factoren maken we gebruik van de CBS-update (2024b) van de

19 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n gbevolkingsprognoses van NIDI en CBS voor 2050. We combineren samenhang en toekomstige factoren

tot een simulatiemodel. Figuur 2.2 geeft een schematische weergave hoe we met dit simulatiemodel tot

mogelijke veranderingen voor de indicatoren van sociale cohesie in 2050 komen. In deze paragraaf gaan

we eerst dieper in op het verklaringsmodel en vervolgens op het simulatiemodel.

Figuur 2.2 Analysemodel voor indicatoren van sociale cohesie

verklaringsmodel simulatiemodel

Surveydata met per

persoon waarde voor

indicatoren van sociale

cohesie en demo-

grafische kenmerken,

sociale kenmerken,

periode en omgeving

(SSW; LISS)

(§ 2.5.1).

Samenhang tussen

persoonskenmerken en

indicatoren van sociale

cohesie. Per combinatie

van geslacht, leeftijd,

herkomst en opleiding is

de kans berekend om

positief te scoren op een

indicator van sociale

cohesie (§ 2.4.1).

Veranderingen per

indicator van sociale

cohesie (§ 2.4.2).

Voorspelde aantallen per

combinatie van geslacht,

leeftijd, herkomst en

opleiding (NIDI en CBS)

(§ 2.5.2).

Bron: SCP

2.4.1 Verklaringsmodel

Met een verklaringsmodel wordt de samenhang geschat tussen de waarde van een indicator van sociale

cohesie en een aantal kenmerken. Voor de indicatoren van sociale cohesie weten we bijvoorbeeld of

iemand bevestigend heeft geantwoord op de vraag of anderen te vertrouwen zijn, vertrouwen heeft in

instituties, lid is van een vereniging of vrijwilligerswerk doet, of aan politieke activiteiten deelneemt.

Ook weten we hoe mensen over anderen denken, en of zij vrienden hebben met een andere achtergrond

dan zijzelf. Op basis van deze informatie kunnen groepsgemiddelden voor de indicatoren berekend

worden. Om een voorbeeld te geven: stel dat in 2022 56% van de 75-plussers vertrouwen heeft in andere

mensen en voor 65-75-jarigen is dit 64%. Dat betekent dat als we aan een willekeurige 75-plusser in

2022 zouden vragen of diegene andere mensen vertrouwt, de kans op een bevestigend antwoord 56%

is. Evenzo zou de kans voor een 65-75-jarige 64% zijn. Deze basisinformatie van gemiddelden geven

we voor alle indicatoren in paragraaf 2 van elk themahoofdstuk. Op basis van het conceptuele model

verwach­ ten we dat niet alleen iemands leeftijd van invloed is op het antwoord dat diegene geeft.

Ook andere kenmerken, zoals migratieachtergrond, opleiding of inkomen, zijn daarop van invloed.

Zo zouden we voor de 75-plussers ook nog naar migratieachtergrond, opleiding, inkomen enzovoort

onderscheid kunnen maken met voor iedere combinatie van kenmerken een kans. Dat is eigenlijk wat

we met het verklaringsmodel doen. We schatten voor alle indicatoren van sociale cohesie een model

waarmee we nagaan wat de samenhang tussen kenmerken en indicator is.

Figuur 2.3 geeft een schematisch overzicht van het verklaringsmodel. De figuur is een vertaling van het

gepresenteerde conceptuele model en laat zien met welke kenmerken we rekening houden. Met

bevolkings­ omvang kunnen we in dit model geen rekening houden; met de leefomgeving kunnen we

dat wel voor de indicator algemeen vertrouwen (zie § 2.4.3.4). Voor alle indicatoren van sociale cohesie

schatten we een verklaringsmodel waarin we voor meerdere kenmerken gelijktijdig de invloed op een

indicator vaststellen.

20 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n gFiguur 2.3 Verklaringsmodel voor indicatoren van sociale cohesie

demografische ontwikkelingen

en andere kenmerken

• leeftijd

• geslacht

• herkomst naar generatie

• opleiding

kernstructuren

Nederland

• constante term

bredere maatschappelijke

en internationale

ontwikkelingen

• tijd

• geloof/religie

• gezondheid

• werk

• inkomen

• positie in huishouden

• stedelijkheid van de omgeving

• diversiteit van de omgeving

kans om positief te

scoren op indicatoren

van sociale cohesie

Bron: SCP

Het schatten van de verklaringsmodellen doen we met een logistische regressie. Daarmee worden

kansverhoudingen (‘odds ratio’s’) geschat, die we voor het simulatiemodel omrekenen naar kansen.12

Voor iedere combinatie van kenmerken berekenen we zo een geschatte kans op een positief antwoord

voor een indicator van sociale cohesie. In het voorbeeld betreft dat dus de kans dat iemand aangeeft dat

hij vertrouwen in andere mensen heeft. En de willekeurige 75-plusser in 2022 uit ons voorbeeld wordt

een stuk specifieker gemaakt, waarbij ook geslacht, opleiding, migratieachtergrond, geloof, inkomen,

werk, gezondheid en type woongemeente bepalen wat de kans op een positief antwoord is voor een

indicator van sociale cohesie. Per indicator verkrijgen we op deze manier kansen op een positief antwoord

die afhangen van de verklarende variabelen van het model. De resultaten van het verklarings­ model zijn

in tabellen B2.1-B2.8 in bijlage B2.1 opgenomen, te vinden via http://www.scp.nl bij dit rapport.

2.4.2 Simulatiemodel

Als met het verklaringsmodel is vastgesteld wat de relatie tussen iedere indicator van sociale cohesie

en de verklarende variabelen is, kan vervolgens voor iedere combinatie van kenmerken de kans op een

positieve score op de desbetreffende indicator worden bepaald. Het enige dat dan nog ontbreekt om

de indicatoren van sociale cohesie in 2050 te verkennen, is hoe vaak iedere combinatie van kenmerken

in de toekomst voorkomt. Daarvoor maken we gebruik van de CBS-update van de bevolkingsprognoses

van NIDI en CBS. Deze prognoses geven de verwachte aantallen in 2050 per combinatie van geslacht,

leeftijd, opleiding en migratieachtergrond inclusief een onderscheid naar eerste of tweede generatie.

Door de kansen uit het verklaringsmodel met de toekomstige aantallen te wegen, krijgen we een beeld

hoe de indicatoren van sociale cohesie op basis van de verwachte demografische samenstelling in 2050 zich

kunnen ontwikkelen (zie kader 2.1).13

12 Bij logistische regressie is de afhankelijke variabele de natuurlijke logaritme van de ‘odds’. Voor het gemak spreken we in dit

hoofdstuk van kansen. In de praktijk wordt nog een rekenslag gemaakt.

13 Merk op dat CBS (2024b) niet van ieder kenmerk uit het verklaringsmodel een prognose heeft (bv. niet van geloof, inkomen,

werk, enz.). De kansen worden geaggregeerd naar een combinatie van geslacht, leeftijd, migratieachtergrond, generatie en

opleiding. De impliciete veronderstelling is dat de kenmerken waar geen prognose van is, mee ontwikkelen met de

variabelen waar wel prognoses van zijn. De geaggregeerde kans betreft een gewogen gemiddelde.

21 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n gKader 2.1 Het met de toekomstige aantallen gewogen gemiddelde van kansen

NIDI en CBS hebben bevolkingsprognoses gemaakt waarbij verschillende kenmerken worden onderscheiden. In de

zomer van 2024 heeft het CBS heeft hiervan een update gemaakt. De onderscheiden kenmerken zijn geslacht (2),

leeftijd (7), opleiding (3) en herkomst (1 + 2*6). In totaal zijn er dus 2*7*3*13 = 546 combinaties van kenmerken. Van

iedere combinatie hebben NIDI en CBS berekend hoeveel personen er in 2050 naar verwachting zullen zijn. Met het

verklarings­ model hebben wij voor iedere combinatie de kans op een positief antwoord voor een indicator bepaald.

Door het aantal voorspelde personen per combinatie te vermenigvuldigen met de corresponderende kansen en de

resultaten te sommeren en vervolgens te delen door de totale populatie, hebben we de verwachte waarde voor de

indicator verkregen. Ofwel: het met de toekomstige aantallen gewogen gemiddelde van kansen. Als bijvoorbeeld

ouderen laag scoren op een indicator en het aandeel ouderen neemt toe, dan zal de score van deze indicator als gevolg

van dit grotere aandeel ouderen afnemen.

De modeluitkomsten geven een ‘voorspelling’ van sociale cohesie in 2050. We zijn echter niet zozeer

geïnteresseerd in hoe groot de waarde van de indicator van sociale cohesie in 2050 precies is, maar in de

veranderingen hierin. Het zou pretentieus zijn om een voorspelling van sociale cohesie te geven; daarvoor

zijn de statistische modellen waarop de predicties gebaseerd zijn te zeer een abstractie van de werke-

lijkheid.14 Doordat we op beide momenten (nu en in de toekomst) dezelfde uitgangspunten hebben met

dezelfde onzekerheden, wordt het effect van een veranderende bevolkingssamenstelling wel eenduidig

bepaald. De verandering in de indicator is het geïsoleerde effect van demografische ontwikkelingen.

Deze verandering kunnen we gebruiken om 2023, het beginjaar van de CBS-prognoses, met 2050 te

vergelijken. Ook kunnen de resultaten van verschillende (demografische) scenario’s voor de toekomst

onderling vergeleken worden. Het gaat ons dus vooral om de veranderingen. Kortom, het simulatiemodel

geeft een onderbouwd beeld van veranderingen in de indicatoren van sociale cohesie, als gevolg

van demografische ontwikkelingen.

Als we ons zouden beperken tot de hiervoor beschreven simulaties, dan nemen we verschillende

aandachts­ punten niet mee. Om die wel mee te nemen, hebben we verschillende aanvullende analyses

uitgevoerd. Vooruitlopend op de beschrijving van deze analyses in de volgende paragrafen, stippen

we ze hier vast aan. De aandachtspunten zijn in de eerste plaats de bevolkingsprognoses die de nodige

onzeker­ heid kennen; niet voor niets gaan NIDI en CBS (2020) van verschillende varianten uit. We voegen

daar nog twee extremere varianten aan toe. In de tweede plaats betreft dat de impliciete veronder­ stelling

dat het verband tussen indicatoren en kenmerken in de toekomst gelijk is aan het verband zoals dat in het

verleden bestond.15 We ontwikkelen ‘wat als’-scenario’s met andere verbanden. Het derde aandachts­ punt

betreft de aard van het model. Het model rekent uitsluitend een samenstellingseffect uit. Dat wil zeggen:

het model maakt alleen zichtbaar hoe indicatoren veranderen als gevolg van meer of minder diversiteit

in de samenleving. Daarom maken we extra berekeningen om een indruk te geven van het mogelijke

effect van de bevolkingsomvang. Het vierde aandachtpunt is dat er geen rekening gehouden wordt met

maatschappelijke ontwikkelingen, zoals digitalisering, globalisering en individualisering. Ook hiervoor

ontwikkelen we ‘wat als’-scenario’s. Het vijfde is dat er geen rekening gehouden is met een reactie van de

samenleving op verdichting en veranderingen van de bevolkingssamenstelling in de directe leefomgeving

die als gevolg van bevolkingsgroei onontkoombaar zijn. Daarom maken we voor één indicator, algemeen

vertrouwen, extra analyses waarin ook de contexteffecten worden betrokken.

2.4.3 De veronderstellingen van het simulatiemodel

Om aan de aandachtspunten uit de vorige alinea tegemoet te komen, voeren we een aantal verschillende

analyses met het simulatiemodel uit. Daarin gaan we na in hoeverre de bevolkingssamenstelling, een

andere manier van denken en doen, maatschappelijke ontwikkelingen en veranderingen in de omgeving

van invloed zijn op de veranderingen van de indicatoren van sociale cohesie. We lichten de veronderstellingen

die onder deze berekeningen liggen nu nader toe.

14 Gegeven het model zijn de betrouwbaarheidsintervallen rondom de predicties overigens wel zeer klein (zie bijlage B2.2).

15 Voor de indicatoren waarover we geen informatie in het verleden hebben, gaat het om het verband in 2022.

22 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n g2.4.3.1 Bevolkingssamenstelling

Jaarlijks maakt het CBS bevolkingsprognoses. Deze jaarlijkse prognoses zijn gebaseerd op veronder­ stellingen

over het kindertal per vrouw, de levensverwachting en migratie. Omdat deze veronderstellingen onzekerheid

kennen, hebben NIDI en CBS zeven alternatieve bevolkingsvarianten doorgerekend (NIDI en CBS 2021).

Samen met een prognose die aansluit bij de jaarlijkse prognoses van het CBS zijn er dus acht demografische

varianten. In 2024 heeft het CBS deze acht varianten geüpdatet met de meest recente gegevens. Dat zijn

de prognoses die we in dit rapport gebruiken (CBS 2024b). Door alle verschillende demografische varianten

door te rekenen, brengen we de gevoeligheid van de uitkomsten voor onzekerheden ten aanzien van

veranderingen in de bevolkingssamenstelling in beeld. De zogenoemde middenvariant, die overeenkomt

met de jaarlijkse prognose van het CBS, dient daarbij voor ons als referentiesimulatie. Enerzijds om

de andere demografische varianten mee te vergelijken, anderzijds als basis voor aanvullende (andere)

simulaties.

De interpretatie van de middenvariant is die van de meest waarschijnlijke toekomstige demografische

ontwikkeling op basis van actuele kennis. Ook is de middenvariant in vergelijking met de andere variant,

zoals ook uit de naam kan worden afgeleid, een variant die qua demografische ontwikkelingen overal

een beetje tussenin zit. In deze variant is sprake van verdergaande vergrijzing. In sommige varianten is

dat meer en in sommige andere varianten minder dan in de middenvariant. Vergrijzing wil zeggen dat in

alle varianten het aandeel 65-plussers groter wordt dan het huidige aandeel. Ook voor migratie hebben

NIDI en CBS (2020) en CBS (2024b) verschillende varianten doorgerekend, met zowel een hoge als lage

migratievariant. Hoeveel de migratie zal toe- of afnemen, en in welke mate, is tamelijk onzeker. Dat is

sterk afhankelijk van beleid, oorlogen, klimaatverandering en de economische situatie in diverse landen.

In de middenvariant worden onder andere de migratietrends van de afgelopen jaren doorgetrokken.

Dat impliceert dat er wordt uitgegaan van een migratiesaldo van 71.000 mensen per jaar. Tussen 2002 en

2014 schommelde het migratiesaldo tussen -30.000 en +30.000. Sindsdien is het met uitzondering van

de coronajaren steeds gegroeid. In de laatste jaren was dat beduidend hoger dan 71.000. In 2019 was het

108.000, in 2020 68.000, in 2021 107.000, in 2022 224.000. En recentelijk in 2023 was het saldo 138.000.16

Vanwege de toename van het migratiesaldo van de laatste jaren hebben we ook twee extra varianten

doorgerekend, waarbij het aandeel migranten uit een asielland of een studie migratieland in 2050 twee

keer zo hoog is als in de overeenkomstige varianten asiel en arbeid.

Tabel 2.2 vat de veronderstellingen van de verschillende demografische varianten samen (zie ook NIDI

et al. 2019).

Tabel 2.2 Demografische varianten voor 2050, vergelijking ten opzichte van middenvariant

variant levensverwachting vruchtbaarheid migratie

groei stijgt sterker gem. meer kinderen per vrouw hoger migratiesaldo

krimp stijgt zwakker gem. minder kinderen per vrouw lager migratiesaldo

groen stijgt zwakker gem. meer kinderen per vrouw

grijs stijgt sterker gem. minder kinderen per vrouw

lage migratie lager migratiesaldo

arbeid hoger migratiesaldo

asiel hoger migratiesaldo

arbeid plus 2x zo hoog als in arbeid

asiel plus 2x zo hoog als in asiel

Bron: NIDI et al. (2019); SCP-bewerking

16 Dit is het totale migratiesaldo, dus niet alleen asielmigratie (zie ook CBS 2024c).

23 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n gDe demografische ramingen kennen een uitsplitsing naar leeftijd, geslacht, herkomst en opleiding.

Zoals blijkt uit tabel 2.2, is in de varianten gevarieerd met leeftijd (levensverwachting en vruchtbaarheid)

en migratie. Ook de samenstelling naar het opleidingstype verandert in 2050, maar voor de veranderingen

naar opleidingstype zijn geen specifieke varianten gemaakt.17 Paragraaf 2.5.2 geeft een beschrijving van

de omvang en samenstelling van de bevolking in 2050 in de verschillende varianten.

2.4.3.2 Andere manier van denken en doen

Zoals gezegd is niet alleen de toekomstige samenstelling van de bevolking onzeker, ook de relatie tussen

de verklarende variabelen en de indicatoren van sociale cohesie kan in de toekomst anders zijn dan dat

we voor het recente verleden – 2012 tot en met 2022 – met het verklaringsmodel hebben vast­ gesteld. Daarom

hebben we ook een aantal ‘wat als’-scenario’s doorgerekend. Voor een aantal (extreme) verande­ ringen

in de relatie tussen de indicatoren van sociale cohesie en de verklarende variabelen wordt gekeken wat

de invloed is op de resultaten. De ‘wat als’-scenario’s richten zich op alternatieve veronderstellingen over

de samenhang tussen leeftijd, herkomst of opleiding en de indicatoren. Tabel 2.3 geeft een overzicht van

de verschillende scenario’s en we lichten ze daarna nader toe.

Tabel 2.3 Overzicht van de verschillende ‘wat als’-scenario’s

scenario kenmerk Omschrijving

verschil tussen

generaties

leeftijd In het basisscenario hangen houding en gedrag af van iemands leeftijd

en wijzigen deze dus gedurende de levensloop. In dit scenario is de

veronderstelling dat houding en gedrag niet veranderen gedurende de

levensloop daarmee generatie-afhankelijk zijn.

kinderen van de

tweede generatie

herkomst In het basisscenario wordt geen onderscheid gemaakt tussen Nederlanders

zonder migratieachtergrond en kinderen van de tweede generatie

Nederlanders met een migratieachtergrond. In dit scenario worden

houding en gedrag van de kinderen van de tweede generatie gelijk

verondersteld aan houding en gedrag van hun ouders.

culturele competitie herkomst Houding en gedrag van mensen zonder migratieachtergrond met een

havo-, vwo- of mbo-opleiding gaat lijken op houding en gedrag van

mensen zonder migratieachtergrond met een basis- of vmbo-opleiding.

culturele convergentie herkomst Houding en gedrag van de tweede generatie met een migratieachtergrond

en Nederlanders zonder migratieachtergrond wordt, op basis van een

ongewogen gemiddelde, hetzelfde verondersteld.

toenemend verschil

tussen opleidingen

opleiding Houding en gedrag van personen met een mbo-1-opleiding worden gelijk

aan houding en gedrag van personen met basisonderwijs; houding en

gedrag van personen met een havo-, vwo- of mbo-opleiding worden

gelijk aan houding en gedrag van personen met een mbo-1-opleiding.a

diploma-inflatie opleiding Houding en gedrag van mensen met hbo- of wo-opleiding gaan lijken op

houding en gedrag van mensen met een havo-, vwo- of mbo-opleiding.

meer waardering opleiding Houding en gedrag van mensen met een basis- of vmbo-opleiding gaan

lijken op houding en gedrag van mensen met een havo-, vwo- of

mbo-opleiding.

gelijkvormigheid opleiding Houding en gedrag worden voor mensen met elk opleidingstype, op basis

van een ongewogen gemiddelde, gelijk.

a Voor dit scenario maken we gebruik van een vijfdeling in opleiding.

Bron: SCP

Wanneer een samenleving uit relatief veel ouderen bestaat, zal de bevolking andere prioriteiten hebben,

zoals zorg en veiligheid, dan wanneer een samenleving uit overwegend jongeren bestaat. Al verschillende jaren

achtereen pakt de brede welvaart in het ‘hier en nu’ nadelig uit voor de volgende generaties (CBS 2024a).

De omstandigheden waaronder mensen opgroeien beïnvloeden hun opvattingen en gedrag (zie bv. Inglehart

17 De opleidingsramingen zijn door het CBS (2024b) aan ons geleverd.

24 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n g1977, 1997). Die omstandigheden zijn voor de huidige jongeren in een aantal opzichten anders dan

voor de voorgaande generaties. Daar horen de hiervoor genoemde veranderingen in het klimaat en de

natuurlijke omgeving toe, maar bijvoorbeeld ook de verantwoordelijkheid die jongeren hebben voor hun

eigen succes en falen (Sandel 2020). Het afronden van een hbo- of wo-opleiding biedt niet meer perse

een garantie voor succes. Meer mensen hebben zo’n diploma en daardoor kan het minder waard worden.

Daardoor kan het vinden van werk dat aansluit op de opgedane vaardigheden moeilijker worden. Vaak

gaat dat om een baan met een flexibel contract. Dat helpt niet om een betaalbaar huis te vinden. Door de

andere omstandigheden waarin de huidige jongeren opgroeien, gedragen ze zich anders dan voorgaande

generaties (Rekker 2024). Ze houden er ook andere opvattingen op na (o.a. Van Houwelingen en De Hart

2019; Lubbers en Scheepers 2019; Muis et al. 2019; Spierings 2024). Of de andere omstandigheden waarin

de huidige jongeren opgroeien daar verantwoordelijk voor zijn, is (nog) onduide­ lijk. Andere opvattingen

kunnen gevolgen hebben voor de samenhang in de samenleving, bijvoorbeeld als het gaat om de houding

tegenover ‘de ander’ of de bereidheid om iets voor ‘de ander’ te doen. De impliciete veronderstelling van

het simulatiemodel is dat opvattingen en gedrag leeftijds­ afhankelijk zijn en veranderen gedurende de

levensloop. Uitgelegd aan de hand van een voorbeeld betekent dit dat een gemiddelde 50-jarige in 2050

dezelfde opvattingen en gedrag heeft als de gemiddelde 50-jarige van nu.18 Dat betekent dan dus dat de

25-jarige van nu, die over 25 jaar 50 is, qua opvatting en gedrag niet verandert. Voor ons is het met de data

niet mogelijk om te ontrafelen of effecten wel of niet veranderen gedurende de levensloop.19,20 Om dat te

doen hebben we over een langere periode gegevens nodig dan waar we nu de beschikking over hebben.

Om toch een idee te krijgen wat er met de indicatoren van sociale cohesie in 2050 zou kunnen gebeuren

als de opvattingen en het gedrag tussen de generaties veranderen, hebben we een ‘wat als’-scenario

gemaakt waarin de opvattingen en het gedrag van de 50-jarigen in 2050 uit ons voorbeeld qua opvattingen

en gedrag hetzelfde zijn als de 20-jarigen van nu (‘verschil tussen generaties’-scenario).21

Over migratie en migranten wordt in de samenleving verschillend gedacht. Sommigen zien het als

een verrijking van de samenleving vanwege het werk dat migranten doen en de bijdrage die zij aan

de samenleving leveren. Er is ook een groep mensen die migratie als een bedreiging ziet (Coenders en

Dagevos 2024). Zij maken zich zorgen en vinden dat er te veel migranten naar Nederland komen en dat

migratie ten koste gaat van het oplossen van de problemen waar Nederlanders mee te maken hebben,

zoals woningnood, armoede en prijsstijgingen (Den Ridder et al. 2023a, 2024). Het deel van de bevolking

dat hier zo tegen aankijkt, ervaart die dreiging zowel op economisch als cultureel vlak, wat leidt tot een

gevoel van verlies aan nationale eigenheid. Daardoor voelt deze groep zich minder thuis in Nederland.

Als in de toekomst de migratie toeneemt, zou een situatie kunnen ontstaan waarin een grotere groep dan

nu het geval is het gevoel heeft de concurrentie met migranten aan te moeten gaan, waardoor zij migranten

als bedreiging ervaren. In dit ‘culturele competitie’-scenario bekijken we wat deze mogelijke situatie doet

met de indicatoren van sociale cohesie. Degenen die migratie en migranten als een bedreiging ervaren,

hebben vaak een vmbo-opleiding (Coenders en Dagevos 2024). In dit scenario veronderstellen we dat

van alle mensen zonder migratieachtergrond degenen met een havo-, vwo- of mbo-opleiding gaan lijken

op mensen zonder migratieachtergrond met een vmbo-opleiding.

18 Ervan uitgaande dat al het andere hetzelfde is. Hoewel dat vanwege correlaties tussen kenmerken in de regel niet het geval

zal zijn.

19 Eigenlijk is er nog een mogelijk mechanisme te onderscheiden: opvattingen en gedrag kunnen door de tijd heen veranderen.

Analyses waarbij het effect van leeftijd, generatie en tijd kunnen worden onderzocht zijn de zogeheten APC-analyses (‘Age,

Period, Cohort’). Daarvoor is de periode dat we over data beschikken echter te kort.

20 Ook voor anderen is het niet eenduidig vast te stellen of de indicatoren van sociale cohesie veranderen over de levensloop of

niet (zie bv. Dawson 2019; Holbein 2017; Lancee en Radl 2014; Niebuur et al. 2022; Schoon en Cheng 2011; Sturgis et al. 2010;

Wasburn 1994).

21 Bij deze simulaties vergelijken we op basis van een deelpopulatie. In onze analyses voor 2050 kunnen we alleen diegenen

meenemen waarvan we nu al weten hoe zij denken en zich gedragen: degenen die 20 jaar of ouder zijn. Van nieuw generaties

in 2050, die deels nu nog niet geboren zijn, weten we dat niet. In 2050 zijn de 20-plussers van nu minimaal 50 jaar oud.

Voor een correcte vergelijking tussen 2019 en 2050 moeten we in 2019 daarom ook alleen kijken naar de opvattingen en het

gedrag van degenen die 50 jaar of ouder zijn. Als gevoeligheidsanalyse hebben we deze simulatie ook uitgevoerd voor de

hele populatie waarbij is verondersteld dat de houding en het gedrag van de 50-minners van de toekomst gelijk is aan die

van de 20-jarigen van nu. Dat geeft dezelfde, zij het iets sterkere, effecten.

25 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n gAls de migratie toeneemt, is het voor het samenleven van belang te weten hoe het migranten en hun

kinderen in Nederland vergaat. Verschillende studies tonen aan dat zij te maken hebben met discriminatie

(zie bv. Andriessen et al. 2020; Thijssen et al. 2019). Vooral de mensen die al langer in Nederland zijn of

die in Nederland zijn geboren, ervaren discriminatie (Dagevos et al. 2022). Deze integratieparadox, waarbij

degenen die het meest ‘geworteld’ zijn het grootste onbehagen hebben, kan leiden tot uitsluiting, een

verminderd gevoel thuis te zijn en een geringere verbondenheid met de samenleving. Als hier in de toekomst

niets in verandert, zou dat voor een grotere groep in de bevolking kunnen gelden. In een tweede scenario

dat gerelateerd is aan migratie veronderstellen we dat de kinderen van tweede generatie migranten

dezelfde houding en hetzelfde gedrag hebben als hun ouders.22 We noemen dat het ‘kinderen van de

tweede generatie’-scenario.

In een derde ‘wat als’-scenario dat aan migratie is gerelateerd, gaan we ervan uit dat in de toekomst

wel verandering optreedt in de situatie waar migranten en hun kinderen nu nog mee te maken hebben,

waardoor zij niet meer gediscrimineerd worden en zich geaccepteerd en gezien voelen. Hun opvattingen

en gedrag zouden daardoor meer kunnen lijken op die van degenen zonder migratieachtergrond. Deze

gedachte sluit aan bij een van de beelden van Roeters en Van den Broek (2022) in hun studie De toekomst

in meervoud. Daarin verandert de samenleving doordat kinderen van verschillende achtergronden samen

les krijgen, in dezelfde wijken wonen en onderlinge contacten worden bevorderd. Dit ‘culturele conver-

gentie’-scenario modelleren we door alle coëfficiënten23 van het kenmerk migratieachtergrond van de

tweede generatie en de coëfficiënt zonder migratieachtergrond te middelen (ongewogen gemiddelde)

en die gemiddelde coëfficiënt toe te passen op mensen met een migratieachtergrond van de tweede

generatie en mensen zonder migratieachtergrond.

Wanneer het aandeel mensen met een hbo- of wo-opleiding in de toekomst blijft toenemen, zouden

zich verschillende situaties voor kunnen doen. Een daarvan kan zijn dat er meer mensen in de samenleving

bijkomen die door hun opleiding een bevoorrechte positie weten te verwerven. Met als mogelijk gevolg dat

zij die voor hun kinderen ook proberen te verwezenlijken (zie bv. Collins 1979; Murphy 1988) via de hulp-

bronnen waar zij over beschikken, zoals menselijk, financieel en cultureel kapitaal. De sociale ongelijk­ heid

kan hierdoor toenemen: de kloof tussen de mensen die een hbo- of wo-opleiding hebben en degenen

die dat niet hebben kan groter worden. In het ‘toenemend verschil tussen opleidingen’-scenario gaan

we daar van uit. We veronderstellen dat mensen van verschillende opleidingstypen in houding en gedrag

ten aanzien van sociale cohesie minder op elkaar gaan lijken. Dat houdt in dat de samenhang tussen

de indicatoren en een vmbo-opleiding gaat lijken op de samenhang tussen de indicatoren en basisonderwijs.24

Daarmee wordt het verschil tussen mensen met en zonder een hbo- of wo-opleiding groter.

Meer mensen met een hbo- of wo-opleiding in de toekomst zou er ook toe kunnen leiden dat hun aantal

groter wordt dan waar de arbeidsmarkt behoefte aan heeft. Voor degenen met zo’n opleiding wordt het

dan moeilijker om hun investering te gelde te maken. Zij zullen zich op andere manieren moeten onder-

scheiden, bijvoorbeeld door van meerdere hbo- of wo-opleidingen een diploma te hebben behaald of

door excellent-onderwijs te hebben gevolgd, zoals tweetalig onderwijs of honoursprogramma’s. In deze

situatie is er sprake van diploma-inflatie. In het scenario met die naam wordt het verschil tussen mensen

met en zonder een hbo- of wo-opleiding kleiner, doordat mensen met een hbo- of wo-opleiding in houding

en gedrag gaan lijken op mensen met een havo-, vwo- of mbo-opleiding.

Wanneer het aanbod van mensen met een hbo- of wo-opleiding in de toekomst de vraag overstijgt,

kan het ook zijn dat degenen met een ander type opleiding zich weten te onderscheiden en daardoor

meer gewaardeerd worden. Die waardering kan er ook komen doordat de beroepen waar geen hbo- of

22 Hoewel we begrijpen dat de derde generatie niet meer onderscheiden mag worden op basis van kenmerken van de

grootouders, kijken we in deze simulatie naar de kinderen van de tweede generatie, omdat er signalen zijn dat sommige

mensen met een migratieachtergrond van de tweede generatie zich minder vertegenwoordigd voelen en minder vertrouwen

hebben in de politiek dan de eerste generatie (Dagevos et al. 2024). We willen nagaan wat het zou betekenen voor de

indicatoren van sociale cohesie als houding en gedrag van de kinderen van deze tweede generatie op die van hun ouders

zouden lijken.

23 Een coëfficiënt geeft het geschatte verband weer tussen een indicator en een kenmerk (zie § 2.4.1).

24 Bij het schatten hebben we vijf opleidingstypen. Havo, vwo en mbo worden verdeeld over de twee andere typen die samen

basis en vmbo vormen.

26 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n g­ wo-opleiding voor nodig is meer op waarde worden geschat. Voor de groep in de bevolking die geen

hbo-, wo-opleiding heeft biedt dat perspectief op sociale stijging. In het ‘meer waardering’-scenario

wordt het verschil tussen mensen met een basis- of vmbo-opleiding en mensen met een havo-, vwo- of

mbo-opleiding kleiner doordat houding en gedrag van mensen met een basis- of vmbo-opleiding gaan

lijken op houding en gedrag van mensen met een havo-, vwo- of mbo-opleiding.

Tot slot zijn we in contrast met de voorgaande scenario’s van een situatie uitgegaan die overeenkomsten

vertoont met het ‘culturele convergentie’-scenario. In dit zogenoemde ‘gelijkvormigheidsscenario’

veronder­ stellen we dat de verschillen in opvattingen en gedrag tussen mensen met verschillende opleidingstypen

meer overeen zullen komen, bijvoorbeeld doordat kinderen van verschillende onderwijstypen

samen les krijgen en onderlinge contacten bevorderd worden. Dit scenario is vormgegeven door de

coëfficiënten van het kenmerk opleiding ongewogen te middelen en dat gemiddelde voor iedereen

te gebruiken.

De geschetste ‘wat als’-scenario’s met andere verbanden tussen leeftijd, migratie en opleiding enerzijds en de

indicatoren anderzijds geven niet een waarschijnlijke of mogelijke toekomst, maar helpen te doordenken wat

de bandbreedte van effecten is voor een samenleving waarin de opvattingen en het gedrag van mensen

meer uiteen gaan lopen en voor een samenleving waarin de opvattingen en het gedrag van mensen meer

op elkaar gaan lijken. Het is dus niet zo dat bijvoorbeeld bewezen is dat samen in de klas zitten resulteert

in dezelfde houdingen en hetzelfde gedrag. Het gaat hier puur om een gedachtenexperiment dat de richting

en de orde van grootte van effecten in beeld brengt.

2.4.3.3 Maatschappelijke ontwikkelingen

Ook maatschappelijke ontwikkelingen zijn een bron van onzekerheid als het gaat om sociale cohesie in de

toekomst. Maatschappelijke ontwikkelingen laten zich echter om meerdere redenen lastig modelleren. In de

eerste plaats omdat de relatie tussen maatschappelijke ontwikkelingen en indicatoren van sociale cohesie

een knoop is die zich lastig laat ontrafelen in individuele bijdragen van iedere afzonderlijke maatschappelijke

ontwikkeling.25 In de tweede plaats moet er voor een voorspelling van de indicatoren van sociale cohesie,

naast een verband tussen maatschappelijke ontwikkelingen en indicatoren van sociale cohesie, ook een

voorspelling zijn van diezelfde maatschappelijke ontwikkelingen in 2050. We kunnen toekomstige effecten

van een eventueel verband immers pas bepalen als we weten hoe de onafhankelijke ‘variabele’ er in de

toekomst uitziet. En dit laatste is uitermate lastig, want wie had bijvoorbeeld in 2019 de coronapandemie

voorspeld? En dat was dan nog maar één jaar vooruit.

Toch is er wel wat mogelijk om meer grip op het effect van maatschappelijke ontwikkelingen te krijgen.

Dat doen we in eerste instantie door terug te kijken naar het verleden. Daarmee krijgen we een beeld

van de invloed maatschappelijke ontwikkelingen. Kennen indicatoren grote veranderingen, zijn deze

verande­ ringen met schokken gegaan en gaan deze schokken een bepaalde kant op? Of zijn er geen schokken

en gaat het om een geleidelijk proces van verandering? Figuur 2.4 geeft een gestileerd voorbeeld van drie

verschillende mogelijke ontwikkelingen. Een geleidelijk trendmatig proces, schoksgewijze veranderingen

zonder richting en schoksgewijze veranderingen met een richting.

25 Wel is het zo dat voor sommige maatschappelijke ontwikkelingen een link gelegd kan worden met veranderingen. Zo lijken

bijvoorbeeld onverwachte ontwikkelingen sinds 2020 onlosmakelijk verbonden met de coronapandemie.

27 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n gFiguur 2.4 Voorbeeld van trendmatige en schoksgewijze ontwikkeling (in procenten)

75

70

trend

schoksgewijs

met richting

schoksgewijs

65

60

55

50

45

scp.nl

40

2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022

Bron: SCP

De ontwikkelingen uit het verleden kunnen we voorzichtig gebruiken om iets meer licht te werpen op

de toekomst. Het verklaringsmodel houdt ook rekening met de ontwikkelingen door de tijd heen. Dit is

gedaan met de zogeheten jaardummy’s, die het effect van jaarlijkse veranderingen meten die niet door

de andere variabelen worden verklaard. In het verklaringsmodel controleren we tegelijkertijd voor

demografische ontwikkelingen en veranderingen in de andere individuele kenmerken. Daardoor kunnen

de jaardummy’s worden beschouwd als een netto resultaat van alle maatschappelijke ontwikkelingen

tezamen. De jaardummy geeft weer hoe de omstandigheden in een jaar – of eigenlijk wat in dat jaar

gebeurd is, zoals de economische situatie of het uitbreken van een pandemie – van invloed was op de

ontwikkeling van de indicatoren van sociale cohesie. De waarde van de jaardummy’s worden gebruikt

om twee ‘wat als’-scenario’s uit te voeren (tabel 2.4): een waarin de jaardummy de laagste waarde heeft

en een met de hoogste waarde. Deze minimum- en maximumjaren zijn de onder- en bovengrens waar

de invloed van de maatschappelijke ontwikkelingen op de indicatoren zich tussen 2012 en 2021 hebben

bewogen. Merk op dat de uitkomsten van dit ‘wat als’-scenario binnen de bandbreedte uit het verleden

blijven. Impliciet veronderstellen we dus dat de indicatoren, afgezien van een effect van demografie,

binnen deze bandbreedte bewegen. Dat is een restrictieve veronderstelling. Over een periode van ongeveer

25 jaar kunnen zich belangrijke veranderingen met grote consequenties voordoen waar we nu geen weet

van hebben. De uitbraak van het coronavirus en de maatregelen om dat in te dammen zijn daar een

voorbeeld van. Het is dus goed mogelijk dat er maatschappelijke ontwikkelingen zijn waarvan de invloed

op de indicatoren door de onder- of bovengrens van de periode 2012 tot en met 2021 gaan. Bovendien

kunnen we maar een periode van 10 jaar gebruiken om voor een periode van 25 jaar vooruit te kijken.

En los van maatschappelijke ontwikkelingen met impact, laat het gestileerde voorbeeld in figuur 2.4 zien

dat bij een trend of een schoksgewijze ontwikkeling met een richting het niet onwaarschijnlijk is dat de

waarde van een indicator, zelfs al op kort termijn, een waarde heeft die buiten de bandbreedte ligt.

De maatschappelijke scenario’s kennen dus hun beperkingen. Niettemin geven ze beide een beeld van

de gevoeligheid van de simulaties voor andere dan demografische ontwikkelingen. Daarnaast kunnen

we met statistisch toetsen nagaan in hoeverre de afgelopen tien jaar sprake was van trendmatige dan

wel schoksgewijze ontwikkelingen. Daarmee ontstaat meer zicht op de aard van de onderliggende

mechanis­ men. Hebben we te maken gehad met geleidelijke processen of met plotselinge gebeurtenissen?

Anders gezegd, worden indicatoren beïnvloed door structurele of door incidentele maatschappelijke

ontwikkelingen?

28 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n gTabel 2.4 Overzicht van de verschillende scenario’s met maatschappelijke ontwikkelingen

simulatie variabele omschrijving

ondergrens tijd In het basisscenario is het uitgangspunt een gemiddelde jaarscore. In het

scenario ondergrens wordt per indicator het jaar gebruikt met de laagste score.

bovengrens tijd In het basisscenario is het uitgangspunt een gemiddelde jaarscore. In het

scenario bovengrens wordt per indicator het jaar gebruikt met de hoogste score.

Bron: SCP

2.4.3.4 De directe leefomgeving

Het simulatiemodel rekent effecten uit van een verandering in de samenstelling van de bevolking.

Hier gaan we een stapje verder en bekijken we de invloed van de met een veranderende bevolkingssamenstelling

samenhangende verandering van de directe leefomgeving. Dat doen we voor één speci­ fieke

indicator: het vertrouwen in anderen. In studies naar het effect van de leefomgeving op sociale cohesie

wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen het samenstellingseffect en contexteffect (Abascal en

Baldassarri 2015). Het samenstellingseffect is een optelsom van de samenhang van individuele kenmerken

met sociale cohesie en het contexteffect is het effect van de omgeving op sociale cohesie. Het contexteffect

is in ons rapport gebaseerd op de mate van diversiteit naar migratieachtergrond in de buurt.

In navolging van de WRR (2018) meten we de diversiteit in een buurt met de Herfindahl-Hirschman-index

(HHI). Deze index geeft de kans weer dat twee willekeurige personen uit de bevolking in een buurt tot

verschillende herkomstgroepen behoren en ligt tussen 0 en 1. Als de HHI 0 is, wonen in een buurt mensen

uit één herkomstgroep. Hoe dichter de HHI bij 1, ligt hoe meer mensen in een buurt niet dezelfde herkomst

hebben. Dus, hoe hoger de HHI, hoe diverser de buurt.

Specifiek gaan we na hoe de diversiteit naar herkomst in buurten van invloed is op het vertrouwen in

anderen en hoe dit verschilt tussen diverse en minder diverse buurten. We moeten de analyses aanpassen

om iets te kunnen zeggen over de effecten van veranderingen in de directe leefomgeving. In zowel het

verklaringsmodel als het simulatiemodel moet rekening worden gehouden met de directe leefomgeving.

Dit doen we door aan het verklaringsmodel de HHI in de buurt toe te voegen. Voor het simulatiemodel

berekenen we twee extra scenario’s. In het eerste scenario wordt de bevolkingsaanwas gelijkmatig

verspreid over de buurten. De samenstelling van de populatie die aan de buurt wordt toegevoegd is voor

iedere buurt gelijk. In het tweede scenario wordt bij het toedelen van de bevolkingsaanwas rekening

gehouden met de huidige bevolkingssamenstelling van de buurt. Een buurt met relatief veel inwoners

met een bepaalde migratieachtergrond krijgt er in dit scenario ook relatief veel van die bevolkings-

groep bij. Het scenario verdeelt de bevolkingsaanwas proportioneel, volgens de huidige stand van

zaken, waardo­ or er sprake is van toenemende segregatie. Voor de technische details verwijzen we naar

bijlage B2.3.

De scenario’s zijn een versimpeling van de werkelijkheid en bedoeld als gedachtenexperiment om

inzicht te geven in de effecten van een veranderde leefomgeving op het algemeen vertrouwen. Omdat

het gaat om veranderingen in de leefomgeving – de buurt – worden de resultaten ook op dit niveau

gepresenteerd.

2.4.3.5 De bevolkingsdichtheid

Het simulatiemodel rekent effecten uit van een verandering in de samenstelling van de bevolking.

In de middenvariant neemt de bevolking van 20 jaar en ouder tot aan 2050 met 1,8 miljoen personen

toe (zie ook § 2.5.2). In een aantal varianten is die toename nog sterker. Door deze groei neemt de

bevolkingsdichtheid toe. Deze toename aan mensen zal ergens gehuisvest moeten worden, waardoor

de samenstelling van de leefomgeving kan veranderen. Het is de vraag welke effecten verdichting en

verandering in de directe leefomgeving hebben op sociale cohesie. Een mogelijk toekomstig effect van

de verdichting van de leefomgeving is niet zonder meer te bepalen. In de wetenschappelijke literatuur

is de directe relatie tussen bevolkingsdichtheid en sociale cohesie maar in beperkte mate onderzocht.

In de studies die er zijn wordt vaak geen directe relatie gevonden (Gijsberts et al. 2024; Muis et al. 2022).

29 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n gEr is echter wel literatuur die aspecten onderzoekt die gerelateerd zijn aan bevolkingsdichtheid. De literatuur

is bijvoorbeeld rijk aan studies die verschillen in cohesie tussen dorpen en steden analyseren. In beschrijvende

statistieken wordt er vaak ondersteuning gevonden voor verschillen in cohesie tussen stad en dorp.

Toch blijken de verschillen tussen stedelijke en landelijke omgevingen aanzienlijk te verminderen, of zelfs

volledig te verdwijnen, wanneer andere verklarende variabelen worden toegevoegd. Bij nadere beschouwing

blijken sociaal-economische factoren en opleiding vaak belangrijker te zijn voor het verschil in algemeen

vertrouwen (Avery et al. 2021). Al met al tonen empirische studies gemengde resultaten (WRR 2020).

Er zijn ook onderzoeken die naar het verband tussen architectonische kenmerken en sociale cohesie kijken

(Uzzell et al. 2002). Het gaat dan bijvoorbeeld om de impact van hoogbouw, die de sociale cohesie in

een buurt kan bevorderen of belemmeren. Goed geplande gebieden met openbare ruimtes die interactie

aanmoedigen, zoals parken en gemeenschapscentra, kunnen sociale cohesie verbeteren, zelfs in gebieden

met hoge dichtheid. Drukke steden kunnen sterke contrasten hebben tussen welvarende en arme wijken,

wat kan leiden tot sociale verdeeldheid en verminderde algehele cohesie. Er is vaak aangetoond dat er een

negatief verband bestaat tussen (economische) ongelijkheid en sociale cohesie (Vrooman et al. 2023).

Er kan rekening worden gehouden met het type van de woongemeente waarin ook de stedelijkheid een

rol speelt, maar dit is een te grove maat om iets te zeggen over verdichting. Bovendien is het goed mogelijk

dat een bepaalde mate van zelfselectie plaatsvindt, waarbij mensen met bepaalde opvattingen en houdingen

een in voor hun passend niveau van stedelijkheid gaan wonen.

Kortom, binnen ons analysemodel is het lastig om een link te leggen tussen bevolkingsdichtheid en sociale

cohesie. Wel kunnen we een landenvergelijking maken, zij het voor niet voor alle indicatoren. In de volgende

hoofdstukken zullen we een internationale vergelijking maken, waarbij we de waarde van een indicator van

sociale cohesie afzetten tegen de bevolkingsdichtheid van een land (zie bijlage B2.4). We brengen daarmee dus

de correlatie tussen beide grootheden in beeld. Het ontbreken van een correlatie beschouwen wij als indicatie

dat er geen verband bestaat tussen de betreffende indicator en de bevolkingsdichtheid.

2.5 Data

Deze paragraaf gaat in op de gebruikte data voor het verklarings- en simulatiemodel. Bij de data zijn

twee typen te onderscheiden. In de eerste plaats de data waarmee de verklaringsmodellen gevoed

worden. Het betreft data over de indicatoren van sociale cohesie en de persoonskenmerken waarmee

een verband wordt gelegd. Dit wordt beschreven in paragraaf 2.5.1 en gaat vooral over de operationalisering

van de indicatoren. De beschrijvende statistiek van deze data is in de paragrafen 2 van de themahoofdstukken

3 tot en met 6 te vinden.26 Op de betekenis en de interpretatie van de indicatoren gaan

we in de paragrafen 1 van de themahoofdstukken in. In de tweede plaats zijn er de bevolkingsprognoses

voor 2050 waarmee het simulatiemodel wordt gevoed. Deze komen in paragraaf 2.5.2 aan bod en worden

daar aan de hand van een aantal kengetallen beschreven.

2.5.1 Indicatoren van sociale cohesie en verklarende variabelen

Voor informatie over de aspecten van sociale cohesie gaan Chan et al. (2006) bij de operationalisering

van hun raamwerk uit van surveys op nationaal niveau met gestandaardiseerde vragenlijsten. In onze

toekomstverkenning maken wij daar ook gebruik van.27 We hebben verschillende databronnen onderzocht:

16 vragenlijsten zijn geïnventariseerd om indicatoren te vinden die overeenkomen met of aansluiten

op aspecten en indicatoren van Chan et al. (2006: 295-297). Bijlage B2.5 biedt een overzicht van de

onderzochte vragenlijsten en de uiteindelijk gebruikte bronnen. In geen van de vragenlijsten komen alle

gewenste indicatoren van sociale cohesie voor. Bij de selectie van databronnen geven we de voorkeur

aan het beperken van het aantal te gebruiken databronnen. Dit doen we vanwege de extra inspanningen

en beperkte verwachte meerwaarde van een koppeling van verschillende vragenlijsten. Andere voorwaarden

26 Dat laat, in het eerder gegeven voorbeeld, zien hoe groot het deel van de mensen is dat anderen vertrouwt en hoe dat

verschilt naar leeftijd, migratieachtergrond en opleiding.

27 De aanpak van Chan et al. (2006) is erop gericht sociale cohesie op vergelijkbare wijze in meerdere landen te onderzoeken.

Ons streven met het raamwerk van Chan et al. is de sociale cohesie van het huidige Nederland te vergelijken met een aantal

mogelijke ‘Nederlanden’ in de toekomst.

30 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n gdie we aan de gebruikte data hebben gesteld, zijn dat de data voldoende waarnemingen hebben voor

verschillende bevolkingsgroepen en dat de databron actueel is. De vragenlijst Sociale Samenhang en

Welzijn (SSW) van het CBS voldoet het best aan al deze voorwaarden. Voor de indicatoren van sociale

cohesie waarover SSW geen informatie bevat, maken we gebruik van een speciaal hiervoor ontworpen

enquête van het LISS panel van Centerdata (hierna te noemen: LISS-cohesie). Voor zich thuis voelen en

verantwoordelijk voelen gebruiken we het LISS-SCO/SCV-bestand. Voor de contextanalyses koppelen we

buurtgegevens aan SSW (het gekoppelde bestand noemen we: contextbuurtbestand’23). Tabel 2.5 geeft

onze keuzes van operationalisering weer; bij de indicatoren is tussen haakjes de databron aangegeven.28

Tabel 2.5 Operationalisering van sociale cohesie

aspect indicatoren

sociaal vertrouwen

(attitudes over samenleven

tussen burgers)

algemeen vertrouwen

Vindt u over het algemeen dat de meeste mensen wel te vertrouwen zijn of vindt

u dat men niet voorzichtig genoeg kan zijn in de omgang met mensen? (SSW)

verbondenheid

Ik voel me thuis in Nederland (LISS-SCO/SCV)

Ik voel me verantwoordelijk voor Nederland (LISS-SCO/SCV)

hoe denken (groepen) mensen over elkaar (13 indicatoren)

Hoe zijn uw gevoelens t.a.v. mensen met een ‘laag/middelbaar/hoog opleidingsniveau’,

mensen van verschillende leeftijden, mensen met een bepaalde

migratieachtergrond?a,b (LISS-cohesie)

sociale participatie

(gedrag ten aanzien van

samenleven tussen burgers)

lidmaatschap belangen- of recreatieve verenigingen (2 indicatoren)

Sommige mensen zijn lid van één of meerdere verenigingen. Wilt u aangeven of u

daar lid van bent?c (SSW)

vrijwilligerswerk

Heeft u in de afgelopen 12 maanden vrijwilligerswerk gedaan?d (SSW)

omgaan met elkaar/contacten (13 indicatoren)

Welk deel van uw vrienden heeft een ‘laag/middelbaar/hoog opleidingsniveau’,

verschillende leeftijden, een bepaalde migratieachtergrond?b (LISS-cohesie)

institutioneel vertrouwen

(attitudes over relatie

tussen burgers en overheid)

institutioneel vertrouwen (9 indicatoren)

Wilt u voor elk van de volgende organisaties aangeven hoeveel vertrouwen u hierin

heeft?e (SSW)

politieke participatie

(gedrag ten aanzien van de

relatie tussen burgers en

overheid)

stemmen Tweede Kamerverkiezingen

De laatste verkiezingen voor de Tweede Kamer zijn gehouden op x-xx-xxxx.

Heeft u toen gestemd? (SSW)

conventionele en onconventionele politieke activiteiten (2 indicatoren)

Er zijn verschillende manieren om iets politiek aan de orde te stellen of invloed

uit te oefenen op politici of de overheid. Heeft u in de afgelopen 5 jaar hiervan

gebruikgemaakt?f (SSW)

a Respondenten beantwoordden deze vragen aan de hand van een gevoelsthermometer. Scores tussen de 0 en de

49 graden betekenen dat de gevoelens voor de onderscheiden groep koud en negatief zijn. Scores tussen de 51 en

de 100 graden betekenen positieve en warme gevoelens voor de betreffende groep. Een score van 50 graden

betekent dat de respondenten geen warme of koude gevoelens hebben over de onderscheiden groepen.

b We spreken hier van hoog en laag opleidingsniveau omdat de begrippen zo in de vragenlijst voorkomen.

Bij migratie­ achtergrond onderscheiden we: Nederlandse achtergrond; West-Europese, Noord-Amerikaanse of

Australische achtergrond (kortweg West-EU); Oost-Europese achtergrond (kortweg Oost-EU); Arabische of

West-Aziatische achtergrond, onder andere Marokko en Turkije (kortweg Arabië); Zuid- of Midden-Afrikaanse

achtergrond, komt grotendeels overeen met asiel volgens de SSW-indeling (kortweg Afrika); (Zuid- of Oost-)Aziatische

achtergrond, komt grotendeels overeen met Indonesië en arbeid- en studie volgens de SSW-indeling (kortweg Azië);

Caribische of Zuid-Amerikaanse achtergrond, waaronder Suriname en Antillen (kortweg Cariben). Bij leeftijd

onderscheiden we: jongere mensen (18-35 jaar); mensen van middelbare leeftijd (35-65 jaar); oudere mensen (> 65 jaar).

Bij opleiding onderscheiden we: basisonderwijs, vmbo; havo, vwo, mbo; hbo, wo.

28 In enkele gevallen hebben we de oorspronkelijke voorbeelden van operationalisering van aspecten en indicatoren van Chan

et al. (2006) iets aangepast.

31 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n gc Belangen: 1) politieke partij of organisatie; 2) werkgeversvereniging, middenstandsorganisatie of beroepsvereniging;

3) vakbond; 4) consumentenorganisatie; 5) patiëntenvereniging; 6) organisatie op het gebied van natuur en milieu.

Recreatief: 1) sportvereniging; 2) zang-, muziek- of toneelvereniging; 3) hobbyvereniging; 4) jeugd- of jongerenorganisatie;

5) gezelligheidsvereniging.

d De in de SSW-indeling onderscheiden terreinen van vrijwilligerswerk zijn: 1) het jeugd- en buurthuiswerk; 2) school;

3) verzorging en verpleging; 4) sportvereniging; 5) culturele verenigingen; 6) hobby- of gezelligheidsverenigingen;

7) kerk, moskee of levensbeschouwelijke groepering; 8) vakbond of bedrijfsorganisatie; 9) politieke partij of

actiegroep; 10) sociale hulpverlening, rechtshulp, reclassering of slachtofferhulp; 11) wonen, woonomstandigheden

of huurdersbelangen; 12) de wijk of de buurt; 13) anders.

e Het betreft de volgende instituties: leger; rechters; politie; Tweede Kamer; ambtenaren; EU; pers; banken;

grote bedrijven.

f Tot de conventionele politieke activiteiten behoren: 1) radio, tv of krant ingeschakeld; 2) politieke partij of

organisatie ingeschakeld; 3) inspraakbijeenkomst of hoorzitting bijgewoond; 4) contact opgenomen met een

politicus of ambtenaar. Onconventionele politieke activiteiten zijn: 1) meegedaan aan een actiegroep; 2) deelname

aan een demonstratie of protestactie; 3) meegedaan aan handtekeningenactie 4) via internet of e-mail meegedaan

aan een politieke actie.

Bron: SCP

Naast de indicatoren van sociale cohesie wordt in het verklaringsmodel ook gebruikgemaakt van

verklaren­ de variabelen. Dit betreft de persoonskenmerken die in het analysemodel zijn opgenomen

(zie figuur 2.2). De persoonskenmerken betreffen categorische variabelen, dat wil zeggen dat ze gegevens

vertegen­ woordigen die in groepen verdeeld kunnen worden. We maken gebruik van verschillende

databronnen en modellen en daarom zijn de in de verklarende variabelen onderscheiden categorieën

niet altijd hetzelfde. Tabel 2.6 geeft een overzicht van de gebruikte verklarende variabelen, inclusief de

onderscheiden categorieën.

32 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n gTabel 2.6 Overzicht van verklarende variabelen

variabele SSW LISS

leeftijd 7 leeftijdsklassen: 20-24 jaar; 25-34 jaar;

35-44 jaar; 45-54 jaar; 55-64 jaar;

65-74 jaar; 75-plus

4 leeftijdsklassen: 20-34 jaar; 35-54 jaar;

55-64 jaar; 65-plus

geslacht man; vrouw man; vrouw

herkomstaNederland; West-EU; Oost-EU; arbeid en

studie; asiel; Turkije en Marokko;

Suriname, Antillen en Indonesië met

onderscheid naar eerste generatie en

tweede generatie

Nederland; West-Europees; Oost- of

niet-Europeesb met onderscheid naar

eerste generatie en tweede generatie

opleidingc basisonderwijs;

vmbo, mbo-1, onderbouw havo/vwo;

havo, vwo, mbo-2-4;

hbo-, wo-bachelor;

hbo-, wo-master, doctor

basisonderwijs, vmbo;

havo, vwo, mbo;

hbo, wo

geloof niet gelovig; gelovig; onbekend –

gezondheid gaat wel; goed; zeer goed; onbekend –

werk werk; geen werk werk; geen werk

inkomen 4 kwartielen en onbekend netto, in duizenden euro’s

positie in huishouden alleenstaande; paar zonder kinderen;

paar met kinderen; alleenstaande ouder;

thuiswonend kind; overig

wel/geen alleenstaande

stedelijkheid kleinschalige woongemeente;

universiteits­ steden; kleinstedelijke

gemeente; welvarende woongemeente

wel/niet stedelijk

woonsituatie – wel/geen huurwoning

tijdd dummy’s voor elk jaar in de periode

2012- 2022

additioneel voor de analyses met de leefomgeving

diversiteit naar

migratieachtergrond

diversiteit gemeten met de Herfindahl-Hirschman-index

(HHI)

additioneel voor de analyses met de bevolkingsomvang

bevolkingsdichtheid aantal inwoners per km2

a Hoewel sommige herkomstgebieden gelabeld zijn met een migratiemotief, is afbakening in de praktijk geografisch.

Zie paragraaf 2.5.2 voor de geografische beschrijving. Een persoon heeft een migratieachtergrond als ten minste

één van de ouders in het buitenland is geboren. Er wordt onderscheid gemaakt tussen personen die zelf in het

buitenland zijn geboren (de eerste generatie) en personen die in Nederland zijn geboren (de tweede generatie).

b Onder West-Europees verstaan we mensen met een West-Europese, Noord-Amerikaanse of Australische achter-

grond. Onder Oost- of niet-Europees verstaan we mensen met een Oost-Europese, Arabische of West-Aziatische,

Zuid- of Midden-Afrikaanse, (Zuid- of Oost-)Aziatische of Caribische of Zuid-Amerikaanse achtergrond.

c In de presentatie van de uitkomsten gebruiken we de volgende categorie-indeling voor opleiding: 1) basis, vmbo

(= basisonderwijs, vmbo, mbo-1, onderbouw havo en vwo); 2) havo, vwo, mbo (= bovenbouw havo en vwo,

mbo 2-4); 3) hbo, wo (= bachelor; master, doctor).

d Voor de leefomgevinganalyses zijn geen jaardummy’s gebruikt.

Bron: SCP

De gegevens van het SSW-bestand betreffen elf jaargangen (2012-2022). Het aantal waarnemingen

variee­ rt per indicator (vanwege missings) en ligt tussen 72.000 en 82.000. Voor het LISS-bestand gaat het

om één meetmoment en dat telt ongeveer 5000 waarnemingen.

33 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n g2.5.2 Bevolkingsprognose 2050

Een belangrijk onderdeel van de simulaties zijn de bevolkingsprognoses voor 2050 van het CBS (zie ook

figuur 2.2 en § 2.4.3.1). In deze paragraaf gaan we daar uitgebreider op in.

Zoals eerder aangegeven worden er door NIDI en CBS en in navolging daarvan door het CBS acht demo-

grafische varianten voor 2050 onderscheiden, waarbij steeds gevarieerd is met veronderstellingen over

het kindertal per vrouw, de levensverwachting en migratie. Daarnaast hebben wij twee aanvullende

demografische varianten opgesteld. De varianten kunnen als volgt worden samengevat:

De middenvariant kent dezelfde aannames voor het kindertal per vrouw, de levensverwachting en

migratie als de kernprognose van het CBS.

In de variant groei is het kindertal per vrouw hoger, neemt de levensverwachting sterker toe en is het

migratiesaldo hoger.

In de variant krimp is het kindertal per vrouw lager, neemt de levensverwachting minder sterk toe en is

het migratiesaldo lager.

In de variant groen is het kindertal per vrouw hoger en neemt de levensverwachting minder sterk toe.

In de variant grijs is het kindertal per vrouw lager en neemt de levensverwachting sterker toe.

In de variant lage migratie is het migratiesaldo lager.

In de variant arbeid is het migratiesaldo hoger, doordat er meer migranten uit arbeids- en studiemigratielanden

komen en er minder weer vertrekken.

In de variant asiel is het migratiesaldo hoger, doordat er meer migranten uit asielmigratielanden

komen en er minder weer vertrekken.

De variant arbeid plus, een aanvullende op de NIDI- en CBS-varianten, is een extremere variant waarin

het aantal migranten uit arbeids- en studiemigratielanden in 2050 twee keer zo hoog is als in de

arbeidsvariant.

De variant asiel plus is ook een aanvullende, extremere variant, waarin het aantal migranten uit asiel-

migratielanden in 2050 twee keer zo hoog is als in de asielvariant.

De bevolkingsprognoses van NIDI en CBS kennen een uitsplitsing naar geslacht, leeftijd, herkomst en

opleiding. De uitsplitsing naar leeftijd is er vanaf de leeftijd 20 jaar in vijfjaarsklassen.29,30

Bij herkomst is in de bevolkingsprognoses een onderscheid gemaakt tussen landengroepen. De indeling

in landengroepen is puur geografisch, hoewel het label van de landengroepen soms anders doet vermoeden,

omdat gerefereerd wordt aan het migratiemotief. De volgende landengroepen zijn in de bevolkingsprognoses

onderscheiden:

West-EU, EU-lidstaten die vóór 2004 zijn toegetreden, inclusief het Verenigd Koninkrijk;

Oost-EU, EU-lidstaten die sinds 2004 zijn toegetreden;

arbeids- en studiemigratielanden (Europa m.u.v. de EU en Turkije; Azië m.u.v. het Midden-Oosten en

Indonesië; Amerika m.u.v. Suriname en de voormalige Nederlandse Antillen; Oceanië);

asielmigratielanden (het Aziatische deel van het Midden-Oosten en Afrika, m.u.v. Marokko);

klassieke migratielanden met vooral arbeidsmigratie en gezinshereniging (Turkije en Marokko);

klassieke migratielanden met vooral de Nederlandse nationaliteit (Suriname, Indonesië en de

voor­ malige Nederlandse Antillen).

De onderscheiden landengroepen komen een-op-een overeen met de onderscheiden landengroepen in

de SSW-data die voor een aantal verklaringsmodellen is gebruikt. Voor de LISS-data is de onderverdeling

in migrantengroepen in de cijfers van het CBS te gedetailleerd en moeten verschillende migrantengroepen

samengevoegd worden. Dat is gedaan door West-EU, Oost-EU en arbeids- en studiemigratielanden te

linken aan West-Europees. De overige landengroepen zijn gelinkt aan Oost- of niet-Europees (zie tabel 2.6).

29 De oorspronkelijke bevolkingsprognoses zijn gemaakt met de leeftijd vanaf 0 jaar met een uitsplitsing naar jaarklasse.

Maar die ramingen hebben geen onderscheid naar opleiding.

30 De zeven respectievelijk vier leeftijdsklassen in de verklaringsmodellen worden gekoppeld aan deze vijf leeftijdsklassen.

34 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n gBij opleiding is er in de bevolkingsprognoses een onderscheid aangehouden tussen drie opleidingstypen:

basisonderwijs, het vmbo, de eerste drie leerjaren van havo/vwo of de assistentenopleiding

(basis, vmbo);

de bovenbouw van havo/vwo, de basisberoepsopleiding (mbo-2), de vakopleiding (mbo-3) en de

midden­ kader- en specialistenopleidingen (mbo-4) (havo, vwo, mbo);

hbo of wo (hbo, wo).

Deze drie opleidingstypen zijn iets minder gedetailleerd dan de vijf opleidingstypen van de verklarings-

modellen. Daarin is namelijk een onderscheid tussen basisonderwijs en vmbo, mbo-1, havo onderbouw,

hbo- en wo-bachelor, en wo-master en doctor gemaakt.

In het vervolg van deze paragraaf beschrijven we de gegevens van de bevolkingsprognoses van het CBS.

Daarbij kijken we voor zover mogelijk ook terug in het verleden om het een en ander in perspectief te

plaatsen. Een uitgebreide beschrijving van de gegevens is te vinden in Feijten et al. (2024). Figuur 2.5 geeft

een overzicht van een aantal demografische gegevens. Het betreft de ontwikkeling van de bevolkingsomvang,

de grijze druk, het aandeel migranten en het aandeel met het opleidingstype hbo of wo. Voor de

toekomst zijn steeds de uiterste varianten genomen (hoogste en laagste). Dit hoeven niet steeds dezelfde

varianten te zijn.

De bevolkingsomvang is sinds 1996 in 27 jaar met ongeveer 15% toegenomen van 15,5 miljoen naar

18 miljoen mensen. De verwachting is dat de toename in de variant met de sterkste bevolkingstoename

sneller zal gaan. Over eenzelfde periode neemt de bevolking in die variant toe met 22%. In de variant met

de laagste groei is er geen groei en krimpt de bevolkingsomvang een klein beetje. Voor de eveneens in

figuur 2.5 weergegeven bevolking van 20 jaar en ouder gelden net iets andere groeipercentages voor het

verleden. De groei in het verleden was 20%. In 2050 wordt maximaal een groei van 21% verwacht en

minimaal een stabilisatie van de omvang.

De grijze druk, gedefinieerd als de omvang van de 65-plus-bevolking gedeeld door de omvang van de

20-65-jarigen, is sinds 1996 met 13 procentpunt toegenomen en bedraagt op dit moment ongeveer 34%.

Vooral rondom 2012 nam de grijze druk toe als gevolg van de naoorlogse geboortegolf die de 65-jarige

leeftijd bereikte. In de variant waarin de grijze druk het snelst toeneemt, komt er tot aan 2050 nog eens

16 procentpunt bij, om naar verwachting uit te komen op 50%. In de variant met een beperkte toename

van de grijze druk is de toename 5 procentpunt en komt de grijze druk uit op 39%.

Het aandeel eerste en tweede generatie migranten in de Nederlandse bevolking is van 16% in 1996 in

een periode van 27 jaar toegenomen tot 28%. Tot aan 2050 zijn de ontwikkelingen vooral onzeker als

het de eerste generatie betreft. In de ene variant blijft de toename van het aandeel steken op 3 procentpunt,

terwijl er in de andere uiterste variant een toename is van 11 procentpunt. Dit kan in de door ons

ontwikkelde extremere varianten verder oplopen tot een toename van 17 en 19 procentpunt. Voor de

tweede generatie is het toekomstige aandeel met minder onzekerheid omgeven en varieert de verwachte

toename tussen de 5 en 7 procentpunt. Het aandeel van de eerste en tweede generatie samen varieert in

2050 tussen ongeveer de 36% en 47%, een toename van respectievelijk 8 en 18 procentpunt.

35 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n gFiguur 2.5 Overzicht van demografische ontwikkelingen in het verleden en naar de toekomst,a

1996/2002-2023, 2023-2050

a. bevolkingsomvang, totaal en 20-plus, 1996-2050

(in miljoenen)

b. grijze druk, verhouding tussen bevolking van 65-plus

en bevolking van 20-65 jaar, 1996-2050 (in procenten)

25

20

15

10

5

0

scp.nl

60

50

40

30

20

10

0

scp.nl

1996 2005 2014 2023 2032 2041 2050

totaal

20-plus

prognose

prognose

c. aandeel migranten in de totale bevolking, 1996-2050

(in procenten)

1996 2005 2014 2023 2032 2041 2050

grijze druk

prognose

d. aandeel bevolking met hbo of wo, 25-90-jarigen, 2003-2050

(in procenten)

50

40

30

20

10

0

scp.nl

50

40

30

20

10

0

scp.nl

1996 2005 2014 2023 2032 2041 2050

1e generatie

prognose

2e generatie

prognose

2002 2026

2010 2042

2018

2034 2050

hbo of wo

prognose

a De ontwikkelingen naar 2050 worden lineair weergegeven; in de praktijk hoeft dit niet het geval te zijn. Ook prognoses

met een kortere horizon kunnen afwijken. Zo wordt bijvoorbeeld verwacht dat de grijze druk in 2040 piekt en daarna

weer afneemt.

Bron: CBS StatLine; CBS (2024b); SCP-bewerking

36 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n gHet aandeel mensen met hbo- of wo-opleiding in de bevolking vanaf 25 jaar kende sinds 2003 een gestage

groei en nam sinds die tijd met 16 procentpunt toe.31,32 Voor de toekomst is de verwachting dat het aandeel

verder zal toenemen, naar iets minder dan 45%. Omdat er verder geen specifieke varianten zijn met

aannames over opleidingen, is de toename in iedere variant ongeveer hetzelfde.

De hier geschetste ontwikkelingen gelden, afgezien van opleidingstype, voor de gehele bevolking. In de

simulatiemodellen beperken we ons tot de bevolking van 20 jaar en ouder. Dit is een aanzienlijk deel van

de bevolking en de ontwikkelingen voor 20-plus zijn dan ook in lijn met de ontwikkelingen in de gehele

bevolking. Toch zijn er wat verschillen. Daarom toont tabel 2.7 voor alle varianten een aantal kengetallen

over de demografische samenstelling voor de bevolking van 20 jaar en ouder.

Tabel 2.7 Kengetallen demografische varianten, bevolking 20-plus, 2023-2050 (in miljoenen

en procenten)

omvang bevolking

20-plus

(in miljoenen)

65-plus (in %) migratie eerste

generatie (in %)

migratie tweede

generatie (in %)

hbo of wo (in %)

2023 14,1 26 18 9 33

midden 15,6 31 27 12 45

arbeid 16,5 30 31 12 45

asiel 16,0 30 28 12 44

lage migratie 14,6 33 22 13 45

grijs 16,2 33 27 12 45

groen 15,1 28 27 13 45

groei 17,0 31 29 12 45

krimp 14,4 30 25 13 45

arbeid plus 18,0 28 37 13 46

asiel plus 17,4 29 34 13 44

Bron: CBS (2024b); SCP-bewerking

31 In onze modellen gaan we uit van de leeftijd vanaf 20 jaar. Maar deze data was voor het verleden niet beschikbaar; vandaar

dat we kijken vanaf 25 jaar.

32 De ontwikkeling tot 2050 is iets lastiger te voorspellen, omdat de realisatie in 2023 niet aansluit bij de prognoses In de

realisatiecijfers is er ook nog een categorie ‘onbekend’; dit is mogelijk een verklaring voor het aansluitingsverschil. En het

kan er ook aan liggen dat de ramingen exclusief de institutionele bevolking zijn.

37 S O C I A L E C O H E S I E : E E n K W A n T I TAT I E V E B E n A D E R I n gBij de samenstelling naar migratieachtergrond gaat het niet alleen om de totale omvang van de migratie,

maar ook om het herkomstland. Per variant kan daar verschil in zitten. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het

verschil tussen de variant ‘arbeid’ en de variant ‘asiel’. Figuur 2.6 geeft daarom een gedetailleerd over-

zicht van de demografische samenstelling naar migratieachtergrond voor de verschillende varianten.

Figuur 2.6 Demografische samenstelling naar migratieachtergrond per variant, 2023-2050

(in percen­ tages van de 20-plus-bevolking)

60

50

40

30

20

10

scp.nl

0

2023 midden-

variant

arbeid asiel lage

grijs groei

groen

krimp

arbeid plus

asiel plus

migratie

West-EU Oost-EU arbeid en studie asiel Turkije, Marokko Indonesië, Suriname, Antillen

Bron: CBS (2024b)

38 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S T3 Sociaal vertrouwen nu en in de toekomst

Belangrijkste bevindingen

Dit hoofdstuk gaat in op drie onderdelen van sociaal vertrouwen: vertrouwen in anderen;

gevoelens over anderen; en gevoelens van verbondenheid met Nederland: zich thuis voelen en

verantwoordelijk voelen.

Toekomstige veranderingen in de demografische samenstelling brengen, in de demografische

scenario’s en bij gelijkblijvende omstandigheden, nauwelijks veranderingen in het sociaal

vertrouwen teweeg.

Een punt van zorg is het verschil in vertrouwen tussen mensen met en zonder een hbo- of

wo-opleiding. De verschillen zijn nu al groot en worden in de toekomst niet minder.

Extra aandacht zal ook uit moeten gaan naar de minder positieve gevoelens tegenover

bepaalde migrantengroepen. Ook daarvoor geldt dat deze er nu al zijn en in de toekomst blijven

bestaan.

In de toekomst kunnen zich wel veranderingen in sociaal vertrouwen voordoen, laten de

‘wat als’-scenario’s zien. Dat is zo in de scenario’s ‘verschil tussen generaties’, ‘toenemend

verschil tussen opleidingen’ en ‘diploma-inflatie’.

Vertrouwen is essentieel voor samenhang in de samenleving. Het is een voorwaarde voor veel sociale

processen, zoals het aangaan van sociale relaties (Chan et al. 2006). Het is de lijm die de samenleving bij

elkaar houdt (Schilke et al. 2021). Mogelijk zal vertrouwen in anderen in de samenleving een nog grotere

rol gaan spelen (zie Schilke et al. 2021). Denk bijvoorbeeld aan de uitbraak van het coronavirus, waardoor

op afstand samengewerkt moest worden met bekenden en onbekenden.

In dit hoofdstuk gaan we in op drie onderdelen van sociaal vertrouwen: vertrouwen in anderen, gevoelens

van mensen voor diverse groepen (naar leeftijd, migratieachtergrond en opleiding) en een gevoel van

verbondenheid met Nederland (je thuis voelen en verantwoordelijk voelen). In de eerste paragraaf van

dit hoofdstuk beschrijven we wat deze onderdelen precies inhouden, hoe ze sociale cohesie bepalen en

hoe ze samenhangen met demografische kenmerken (§ 3.1). In paragraaf 3.2 laten we de actuele stand

van zaken van de indicatoren van dit aspect van sociale cohesie in Nederland zien. Achter een landelijk

gemiddelde kunnen verschillen tussen groepen schuil gaan. Daarom beschrijven we ook de verschillen in

de indicatoren van sociaal vertrouwen tussen groepen. Vervolgens gaan we na in hoeverre veranderingen

in bevolkingssamenstelling van invloed zijn op de toekomstige ontwikkelingen in sociale cohesie (§ 3.3).

Daarbij kijken we naar demografische ontwikkelingen op het niveau van de gehele Nederlandse bevolking

(§ 3.3.1) en op groepsniveau (§ 3.3.2), veranderingen in denken en doen (§ 3.3.3) en veranderingen in

maatschappelijke ontwikkelingen (§ 3.3.4). Het spreekwoord ‘soort zoekt soort’ maakt het al duidelijk:

mensen die op elkaar lijken zoeken elkaar in hun directe leefomgeving op. Daarom maken we ook een

analyse voor vertrouwen in anderen op buurtniveau (§ 3.3.5). Met een internationale vergelijking kijken

we naar de samenhang tussen bevolkingsdichtheid en een tweetal indicatoren van sociaal vertrouwen

(§ 3.3.6). We eindigen met een samenvatting (§ 3.4).

39 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S T3.1 Wat weten we van sociaal vertrouwen?

3.1.1 Algemeen vertrouwen

De samenleving kan niet bestaan zonder vertrouwen in anderen. Dat ligt ten grondslag aan onder meer

wederkerigheid, collectieve actie, solidariteit en democratie (Schilke et al. 2021). Vertrouwen in anderen –

dat wordt ook wel algemeen vertrouwen genoemd – mag op veel academische belangstelling rekenen

(Schilke et al. 2021). Het loopt als een rode draad door de sociologie.33

Wat is algemeen vertrouwen?

Het lijkt zo voor de hand te liggen, maar wat is vertrouwen in anderen precies? Schilke et al. (2021: 240)

definiëren het als volgt: ‘trust [is] the willingness of an entity (i.e., the trustor) to become vulnerable to another entity

(i.e., the trustee).’ Degene die de ander vertrouwen geeft, stelt zich kwetsbaar op, want hij doet dat in de

veronderstelling dat degene die zijn vertrouwen ontvangt hem niet zal schaden.

In het onderzoek naar vertrouwen in anderen wordt vertrouwen in niet nader omschreven andere

mensen onderscheiden van vertrouwen in familieleden, vrienden of buren. De begrippen die daarvoor

gebruikt worden zijn ‘generalized’ of ‘social trust’ en ‘limited’ of ‘particulized trust’ (OESO 2017). In onze studie

richten we ons op ‘generalized’ of ‘social trust’; wij noemen dat algemeen vertrouwen. Dit meten we met

behulp van de vraag: ‘Vindt u dat over het algemeen de meeste mensen wel te vertrouwen zijn of vindt

u dat men niet voorzichtig genoeg kan zijn in de omgang met anderen?’ De antwoordcategorieën zijn:

‘wel te vertrouwen’ en ‘je kunt niet voorzichtig genoeg zijn’. Hoewel er discussie is of dit een goede

manier is om vertrouwen in anderen te meten (zie § B3.1.1 in bijlage B3.1), geldt deze vraag al vele jaren

als maatstaf om een vergelijking in de tijd en tussen landen mogelijk te maken (Dekker et al. 2015).

Uit de antwoorden op deze vraag komt Nederland internationaal gezien naar voren als een zogenoemde

‘high trust society’ (Schmeets 2015). De laatste tijd gaan er echter steeds meer geluiden op dat Nederland

verandert in een ‘low trust society’. Deze geluiden hebben vooral betrekking op de gedachte dat wantrouwen

in de overheid via een disfunctionerende democratische rechtstaat op lange termijn kan leiden tot een

‘laag-vertrouwen-samenleving’ (Nab 2022). Uit onderzoek blijkt dat deze claim niet ondersteund wordt

door ontwikkelingen in het algemeen vertrouwen (Meurs 2008; Schmeets 2015, 2018). Verder hebben die

geluiden ook vooral te maken met de schokken uit de coronatijd (Universiteit Leiden 2021).

Wie hebben vertrouwen in anderen?

De bevindingen over de samenhang van vertrouwen met leeftijd zijn niet eenduidig. De studie van

Delhey en Newton (2003) vindt geen samenhang. In sommige studies zijn jongeren minder geneigd

anderen te vertrouwen (Klaver et al. 2005); andere studies laten zien dat het vertrouwen in anderen

toenee­ mt tot aan de middelbare leeftijd, waarna deze toename afvlakt (Robinson en Jackson 2001).

Verder zijn er aanwijzingen dat er verschillen tussen generaties bestaan. Robinson en Jackson (2001)

nemen voor de Verenigde Staten waar dat sinds 1940 elke volgende generatie minder vertrouwen in

anderen heeft dan de vorige. Voor Nederland laten Van den Broek et al. (2010) ook zien dat er verschillen

bestaan tussen generaties. In vergelijking met de babyboomers hebben de generaties die zijn geboren

sinds 1960 in het algemeen minder vertrouwen in de medemens, met uitzondering van degenen die in

de eerste helft van de jaren zeventig zijn geboren. Volgens Uslaner (2002) is het vertrouwen in anderen

een persoonskenmerk. De basis daarvoor zou in onze jeugd zijn gelegd, waarna er in de jaren die daarop

volgen nauwelijks verandering meer in optreedt. De bevindingen van Sutter en Kocher (2007) en Dawson

(2019) lijken dat beeld te ondersteunen.

Mensen met een migratieachtergrond hebben over het algemeen een lager algemeen vertrouwen

dan mensen zonder migratieachtergrond. Dat kan komen door (negatieve) ervaringen in het land van

herkomst van de migranten (Dinesen 2013), bijvoorbeeld als het land van herkomst een ‘low trust society’

is. Migranten die vanuit een `laag vertrouwen’-land migreren naar een `hoog vertrouwen’-land nemen

hun lagere algemeen vertrouwen mee (Dinesen 2013). Ook ervaringen in het land van aankomst, zoals

33 Ook andere disciplines, zoals psychologie, economie, biochemie, neurowetenschappen en genetica, besteden aandacht aan

vertrouwen in anderen (Schilke et al. 2021).

40 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S Tdiscriminatie, kunnen er voor zorgen dat hun algemeen sociaal vertrouwen lager is (Alesina en La Ferrara

2002). Daarnaast kan het samenhangen met hun (lagere) sociaal-economische positie (De Vroome et

al. 2013). Een lagere sociale status gaat samen met een lager algemeen sociaal vertrouwen (Brandt en

Henry 2012).

Mensen met een hbo- of wo-opleiding hebben meer vertrouwen in anderen dan mensen zonder zo’n

opleiding. Waardoor dat zo is, is niet eenduidig vast te stellen. Het kan komen doordat mensen die langere

tijd doorbrengen in het onderwijssysteem beter geïnformeerd zijn en meer vaardigheden hebben om

informatie te beoordelen (Knack 2001). Daardoor kan hun algemeen vertrouwen hoger zijn. Een andere

mogelijke verklaring is dat mensen met een hbo- of wo-opleiding meer in aanraking komen met (diverse

en kosmopolitische) anderen, wat zou leiden tot meer verdraagzaamheid en minder wantrouwen tegenover

anderen (Charron en Rothstein 2016). Het kan ook zo zijn dat mensen met een basis- of vmbo-opleiding

minder vertrouwen hebben, omdat mensen met een hbo- of wo-opleiding een andere manier van

communiceren en andere interesses hebben. Zij kunnen dan ervaren dat er op hen wordt neergekeken,

wat hun vertrouwen in anderen verkleint (Van der Waal 2022). Delhey en Newton (2003) vinden overigens

geen verband tussen vertrouwen en het type opleiding. Dat resultaat komt niet overeen met andere

studies. Zij vermoeden dat hun studie geen verband vindt, omdat het type opleiding nauw samenhangt

met de mate van succes en gezondheid in het leven. Deze kenmerken hangen beide wel nauw samen

met vertrouwen.

3.1.2 Gevoel van verbondenheid met anderen en met de maatschappij

Een gevoel van verbondenheid wordt vaak als een belangrijk onderdeel van sociale cohesie gezien

(Chan et al. 2006; Fonseca et al. 2019), omdat mensen hun identiteit ontlenen aan de groepen waartoe

ze behoren en mensen elkaar bij een zekere verwantschap vaker helpen.34

Ook verbondenheid met de samenleving en het land waarin je woont is belangrijk voor sociale cohesie.

De gedachte hierachter is dat cohesie lager is als mensen zich niet thuis voelen in of niet verbonden voelen

met het land waarin ze wonen (WRR 2020). Dat komt dan doordat mensen zich terugtrekken in hun eigen

sociale groep, niet meer in contact treden met mensen uit andere groepen en minder doen voor het

algemeen belang (denk aan vrijwilligerswerk).

Wat wordt bedoeld met een gevoel van verbondenheid?

Verbondenheid zegt iets over hoe een individu zichzelf ziet in relatie tot anderen (Amit en Bar-Lev 2015;

Bauman 1994). Het kan gaan om verbondenheid met mensen om je heen en met de maatschappij waar

je deel van uitmaakt, dus het land waarin je woont. Mensen voelen sterke verbondenheid met anderen

wanneer zij vaak met elkaar omgaan en daarbij meer emotionele verbondenheid ervaren en onderling

steun verlenen, veelal op basis van een gemeenschappelijke achtergrond (De Bakker et al. 2023a;

Granovetter 1973). Naast sterke of zwakke banden wordt er ook vaak onderscheid gemaakt tussen ‘bonding’-

en ‘bridging’-contacten. Bonding-contacten hebben betrekking op de banden tussen mensen binnen een

groep (‘ingroup’), en bridging-contacten gaan over de banden tussen mensen uit verschillende groepen

(‘outgroup’). Het uitgangspunt bij dit onderscheid is dat mensen op basis van specifieke groepen zijn in

te delen, dat ze daar op gericht zijn en dat ze anderen indelen in ingroups en outgroups (De Bakker et al.

2023a).35 Bij deze bonding-en bridging-contacten gaat het om het gevoel bij welke groep mensen horen en

om gevoelens voor de groep(en) waartoe mensen niet behoren (Putnam 2000).

De verbondenheid tussen mensen van verschillende herkomst verdient nadere aandacht. Over migratie en

migranten wordt in de samenleving heel verschillend gedacht. Sommigen zien migratie als een verrijking van

de samenleving, bijvoorbeeld vanwege het werk dat migranten doen en de bijdrage die zij aan de samen-

leving leveren. Er zijn ook mensen die negatiever tegenover migratie en migranten staan. Zij maken

34 De verbondenheid kan ook te groot zijn: als groepen of gemeenschappen te veel in zichzelf gekeerd zijn kan dit samenwerking,

solidariteit of een vreedzaam samenleven ondermijnen (De Bakker et al. 2023a).

35 Deze indelingsprocessen hebben lange, evolutionaire wortels: om te overleven is het niet alleen van belang om informatie

snel te verwerken, maar ook om een goede inschatting te maken van de intenties van anderen. Is die ander te vertrouwen of

niet? Vormt die ander wel of niet een bedreiging?

41 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S Tzich er zorgen over. Zij vinden dat er te veel migranten naar Nederland komen en dat migratie ten koste

gaat van het oplossen van de problemen van ‘echte’ Nederlanders, zoals het tekort aan woningen of de

bestrijding van armoede of prijsstijgingen (Miltenburg et al. 2023; Den Ridder et al. 2023a). Sinds de

asielopvang­ crisis in de zomer van 2022 wordt migratie vaak genoemd als maatschappelijk probleem

(Geurkink et al. 2023). Bij migratie kan het gaan om verschillende typen, denk aan arbeids­ migratie,

gezinsmigratie, asielmigratie of studiemigratie. Hoewel werk een van de belangrijkste redenen is voor mensen

om te migreren (Van Stiphout-Kramer et al. 2024) draait het in het publieke debat vooral om asielmigratie.

Er zijn verscheidene peilingen die een beeld geven wat burgers van bevolkingsgroei, migratie en in het

bijzonder asielmigratie vinden (zie tabel B3.1 in bijlage B3.2). Het overgrote deel van de Nederlandse

bevolking is de mening toegedaan dat de omvang van de bevolking gelijk moet blijven dan wel moet

afnemen. Verder is er een aanzienlijke groep, grofweg een op de drie personen, die negatief denkt over

migratie. Er lijkt er een meerderheid te zijn die vindt dat er minder asielopvang moet zijn. Deze opinies,

die voor een deel weerstand tegen bevolkingsgroei en migratie laten zien, zouden bij een hoog migratie-

saldo sterker kunne n worden en zich kunnen vertalen in negatievere gevoelens voor migranten.

Om een beeld te krijgen hoe verschillende groepen naar elkaar kijken, meten we de gevoelens over anderen

met een zogenoemde ‘gevoelsthermometer’. Aan de hand daarvan wordt gevraagd wat het oordeel is

over mensen met en zonder migratieachtergrond, over mensen met verschillende typen opleidingen en

over mensen met verschillende leeftijden. Met een score tussen 0 en 50 graden geven ondervraagden

aan dat zij koude en negatieve gevoelens hebben. Een score tussen 50 en 100 graden wijst op warme en

positieve gevoelens en een score van 50 graden duidt op warme noch koude gevoelens over een groep.

Meer informatie over de gevoelsthermometer is te vinden in de paragrafen B3.1.2 en B3.1.3 in bijlage B3.1.

Het gevoel van verbondenheid met de maatschappij verwijst naar het bestaan van gedeelde waarden,

levensstijl, sociale context en identiteit (De Hart 2019). Het versterkt het gevoel van veiligheid en

eigenwaarde waardoor mensen meer voor ‘een ander’ overhebben (Schiefer en Van der Noll 2017).36

De verbondenheid die mensen voelen met de maatschappij meten we met de stellingen: ‘Ik voel me thuis

in Nederland’ en ‘Ik voel me verantwoordelijk voor Nederland’. Voorheen ging het meeste onderzoek

naar het thuisgevoel om het gevoel van ontheemding van mensen met een migratieachtergrond, maar

inmiddels wordt ook het thuisgevoel van mensen zonder migratieachtergrond onderzocht (zie bv. Crul

en Lelie 2023). Als iemand zich thuis voelt in Nederland hoeft dat niet te betekenen dat diegene zich ook

verantwoordelijk voelt voor Nederland. Volgens Beugelsdijk et al. (2019) gaat het bij het thuis voelen om

een ‘sense of belonging’. Zij onderscheiden dit van een ‘sense of duty’ (het verantwoordelijkheidsgevoel).

Het zijn twee verschillende vormen van betrokkenheid bij Nederland; de tweede houdt iets actiefs in.37

Beide betreffen een vijfpuntsschaal die loopt van zeer oneens tot zeer eens. We nemen in dit onderzoek

de antwoordcategorieën ‘eens’ en ‘zeer eens’ samen.

Wie voelt zich verbonden met wie en met Nederland?

Net als gender en etniciteit, is leeftijd een van dimensies waarin mensen elkaar haast als vanzelf indelen.

Toch is er weinig onderzoek gedaan naar gevoelens tegenover ouderen en nog minder tegenover jongeren,

al is dat iets toegenomen sinds de coronapandemie.38 Het beschikbare onderzoek laat zien dat ouderen en

jongeren meer te maken krijgen met negatieve gevoelens dan mensen van middelbare leeftijd (Nelson

2005). Een van de mechanismen die daarachter schuil kunnen gaan, is dat het helpt te ontkennen dat

men in een later stadium zelf de negatieve gevolgen van veroudering gaat merken (Nelson 2005).

Een ander mechanisme kan zijn dat mensen ouderen hun ouderdomskwalen kwalijk nemen en hen

daarom als een outgroup gaan zien. Negatieve gevoelens ten opzichte van ouderen kunnen problematisch

36 Volgens Chan et al. (2006) zegt hulp geven aan elkaar zonder dat er sprake is van een thuisgevoel meer iets over de mate van

hulpvaardigheid dan over sociale cohesie in een samenleving.

37 Verbondenheid met de maatschappij kan ook met behulp van andere vragen gemeten worden, zie tabel B3.2 in bijlage B3.3.

Onze keuze voor het ‘thuis’ en ‘verantwoordelijk’ voelen in Nederland is ingegeven door de scores op deze vragen.

Gemiddeld genomen voelen veel ondervraagden zich thuis in Nederland en relatief weinig ondervraagden voelen zich

verantwoordelijk voor Nederland. Daarmee vertegenwoordigen ze uitersten in de mate van ervaren verbondenheid met

de maatschappij.

38 In de literatuur wordt het onderwerp van vooroordelen richting ouderen beschreven als ’ageism’ en richting jongeren

als ’childism’.

42 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S Tzijn als die ten koste gaan van de solidariteit van jongeren ten opzichte van ouderen. Die solidariteit zorgt

voor informele of formele steun aan ouderen in het geval ze die nodig hebben. Er is overigens weinig

theoretisch en empirisch bewijs dat de solidariteit van jongeren naar ouderen tanende is (Thijssen 2017).

Negatieve gevoelens ten opzichte van jongeren kunnen voortkomen uit het idee dat ze minder ervaring

en skills hebben in vergelijking met volwassenen (Adami en Dineen 2021). Voor Nederland zien Visser

en Tersteeg (2019) dat de opvattingen die mensen hebben over ‘anderen’ (breed gedefinieerd) sterker

bepaald worden door de periode waarin ze opgroeien dan door veranderingen die zich voor doen tijdens

hun levensloop.

Er is veel onderzoek gedaan naar houdingen van mensen zonder migratieachtergrond ten opzichte

van mensen met een migratieachtergrond en omgekeerd. De uitkomsten hiervan variëren. Sommige

onderzoeken vinden ondersteuning in de ‘Ethnic Competition Theory’. Die zegt dat de competitie tussen

groepen met een andere migratieachtergrond, bijvoorbeeld op economisch of cultureel gebied, tot meer

negatieve out-groep houdingen en meer positieve ingroup-houdingen kan leiden (Coenders et al. 2008;

Scheepers et al. 2002). Andere onderzoeken vinden aanwijzingen voor de contacttheorie, die ervan uitgaat

dat meer contacten tot meer positieve outgroup-gevoelens leiden. Ook Dagevos en Gijsberts (2007) gaan

in op interetnische beeldvorming.39 Zij concluderen dat Nederlanders met en zonder migratieachtergrond

het meest negatief zijn over Marokkaanse en Antilliaanse Nederlanders. In lijn daarmee constateerden

Gijsberts en Vervoort (2009) dat een aanzienlijk deel van de Nederlanders zonder migratieachtergrond

negatief oordeelt over Nederlanders met een migratieachtergrond.

Er is weinig onderzoek naar de houdingen van mensen ten opzichte van mensen met verschillende

opleidingen. Het werk van Kuppens et al. (2018) is een van de weinige bekende onderzoeken. Het geeft

als hypothese dat mensen met meer opleiding vaker tolerant zijn tegenover andere groepen, doordat

ze beter begrijpen dat sommige normen en waarden universeel zijn voor alle groepen.40 De tolerantie

kan echter ook een uiting zijn van eigenbelang om opleidingsverschillen in stand te houden, bijvoorbeeld

‘hoger opgeleiden’41 die principes van tolerantie en gelijkheid verdedigen, terwijl ze zich verzetten tegen

daadwerkelijke maatregelen die gelijkheid tot stand kunnen brengen.42 Kuppens et al. (2018) vinden

dat mensen met een ‘laag opleidingsniveau’ vaker negatief beoordeeld worden dan mensen met een

‘hoog opleidingsniveau’. De bevinding van de studie is dat dit vooral zo is als ‘laagopgeleiden’ als

verantwoorde­ lijk en verwijtbaar voor hun situatie worden gezien.

3.2 Stand van zaken

Hoe is het nu met het sociaal vertrouwen gesteld? We bezien daartoe de verschillende indicatoren van

sociaal vertrouwen. Omdat achter het gemiddelde over de hele bevolking verschillen tussen groepen

schuil kunnen gaan, kijken we ook hoe groot verschillen tussen bevolkingsgroepen zijn.

Van de indicatoren van sociaal vertrouwen hebben we alleen voor het algemeen vertrouwen over meerdere

jaren gegevens om ontwikkelingen door de tijd mee in beeld te kunnen brengen. Net als Dekker et al.

(2020) kunnen we constateren dat het algemeen vertrouwen over langere tijd bezien hoog en stabiel

is (zie figuur 3.1). Sterker, we zien dat het algemeen vertrouwen in een tijdsbestek van ruim tien jaar is

toegenomen met ruim 8 procentpunt. Slechts een kwart van deze 8 procentpunt kan worden toegerekend

aan demografie, de resterende driekwart aan maatschappelijke ontwikkelingen.43 Deze constatering

lijkt de eerder genoemde theorie van Uslaner (2002) te ontkrachten en de redenering van Delhey en

Newton (2003) te ondersteunen dat sociaal vertrouwen onderhevig is aan externe invloeden (zie bv. ook

Schmeets en Exel 2022). Vooral aan het begin van de coronacrisis is een duidelijke toename zichtbaar,

gevolgd door een stabilisatie in 2022 en 2023 (zie ook Den Ridder et al. 2023b).

39 Hun analyses op basis van de gevoelsthermometer zijn gedaan op data uit 2006.

40 Dit is gebaseerd op de ’enlightment theory’.

41 We spreken hier van hoog en laag opleidingsniveau omdat de begrippen zo in het artikel voorkomen.

42 Dit is gebaseerd op de ‘conflict theory’.

43 Dit is berekend door de predicties met en zonder jaardummy’s met elkaar te vergelijken.

43 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S TFiguur 3.1 Ontwikkeling algemeen vertrouwen 2012-2023 (in procenten)

75

70

65

60

55

scp.nl

50

2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2023 2022

Bron: CBS (StatLine)

Het gemiddelde algemeen vertrouwen in Nederland was in 2023 67%. Achter dit gemiddelde gaan

verschillen tussen groepen in de bevolking schuil (tabel 3.1). 65-plussers hebben over het algemeen

minder vertrouwen in anderen dan mensen die jonger zijn dan 65 jaar (61% tegenover 69%). Het verschil

in algemeen vertrouwen tussen mensen met een basis- of vmbo-opleiding en een hbo- of wo-opleiding

is groot: een verschil van 37 procentpunt. Van der Waal (2022) denkt dat de verschillen in vertrouwen

tussen beide groepen te verklaren zijn uit de afstand die mensen met een basis- of vmbo-opleiding

voelen tot mensen met een hbo- of wo-opleiding, doordat zij een andere manier van communiceren

en andere interesses hebben. De verschillen in algemeen vertrouwen zijn ook groot tussen mensen met

een migratieachtergrond. Mensen met een Turkse of Marokkaanse migratieachtergrond hebben minder

vaak vertrouwen in anderen; het gaat om een verschil van 26 procentpunt met het gemiddelde. Dit kan

te maken hebben met discriminatie en maatschappelijke uitsluiting die deze groep mogelijk ervaart.

Vooral de tweede generatie migranten die een hbo- of wo-opleiding hebben, ervaren dat (Dagevos en

Vermeulen 2024; De Vroome et al. 2014; Wilkes en Wu 2019).

Veruit het grootste deel van de Nederlandse bevolking (84%) voelt zich thuis in Nederland (tabel 3.1).

Dat wordt ook keer op keer gevonden in ander onderzoek (De Hart en Versantvoort 2019). Opvallend

genoeg voelen jongeren zich minder vaak thuis in Nederland dan gemiddeld en ouderen vaker.

Mensen met een migratieachtergrond voelen zich ook minder vaak thuis dan gemiddeld. Ondanks dat

de overgrote meerderheid van de Nederlanders zich thuis voelt in Nederland, geeft slechts een derde

aan zich er voor verantwoordelijk te voelen (tabel 3.1). Mensen met een basis- of vmbo-opleiding geven

minder vaak aan zich verantwoordelijk te voelen (ongeveer een kwart) dan mensen met een hbo- of

wo-opleiding (ruim vier op de tien).

44 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S TDe overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking denkt neutraal of positief over mensen van een

bepaalde leeftijd (tabel 3.2). Dat komt tot uitdrukking in een hoge gemiddelde score; de gemiddelde waarde

op de gevoelsthermometer, die loopt van 0 tot 100, komt boven de 90 uit. Over 65-plussers wordt

gemiddeld iets minder positief gedacht, vooral door jongeren.

Tabel 3.1 Algemeen vertrouwen, 2023, en zich thuis voelen in en verantwoordelijk voelen voor

Nederland, naar leeftijd, opleiding en migratieachtergrond, 2022 (in procenten)a,b

algemeen vertrouwen thuis voelen in

Nederland

verantwoordelijk voelen

voor Nederland

totaal 67 84 36

20-34 jaar 69 79 35

35-64 jaar 70 83 39

65-plus 61 90 32

basis, vmbo 47 81 26

havo, vwo, mbo 65 80 33

hbo, wo 84 87 43

Nederland 70 87 37

niet-Nederlandc 73 34

West-EU 66

Oost-EU 55

arbeids-, studiemigratieland 60

asielmigratieland 48

Turkije, Marokko 41

Indonesië, Suriname, Antillen 55

a geel geeft aan dat het groepsgemiddelde op het 5% significantieniveau ten minste 3 procentpunt lager is dan het

gemiddelde, groen dat het groepsgemiddelde op het 5% significantieniveau ten minste 3 procentpunt hoger is dan

het gemiddelde.

b Het totaal van algemeen vertrouwen heeft betrekking op 2023. De verdeling naar groepen is gebaseerd op 2022 en

toegepast op het totaal uit 2023. Alle getallen van thuis voelen en verantwoordelijk voelen hebben betrekking

op 2022.

c In de LISS-data kan geen onderscheid gemaakt worden naar de verschillende groepen.

Bron: CBS (StatLine); CBS (SSW ’22); LISS (SCO/SCV ’22); SCP-bewerking

De gevoelens voor mensen met een migratieachtergrond zijn gemiddeld genomen positief; hoe positief

verschilt sterk naar migratieachtergrond (tabel 3.3). Het minst positief wordt er over mensen met een

Arabische, Oost-Europese of Afrikaanse migratieachtergrond gedacht. Over mensen zonder migratie-

achtergrond en mensen met een West-Europese migratieachtergrond wordt het positiefst gedacht.

Dat gebeurt vooral door mensen zonder migratieachtergrond en in mindere mate ook door mensen met

een migratieachtergrond. Dit beeld is hetzelfde als 15 jaar geleden (Gijsberts en Vervoort 2009; Gijsberts

et al. 2010). Mensen met een basis- of vmbo-opleiding denken het minst positief over migrantengroepen.

Mensen met een hbo- of wo-opleiding denken daar het meest positief over.

45 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S TGemiddeld genomen wordt in Nederland het positiefst gedacht over mensen met een havo-, vwo- of

mbo-opleiding en het minst positief over mensen met een basis- of vmbo-opleiding. Deze opvattingen

worden gedeeld ongeacht het type opleiding dat mensen zelf hebben afgerond. De mensen zonder start-

kwalificatie ervaren dat er op hen neergekeken wordt (Van der Waal 2022).44 Verder valt op dat jong­ eren veel

negatiever en ouderen veel positiever denken over mensen met een basis- of vmbo-opleiding (tabel 3.2).

Tabel 3.2 Gevoelens voor mensen met bepaalde leeftijd en opleiding naar leeftijd, opleiding en

migratieachtergrond, 2022 (in procenten)a

neutrale of positieve gevoelens voor neutrale of positieve gevoelens voor

mensen met

jongeren mensen van

middelbare leeftijd

ouderen basis, vmbo havo, vwo,

mbo

hbo, wo

totaal 94 96 92 85 95 92

20-34 jaar 95 93 85 77 94 93

35-64 jaar 94 97 94 86 95 91

65-plus 94 96 96 90 97 92

basis, vmbo 91 93 93 86 92 87

havo, vwo, mbo 95 96 91 86 96 89

hbo, wo 95 97 93 83 96 96

Nederland 95 97 94 86 96 92

niet-Nederlandb 91 92 88 81 93 90

a geel geeft aan dat het groepsgemiddelde op het 5% significantieniveau ten minste 3 procentpunt lager is dan het

gemiddelde, groen dat het groepsgemiddelde op het 5% significantieniveau ten minste 3 procentpunt hoger is dan

het gemiddelde.

b In de LISS-data kan geen verdere uitsplitsing gemaakt worden naar de verschillende migrantengroepen.

Bron: LISS (cohesie ’22); SCP-bewerking

44 Een startkwalificatie is een diploma havo, vwo, mbo-2 of hoger.

46 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S TTabel 3.3 Gevoelens voor mensen met bepaalde migratieachtergrond naar leeftijd, opleiding en

migratieachtergrond, 2022 (in procenten) a,b

neutrale of positieve gevoelens voor mensen met een achtergrond in

Nederland West-EU Oost-EU Arabië Afrika Azië Cariben

totaal 97 93 74 66 73 80 82

20-34 jaar 96 93 77 72 77 84 86

35-64 jaar 96 93 74 65 72 81 82

65-plus 97 92 70 61 69 75 78

basis, vmbo 95 88 65 57 64 70 74

havo, vwo, mbo 97 92 73 64 72 79 80

hbo, wo 97 96 78 71 78 86 87

Nederland 98 93 73 64 71 78 81

niet-Nederlandc 93 92 76 72 78 86 86

a geel geeft aan dat het groepsgemiddelde op het 5% significantieniveau ten minste 3 procentpunt lager is dan het

gemiddelde, groen dat het groepsgemiddelde op het 5% significantieniveau ten minste 3 procentpunt hoger is dan

het gemiddelde.

b West-EU staat voor mensen met een West-Europese, Noord-Amerikaanse of Australische achtergrond. Arabië staat

voor mensen met een Arabische of West-Aziatische achtergrond, zoals uit Marokko en Turkije. Afrika staat voor

mensen met een Zuid- of Midden-Afrikaanse achtergrond, zoals uit Somalië. Azië staat voor mensen met een

Zuid- of Oost-Aziatische achtergrond, zoals uit China en Indonesië. Cariben staat voor mensen met een Caribische

of Zuid-Amerikaanse achtergrond, zoals uit Aruba en Suriname.

c In de LISS-data kan geen verdere uitsplitsing gemaakt worden naar de verschillende migrantengroepen.

Bron: LISS (cohesie ’22); SCP-bewerking

3.3 Verandering in sociaal vertrouwen in de toekomst

In deze paragraaf laten we zien hoe veranderingen in de demografische samenstelling doorwerken

op het gemiddelde sociaal vertrouwen (algemeen vertrouwen, en verbondenheid met anderen en de

maatschappij) in de toekomst, gevolgd door een uitsplitsing daarvan naar groepsniveau. Daarna volgen

een aantal aanvullende ‘wat als’-scenario’s met alternatieve veronderstellingen over hoe mensen denken

en doen in de toekomst. Vervolgens komt de invloed van maatschappelijke omwikkelingen aan de orde.

Verder wordt stilgestaan bij effecten van veranderingen in de directe leefomgeving op algemeen vertrouwen.

Ten slotte worden twee indicatoren, algemeen vertrouwen en gevoelens voor migranten, afgezet tegen

de bevolkingsdichtheid van een land.

3.3.1 Verandering in de bevolkingssamenstelling

De tabellen 3.4, 3.5 en 3.6 tonen de, op basis van het simulatiemodel, verwachte toe- of afname in

procentpunten van het algemeen vertrouwen, thuisgevoel in Nederland, verantwoordelijk voelen voor

Nederland en gevoelens voor anderen. De resultaten van het simulatiemodel betreffen hier de gevolgen

van veranderingen in demografische samenstelling. De tabellen tonen de resultaten voor het demografische

middenscenario en de minimale en maximale uitkomst van andere demografische scenario’s

(zie bijlage B3.4 voor de uitkomsten per scenario).45 In de tabellen zijn in de bovenste rij de actuele

45 Dit betreffen de zeven varianten van NIDI en CBS en de twee aanvullende meer extreme varianten (zie § 2.4.3.1).

47 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S Twaarden voor de indicatoren te zien.46 De onderste twee rijen van tabel 3.4 geven de bandbreedte uit het

recente verleden weer. Deze geven houvast om de orde van grootte van toekomstige ontwikkelingen

te duiden.

Het algemene beeld is dat veranderingen in de demografische samenstelling bij gelijkblijvende omstandigheden,

nauwelijks effect hebben op sociaal vertrouwen. In ieder demografisch scenario betreffen de

verande­ ringen slechts enkele procentpunten over ruim 25 jaar.

Het geprognotiseerde effect voor algemeen vertrouwen in het middenscenario is een kleine toename

van afgerond 2 procentpunt (tabel 3.4). Het algemeen vertrouwen fluctueerde de afgelopen tien jaar

veel sterker. In 2014 was het met net iets minder dan 58% het laagst, terwijl het in 2023 piekte met

afgerond 67%. Dat is een bandbreedte van 8 procentpunt en dat is vier keer zo groot als het verwachte

demo­ grafische samenstellingseffect van 2 procentpunt. Een kwart van die 8 procentpunt is, zoals eerder

op­ gemerkt, toe te schrijven aan demografische ontwikkelingen. Niet-demografische ontwikkelingen zijn

in het recente verleden dus belangrijker geweest voor sociaal vertrouwen. Op die drivers, de maatschappelijke

ontwikkelingen, gaan we in paragraaf 3.3.4 verder in.

Ook in de andere, meer extreme, demografische scenario’s zien we in indicatoren van sociaal vertrouwen

kleine veranderingen die variëren tussen -4 en 4 procentpunt. Dat geldt voor alle hier onderzochte

indica­ toren; bij thuis voelen zien we een uitschieter naar beneden van 4 procentpunt.47 In bijna alle

scenario’s zullen er evenveel of iets minder mensen zijn met neutrale of positieve gevoelens voor mensen

zonder migratieachtergrond en iets meer mensen met neutrale of positieve gevoelens voor mensen

met een migratieachtergrond (tabel 3.6). Dat komt doordat er in 2050 meer mensen met een migratieachtergrond

zijn. Ook hier zijn de verschillen echter minimaal. De kleine verschillen voor alle indicatoren

tussen de scenario’s wijzen erop dat ook bij meer extreme veranderingen in de bevolkingssamenstelling

het sociaal vertrouwen nauwelijks verandert als er verder niets verandert, zoals gedrag of maatschappelijke

ontwikkelingen.

Tabel 3.4 Algemeen vertrouwen, 2023, zich thuis voelen in en verantwoordelijk voelen voor

Nederland, 2022, ontwikkeling demografische scenario’s 2023-2050 en bandbreedte

verleden 2012-2023 (in procenten en procentpunten)a,b

algemeen vertrouwen thuis voelen in

Nederland

verantwoordelijk voelen

voor Nederland

totaal 67 84 36

middenscenario 2 0 1

minimaal -1 -4 -2

maximaal 3 1 2

bandbreedte 2012-2019 4

bandbreedte 2012-2023 8

a In tabel B3.3 in bijlage B3.4 zijn de resultaten van alle demografische scenario’s opgenomen.

b De bandbreedte is het hoogste jaargemiddelde van een indicator min het laagste jaargemiddelde in een bepaalde

periode. Bij bandbreedtes is een onderscheid gemaakt tussen een periode die loopt tot aan de coronapandemie en

een periode waarin ook de meest actuele jaren zijn meegenomen.

Bron: CBS (2024b); CBS (SSW ’22); LISS (SCO/SCV ’22); SCP-bewerking

46 In de regel is de meeste actuele waarde voor 2023, maar voor sommige indicatoren is dat niet mogelijk en is de waarde van

2022 opgenomen.

47 Dat geldt voor de simulatie met ‘arbeid plus’.

48 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S TTabel 3.5 Gevoelens voor mensen met een bepaalde leeftijd en opleiding, 2022 en demografische

scenario’s 2023-2050 (in procenten en procentpunten)a

neutrale of positieve gevoelens voor neutrale of positieve gevoelens voor

mensen met

jongeren mensen van

middelbare leeftijd

ouderen basis, vmbo havo, vwo,

mbo

hbo, wo

totaal 94 96 92 85 95 92

middenscenario 0 0 0 0 0 1

minimaal -1 -1 -1 -1 0 0

maximaal 0 0 1 1 1 1

a In tabel B3.3 in bijlage B3.4 zijn de resultaten van alle demografische scenario’s opgenomen.

Bron: CBS (2024b); LISS (cohesie ’22); SCP-bewerking

Tabel 3.6 Gevoelens voor mensen met een bepaalde migratieachtergrond, 2022 en ontwikkeling

demografische scenario’s 2023-2050 (in procenten en procentpunten)a,b

neutrale of positieve gevoelens voor mensen met een achtergrond in

Nederland West-EU Oost-EU Arabië Afrika Azië Cariben

totaal 97 93 74 66 73 80 82

middenscenario 0 1 2 2 2 2 2

minimaal -1 0 2 2 2 2 2

maximaal 0 1 3 3 4 4 3

a In tabel B3.4 in bijlage B3.4 zijn de resultaten van alle demografische scenario’s opgenomen.

b West-EU staat voor mensen met een West-Europese, Noord-Amerikaanse of Australische achtergrond. Arabië staat

voor mensen met een Arabische of West-Aziatische achtergrond, zoals uit Marokko en Turkije. Afrika staat voor

mensen met een Zuid- of Midden-Afrikaanse achtergrond, zoals uit Somalië. Azië staat voor mensen met een

Zuid- of Oost-Aziatische achtergrond, zoals uit China en Indonesië. Cariben staat voor mensen met een Caribische

of Zuid-Amerikaanse achtergrond, zoals uit Aruba en Suriname.

Bron: CBS (2024b); LISS (cohesie ’22); SCP-bewerking

3.3.2 Verandering binnen de bevolkingsgroepen

Wat zouden de diverse demografische veranderingen kunnen betekenen voor de verschillen tussen

bevolkingsgroepen? Blijven die bestaan, worden ze groter of kleiner?

In het middenscenario zal het algemeen vertrouwen onder ouderen in de toekomst bovengemiddeld

toenemen (tabel 3.7).48 De verschillen tussen jongeren en ouderen zullen daardoor dus afnemen.

Ook het verschil in vertrouwen tussen mensen zonder migratieachtergrond en mensen met een Turkse

of Marokkaanse achtergrond nemen naar verwachting iets af. Dit komt doordat het aandeel mensen

48 Dat komt vooral doordat het aandeel mensen met een basis- of vmbo-opleiding onder hen daalt en daarmee het aandeel

mensen dat minder vertrouwen heeft (zie figuur B2.3 in bijlage B2.6).

49 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S Tmet vertrouwen onder mensen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond harder stijgt dan gemiddeld.49

Maar omdat de verschillen in de ontwikkeling tussen de groepen klein zijn, zal het forse verschil in

algemeen vertrouwen dat er nu is in de toekomst blijven bestaan in dit scenario. Het verschil in algemeen

vertrouwen tussen mensen met een basis- of vmbo-opleiding en hbo- of wo-opleiding is al heel groot

(37 procentpunt) en wordt zelfs nog ietsje groter (tabel 3.7).50 Bij het thuisgevoel is het verschil tussen

verschillende typen opleidingen veel kleiner. Maar dat wordt in de toekomst volgens het middenscenario

groter, doordat mensen met een basis- of vmbo-opleiding zich minder thuis gaan voelen.51 De bestaande

verschillen in verantwoordelijkheidsgevoel tussen mensen met een basis- of vmbo-opleiding en hbo- of

wo-opleiding blijven in de toekomst min of meer gelijk in het middenscenario.

Tabel 3.7 Algemeen vertrouwen, 2023, zich thuis voelen in en verantwoordelijk voelen voor

Nederland, 2022, ontwikkeling binnen groepen gedefinieerd naar leeftijd, opleiding,

en (migratie)achtergrond, middenscenario 2023-2050 (in procentpunten)a,b

algemeen

vertrouwen

thuis voelen in

Nederland

verantwoordelijk voelen

voor Nederland

Nederlands gemiddelde 2 0 1

20-34 jaar -1 -2 0

35-64 jaar 2 -1 2

65-plus 5 0 2

basis, vmboc -3 -5 0

havo, vwo, mboc -2 -1 -1

hbo, woc -1 0 -1

Nederland 4 1 2

niet-Nederland 2 1

West-EU 5

Oost-EU 2

arbeids- en studiemigratielanden 3

asielmigratielanden 3

Turkije, Marokko 6

Indonesië, Suriname, Antillen 3

a Rood geeft aan dat het groepsgemiddelde significant minder snel groeit (verschil van 3 procentpunt of meer) dan

het populatiegemiddelde, blauw dat het groepsgemiddelde significant sneller groeit dan populatiegemiddelde

(met 3 procentpunt of meer).

b Algemeen vertrouwen heeft betrekking op 2023, thuis voelen en verantwoordelijk voelen op 2022.

c Alle groepsgemiddelden groeien minder snel dan het populatiegemiddelde. Dat lijkt vreemd, maar komt doordat

de groep met het hoogste gemiddelde (hbo/wo) het snelst toeneemt.

Bron: CBS (2024b); CBS (SSW ’12-‘22); LISS (SCO/SCV ’22); SCP-bewerking

49 Dat het aandeel mensen dat de ander vertrouwt onder bijvoorbeeld mensen met een Turkse of Marokkaanse migratieachtergrond

harder stijgt dan gemiddeld, komt doordat het aandeel mensen met een hbo- of wo-opleiding harder stijgt dan

gemiddeld en mensen met een hbo- of wo-opleiding de medemens meer vertrouwen dan mensen zonder zo’n opleiding

(zie figuur B2.5 in bijlage B2.6).

50 Dat komt doordat het aandeel mensen met een migratieachtergrond meer toeneemt onder mensen met een basis-,

vmbo-opleiding dan onder mensen met een hbo-, wo-opleiding (zie figuur B2.6 in bijlage B2.6).

51 Dat komt door een relatief sterke toename van het aandeel mensen met een migratieachtergrond onder de mensen met een

basis-, vmbo-opleiding.

50 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S TOver 65-plussers wordt ook in de toekomst door jongeren minder positief gedacht in het middenscenario.

Dat verschil in gevoelens is een continuering van de huidige situatie (tabel 3.2 en tabel B3.5 in bijlage B3.5).

Bedacht moet worden dat in deze resultaten geen rekening is gehouden met het indirecte effect van een

toename van de grijze druk, die als gevolg kan hebben dat er een steeds grotere solidariteit gevraagd

wordt van jongere generaties. Mogelijk zet die steeds grotere solidariteitsvraag de verhoudingen tussen

jong en oud onder druk.

Vooral mensen zonder migratieachtergrond en mensen met basis- of vmbo-opleiding denken minder

vaak neutraal of positief over mensen met een migratieachtergrond (tabel 3.2). Die gevoelens zullen

door een andere bevolkingssamenstelling in het middenscenario niet wezenlijk veranderen (tabel B3.6).

Beduidend minder mensen met een basis- of vmbo-opleiding zullen in dit scenario in de toekomst

neutrale of positieve gevoelens hebben voor mensen met een hbo- of wo-opleiding dan gemiddeld in de

bevolking (tabel B3.5). Deze gevoelens blijken in het middenscenario in de toekomst nog minder positief

te zijn dan nu.

3.3.3 Verandering in denken en doen

Behalve de toekomstige samenstelling van de bevolking is ook de toekomstige samenhang tussen

demografische kenmerken en sociaal vertrouwen onzeker. Daarom is een aantal ‘wat als’-scenario’s

doorgerekend op basis van de middenvariant van het CBS (2024b). Deze scenario’s richten zich op alter-

natieve veronderstellingen over de samenhang tussen enerzijds de indicatoren van sociaal vertrouwen

en anderzijds de persoonskenmerken opleiding, migratieachtergrond en leeftijd (tabellen 3.8, 3.9 en 3.10).

Tabel 3.8 Algemeen vertrouwen 2023, zich thuis voelen in en verantwoordelijk voelen voor

Nederland, 2022 en ontwikkeling ‘wat als’-scenario’s 2023-2050 (in procenten

en procentpunten)

algemeen

vertrouwen

thuis voelen in

Nederland

verantwoordelijk

voelen voor Nederland

totaal 67 84 36

middenscenario 2 0 1

verschil tussen generaties 2 -5 1

kinderen van de tweede generatie 2 -0 1

culturele competitie -1 -0 0

culturele convergentie -2 -1 -1

toenemend verschil tussen opleidingen -3 -1 -1

diploma-inflatie -6 -3 -2

meer waardering 5 -0 2

gelijkvormigheid -2 -1 -1

Bron: CBS (2024b); CBS (SSW ’12-‘22); LISS (SCO/SCV ’22); SCP-bewerking

Bij het ‘verschil tussen generaties’-scenario gaan we ervan uit dat voor de huidige jongeren andere waarden

belangrijk zijn dan voor de andere generaties, bijvoorbeeld doordat zij met meer onzekerheid te maken

hebben. In onze analyses betekent dit dat de samenhang tussen leeftijd en sociaal vertrouwen niet

verandert gedurende de levensloop, en dus dat de 60-jarige van de toekomst lijkt op de 30-jarige van

nu.52 Als dat zo is, zien we dat het algemeen vertrouwen in 2050 met 2 procentpunt toeneemt, gelijk aan

het middenscenario. Het leeftijdseffect is in deze simulatie dus niet dominant. Voor het thuisgevoel en

52 Voor algemeen sociaal vertrouwen past een dergelijke veronderstelling in de theoretische gedachte van Uslaner (2002),

die stelt dat de houding ten aanzien van vertrouwen in andere mensen tot stand komt in de vormende jaren, en er

vervolgens niet veel meer zal veranderen.

51 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S Tde gevoelens voor anderen zien we grotere verschillen. Het thuisgevoel en de gevoelens voor mensen

met een basis- of vmbo-opleiding en 65-plussers worden minder positief (-6 en -5 procentpunt) en de

gevoelens voor mensen met een migratieachtergrond worden positiever (rond 4 procentpunt). Dat komt

doordat jongeren hun negatieve gevoelens voor mensen van mensen met een basis- of vmbo-opleiding

en ouderen, en hun positieve gevoelens voor migranten in dit scenario meenemen naar de toekomst.

Als de samenleving in de toekomst inclusiever wordt of mogelijk minder inclusief, dan kan dat de

denkbeelden over mensen met en zonder migratieachtergrond veranderen. Daarmee verandert de

samenhang tussen migratieachtergrond en sociaal vertrouwen en ziet deze er in 2050 anders uit dan

het afgelopen decennium. Als de samenleving minder inclusief is, dan zou het kunnen dat de kinderen

van de tweede generatie in 2050 gaan lijken op hun ouders. Dit zogenoemde ‘kinderen van de tweede

generatie’-scenario laat nauwelijks verschillen zien met het middenscenario. Behalve migranten kunnen

mensen zonder migratieachtergrond ook verminderde inclusiviteit ervaren. Zij kunnen bijvoorbeeld het

idee hebben dat zij de concurrentie met migranten aan moeten gaan en het daardoor moeilijker vinden

om te functioneren in een diverser wordende samenleving (het ‘culturele competitie’-scenario). Als daar

sprake van zou zijn, zien we een licht negatieve tendens in vergelijking met het middenscenario voor alle

aspecten van sociaal vertrouwen. Het algemeen vertrouwen zou iets afnemen (met -1 procentpunt). De

samenleving zou in de toekomst ook inclusiever kunnen worden. In dat geval zouden mensen ongeacht

hun migratieachtergrond qua denkbeelden en gedrag meer op elkaar kunnen gaan lijken. In dit ‘culturele

convergentie’-scenario zien we een negatieve tendens in vergelijking met het middenscenario voor alle

aspecten van sociaal vertrouwen, met uitzondering van gevoelens voor migranten. De negatieve tendens

komt doordat mensen zonder migratieachtergrond het lagere vertrouwen gedeeltelijk ‘overnemen’ van

de mensen met een migratieachtergrond. Het grootste verschil zien we bij algemeen vertrouwen; dat

zou afnemen met 2 procentpunt. Deze simulaties met aangepaste veronderstellingen ten aanzien van

migratieachtergrond laten zien dat het hebben van een migratieachtergrond een drukkend effect heeft

op het algemeen vertrouwen.

Als het aandeel mensen met een hbo- of wo-opleiding in de toekomst toeneemt, zou dat verschillende

gevolgen kunnen hebben. Zo kunnen de werelden van mensen met en zonder een hbo- of wo-opleiding

verder uiteen komen te liggen, waarbij het mensen met een havo-, vwo- of mbo-opleiding niet lukt om

aan te haken bij de hbo- en wo-maatschappij (‘toenemend verschil tussen opleidingen’-scenario). Een

ander mogelijk gevolg is dat de waarde van een hbo- of wo-opleiding in de toekomst afneemt (‘diploma-inflatie’-scenario).

In reactie op de toename van hbo- en wo-opgeleiden zou juist de waardering voor

degenen die een ander type opleiding hebben door schaarste in die beroepen kunnen toenemen (‘meer

waardering’-scenario). Tot slot is het ook mogelijk dat de werelden van mensen met en zonder een hbo-

of wo-opleiding juist meer overeenkomen. Dat zou bijvoorbeeld kunnen in de situatie waarin mensen

met verschillende type opleidingen meer met elkaar in contact komen en er naar gelijkvormigheid wordt

gestreefd (het ‘gelijkvormigheidsscenario’). In het ‘toenemend verschil tussen opleidingen’-scenario

worden alle aspecten van sociaal vertrouwen lager. Het algemeen vertrouwen daalt met 3 procentpunt

en ook de gevoelens voor mensen met een migratieachtergrond worden minder positief. Het ‘diploma-inflatie’-scenario

leidt tot een daling in het algemeen vertrouwen met 6 procentpunt en ook de gevoelens

voor mensen met een migratieachtergrond worden minder positief. Het ‘meer waardering’-scenario

laat een stijging zien in algemeen vertrouwen (5 procentpunt) en een positiever beeld over mensen met

een migratieachtergrond. In het gelijkvormigheidsscenario zien we slechts kleine (negatieve) verschillen

met het middenscenario. Alleen voor het algemeen vertrouwen is er een kleine afname te zien. Deze

scenario’s met uiteenlopende veronderstellingen over het effect van opleidingstype laten vooral zien dat

opleiding er vooral bij algemeen vertrouwen toe kan doen. Enerzijds omdat het om grote groepen gaat,

anderzijds omdat die groepen flink van elkaar verschillen in algemeen vertrouwen.

52 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S TTabel 3.9 Gevoelens voor mensen met een bepaalde opleiding en leeftijd, 2022 en ontwikkeling

‘wat als’-scenario’s 2023-2050 (in procenten en procentpunten)

neutrale of positieve gevoelens voor neutrale of positieve gevoelens voor

mensen met

jongeren mensen van

middelbare leeftijd

ouderen basis, vmbo havo, vwo,

mbo

hbo, wo

totaal 94 96 92 85 95 92

middenscenario 0 0 0 0 0 1

verschil tussen

generaties

1 -1 -5 -6 -1 2

kinderen van de tweede

generatie

-0 -0 0 0 0 1

culturele competitie -1 -0 0 -1 -1 0

culturele convergentie -1 -1 0 -1 -1 -1

toenemend verschil

-1 -1 -0 -1 -2 -0

tussen opleidingen

diploma-inflatie 0 -0 -1 1 0 -2

meer waardering 1 0 0 1 1 1

gelijkvormigheid -0 -0 -0 -0 -1 -0

Bron: CBS (2024b); LISS (cohesie ’22); SCP-bewerking

Tabel 3.10 Gevoelens voor mensen met een bepaalde migratieachtergrond, 2022 en ontwikkeling

‘wat als’-scenario’s 2023-2050 (in procenten en procentpunten)a

totaal neutrale of positieve gevoelens voor mensen met een achtergrond in

Nederland West-EU Oost-EU Arabië Afrika Azië Cariben

97 93 74 66 73 80 82

middenscenario 0 1 2 2 2 2 2

verschil tussen

generaties

-1 1 3 4 4 4 3

kinderen van de tweede

generatie

-1 1 2 2 2 2 2

culturele competitie -1 -0 -1 0 0 0 0

culturele convergentie -2 -0 2 3 3 3 3

toenemend verschil

-1 -1 -2 -1 -1 -1 -0

tussen opleidingen

diploma-inflatie -0 -0 0 -1 -0 -0 -1

meer waardering -0 1 3 3 3 3 3

gelijkvormigheid -1 -0 -0 -0 0 0 0

a West-EU staat voor mensen met een West-Europese, Noord-Amerikaanse of Australische achtergrond. Arabië staat

voor mensen met een Arabische of West-Aziatische achtergrond, zoals uit Marokko en Turkije. Afrika staat voor

mensen met een Zuid- of Midden-Afrikaanse achtergrond, zoals uit Somalië. Azië staat voor mensen met een

Zuid- of Oost-Aziatische achtergrond, zoals uit China en Indonesië. Cariben staat voor mensen met een Caribische

of Zuid-Amerikaanse achtergrond, zoals uit Aruba en Suriname.

Bron: CBS (2024b); LISS (cohesie ’22); SCP-bewerking

53 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S T3.3.4 Verandering in de maatschappij

Naast ontwikkelingen in migratie, vergrijzing en opleidingstype kunnen ook maatschappelijke ontwikkelingen

van invloed zijn op sociaal vertrouwen, denk aan de digitalisering of het uitbreken van een pandemie.

We beschikken niet over gegevens om de invloed van deze ontwikkelingen op de indicatoren van sociaal

vertrouwen apart te onderscheiden. Een indicatie geven van hoe het samenspel van deze ontwikkelingen

uitpakt in 2050 kunnen we wel, maar door databeperkingen alleen voor één afzonderlijk aspect van sociaal

vertrouwen, namelijk het vertrouwen in anderen.

Een eerste beeld van de invloed van maatschappelijke ontwikkelingen hebben we al door de ontwikke­ lingen in

het recente verleden te kijken (zie figuur 3.1 in § 3.2). Deze ontwikkelingen gebruiken we om een minimum-

en maximumscenario voor de toekomst door te rekenen (voor de details zie § 2.4.3.3). Over een periode van

ongeveer 25 jaar kunnen zich veranderingen met grote consequenties voordoen waar we nu geen weet van

hebben. Een voorbeeld daarvan is de uitbraak van het coronavirus en de maatregelen om dat in te dammen.

Dat was een ontwikkeling met grote gevolgen die niemand had voorspeld. Het is dus goed mogelijk dat zich

in de toekomst maatschappelijke ontwikkelingen voordoen die een effect hebben dat door de onder- of

bovengrens van de periode 2012 tot en met 2022 gaat.

In die periode lijkt er voor het algemeen vertrouwen sprake van een trendmatige ontwikkeling te

zijn (zie figuur 3.1). Met andere woorden, door de tijd heen is sprake van een geleidelijke toename.53

Hoewel figuur 3.1 dat lijkt te suggereren, is dit met statistisch toetsen niet eenduidig vast te stellen.54

Voor de periode tot en met 2019 blijkt er sprake van een trend, maar nemen we ook de jaren 2020 tot

en met 2022 mee dan blijkt er sprake van een schoksgewijze ontwikkeling. De simulaties op basis van de

maatschappelijke ontwikkelingen met het grootste effect van de voorbije tien jaar hebben als uitkomst

dat het algemeen vertrouwen in het minimumscenario daalt met afgerond 1 procentpunt en in het

maximum­ scenario toeneemt met 7 procentpunt (tabel 3.11). Het onderling verschil tussen het minimum-

en maximumscenario is een stuk groter dan de onderlinge verschillen tussen de demografische scenario’s

(tabel 3.4). Dat lijkt erop te wijzen dat maatschappelijke ontwikkelingen meer invloed hebben op het

algemeen vertrouwen dan veranderingen in de demografische samenstelling.

Tabel 3.11 Algemeen vertrouwen, 2023, en ontwikkeling alternatieve simulaties met betrekking tot

maatschappelijke ontwikkelingen 2023-2050 (in procenten en procentpunten)

algemeen vertrouwen

totaal 67

middenscenario 2

minimum -1

maximum 7

bandbreedte 8

trend/schok niet eenduidig

Bron: CBS (2024b), CBS (SSW ’12-’22); SCP-bewerking

3.3.5 Verandering in leefomgeving

De grote verschillen in algemeen vertrouwen naar kenmerken als leeftijd, opleiding en migratieachtergrond

(zie § 3.2), kunnen samenvallen op buurtniveau en zich dan vertalen naar verschillen in algemeen vertrou­ wen

tussen buurten. Dat zien we als we de buurten rangschikken naar mate van diversiteit, ingedeeld in vier

kwartielen. Uit tabel 3.12 komt het beeld naar voren dat het algemeen vertrouwen minder hoog is in

53 Andere SCP-onderzoeken die gebaseerd zijn op kwartaalcijfers laten over een langere periode een stabiel beeld zien met

wisselingen tussen kwartalen (Den Ridder et al. 2023b).

54 Er is getoetst voor de periode 2012 tot en met 2019, voor de periode 2012 tot en met 2021 en voor de periode tussen 2012 en

2022 (zie tabel B2.10 in bijlage B2.7).

54 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S Tbuurten met meer diversiteit dan in minder diverse buurten. Zo is het gemiddelde algemeen vertrouwen in

de meest diverse buurten 57% en in de minst diverse buurten 64%.55 Deze verschillen worden bepaald

door de opleiding en migratieachtergrond van de mensen die er wonen en door de kenmerken van

de buurt. Dat laatste wordt ook wel de context genoemd. We hebben dat gemeten via de Herfindahl-

Hirschman-index (HHI). Daarmee geven we de kans weer dat twee willekeurige personen uit de bevolking

in een buurt tot verschillende herkomstgroepen behoren.

Hoe zou het algemeen vertrouwen zich ontwikkelen als de diversiteit in buurten toeneemt en hoe verschilt

dat tussen buurten? Onze simulaties laten zien dat de toename in het vertrouwen in anderen in zijn

algemeen­ heid geremd wordt door een toename in diversiteit. Anders verwoord: we vinden in de simu­ laties

negatieve contexteffecten. Dat betekent dat als buurten diverser worden naar migratie­ achter­ grond, dit een

licht negatief effect heeft op het algemeen vertrouwen.56 Tegelijkertijd is het zo dat het samenstellingseffect

in alle gevallen sterker blijkt, waardoor er netto in alle gevallen sprake is van een toename in

algemeen vertrouwen. Het positieve effect van de samenstelling is vooral een gevolg van een toename in

het aandeel mensen met een hbo- of wo-opleiding over de gehele linie.

Vergelijken we het scenario met een gelijkmatige spreiding met dat van een proportionele spreiding,

dan zien we dat bij een proportionele spreiding het algemeen vertrouwen in de buurten met de meeste

diversi­ teit iets minder snel toeneemt dan in niet-diverse buurten. Het algemeen vertrouwen loopt in

de meest diverse buurten bij een gelijkmatige spreiding juist iets in op dat in de niet-diverse buurten.

De verschillen zijn overigens erg klein en betreffen zowel samenstelling als context.

Tabel 3.12 Geschat algemeen vertrouwen naar diversiteit in een buurt, 2023, en ontwikkeling

daarin, 2023-2050 (in procenten en procentpunten)a

niet-diverse

buurten

nauwelijks

diverse buurten

enigszins

diverse buurten

meest diverse

buurten

geschat algemeen vertrouwenb 64 64 62 57

gelijkmatige spreiding

samenstellingseffect 3 2 3 3

omgevingseffect -1 -1 -1 0

totaal 1 1 2 3

proportionele spreiding

samenstellingseffect 4 3 3 3

omgevingseffect 0 -1 -1 -1

totaal 3 3 2 2

a De buurtindeling van niet divers naar meest divers is gedaan op basis van kwartielen van de Herfindahl-Hirschman-index

(HHI). De niet-diverse buurten zijn de 25% buurten met de laagste HHI-score; de meest diverse buurten zijn de 25% buurten

met de hoogste HHI-score. De nauwelijks diverse buurten zijn de buurten met de 25%-50% HHI-score; de enigszins diverse

buurten zijn de buurten met de 50%-75% HHI score.

b Het voorspeld algemeen vertrouwen is gebaseerd op 2013-2022 (het model waarmee voorspeld is bevat geen jaardummy’s)

en voor de samenstelling van de buurt zijn gegevens van 2023 gebruikt.

Bron: CBS (2024b); CBS (SSW ’ 22); CBS(contextbuurtbestand ’23); SCP-bewerking

55 Het algemeen vertrouwen per buurt betreft een voorspelde waarde op basis van de bevolkingssamenstelling in de buurt en

de diversiteit in de buurt in 2023. In het model zijn geen jaardummy’s mee geschat, waardoor geen vergelijking gemaakt kan

worden met de waarde voor Nederland in 2023. Het gemiddelde per kwartiel is berekend als een ongewogen gemiddelde

van de buurten.

56 De geschatte negatieve coëfficiënt van de HHI is te vinden in tabel B2.8 in bijlage B2.1. De toename in de HHI is gebaseerd op de

nieuwe verdeling van aandelen van mensen met een migratieachtergrond, zoals die uit de middenvariant volgt. Voor verdere uitleg,

zie bijlage B2.3.

55 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S TOnze bevinding, een negatief context effect dat klein is vergeleken met het samenstellingseffect, is in lijn

met de literatuur. Volgens de Amerikaanse socioloog Putnam (2007) zorgt meer etnische diversiteit in de

woonomgeving voor minder sociale cohesie tussen bewoners. Uit een recent SCP-literatuuronderzoek

blijkt dat dit effect van diversiteit op sociale cohesie in Nederlandse studies soms wel en soms niet

gevonden wordt (Gijsberts et al. 2024). Uit de studies die bewijs voor een verband tussen diversiteit en

de leefomgeving vinden, blijkt dat de effecten klein zijn en niet voor alle aspecten van sociale cohesie

gevonden worden. Individuele persoonskenmerken spelen doorgaans een grotere rol om verschillen in

sociale cohesie te verklaren dan buurtkenmerken.

3.3.6 Verandering in bevolkingsomvang

Met het analysemodel kunnen we geen link leggen tussen de bevolkingsdichtheid en indicatoren van

sociaal vertrouwen. Wat we wel kunnen, is een landenvergelijking maken. Daarmee zetten we de

bevolkings­ dichtheid in een land af tegen de indicatoren van sociaal vertrouwen om een beeld te krijgen

van de relatie die daartussen bestaat. In figuur 3.2 is voor Europese landen de bevolkingsdichtheid

afgezet tegen het algemeen vertrouwen en tegen de gevoelens voor migranten in een land. De figuur

laat zien dat er nauwelijks een verband is (de correlatie is 0,1). Uit de figuur blijkt ook dat het algemeen

vertrouwen in Nederland (oranje punt, rechtsboven in de figuur) in vergelijking met andere landen hoog

is. Het ontbreken van verband tussen algemeen vertrouwen en bevolkingsdichtheid doet vermoeden

dat voor het algemeen vertrouwen een toename van de bevolking weinig effect heeft. Daarentegen mag

niet uit het oog worden verloren dat Nederland een dichtbevolkt land is, en dat onbekend is of er bij een

verdere toename een omslagpunt is. Dat neemt niet weg dat bevolkingsgroei minder belangrijk is voor

het algemeen vertrouwen dan wellicht op voorhand wordt gedacht.

Figuur 3.2 Relatie tussen bevolkingsdichtheid en algemeen vertrouwen en gevoelens voor

migranten, 2020 (in procenten)a,b

algemeen vertrouwen (in procenten)

100

90

80

70

60

50

40

30

20

10

0

NL

positieve gevoelens over migranten (in procenten)

scp.nl

100

90

80

70

60

50

40

30

20

10

0

NL

scp.nl

0 50

100 150 200 250

300 350 400 450

bevolkingsdichtheid (inwoners per vierkante kilometer)

0 50 100 150 200 250

300 350 400 450

bevolkingsdichtheid (inwoners per vierkante kilometer)

a De ESS-data meten het algemeen vertrouwen op een schaal van 0 tot en met 10 met deze vraag: ‘would you say that

most people can be trusted, or that you can’t be too careful in dealing with people? Deze schaal is omgerekend naar een

percentage, door mensen die een waarde 6 of hoger toekennen en de helft van de mensen die een waarde 5

toekennen toe te rekenen aan mensen met algemeen vertrouwen.

b De ESS-data meten gevoelens voor op een schaal van 0 tot en met 10. Die varieert van ‘migranten maken het land

een slechtere plaats om te leven’ tot ‘migranten maken het land een betere plaats om te leven’. De schaal is

omgerekend volgens hetzelfde stramien als het algemeen vertrouwen.

Bron: ESS10 (’20); IndexMundi (2024); SCP-bewerking

56 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S TVoor de relatie tussen bevolkingsdichtheid en gevoelens voor migranten laat figuur 3.2 evenmin een

verband zien. Ook hiervoor spelen andere zaken dan de bevolkingsdichtheid een rol. Opvallend genoeg

is er wel een correlatie tussen algemeen vertrouwen en gevoelens voor migranten (0,6). Laag algemeen

vertrouwen gaat gepaard met koudere gevoelens voor migranten. Overigens zijn de gevoelens voor

migranten bovengemiddeld positief in nederland.

Dat er geen correlatie is tussen bevolkingsomvang en gevoelens voor migranten, wil niet zonder meer

zeggen dat gevoelens voor migranten niet beïnvloed kunnen worden door migratie (zie ook § 3.1.2).

De indicatoren in figuur 3.2 zijn hier gerelateerd aan de omvang van de bevolking en niet aan de omvang

van de migrantenpopulatie of het migratiesaldo in een land. Bovendien is het goed om te bedenken

dat de relatie tussen sociale cohesie en bevolkingsdichtheid iets anders is dan de gevoelens die er op dit

moment zijn ten aanzien van bevolkingsgroei, migratie en asielmigratie.

3.4 Samenvatting

Voor sociaal vertrouwen hanteren we indicatoren als algemeen vertrouwen, verbondenheid met de mensen

in het land en met het land zelf. Algemeen vertrouwen, of vertrouwen in anderen, wordt vaak gezien

als de lijm die de samenleving bij elkaar houdt en als voorwaarde voor veel sociale processen, zoals het

aangaan van sociale relaties. Als mensen zich niet verbonden voelen met het land waar ze wonen – zich

er niet thuis voelen en zich er niet verantwoordelijk voor voelen – trekken ze zich wellicht meer terug in

de eigen sociale groep, treden ze misschien minder in contact met mensen uit andere groepen en doen ze

mogelijk minder voor het algemeen belang. Als mensen zich meer verbonden voelen met andere mensen

in de samenleving, zullen zij meer bereid zijn die te helpen.

Een groot deel van de nederlandse bevolking heeft vertrouwen in anderen. Het is hoger dan in andere

Europese landen. Het afgelopen decennium nam het vertrouwen in anderen met ruim 8 procentpunt

toe. Veruit het grootste deel van de nederlanders voelt zich thuis in nederland; jongeren en mensen met

een migratieachtergrond wel minder vaak dan gemiddeld. Verantwoordelijk voelen voor nederland is

een ander verhaal: slechts een derde geeft aan zich verantwoordelijk te voelen. Verder denkt de overgrote

meerder heid van de nederlandse bevolking neutraal of positief over mensen uit andere groepen, maar

er is ook een aantal groepen waar minder warme gevoelens voor zijn. Over mensen met een Oost-

Europese, Arabische of Afrikaanse migratieachtergrond wordt minder positief gedacht. Als het om

opleidi ng gaat, wordt gemiddeld gesproken in nederland het minst positief gedacht over mensen met

een basis- of vmbo-opleiding en het meest positief over mensen met een havo-, vwo- of mbo-opleiding.

Hoewel het gemiddelde beeld er voor sociaal vertrouwen goed uitziet, zijn er grote verschillen tussen

groepen. Ongeveer 47% van de mensen met een basis- of vmbo-opleiding vertrouwt anderen, bij

mensen met een havo-, vwo- of mbo-opleiding is dat 65% en bij mensen met een hbo- of wo-opleiding

84%. Daar kunnen meerdere verklaringen voor zijn. Zonder uitputtend te zijn, noemen we er een paar.

Mensen die langer onderwijs volgen hebben meer vaardigheden aangeleerd gekregen om informatie

te beoordelen, wat maakt dat ze anderen makkelijker vertrouwen. Een andere verklaring gaat ervan uit

dat hbo- of wo-opgeleiden meer in aanraking komen met diverse en kosmopolitische anderen, wat tot

minder wantrouwen tegenover mensen kan leiden. Weer een andere verklaring stelt dat mensen met een

basis- of vmbo-opleiding een afstand voelen tot mensen met een hbo- of wo-opleiding door een andere

manier van communiceren en door andere interesses.

Ook de verschillen naar leeftijd spelen een rol, maar de verschillen in sociaal vertrouwen tussen mensen

met verschillende opleidingen zijn vele malen groter dan de verschillen naar leeftijd. Er zijn ook verschil-

len naar migratieachtergrond; ook die zijn kleiner dan de verschillen naar opleiding. Vooral bij men-

sen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond is het algemeen vertrouwen laag. Dit kan te maken

hebben met ervaren discriminatie en maatschappelijke uitsluiting, vooral als het gaat om de tweede

generatie migranten die een hbo- of wo-opleiding hebben gedaan. Ook hiervoor worden in de literatuur

meerdere verklaringen gegeven. Zo kan het komen door (negatieve) ervaringen in het land van herkomst

van de (ouders van) migranten. Migranten die vanuit een ‘laag vertrouwen’-land migreren naar een

57 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S T‘hoog vertrou­ wen’-land nemen hun lagere algemeen vertrouwen mee. Daarnaast kan het samenhangen

met een lagere sociaal-economische positie, die samengaat met een lager algemeen vertrouwen.

Toekomstige veranderingen in de demografische samenstelling zullen volgens de demografische scenario’s

en bij overig gelijkblijvende omstandigheden slechts kleine veranderingen in sociaal vertrouwen teweeg

brengen. Voor de meeste indicatoren gaat het om een geringe stijging. Ook binnen de bevolkingsgroepen

zien we op een uitzondering na slechts kleine veranderingen. Wel zou door een lagere vergrijzing en

hogere migratie het algemeen vertrouwen en thuisgevoel van mensen met een basis- of vmbo-opleiding

dalen, bij verder gelijkblijvende omstandigheden.

In 2050 zal naar verwachting niet alleen de demografische samenstelling, maar ook de bevolkingsomvang

anders zijn dan nu. We vinden, door landen met elkaar te vergelijken, geen verband tussen de

bevolkings­ dichtheid aan de ene kant en algemeen vertrouwen en gevoelens voor migranten aan de

andere kant. Dit is geen sluitend bewijs dat migratie hierop geen invloed heeft. Een aanzienlijk deel van

de Nederlanders heeft zorgen over migratie: ruim een derde geeft aan dat Nederland een prettiger land

zou zijn als er minder migranten wonen. In het licht van die zorgen zou hogere migratie brandstof kunnen

zijn voor minder positieve gevoelens. Tegelijk is het deel dat minder positieve gevoelens heeft voor

migranten vrij stabiel sinds 2012.

De gevonden kleine effecten van demografische veranderingen op sociaal vertrouwen in de demografische

scenario’s gelden onder het voorbehoud van de veronderstelling dat de in het verleden gevonden

verbanden in de toekomst gelijk blijven. De scenario’s waarbij andere aannames worden gemaakt over

het verband tussen enerzijds leeftijd, migratieachtergrond of opleiding en anderzijds de indicatoren van

sociaal vertrouwen laten zien wat er gebeurt als we die veronderstelling loslaten (de ‘wat als’-scenario’s).

De scenario’s die eruit springen zijn ‘verschil tussen generaties’, ‘toenemend verschil tussen opleidingen’

en ‘diploma-inflatie’. Het ‘verschil tussen generaties’-scenario laat zien dat als de houding en het gedrag

van jongeren ten aanzien van de indicatoren gelijk blijven tijdens hun leven – dus als de 30-jarige van

nu over circa 25 jaar hetzelfde blijft denken en doen – minder mensen zich in de toekomst thuis voelen

in Nederland. Ook wordt er dan minder positief gedacht over 65-plussers en mensen met een basis- of

vmbo-opleiding. Als het de groep met een havo-, vwo- of mbo-opleiding niet lukt om aan te haken bij de

hbo- en wo-maatschappij (‘toenemend verschil tussen opleidingen’-scenario), zouden alle indicatoren

van sociaal vertrouwen (iets) lager worden en met name het algemeen vertrouwen. Als mensen met hbo-

of wo-opleiding minder geprivilegieerd zouden raken en daardoor in houding en gedrag gaan lijken op

mensen met havo-, vwo- of mbo-opleiding (‘diploma-inflatie’-scenario), zien we vergelijkbare effecten.

De eerder genoemde groepsverschillen naar leeftijd, opleiding en herkomst kunnen samenvallen op

buurtniveau. Als groepen in de bevolking zich concentreren in buurten, worden op buurtniveau verschillen

in algemeen vertrouwen zichtbaar. We zien dat het algemeen vertrouwen minder hoog is in diversere

buurten dan in minder diverse buurten. Deze verschillen worden vooral bepaald door de opleiding en

migratieachtergrond van de mensen die er wonen en in mindere mate door de diversiteit in de buurt.

Als in de toekomst de verschillen tussen buurten in diversiteit groter worden, worden de verschillen in

algemeen vertrouwen ietsje groter.

In het verleden hadden maatschappelijke ontwikkelingen een grotere invloed op het algemeen vertrouwen

dan de demografische veranderingen. Scenario’s met verschillende toekomstige maatschappelijke

ontwikke­ lingen laten zien dat dit mogelijk ook in de toekomst zo kan zijn.

58 S O C I A A L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S T4 Sociale participatie nu en in de toekomst

Belangrijkste bevindingen

De indicatoren van sociale participatie die wij in dit rapport bestuderen, zijn vrijwilligerswerk,

lid zijn van een recreatieve of belangenvereniging en de samenstelling van het vriendennetwerk.

In de demografische scenario’s hebben toekomstige veranderingen in demografische

samenstelling weinig invloed op sociale participatie.

Toch zijn er wel een aantal aandachtspunten. Daartoe behoren vooral de verschillen in sociale

participatie tussen mensen met en zonder een hbo- of wo-opleiding en tussen mensen met en

zonder Nederlandse of West-Europese achtergrond. Deze verschillen zullen ook in de toekomst

blijven bestaan, volgens de demografische scenario’s.

Een ander aandachtspunt is dat het netwerk van mensen vooral bestaat uit mensen met gelijke

kenmerken. Dat blijft ook zo door de demografische ontwikkelingen, volgens de scenario’s.

Daarnaast kan de sociale participatie door de demografische ontwikkelingen ook afnemen,

zo laten de ‘wat als’-scenario’s ‘verschil tussen generaties’-, ‘toenemend verschil tussen

opleidingen’ en ‘diploma-inflatie’ zien.

Andere simulaties laten zien dat maatschappelijke ontwikkelingen, zoals verdergaande

individualisering, in de toekomst een negatieve invloed kunnen hebben op het lidmaatschap

van verenigingen en het doen van vrijwilligerswerk. Het is echter ook mogelijk dat voor het

verenigingsleven nieuwe informele vormen van sociale interactie in de plaats komen.

In hun twee-bij-tweeraamwerk waarin aspecten van sociale cohesie zijn onder te brengen, onderscheiden

Chan et al. (2006) kenmerken die een uiting zijn van gedrag en betrekking hebben op de relaties tussen

(groepen) mensen. Dat cluster van aspecten van sociale cohesie noemen wij in ons rapport sociale

participatie. Daaronder vallen het lidmaatschap van verenigingen, het verrichten van vrijwilligerswerk

en de samenstelling van de vriendenkring. Sociale participatie wordt vaak gezien als het cement van de

samenleving, omdat het de ruimte tussen privé, markt en politiek bestrijkt (Van den Berg et al. 2011; De

Boer et al. 2020). In dit hoofdstuk gaan we na hoe de sociale participatie zich zou kunnen ontwikkelen als

in de toekomst de samenstelling van de bevolking verandert.

Eerst beschrijven we wat deze indicatoren precies inhouden en waarom ze van belang zijn voor sociale

cohesie (§ 4.1). Daarna bekijken we hoe de sociale participatie zich in het recente verleden heeft ontwik­ keld,

wat de actuele stand van zaken is en hoe groot de verschillen tussen groepen in de bevolking zijn (§ 4.2).

Vervolgens verkennen we de toekomst (§ 4.3). We kijken daarbij naar de invloed van een andere bevolkingssamenstelling

op sociale participatie op het niveau van het bevolkingsgemiddelde en op groepsniveau. Ook

kijken we naar de invloed van mogelijke toekomstige veranderingen in denken en doen en in maatschap-

pelijke ontwikkelingen. Daarna proberen we een indruk te krijgen van de invloed van veranderingen in

de bevolkingsomvang door voor vrijwilligerswerk aan de hand van een landen­ vergelijking te bekijken wat

de samenhang is tussen bevolkingsdichtheid en het verrichten van vrijwilligers­ werk. We eindigen het

hoofdstuk met een samenvatting (§ 4.4).

59 S O C I A L E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S T4.1 Wat weten we van sociale participatie?

4.1.1 Lidmaatschap van verenigingen

Lidmaatschappen van verenigingen, zoals sportclubs, hobbyclubs of toneelverenigingen, kunnen sociale

cohesie bevorderen, doordat mensen uit verschillende sociale groepen elkaar tegenkomen. Verenigingen

die gericht zijn op de belangen van anderen, zoals consumentenorganisaties, vakbonden, beroepsorganisaties,

milieuorganisaties of patiëntenverenigingen, zijn onderdeel van sociale cohesie vanwege

het publieke belang dat ze dienen. Binnen de context van het maatschappelijk middenveld vindt doorgaans

samenwerking én sociale interactie plaats tussen verschillende sociale groepen in de samenleving (zie Chan

et al. 2006). De gedachte hierbij is dat het maatschappelijke middenveld een brugfunctie kan vervul­ len

tussen verschillende sociale groepen. Volgens Putnam (2000) zijn vrijwillige associaties belangrijk voor de

samenleving. Vooral organisaties waarin verschillende groepen met elkaar in contact komen zijn daarbij

belangrijk voor de cohesie: deze ‘bridging’-organisaties, waar mensen uit verschillende groepen elkaar

ontmoeten, zouden positieve effecten hebben voor sociale relaties in de rest van de samenleving. Een voorbehoud

is wel dat mensen ook lid kunnen zijn van vereniging met uitsluitend leden uit de eigen groep.

Het belang van lidmaatschap van verenigingen

Lidmaatschappen van verenigingen kunnen gericht zijn op ontspanning of op belangenbehartiging.

Chan et al. (2006) onderscheiden georganiseerde en zelf geïnitieerde sociale participatie. Georganiseerde

sociale participatie wijst op de formele bindingen in het maatschappelijke middenveld en wordt ook wel

‘civil society’ genoemd. Formele bindingen, zoals in vakbonden, hebben de afgelopen decennia leden, en

hiermee relevantie, verloren. Tegelijkertijd zijn ook nieuwe sociale verbanden ofwel informele groepen

ontstaan, rondom duurzaamheid en zorg (Bucx et al. 2020) en in de vrije tijd, bijvoorbeeld samen sporten

of muziek maken zonder bij een vereniging aangesloten te zijn (Van den Berg 2010; Tiessen-Raaphorst en

Van den Broek 2016). Samen hardlopen of geregeld met een oudere buur gaan wandelen zijn voorbeelden van

zelf geïnitieerde informele bindingen binnen de gemeenschap. Daarnaast zijn er tegenwoordig informele

digitale verbanden, bijvoorbeeld via online gamen (zie bv. Van Rooij et al. 2010). Wij richten ons hier

noodgedwongen alleen op het georganiseerde verenigingsleven, omdat we over het informele deel geen

gegevens hebben.

In dit onderzoek onderscheiden we twaalf typen verenigingen en maatschappelijke organisaties waarvan

mensen lid kunnen zijn. Op basis van inhoudelijke overwegingen zijn hiervan twee samengestelde

indicatoren gemaakt. De eerste betreft recreatieve verenigingen. Deze indicator omvat het lidmaatschap

van een sportvereniging, een zang-, muziek- of toneelvereniging, een hobbyvereniging (bv. een auto-,

handwerk- of computerclub), een jeugd- of jongerenorganisatie (zoals de scouting), een gezelligheids-

vereniging (bv. een personeelsvereniging), een carnavalsvereniging of studentenvereniging. De tweede

indicator betreft het lidmaatschap van een vereniging die zich bezighoudt met belangenbehartiging.

Deze indicator omvat het lidmaatschap van een politieke partij of organisatie, een werkgeversvereniging,

middenstandsorganisatie of beroepsvereniging, een vakbond, een consumentenorganisatie (zoals de

ANWB, de Consumentenbond of Vereniging Eigen Huis), een patiëntenvereniging, of een organisatie op

het gebied van natuur en milieu (zoals Greenpeace, het Wereld Natuur Fonds, Natuurmonumenten of

de Vogelbescherming).

Wie zijn lid van verenigingen?

Jongeren en 65-plussers zijn relatief vaak lid van een vereniging. De huidige ouderen zijn opgegroeid met

een rijk verenigingsleven. Zij zien dit als middel om elkaar te blijven ontmoeten en eenzaamheid tegen te

gaan. Hier kan sprake zijn van een generatie-effect: latere generaties gaan, mede onder invloed van het

tweeverdienersschap en de vrijetijdshectiek, vermoedelijk meer informele banden aan (Roeters 2018).

Daarnaast speelt leeftijd een rol. Jongeren hebben, in vergelijking met volwassenen, meer tijd voor

ontspanning en dit wordt met name ingevuld met sport, spel en media-activiteiten. In het spitsuur

van het leven, waarin mensen werk, zorg voor de kinderen en het huishouden combineert, is er relatief

weinig ruimte voor vrije tijd en dus voor (actief) lidmaatschap van verenigingen. Verder varieert het

type vereniging waarvan mensen lid zijn naar leeftijd. Ouderen zijn vaker te vinden bij politieke partijen

en hobbyverenigingen, jongeren bij sportverenigingen en jeugd- of jongerenorganisaties. De groep

daartussenin, de mensen van 35 tot 55 jaar, die veelal werken, zijn vooral lid van werkgeversverenigingen,

60 S O C I A L E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S Tmiddenstandsorganisaties, beroepsverenigingen of vakbonden (Kloosterman en Coumans 2014). De

literatuur is niet eenduidig of bij de verschillen in verenigingsdeelname57 sprake is van een leeftijds- of

een generatie-effect (zie Van den Berg 2010).

Ook is bekend dat mensen met een migratieachtergrond in andere dan West-Europese landen minder

vaak lid zijn van verenigingen dan Nederlanders zonder migratieachtergrond (Schmeets en Te Riele 2014).

Mensen die niet in Nederland zijn opgegroeid, of maar ten dele, ervaren veel minder binding met het

verenigingsleven. Misschien kennen ze de weg niet, hebben ze andere prioriteiten in hun tijdbesteding en

uitgaven, of blijven ze korter lid (Jennissen et al. 2023; Wiertz 2016). Het kan ook zijn dat zij meer informele

bezigheden zoeken, dan bezigheden die via verenigingen worden georganiseerd.

Mensen met een hbo- of wo-opleiding zijn vaker lid van een vereniging dan mensen met een basis- of

vmbo-opleiding, en ook vaker lid van verenigingen die meer bijdragen aan collectieve doelen. Dat kan te

maken hebben met het hebben van meer tijd en geld of met andere interesses (Vrooman et al. 2023).

4.1.2 Vrijwilligerswerk

Een belangrijk kenmerk van vrijwilligerswerk is dat het werk is dat voor anderen of voor de samenleving

wordt gedaan. Een belangrijk motief om vrijwilligerswerk te verrichten is dat mensen het fijn vinden om

iets voor een ander te doen (Arends 2020). Het geeft uiting aan verbondenheid met anderen in gedrag.

Ook plezier in het vrijwilligerswerk kan een rol spelen bij sociale participatie. Denk aan het draaiende

houden van de sportclub van de kinderen met de inzet van hun ouders. Ook dat kan voor meer sociale

cohesie zorgen. Vrijwillige inzet wordt dan ook vaak gezien als de hoeksteen van de Nederlandse civil society

en het houdt de samenleving gezond en veerkrachtig (Koolen-Maas en De Wit 2022). Van vrijwilligerswerk

wordt daarnaast gezegd dat het mensen uit verschillende lagen en groepen van de bevolking bij

elkaar kan brengen (zie bv. Putnam 2000). Dat is omdat zij vaardigheden en waarden overdragen (zie bv.

Putnam 2000; Verba et al. 1995).

Maar het is de vraag of vrijwilligerswerk in staat is de hooggespannen verwachtingen die daaraan worden

gekoppeld waar te maken (zie bv. Eliasoph 2013; Glanville 2004; Skocpol 2003; Stolle en Rochon 1998) en

mensen uit verschillende lagen en groepen van de bevolking daadwerkelijk bij elkaar kan brengen. Er zijn

ook signalen dat het daar minder goed in slaagt dan verondersteld wordt. Mensen doen vrijwilligerswerk

voor organisaties waarin anderen die op hen lijken actief zijn (Wiertz 2015, 2016). Zo doen gelovigen

bijvoor­ beeld vaak met andere gelovigen vrijwilligerswerk voor kerkelijke organisaties. Het zijn vaak vrouwen

die vrijwilligerswerk op scholen doen en mannen die vrijwilliger op sportverenigingen zijn (Arends 2021;

Arends en Tummers 2022; Wiertz 2015).

Het belang van het doen van vrijwilligerswerk

Leerlingen helpen met oversteken van een drukke weg in de buurt van school, leden van de korfbalvereniging

trainen, rondleidingen geven in musea, kaartjes controleren in het filmhuis, een luisterend

oor bieden bij de Kindertelefoon, patiënten en bezoekers wegwijs maken in het ziekenhuis, helpen bij de

voorbereidingen van het gebed in de kerk of moskee. Dit is slechts een kleine greep uit de werkzaamheden

die vooral door vrijwilligers worden gedaan. Nieuwere vormen van vrijwilligerswerk die gerelateerd zijn

aan de digitalisering zijn het maken van informatieve video’s, foto’s of podcasts, het bijdragen aan een

Wikipediapagina en het schrijven van een review over een product of dienst (Koolen-Maas en De Wit

2022). De vele verschillende werkzaamheden maken het lastig tot een breed gedeelde definitie van

vrijwilligerswerk te komen (Claassen en Welling 2006). De overheid gebruikt de volgende omschrijving:

vrijwilligerswerk is werk dat onbetaald en onverplicht wordt gedaan voor anderen of voor de samenleving

(Rijksoverheid 2023).58

57 We gebruiken deelname aan en lidmaatschap door elkaar. We gaan er impliciet van uit dat mensen bij deelname ook lid van

de vereniging zijn, terwijl dat strikt genomen niet zo hoeft te zijn.

58 Er zijn ook een aantal voorwaarden die aan vrijwilligerswerk zijn gekoppeld. Dat zijn: het werk dient een algemeen of

maatschappelijk belang; het werk heeft geen winstoogmerk; en het werk kost geen banen op de arbeidsmarkt en/of komt

niet in de plaats van een betaalde baan.

61 S O C I A L E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S TIn dit onderzoek wordt de indicator vrijwilligerswerk gemeten met de vraag of men in de afgelopen

12 maanden vrijwilligerswerk heeft gedaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om het jeugd- en buurthuiswerk,

vrijwilligerswerk op school, in de verzorging en verpleging of op (sport)verenigingen, in de kerk of moskee,

bij vakbonden, politieke partijen of in de sociale hulpverlening of in de wijk of de buurt. Tabel 2.5 geeft

een overzicht van de verschillende vormen van vrijwilligerswerk.

Ook bij het doen van vrijwilligerswerk valt, net als bij lidmaatschap van verenigingen, nog wel een kanttekening

te maken. De voornaamste reden die mensen aangeven om niet actief te zijn als vrijwilliger,

is dat zij daar geen tijd voor hebben (Arends 2021). Maar geen vrijwilligerswerk doen kan ook een specifieke

reden hebben. Soms zijn er omstandigheden waarin het niet goed mogelijk is om vrijwilligerswerk te

doen, zoals langdurige ziekte, een handicap of ouderdom. En wellicht zal niet al de vrijwillige inzet,

zoals wat vanuit kerken en moskeeën wordt georganiseerd, als vrijwilligerswerk worden opgevat

(Dekker et al. 2007).

Wie verrichten vrijwilligerswerk?

Uit sommige bronnen blijkt dat jongeren minder vaak vrijwilligerswerk doen dan ouderen (Dekker 2005;

Koolen-Maas en de Wit 2022; Den Ridder 2020). Andere bronnen tonen een wisselender beeld

(Arends 2020; Arends en Tummers 2022). Daaruit blijkt dat jongeren in de leeftijd van 15 tot 25 jaar

vaker vrijwilligers­ werk verrichten dan 25-35-jarigen en zelfs vaker dan 75-plussers. Het actiefst zijn de

35-55-jarigen. Veel vrijwilligerswerk wordt dan ook gedaan op de school en de sportclub van de kinderen

(Roeters 2018). Het verschil in deelname tussen jong en oud zou ook te maken kunnen hebben met

de sterkere kerkelijkheid van oudere generaties (Dekker et al. 2007). Op basis van de literatuur is niet

eenduidig vast te stellen of er sprake is van een leeftijds- of een generatie-effect (zie Van den Broek

et al. 2010).

Mensen zonder migratieachtergrond verrichten relatief vaker vrijwilligerswerk dan mensen met een

migratieachtergrond (Arends 2020; Arends en Tummers 2022; Koolen-Maas en De Wit 2022). Dat kan

wellicht komen doordat belemmerende factoren zoals taalbarrières, onbekendheid met vrijwilligerswerk en

de organisatiecultuur een rol spelen. Voor sommigen heeft vrijwilligerswerk een slechte naam, omdat het

geassocieerd wordt met een verplichting die in de landen van herkomst wordt opgelegd (Klaver et al. 2005).

Mensen die vrijwilligerswerk doen, hebben vaker een hbo- of wo-diploma dan een basis- of vmbo-diploma

(Arends 2020; Arends en Tummers 2022; Dekker 2005; Koolen-Maas en De Wit 2022; Den Ridder 2020).

Verklaringen hiervoor zouden kunnen zijn dat mensen met een hbo- of wo-diploma meer financiële

armslag hebben of meer vaardigheden tot hun beschikking hebben. Ook zou het zo kunnen zijn dat ze

vrijwilligerswerk meer zien als een mogelijkheid voor het verruimen van hun netwerk, wat nuttig kan

zijn voor een eventuele volgende baan. Een andere mogelijke verklaring is dat mensen met een hbo- of

wo-opleiding meer hulpbronnen hebben om te beginnen met vrijwilligerswerk (Bekkers 2004; Bovens

et al. 2014; Dekker en De Hart 2009; Sielias 2016).

4.1.3 Vrienden en kennissen

Vaak gaan mensen relaties aan met mensen die op hen lijken, denk aan vriendschappen of collega’s

op het werk. Dit wordt ook wel homogeniteit genoemd. Deze relaties (‘bonding’-relaties) zorgen ervoor

dat mensen deel uitmaken van een groep en zo bescherming en ondersteuning ontvangen. Dat is goed

voor de sociale cohesie (De Bakker et al. 2023a). De gerichtheid op de ingroup en het helpen van de eigen

leden kan echter ook leiden tot conflict met en isolatie van anderen. Daarmee kan het de sociale cohesie

ondermijnen. Ook, of juist, relaties met mensen die minder op elkaar lijken (‘bridging’-relaties) gelden als

een belangrijke indicator voor sociale cohesie, omdat ze segregatie en de afstand tussen groepen zouden

kunnen verminderen. Het bestaan van sterke bindingen binnen groepen (‘strong alliances’) kan, samen

met de afwezigheid van bindingen tussen groepen (‘strong cleavages’), voor minder cohesie zorgen op het

niveau van de gehele samenleving. De reden hiervoor is dat deze situatie de samenleving als geheel zal

verdelen. De relaties met (groepen) anderen vormen dus een belangrijke graadmeter voor de mate van

sociale cohesie (Chan et al. 2006).

62 S O C I A L E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S THet belang van (de samenstelling van) de vriendenkring

In de context van sociale cohesie gaat het bij de relaties die mensen met elkaar aangaan om de aan- of

afwezigheid van feitelijke bindingen of scheidslijnen tussen sociale groepen (Chan et al. 2006). Er bestaan

natuurlijke scheidslijnen tussen vele verschillende sociale groepen. Veel onderzoek hierover richt zich

op de interetnische component: contacten tussen groepen met verschillende etnische achtergronden

(McPherson et al. 2001). In Nederland spitsen de zorgen zich onder andere toe op de sociale gescheidenheid

van groepen met verschillende migratieachtergronden (WRR 2020). Vrooman et al. (2023) onderscheiden

verschillende groepen op basis van de hoeveelheid economisch, sociaal, cultureel en persoonskapitaal.

Ook in dit onderzoek richten we ons niet alleen op de relaties en contacten tussen groepen met verschillende

migratieachtergronden, maar ook op relaties en contacten tussen groepen met verschillende leeftijden of

typen opleidingen. We gebruiken hiervoor de vraag die het aandeel vrienden of goede kennissen meet

uit een bepaalde groep. In totaal onderscheiden we dertien verschillende groepen gebaseerd op leeftijd,

migratieachtergrond en opleiding (zie tabel 2.5).

Met wie gaan mensen vriendschapsrelaties aan?

De persoonlijke netwerken van mensen zijn voor verschillende kenmerken homogeen. In Nederland

hebben personen met een Nederlandse herkomst bijvoorbeeld het meest gesegregeerde netwerk; zij

hebben in verhouding weinig mensen met een andere herkomst in hun netwerk van buren, collega’s,

familie, huisgenoten en klasgenoten (CBS 2024d). De mechanismen hierachter worden vooral gezocht

in dat mensen het liefst contact willen hebben met mensen die op hen lijken.59 Communiceren en een

band vormen is makkelijker voor mensen die dezelfde kennis en culturele smaak hebben. De grootste

scheidslijn in persoonlijke netwerken is gebaseerd op etniciteit, gevolgd door leeftijd, religie en opleiding

(McPherson et al. 2001). De mogelijkheid om elkaar tegen te komen is een basisvoorwaarde voor het

vormen van een sociaal netwerk. Daarom zullen mensen vaker kennissen of vrienden hebben van dezelfde

leeftijd. Dat geldt ook voor mensen met een bepaalde migratieachtergrond in wijken waar veel mensen

met die migratieachtergrond wonen. Naast familiebanden – die we overigens in dit onderzoek niet kunnen

meenemen – zijn school, werk, religieuze instellingen, verenigingen en vrijwilligerswerk de belangrijkste

plekken om vrienden en kennissen te ontmoeten.

4.2 Stand van zaken

Figuur 4.1 brengt de ontwikkelingen van het lidmaatschap van recreatieve en belangenverenigingen en

vrijwilligerswerk in beeld voor de periode 2012-2023. De figuur laat zien hoe deze drie indicatoren tot aan

2020 heel geleidelijk afnemen. Op basis van de analyses (zie bijlage B2.1) valt af te leiden hoe groot de

demografische en maatschappelijke effecten in die periode waren. Demografische effecten varieerden

tussen de 0,5 en 2 procentpunt en hebben bij recreatieve verenigingen een positief effect, terwijl de totale

ontwikkeling negatief was. Dat wil zeggen dat op basis van demografie een toename was verwacht,

terwijl er sprake is van een afname. De daling is voor die indicator dus volledig aan maatschappelijke

ontwikkelingen toe te schrijven.60

De daling in het lidmaatschap van recreatieve verenigingen betreft een afname van 3 à 4 procentpunt

over een periode van ruim tien jaar.61 Daar staat tegenover dat het lidmaatschap van belangenverenigingen

toenam, vooral in de periode 2021-2022. Dat komt met name doordat consumentenorganisaties er in

2021-2022 meer leden bij kregen.62 Het is de vraag of deze toename een tijdelijk of structureel karakter

zal hebben.63 In zijn algemeenheid lijkt de sociale participatie stabiel tot licht dalend te zijn, zeker tot aan

2019. Onze bevindingen komen overeen met de resultaten uit ander onderzoek (Den Ridder et al. 2020).

59 De Bakker et al. (2023a) spreken hier van culturele verklaringen.

60 Dit is berekend door de predicties met en zonder jaardummy’s met elkaar te vergelijken.

61 Uit onderzoek van het Mulier Instituut blijkt dat het percentage dat lid is van een sportvereniging licht afneemt over een

langere periode, maar de laatste jaren, ondanks de coronacrisis, redelijk stabiel blijft (Van den Dool 2023).

62 In 2023 was er sprake van een terugval in het aantal leden bij consumentenorganisaties.

63 Of de terugval van leden in 2023 bij consumentenorganisaties zich ook vertaalt naar een terugval op het geaggregeerde

niveau van belangenorganisaties, valt op dit moment nog niet te zeggen.

63 S O C I A L E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S THet deel van de bevolking dat in het afgelopen decennium vrijwilligerswerk heeft verricht daalde licht:

van 51% naar 49%. In de periode 2020-2022 was daarin wel een duidelijke dip te zien. Dat lijkt vooral een

gevolg te zijn geweest van het uitbreken van het coronavirus en de maatregelen daartegen. Op verschillende

momenten tijdens de coronapandemie was het vrijwel onmogelijk om vrijwilligerswerk te verrichten,

omdat mensen afstand van elkaar moesten houden en verschillende sectoren daardoor tijdelijk gesloten

werden, zoals de scholen en de sport- en culturele instellingen. In 2023, het eerste jaar waarin het gehele

jaar geen maatregelen meer nodig waren tegen het coronavirus, doet min of meer hetzelfde aandeel

mensen vrijwilligerswerk als in de periode voor het uitbreken van de coronapandemie. Dat is een aanwijzing

dat de coronapandemie geen blijvend effect heeft op de inzet van vrijwilligers.64

Figuur 4.1 Ontwikkeling sociale participatie, 2012-2023 (in procenten)a

65

60

belangenvereniging

recreatieve

vereniging

vrijwilligerswerk

55

50

45

40

35

scp.nl

30

2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2023 2022

a In 2017 ontbreken de waarnemingen voor het lidmaatschap van recreatieve en belangenverenigingen.

Bron: CBS (StatLine)

Tussen jongeren en ouderen zijn vooral verschillen te vinden bij het lidmaatschap van belangenverenigingen.

Jongeren zijn hier veel minder vaak lid van dan mensen van middelbare leeftijd en ouderen (tabel 4.1).

Ook bij vrijwilligerswerk bestaat een verschil naar leeftijd, maar dit is minder groot dan bij het lidmaat-

schap van belangenverenigingen. Zoals te verwachten is, hebben mensen vooral vrienden en kennissen

in de eigen leeftijdsgroep (tabel 4.2). Jongeren hebben vaker vrienden met een hbo- of wo-opleiding,

vermoedelijk omdat ze zelf vaker deze opleiding hebben.

Er bestaan grote verschillen in sociale participatie naar opleidingsachtergrond. Mensen met een hbo- of

wo-opleiding zijn vaker lid van een vereniging en doen vaker vrijwilligerswerk dan mensen met basis- of

vmbo-opleiding (tabel 4.1). De verschillen in vrijwilligerswerk en lidmaatschap van verenigingen kan te

maken hebben met onvoldoende financiële middelen, gebrek aan sociaal kapitaal of andere gewoonten.

Ook de aard van de vriendenkring verschilt enorm (tabel 4.2). Voor 35% van de mensen met een basis- of

vmbo-opleiding geldt dat een groot deel van hun vrienden of goede kennissen een hbo- of wo-opleiding

heeft; dat geldt voor driekwart van de mensen met zelf een hbo- of wo-opleiding. Omgekeerd heeft

64 De Rond et al. (2022) verwachtten al dat dit niet het geval zal zijn. Uit onderzoek dat zij voor de gemeente Den Bosch hebben

uitgevoerd, blijkt dat het gemeenschapsleven veerkrachtig is, organisaties niet zomaar omvallen en de wil om iets goeds te

doen voor een ander niet snel verdwijnt. De Rond et al. gaan er dan ook van uit dat het gemeenschapsleven opnieuw zal

bloeien wanneer daarvoor ruimte is. Verder constateert Meijs (2022) dat er geen tekort aan, maar juist een grote vraag naar

vrijwilligers is. Organisaties die op zoek zijn naar vrijwilligers zullen zich flexibeler moeten opstellen; zij zullen zich moeten

aanpassen aan de beschikbaarheid van vrijwilligers, aldus Meijs.

64 S O C I A L E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S Tslechts 8% van de mensen met een hbo- of wo-opleiding in meerderheid vrienden of goede kennissen

met een basis- of vmbo-opleiding. Voor een kwart van de mensen met basis- of vmbo-opleiding geldt

dat een groot deel van hun vrienden of goede kennissen hetzelfde opleidingstype heeft; zij hebben in

meerderheid vrienden en kennissen met een havo-, vwo- of mbo-opleiding. Voor de mensen met havo-,

vwo- of mbo-opleiding en mensen met een hbo- of wo-opleiding is dit driekwart. Dit wijst in de richting

van homogeniteit en daarmee naar gescheidenheid naar opleiding. Het bestaan van gescheiden groepen

is al eerder geconstateerd door het SCP (Vermeij en Thijssen 2024).

Tabel 4.1 Deelname aan verenigingen, 2022, en vrijwilligerswerk, 2023, naar leeftijd, opleiding en

migratieachtergrond, 2023 (in procenten)a

recreatieve vereniging belangenvereniging vrijwilligerswerk

totaalb 47 59 49

20-34 jaar 50 43 43

35-64 jaar 47 69 51

65-plus 41 67 50

basis, vmbo 37 44 36

havo, vwo, mbo 46 61 47

hbo, wo 57 68 61

Nederland 50 63 53

West-EU 48 55 40

Oost-EU 34 37 24

arbeids- en studiemigratielanden 32 33 35

asielmigratielanden 35 27 42

Turkije, Marokko 28 39 27

Indonesië, Suriname, Antillen 38 54 39

a geel geeft aan dat het groepsgemiddelde op het 5% significantieniveau ten minste 3 procentpunt lager is dan het

gemiddelde, groen dat het groepsgemiddelde op het 5% significantieniveau ten minste 3 procentpunt hoger is dan

het gemiddelde.

b Het totaal van vrijwilligerswerk heeft betrekking op 2023, het totaal van verenigingen op 2022. De verdeling naar

groepen van alle drie indicatoren is gebaseerd op 2022 en toegepast op het totaal uit 2023.

Bron: CBS (StatLine); CBS (SSW ’22); SCP-bewerking

65 S O C I A L E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S TTabel 4.2 Aandeel vrienden met bepaalde leeftijd en opleiding, naar leeftijd, opleiding en

migratieachtergrond, 2022 (in procenten)a

substantieel deel vrienden in de leeftijdb substantieel deel vrienden met de opleidingb

jong middelbaar oud basis, vmbo havo, vwo, mbo hbo, wo

totaal 37 66 25 15 64 55

20-34 jaar 89 34 4 13 55 70

35-64 jaar 22 86 13 15 64 49

65-plus 15 57 70 16 75 50

basis, vmbo 28 66 44 27 73 35

havo, vwo, mbo 36 68 20 16 77 40

hbo, wo 42 64 21 8 51 75

Nederland 34 66 26 13 66 52

niet-Nederland 48 66 23 20 58 63

a geel geeft aan dat het groepsgemiddelde op het 5% significantieniveau ten minste 3 procentpunt lager is dan het

gemiddelde, groen dat het groepsgemiddelde op het 5% significantieniveau ten minste 3 procentpunt hoger is dan

het gemiddelde.

b Met een substantieel deel van de vrienden bedoelen we de helft of meer.

Bron: LISS (cohesie ’22); SCP-bewerking

Mensen met een migratieachtergrond anders dan een West-Europese zijn minder vaak lid van recreatieve

en belangenverenigingen tabel 4.1). Mensen met een Turkse of Marokkaanse migratieachtergrond scoren

het laagst op het lidmaatschap van recreatieve verenigingen (28% tegenover gemiddeld 47%). Mensen

met een asielachtergrond scoren het laagste op het lidmaatschap van belangenverenigingen (27% tegen-

over gemiddeld 59%). Mensen met een Oost-Europese achtergrond scoren het laagst op het verrichten

van vrijwilligerswerk (24% tegenover gemiddeld 49%). Het beeld dat mensen met een migratieachtergrond

over het algemeen minder vaak lid zijn van verenigingen en minder vaak vrijwilligerswerk doen, kwam

20 jaar geleden ook al naar voren (Klaver et al. 2005). Dat kan verschillende oorzaken hebben, zoals

door economische redenen. Het kan ook door een cultuurverschil komen. Daarnaast kan een gebrek aan

mondigheid en/of taalbeheersing een rol spelen. Wiertz (2015) merkt overigens op dat het wellicht niet

een verschil in bereidheid is, maar dat het gaat om een verschil in verloop tussen mensen zonder en met

een migratieachtergrond. Of, met andere woorden, doordat migranten korter vrijwilligerswerk verrichten,

tellen de statistieken op een peilmoment minder vrijwilligers met een migratieachtergrond. Als het om

de samenstelling van de vriendenkring gaat, dan hebben mensen met een migratieachtergrond meer

dan gemiddeld vrienden en kennissen met een niet-West-Europese achtergrond (tussen de 10% en 17%

tegenover 5% gemiddeld) en mensen zonder migratieachtergrond minder dan gemiddeld (1%) (tabel 4.3).

66 S O C I A L E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S TTabel 4.3 Aandeel vrienden met bepaalde migratieachtergrond, naar leeftijd, opleiding en

migratieachtergrond, 2022 (in procenten)a,b

substantieel deel vrienden met achtergrond inc

Nederland West-EU Oost-EU Arabië Afrika Azië Cariben

totaal 94 14 4 5 3 4 5

20-34 jaar 90 17 8 8 4 5 6

35-64 jaar 94 14 4 5 4 4 6

65-plus 97 11 1 1 1 1 2

basis, vmbo 93 11 4 6 4 5 6

havo, vwo, mbo 94 13 5 5 4 4 6

hbo, wo 94 16 4 3 2 3 4

Nederland 98 11 1 1 1 1 1

niet-Nederland 79 25 14 16 10 12 17

a geel geeft aan dat het groepsgemiddelde op het 5% significantieniveau ten minste 3 procentpunt lager is dan het

gemiddelde, groen dat het groepsgemiddelde op het 5% significantieniveau ten minste 3 procentpunt hoger is dan

het gemiddelde.

b West-EU staat voor mensen met een West-Europese, Noord-Amerikaanse of Australische achtergrond. Arabië staat

voor mensen met een Arabische of West-Aziatische achtergrond, zoals uit Marokko en Turkije. Afrika staat voor

mensen met een Zuid- of Midden-Afrikaanse achtergrond, zoals uit Somalië. Azië staat voor mensen met een

Zuid- of Oost-Aziatische achtergrond, zoals uit China en Indonesië. Cariben staat voor mensen met een Caribische

of Zuid-Amerikaanse achtergrond, zoals uit Aruba en Suriname.

c Met een substantieel deel van de vrienden bedoelen we de helft of meer.

Bron: LISS (cohesie ’22); SCP-bewerking

4.3 Verandering in sociale participatie in de toekomst

Welke toekomstige veranderingen in sociale participatie zijn te verwachten op basis van het simulatiemodel?

Allereerst geven we een beeld van hoe veranderingen in de demografische samenstelling doorwerken

op vrijwilligerswerk, lidmaatschap van recreatieve en belangenverenigingen en de samenstelling van

de vriendenkring. Vervolgens staan we stil bij veranderingen binnen groepen in de bevolking. Daarna

beschrijven we de resultaten van de ‘wat als’-scenario’s die uitgaan van alternatieve veronderstellingen over

de samenhang tussen demografische kenmerken en de indicatoren van sociale participatie. Vervolgens

wordt de invloed van maatschappelijke ontwikkelingen op sociale participatie in beeld gebracht. Tot slot

wordt het verrichten van vrijwilligerswerk afgezet tegen de bevolkingsdichtheid van een land.

4.3.1 Verandering in de bevolkingssamenstelling

De tabellen 4.4, 4.5 en 4.6 tonen de verwachte toe- of afname in de indicatoren van sociale participatie

in het demografische middenscenario en de minimale en maximale uitkomst van andere demografische

scenario’s. In bijlage B4.1 zijn de resultaten van alle demografische scenario’s opgenomen. De bandbreedtes

uit het verleden (onderste twee rijen in de tabellen 4.4-4.6) geven houvast om de orde van grootte van

toekomstige ontwikkelingen te duiden.

67 S O C I A L E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S TVolgens de demografische scenario’s verandert in de toekomst het aandeel dat lid is van verenigingen

en dat vrijwilligerswerk doet nauwelijks. Het gaat om een afname van hooguit 3 procentpunt of een

toename van maximaal 2 procentpunt. Het zijn kleine veranderingen, omdat bedacht moet worden dat

dit een periode van 25 jaar betreft en de afgelopen 10 jaar de verschillen groter waren. In de toekomst

is de samenstelling van de vriendenkring aan meer verandering onderhevig, maar dat zijn geen enorme

veranderingen. Zo zal het aandeel mensen met een hogere leeftijd en met een hbo- of wo-opleiding in

de vriendenkring maximaal met respectievelijk 5 en 7 procentpunt toenemen. Het aandeel jongeren en

mensen zonder migratieachtergrond onder de vrienden en goede kennissen neemt in de toekomst met

maximaal 6 procentpunt af.

Tabel 4.4 Deelname aan verenigingen, 2022, vrijwilligerswerk, 2023 en ontwikkeling demografische

scenario’s 2023-2050 en bandbreedte verleden 2012-2023 (in procenten en procentpunten)a,b

recreatieve verenigingc belangenverenigingc vrijwilligerswerk

totaal 47 59 49

middenscenario -1 1 -0

minimaal -3 -2 -2

maximaal 0 2 0

bandbreedte 2012-2019 2 5 4

bandbreedte 2012-2022/2023 4 6 12

a De bandbreedte is het hoogste jaargemiddelde van een indicator min het laagste jaargemiddelde in een bepaalde

periode. Bij bandbreedtes is een onderscheid gemaakt tussen een periode die loopt tot aan de coronapandemie en

een periode waarin ook de meest actuele jaren zijn meegenomen.

b In tabel B4.1 in bijlage B4.1 zijn de resultaten van alle demografische scenario’s opgenomen.

c Dit betreft gegevens tot en met 2022.

Bron: CBS (2024b); CBS (SSW ’12-‘22); SCP-bewerking

Tabel 4.5 Aandeel vrienden met bepaalde leeftijd en opleiding, 2022, en ontwikkeling demografische

scenario’s, 2023-2050 (in procenten en procentpunten)a

substantieel deel vrienden in de leeftijdb substantieel deel vrienden met de opleidingb

jong middelbaar oud basis, vmbo havo, vwo, mbo hbo, wo

totaal 37 66 25 15 64 55

middenscenario -2 1 3 -1 -2 5

minimaal -3 0 1 -1 -4 5

maximaal 0 1 5 -1 -2 7

a In tabel B4.2 in bijlage B4.1 zijn de resultaten van alle demografische scenario’s opgenomen.

b Met een substantieel deel van de vrienden bedoelen we de helft of meer.

Bron: (CBS 2024b); LISS (cohesie ’22); SCP-bewerking

68 S O C I A L E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S TTabel 4.6 Aandeel vrienden met bepaalde migratieachtergrond, 2022, en ontwikkeling demografische

scenario’s 2023-2050 (in procenten en procentpunten)a,b

substantieel deel vrienden met achtergrond inc

Nederland West-EU Oost-EU Arabië Afrika Azië Cariben

totaal 94 14 4 5 3 4 5

middenscenario -2 2 1 1 1 1 2

minimaal -6 1 0 0 0 0 1

maximaal -1 5 3 4 3 3 5

a In tabel B4.3 in bijlage B4.1 zijn de resultaten van alle demografische scenario’s opgenomen.

b West-EU staat voor mensen met een West-Europese, Noord-Amerikaanse of Australische achtergrond. Arabië staat

voor mensen met een Arabische of West-Aziatische achtergrond, zoals uit Marokko en Turkije. Afrika staat voor

mensen met een Zuid- of Midden-Afrikaanse achtergrond, zoals uit Somalië. Azië staat voor mensen met een

Zuid- of Oost-Aziatische achtergrond, zoals uit China en Indonesië. Cariben staat voor mensen met een Caribische

of Zuid-Amerikaanse achtergrond, zoals uit Aruba en Suriname.

c Met een substantieel deel van de vrienden bedoelen we de helft of meer.

Bron: CBS (2024b); LISS (cohesie ’22); SCP-bewerking

4.3.2 Verandering binnen de bevolkingsgroepen

Onder mensen met een basis- of vmbo-opleiding daalt in het middenscenario het toekomstige lidmaatschap

van verenigingen en vrijwilligerswerk meer dan gemiddeld (rond de -5 procentpunt versus -1 procentpunt

gemiddeld, zie tabel 4.7).65 Aangezien de score op deze indicatoren onder deze groep al lager was

(tabel 4.1), betekent dit dat de verschillen tussen mensen met verschillende opleidingstypen verder zullen

toenemen. De gescheidenheid in samenstelling van de vriendengroepen tussen mensen met andere

opleidingen wordt door de veranderende samenstelling van de bevolking ook groter (tabel 4.8).

De meeste verschillen in deelname aan verenigingen en vrijwilligerswerk tussen mensen met en zonder

Nederlandse of West-Europese achtergrond worden in het middenscenario iets kleiner, omdat de

deelname onder de laatste groep harder toeneemt dan onder de eerste. Dat is vooral te zien bij de

verwachte stijging in deelname aan belangenverenigingen (tussen de 4 procentpunt en 12 procentpunt, zie

tabel 4.7). Die stijging in deelname aan belangenverenigingen is het sterkst bij mensen met een Turkse of

Marokkaanse achtergrond (12 procentpunt).66 Door de grote initiële verschillen blijven er in alle gevallen

verschillen tussen de groepen bestaan. Voor wat betreft de samenstelling van de vriendenkring zullen

in het middenscenario door de andere demografische samenstelling de toekomstige verschillen tussen

mensen met en zonder migratieachtergrond ook iets kleiner worden maar wel blijven bestaan (zie tabellen

B4.4 en B4.5 in bijlage B4.2).

65 In de toekomst verandert de samenstelling van de groep met een basis-, vmbo-opleiding. Deze groep kent in de toekomst

een kleiner deel 65-plussers en een grotere aandeel mensen met een niet-Nederlandse herkomst (figuur B2.6 in bijlage B2.6).

66 Dit is zo omdat bij hen een sterkere dan gemiddelde vergrijzing samengaat met een meer dan gemiddelde stijging in het

aandeel mensen met een hbo-, wo-opleiding De verwachte vergrijzing en de verandering in opleidingstypen verschillen per

migratieachtergrond (zie figuur B2.5 in bijlage B2.6). De meeste vergrijzing is te vinden onder mensen met een Turkse of

Marokkaans of een Surinaamse, Indonesische of Antilliaanse achtergrond, en dat geldt zowel voor de eerste als tweede

generatie. De grootste daling in aandeel mensen met basis-, vmbo-opleiding en stijging in hbo-, wo-opleiding zien we

onder mensen met een tweede generatie West-EU of 1e generatie Turkse of Marokkaanse achtergrond.

69 S O C I A L E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S TTabel 4.7 Deelname aan verenigingen, 2022 en vrijwilligerswerk, 2023, ontwikkeling binnen

groepen, naar leeftijd, opleiding en (migratie)achtergrond, middenscenario 2023-2050

(in procentpunten)a

recreatieve vereniging belangenvereniging vrijwilligerswerk

Nederlands gemiddelde -1 1 0

20-34 jaar -2 -2 -2

35-64 jaar -1 -1 -1

65-plus 0 2 0

basis, vmbo -4 -7 -5

havo, vwo, mbo -3 -1 -3

hbo, wo -4 -1 -3

Nederland 2 4 2

West-EU 1 2 2

Oost-EU 2 5 2

arbeids- en studiemigratielanden 1 6 2

asielmigratielanden 2 6 1

Turkije, Marokko 4 12 2

Indonesië, Suriname, Antillen 1 4 0

a Rood geeft aan dat het groepsgemiddelde significant minder hard groeit (verschil van 3 procentpunt of meer) dan

het populatiegemiddelde, blauw dat het groepsgemiddelde significant harder groeit dan populatiegemiddelde (met

3 procentpunt of meer).

Bron: CBS (2024b); CBS (SSW ’12-’22); SCP-bewerking

Tabel 4.8 Aandeel vrienden met bepaalde opleiding, 2022, ontwikkeling binnen groepen gedefinieerd

naar opleiding, middenscenario 2023-2050 (in procentpunten)a

substantieel deel vrienden met opleidingb

basis, vmbo havo, vwo, mbo hbo, wo

Nederlands gemiddelde -1 -2 5

4 -2 3

basis, vmbo havo, vwo, mbo 1 0 1

hbo, wo 1 1 0

a Rood geeft aan dat het groepsgemiddelde minder hard groeit (verschil van 3 procentpunt of meer) dan het

populatie­ gemiddelde, blauw dat het groepsgemiddelde harder groeit dan populatiegemiddelde (met 3 procentpunt

of meer).

b Met een substantieel deel van de vrienden bedoelen we de helft of meer.

Bron: CBS (2024b); LISS (cohesie ’22); SCP-bewerking

70 S O C I A L E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S T4.3.3 Verandering in denken en doen

De demografische scenario’s in de vorige paragraaf lieten zien dat er in de indicatoren van sociale participatie

in de toekomst weinig veranderingen optreden. Toch zijn er in de toekomst omstandigheden mogelijk met

grotere effecten voor de indicatoren van sociale participatie. Dat blijkt uit de ‘wat als’-scenario’s waarin

de relatie tussen de verklarende variabelen en sociale participatie in de toekomst anders zijn dan in het

recente verleden. De tabellen 4.9, 4.10 en 4.11 tonen de uitkomsten van de ‘wat als’-scenario’s.67

Bij het ‘verschil tussen generaties’-scenario gaan we ervan uit dat het verband tussen sociale participatie

en leeftijd gedurende de levensloop niet verandert. Of, anders verwoord: dat de omstandigheden waarin

mensen opgroeien bepalend zijn voor wat ze denken en doen. Bij deze simulatie komt het grote verschil

tussen jongeren en ouderen in lidmaatschap van belangenverenigingen tot uitdrukking. Als jongeren

van nu gedurende hun levensloop niet veranderen in houding en gedrag, dan voorspelt dat weinig goeds

voor het lidmaatschap van belangenverenigingen in de toekomst, volgens dit scenario. Dat zou dan met

18 procentpunt afnemen. Het is overigens de vraag of de veronderstellingen van de ‘wat als’-scenario’s

hier reëel zijn. In bepaalde levensfases is lidmaatschap van één of meer belangenverenigingen bijna

vanzelf­ sprekend. Tegelijkertijd zou het naïef zijn om de uitkomst van dit ‘wat als’-scenario te negeren als

bijvoorbeeld gedacht wordt aan de vakbonden en hun vergrijsde ledenbestand (zie bv. Van Dalen 2018).

Ook weerspiegelt deze simulatie het grotere aandeel jongeren met een hbo- of wo-opleiding. Daardoor

zal het aandeel vrienden met een hbo- of wo-opleiding meer dan gemiddeld stijgen (met 12 procentpunt).

Dat gaat ten koste van het aandeel vrienden met een havo-, vwo- of mbo-opleiding: dat zal dalen

met 10 procentpunt.

In het ‘kinderen van de tweede generatie’-scenario veronderstellen we dat gedrag ten aanzien van

sociale participatie van de kinderen van de tweede generatie in 2050 dezelfde is als die van hun ouders.

In dit scenario zijn er nauwelijks verschillen met het middenscenario. Als meer mensen zonder migratieachtergrond

het lastiger vinden om te functioneren in een diverser wordende samenleving (‘culturele

competitie’-­ scenario), zou dat het lidmaatschap van verenigingen en het doen van vrijwilligerswerk

verminderen met 3 à 4 procentpunt. In het ‘culturele convergentie’-scenario is uitgegaan van een smelt­ kroes,

waarin het verband tussen persoonskenmerken en sociale participatie convergeert naar een gemiddelde

van alle migratieachtergronden. Hierbij neemt het lidmaatschap van recreatieve verenigingen en het

vrijwilligerswerk sterker af (beide -4 procentpunt) dan in de het middenscenario (-1 procentpunt). We zien

dan ook dat het aandeel vrienden zonder migratieachtergrond meer dan gemiddeld afneemt, namelijk

met -4 procentpunt. Het aandeel vrienden dat 65 jaar of ouder is of met een hbo- of wo-­ opleiding, zou

meer dan gemiddeld toenemen (resp. 8 en 7 procentpunt).

In het ‘toenemend verschil tussen opleidingen’-scenario veronderstellen we dat mensen met een havo-,

vwo- of mbo-opleiding qua gedrag ten aanzien van sociale participatie opschuiven naar het gedrag van

mensen met een basis- of vmbo-opleiding. Dat zou bijvoorbeeld kunnen gebeuren doordat het hen

niet lukt aan te haken in een maatschappij die gedomineerd wordt door hbo- en wo-opgeleiden. In dit

scenario zouden het lidmaatschap van recreatieve en belangenverenigingen en het vrijwilligerswerk met

respectievelijk -4 en -5 procentpunt dalen. Voor de vriendenkring zien we, uitgezonderd voor opleiding,

weinig verschil. De toename van vrienden met een basis- of vmbo-opleiding zou in dit scenario ten koste

gaan van een afname bij vrienden met een havo-, vwo- of mbo-opleiding. Ook het aandeel vrienden met

een Nederlandse achtergrond zou dalen. Als mensen met hbo- of wo-opleiding minder geprivilegieerd

zouden raken, zou dat in het ‘diploma-inflatie’-scenario vooral leiden tot een daling in het lidmaatschap

van recreatieve en belangenverenigingen en het vrijwilligerswerk en het aandeel vrienden met die opleiding

(met resp. -4, -2, -5 en -9 procentpunt). In dit scenario zien we een verschuiving in de vriendenkring van

mensen met een hbo- of wo-opleiding naar mensen met een havo-, vwo- of mbo-opleiding. Als mensen

met een basis- of vmbo-opleiding meer waardering krijgen door de schaarste in de praktische beroepen

(het ‘meer waardering’-scenario) zou vooral het lidmaatschap in belangenverenigingen toenemen. In

het gelijkvormigheidsscenario is de veronderstelling dat het effect van opleiding op sociale participatie

ongeac­ ht de opleiding voor iedereen gelijk is (het ongewogen gemiddelde). In dat scenario is de afname

in vrijwilligerswerk en lidmaatschap van verenigingen (-4 procentpunt) groter dan in het middenscenario

67 De ‘wat als’-scenario’s gaan uit van de middenvariant van het CBS (2024b).

71 S O C I A L E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S T(-1 procentpunt).68 Deze opleidingsscenario’s laten zien dat opleiding ertoe doet. Dat komt enerzijds

doordat het om grote groepen gaat, en anderzijds doordat er flinke verschillen bestaan tussen groepen.

Tabel 4.9 Deelname aan verenigingen, 2022 en vrijwilligerswerk, 2023 en ontwikkelingen

‘wat als’-scenario’s 2023-2050 (in procenten en procentpunten)

recreatieve vereniging belangenvereniging vrijwilligerswerk

totaal 47 59 49

middenscenario -1 1 0

verschil tussen generaties 3 -18 1

kinderen van de tweede generatie -1 0 -1

culturele competitie -3 -3 -4

culturele convergentie -4 -1 -4

toenemend verschil tussen opleidingen -4 -5 -5

diploma-inflatie -4 -2 -5

meer waardering 1 3 1

gelijkvormigheid -4 -4 -4

Bron: CBS (2024b); CBS (SSW ’12-’22); SCP-bewerking

Tabel 4.10 Aandeel vrienden met bepaalde leeftijd en opleidingskenmerken, 2022 en ontwikkeling,

‘wat als’-scenario’s 2023-2050 (in procenten en procentpunten)

substantieel deel vrienden in

substantieel deel vrienden met

de leeftijda

de opleidinga

jong middelbaar oud basis, vmbo havo, vwo, mbo hbo, wo

totaal 37 66 25 15 64 55

middenscenario -2 1 3 -1 -2 5

verschil tussen generatiesa -1 -10 12

kinderen van de tweede

generatie -2 1 3 -1 -2 5

culturele competitie -1 0 4 2 -4 4

culturele convergentie -2 4 7 1 -3 8

toenemend verschil tussen

opleidingen -1 0 5 3 -5 4

diploma-inflatie -3 2 2 3 9 -9

meer waardering -3 1 2 -3 -1 6

gelijkvormigheid -2 1 4 2 -1 1

a Met een substantieel deel van de vrienden bedoelen we de helft of meer.

b Dit scenario is niet relevant naar leeftijd. Het is onlogisch te veronderstellen dat je vriendenkring niet mee ‘veroudert’.

Bron: CBS (2024b); LISS (cohesie ’22); SCP-bewerking

68 Het aandeel mensen met een basis- of vmbo-opleiding zal in dit scenario stijgen en het aandeel mensen met een hbo- of

wo-opleiding dat lid is, zal dalen. Omdat de groep met een basis- of vmbo-opleiding een stuk kleiner is dan de groep met

een hbo- of wo-opleiding, wegen de veranderingen bij mensen met een hbo- of wo-opleiding zwaarder dan de veranderingen

bij mensen met een basis- of vmbo-opleiding.

72 S O C I A L E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S TTabel 4.11 Aandeel vrienden met bepaalde migratieachtergrond, 2022, en ontwikkeling

‘wat als’-scenario’s, 2023-2050 (in procenten en procentpunten)a

totaal substantieel deel vrienden met achtergrond inb

Nederland West-EU Oost-EU Arabië Afrika Azië Cariben

94 14 4 5 3 4 5

middenscenario -2 2 1 1 1 1 2

verschil tussen generaties -3 3 3 3 1 2 2

kinderen van de tweede

-2 2 1 1 1 1 2

generatie

culturele competitie -2 1 1 1 1 1 2

culturele convergentie -4 5 2 3 2 4 5

toenemend verschil tussen

-3 1 1 2 1 2 2

opleidingen

diploma-inflatie -2 1 2 2 2 1 3

meer waardering -2 2 1 0 1 0 1

gelijkvormigheid -2 1 1 1 1 1 2

a West-EU staat voor mensen met een West-Europese, Noord-Amerikaanse of Australische achtergrond. Arabië staat

voor mensen met een Arabische of West-Aziatische achtergrond, zoals uit Marokko en Turkije. Afrika staat voor

mensen met een Zuid- of Midden-Afrikaanse achtergrond, zoals uit Somalië. Azië staat voor mensen met een

Zuid- of Oost-Aziatische achtergrond, zoals uit China en Indonesië. Cariben staat voor mensen met een Caribische

of Zuid-Amerikaanse achtergrond, zoals uit Aruba en Suriname.

b Met een substantieel deel van de vrienden bedoelen we de helft of meer.

Bron: CBS (2024b), LISS (cohesie ’22); SCP-bewerking

4.3.4 Verandering in de maatschappij

Naast ontwikkelingen in migratie, vergrijzing en opleidingstype kunnen ook maatschappelijke ontwikke-

lingen het niveau van sociale participatie beïnvloeden. We beschikken niet over gegevens om de invloed

van verschillende ontwikkelingen op elke vorm van sociale participatie afzonderlijk te onderscheiden.

We kunnen wel nagaan hoe het samenspel van deze ontwikkelingen uitpakt voor sociale participatie in

2050 voor het lidmaatschap van recreatieve en belangenverenigingen en vrijwilligerswerk.69 Bovendien

is het mogelijk om na te gaan of er sprake is van trendmatige geleidelijke processen of van schoksgewijze

veranderingen. We gebruiken hiervoor de ontwikkelingen uit het verleden, door gebruik te maken van

de minimum- en maximumjaren.70 Deze jaren zijn de onder- en bovengrens voor de indicatoren, met de

beperkende veronderstelling dat sociale participatie zich, afgezien van demografische veranderingen,

tussen het minimum en maximum van de voorbije tien jaar beweegt. Tabel 4.12 toont de resultaten van

simulaties met een minimum- en maximumscenario.

69 Voor de ander indicatoren die over de vriendennetwerken gaan is dit vanwege databeperkingen niet mogelijk.

70 Modelmatig zijn dit de minimum- en maximumwaarde van de jaardummy’s. Formeel gezien hoeven deze niet gelijk te zijn

aan de minimum- en maximumjaren. In de praktijk zijn de waarden goed vergelijkbaar en spreken we hier over de

minimum- en maximumjaren.

73 S O C I A L E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S TTabel 4.12 Deelname aan verenigingen, 2022 en vrijwilligerswerk, 2023, en ontwikkeling alternatieve

simulaties met betrekking tot maatschappelijke ontwikkelingen, 2023-2050 (in procenten

en procentpunten)a

recreatieve vereniging belangenvereniging vrijwilligerswerk

totaal 47 59 49

middenscenario -1 1 -0

minimum -3 -2 -7

maximum 1 3 3

bandbreedte 4 6 10

trend/schok trend trendb trendb

a De bandbreedte is het hoogste jaargemiddelde van een indicator min het laagste jaargemiddelde in een bepaalde

periode. Bij bandbreedtes is een onderscheid gemaakt tussen een periode die loopt tot aan de coronapandemie en

een periode waarin ook de meest actuele jaren zijn meegenomen.

b Tot de coronacrisis was er sprake van een dalende trend. Voor de periode tot en met 2023 is er op basis van de

toetsen geen sprake van een trend.

Bron: CBS (2024b); CBS (SSW ’12-’22); SCP-bewerking

Het minimumscenario laat een iets sterkere afname van het lidmaatschap van verenigingen zien dan het

middenscenario en een veel sterkere daling in vrijwilligerswerk. Omgekeerd toont het maximumscenario

een kleine toename in het lidmaatschap van belangenverenigingen en vrijwilligerswerk. De bandbreedte

is voor het lidmaatschap van verenigingen iets groter en voor vrijwilligerswerk substantieel groter dan

de effecten van veranderingen in de demografische samenstelling (vgl. tabel 4.4 en tabel 4.12). Verder

blijkt uit statistische toetsen dat het met name bij het lidmaatschap van recreatieve verenigingen om

trend­ matige ontwikkelingen gaat (zie tabel B2.10 in bijlage B2.7). Dit stemt ook overeen met het beeld in

figuur 4.1 van een geleidelijke afname tussen 2012 en 2021/2023.

Het is goed mogelijk dat de trend uit het verleden zich nog een tijdje voortzet en dat sociale participatie

de komende jaren langzaam verder afkalft. Als deze trend zich doorzet, zou het dus heel goed kunnen

dat het minimumscenario een onderschatting geeft. Het is overigens niet gezegd dat deze trend voor

een periode van 25 jaar kan worden doorgetrokken. Het is ook goed mogelijk dat na een aantal jaar een

ondergrens bereikt wordt. In de Sport Toekomstverkenning (RIVM 2023a) wordt de verwachting uitgesproken

dat clublidmaatschap van sportverenigingen in de komende jaren zal afnemen. Dit hangt vooral samen

met vergrijzing, een toenemend aantal migranten en de individualisering. Via sociale media is het ook

makkelijker voor individuen om zich te organiseren en kennis uit te wisselen buiten formele verbanden

(RIVM 2023b). Een afname van het verenigingsleven wil overigens niet zeggen dat mensen niet meer bij

elkaar komen om gezamenlijk iets te ondernemen. Het lidmaatschap van een formele sportclub wordt

dan vervangen door sporten in informeel verband, zoals een hardloop- of wielrenclubje of vrienden die

op zaterdagochtend voetballen in het park.

De analyse van maatschappelijke ontwikkelingen laat zien dat lidmaatschap van verenigingen en

vrijwilligers­ werk in het recente verleden tot 2019 een beperkte bandbreedte kende. Dit leek onderhevig

aan een geleidelijke trendmatige afname. Een ontwikkeling die congruent is met een toenemende

individua­ lisering in de maatschappij (Föllmer 2020).Verder lijkt er geen sprake van reacties op eenmalige

(grote) maatschappelijke ontwikkelingen, afgezien van het effect van de coronacrisis op het doen van

vrijwilligers­ werk (zie figuur 4.1). Gezien de toename van het vrijwilligerswerk in 2023 lijkt dit van tijdelijke

aard te zijn.

74 S O C I A L E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S T4.3.5 Verandering in bevolkingsomvang

Welk effect zou het drukker worden in Nederland in de toekomst kunnen hebben voor de sociale

participatie? Met het analysemodel kunnen we geen relatie leggen tussen de bevolkingsdichtheid en

de indicatoren van sociale participatie. We kunnen daar wel een indicatie van geven aan de hand van

een landenvergelijking. Dat kunnen we alleen voor vrijwilligerswerk. In figuur 4.2 is voor verschillende

Europese landen het percentage mensen dat vrijwilligerswerk doet afgezet tegen de bevolkingsdichtheid.

Nederland scoort qua vrijwilligerswerk in vergelijking met andere Europese landen bovengemiddeld

(zie ook Enjolras 2021). Er is enig verband tussen bevolkingsdichtheid en het percentage personen dat

vrijwilligerswerk doet (de correlatie is 0,3). Tegelijkertijd is het zo dat het percentage vrijwilligerswerk het

hoogst is in de dunst bevolkte landen. De conclusie dat een bevolkingstoename een positief effect zal

hebben op het verrichten van vrijwilligerswerk kunnen we niet trekken. Wel kunnen we stellen dat het

vrijwilligerswerk niet onder druk komt te staan bij een toename van de bevolkingsdichtheid.

Figuur 4.2 Relatie tussen bevolkingsdichtheid en percentage vrijwilligers, 2020 (in inwoners per

vierkante kilometer en in procenten)a

100

90

80

70

60

50

40

30

20

10

0

NL

scp.nl

0 50

100 150 200 250 300 350 400 450

a ESS meet vrijwilligerswerk met de volgende vraag: ‘Have you volunteered for a not-for-profit or charitable organisation in

the past 12 months?’

Bron: ESS10 (’20); IndexMundi (2024); SCP-bewerking

4.4 Samenvatting

Voor de samenleving is de band die mensen vrijwillig met elkaar aangaan belangrijk (Putnam 2000).

Dit contact kunnen mensen op verschillende manieren leggen. Van de sociale participatie, zoals wij dat

hebben genoemd, hebben we in dit hoofdstuk het volgende bestudeerd: het lidmaatschap van verenigingen,

het verrichten van vrijwilligerswerk en de samenstelling van de vriendenkring. Mensen hebben vaak

contac­ ten met degenen die op hen lijken, ‘soort zoekt soort’. Zulke relaties worden ook wel ‘bonding’-

rela­ ties genoemd en ze zorgen ervoor dat mensen deel uitmaken van een groep en bescherming en

ondersteuning ontvangen als dat nodig is. Tegenover deze relaties staan ‘bridging’-contacten. Dat zijn

relaties tussen mensen die van elkaar verschillen, bijvoorbeeld in leeftijd, migratieachtergrond of type

opleiding. Deze contacten helpen om vooroordelen weg te nemen en de afstand tussen groepen en

segregatie te verminderen. Mensen kunnen onder andere zulke contacten opdoen binnen verenigingen

en door vrijwilligerswerk te verrichten.

75 S O C I A L E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S TEr was tussen 2012 en 2019 een licht dalende trend in vrijwilligerswerk en lidmaatschap van verenigingen.

Tijdens de coronacrisis waren er grote veranderingen en nam vooral het vrijwilligerswerk sterk af. De toename

van het vrijwilligerswerk en deelname aan belangenverenigingen in 2022 en 2023 doet vermoeden dat

het daarbij grotendeels om een tijdelijk effect ging. De vriendenkring van veel Nederlanders was behoorlijk

homogeen van samenstelling. Dat wil zeggen dat deze vooral bestond uit mensen die qua leeftijd, opleiding

of herkomst op elkaar lijken.

Het beeld uit de vorige alinea is een gemiddeld beeld voor Nederland als geheel. Tussen groepen in de

bevolking bestaan verschillen. Zo wordt vrijwilligerswerk vaker gedaan door mensen met een hbo- of

wo-opleiding dan door mensen met een basis- of vmbo-opleiding. Dat kan bijvoorbeeld te maken hebben

met onvoldoende middelen of met andere gewoonten. Vrijwilligerswerk wordt ook vaker gedaan door

mensen zonder migratieachtergrond en mensen met een West-Europese migratieachtergrond dan door

mensen met een andere dan een West-Europese migratieachtergrond. Dat kan bijvoorbeeld econo­ mische

redenen hebben of door een cultuurverschil komen. Ook zal het wellicht een rol spelen of het migranten of

kinderen van migranten betreft. Eenzelfde beeld zien we bij het lidmaatschap van verenigingen. Verder zijn

ouderen vaker lid van een belangenvereniging dan jongeren.

Volgens de demografische scenario’s brengt een veranderende samenstelling van de bevolking in de

toeko­ mst weinig verandering in het patroon dat we de afgelopen jaren hebben gezien. Ook de verschillen

tussen de verschillende groepen in de bevolking blijven volgens de demografische scenario’s in de

toekomst grotendeels bestaan. Dat wil overigens niet zeggen dat er zich in de toekomst geen situaties

kunnen voordoen met grotere effecten op de sociale participatie. Dat laten onze ‘wat als’-scenario’s

zien. Dat is bijvoorbeeld het geval als de omstandigheden waarin (de toekomstige) jongeren opgroeien

verschil­ len van de omstandigheden van voorgaande generaties en die omstandigheden bepalend zijn

voor hun opvattingen en gedrag (het ‘verschil tussen generaties’-scenario). Daarin loopt het lidmaatschap

van belangenvereniging aanzienlijk terug, met bijna 20 procentpunt. Ook het ‘wat als’-scenario ‘toenemend

verschil tussen opleidingen’ laat duidelijke veranderingen in de sociale participatie zien. In dit scenario

leidt een toenemend aandeel mensen met een hbo- of wo-opleiding ertoe dat mensen met een ander

type opleiding somber worden over hun mogelijkheden in de samenleving en zich daar ook naar gedragen.

Onder deze omstandigheden zullen het vrijwilligerswerk en het lidmaatschap van verenigingen afnemen.

Dat gebeurt ook als een toenemend aandeel hbo- en wo-opgeleiden in de toekomst tot gevolg zou hebben

dat zo’n diploma minder waard wordt. Dat liet ons ‘diploma-inflatie’-scenario zien.

Een internationale vergelijking, waarin we de bevolkingsdichtheid in een land vergeleken met het

aandeel in de bevolking dat vrijwilligerswerk verricht, laat zien de bevolkingsdichtheid en het doen

van vrijwilligerswerk niet negatief gecorreleerd zijn. De maatschappelijke ontwikkelingen hebben in

het minimumscenario een sterk negatief effect op vrijwilligerswerk en recreatieve verenigingen. Een

indicatie van mogelijke effecten van crises, zoals de coronacrisis, en van verdergaande informalisering

en individualisering.

76 S O C I A L E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S T5 Institutioneel vertrouwen nu en in de toekomst

Belangrijkste bevindingen

Onder institutioneel vertrouwen verstaan we vertrouwen in de uitvoerende instituties

(leger, rechters en politie), de politieke instituties (Tweede Kamer, ambtenaren en Europese

Unie) en de private instituties (pers, banken en grote bedrijven).

In de demografische scenario’s zal het institutioneel vertrouwen stijgen door de veranderingen

in demografische samenstelling.

Toch zijn er ook punten van zorg, zoals het lage vertrouwen in sommige instituties, en vooral in

de Tweede Kamer.

Verder zijn er verschillen in institutioneel vertrouwen tussen mensen met verschillende typen

opleidingen, die in het demografische middenscenario blijven bestaan.

De verschillende ‘wat als’-scenario’s laten slechts een klein effect zien in de vorm van herstel

van het lage institutionele vertrouwen. Alleen in het ‘verschil tussen generaties’-scenario is de

toename substantieel.

Ook de maatschappelijke ontwikkelingen en hun impact op institutioneel vertrouwen zijn reden

om alert te blijven.

De definitie van sociale cohesie van Chan et al. (2006) gaat over zowel verticale als horizontale interacties

tussen leden van de samenleving. De verticale interactie verwijst naar de relaties tussen individuen

enerzijds en organisaties en instituties anderzijds. Chan et al. geven aan dat het gaat om vertrouwen

in publieke figuren en vertrouwen in de politiek en andere grote sociale instellingen. Dat is waar we in

dit hoofdstuk naar kijken. Eerst beschrijven we wat institutioneel vertrouwen is, welke indicatoren we

daarvoor gebruiken en wie er institutioneel vertrouwen hebben (§ 5.1). Daarna volgt een kort overzicht

van de stand van zaken met betrekking tot institutioneel vertrouwen, waarin we laten zien hoe het zich

in het recente verleden heeft ontwikkeld, wat de actuele stand van zaken is en hoe groot de verschillen

zijn tussen verschillende groepen in de bevolking (§ 5.2). Vervolgens gaan we na in hoeverre institutioneel

vertrou­ wen kan veranderen als gevolg van verschillende toekomstige ontwikkelingen (§ 5.3). Daarbij

kijken we naar het effect van veranderingen in bevolkingssamenstelling op het institutioneel vertrouwen

en ook hoe de groepsverschillen daarbinnen zich zullen ontwikkelen. Verder analyseren we de gevolgen

van een andere manier van denken en doen en ook van maatschappelijke ontwikkelingen. Tot slot analyseren

we met behulp van een internationale vergelijking de samenhang tussen bevolkingsdichtheid en

institutioneel vertrouwen. We eindigen met een samenvatting (§ 5.4).

5.1 Wat weten we van institutioneel vertrouwen?

Uit de studie van Almond en Verba (1963) naar ‘civic culture’ blijkt dat een zekere mate van vertrouwen

in instituties als een voorwaarde voor een stabiele democratie wordt gezien (zie ook Bovens en Wille

2008a). Verminderd vertrouwen in politieke en maatschappelijke instituties kan de legitimiteit hiervan

onder druk zetten. Op den duur kan een vertrouwenscrisis leiden tot een legitimiteitscrisis (Miltenburg en

Schaper 2020). Een hoge mate van institutioneel vertrouwen is te zien als een van de kenmerken van een

kwalitatief hoogstaande samenleving (zie bv. Van Noije et al. 2023). Omgekeerd is een gebrek aan institutioneel

vertrouwen een uiting van onvrede en kan dit bijdragen aan gevoelens van onbehagen. Zo gaat

een laag vertrouwen in instituties van het publieke domein doorgaans samen met meer onbehagen en

pessimisme (Schmeets en Exel 2020).

In zijn algemeenheid wordt ervan uitgegaan dat een zekere mate van vertrouwen essentieel is voor

sociale cohesie en meer vertrouwen bevorderlijk is voor de sociale cohesie (Chan et al. 2006; Dickes

et al. 2010; Uslaner 2012). Een cohesieve samenleving zou niet mogelijk zijn zonder een zekere graad

van vertrouwen, niet alleen tussen burgers maar ook in instituties (Chan et al. 2006; Dickes et al. 2010;

77 I n S T I T U T I O n E E L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S TSchiefer en Van der Noll 2017; Uslaner 2012). Institutioneel vertrouwen geldt als een contextvariabele met

een mediërend effect op het algemeen vertrouwen (Leonardi et al. 2001; Lo Iacono 2019; Rothstein en

Stolle 2008). De staat bepaalt bijvoorbeeld voor een belangrijk deel hoe er omgegaan wordt met personen die

op diverse manier vertrouwen schenden.

Wat is institutioneel vertrouwen?

Institutioneel vertrouwen betreft het vertrouwen van burgers in zowel de belangrijkste publieke figuren

als in politieke en sociale instellingen. Het eerste omvat politici en topambtenaren en bij het tweede

gaat het om bijvoorbeeld de wetgevende macht, het gerechtelijk apparaat, de politie en de media. Het

vertrouwen in instituties is gebaseerd op de tevredenheid met de prestaties van de instituten en de wijze

waarop zij hun taken uitvoeren (Dekker 2006: 46).

Vooral politiek vertrouwen trekt vaak de aandacht.71 Tegelijkertijd is dit een breed begrip, omdat hieronder

een waaier van instituties wordt geschaard (Bovens en Wille 2008a). Een kleine greep uit de verschillende

begrippen die in verschillende onderzoeken worden gehanteerd: overheid, regering, kabinet, Tweede

Kamer, parlement, het openbaar bestuur, politici, de politiek en de democratie. Bovendien gaat het

in onderzoek soms niet over vertrouwen, maar over tevredenheid met de democratie. Het is bij een

studie naar politiek vertrouwen dus altijd de vraag waar deze precies op is gericht. De aandacht voor

politiek vertrouwen heeft mogelijk mede te maken met de fluctuaties ervan, vaak als gevolg van actuele

gebeurte­ nissen en de behoefte dit te duiden. Denk hierbij aan de knauw die het politiek vertrouwen

enige tijd geleden heeft gekregen (zie bv. Engbersen et al. 2021; Miltenburg et al. 2021).72 Natuurlijk speelt

de coronapandemie hierin een belangrijke rol, maar waarschijnlijk ook de verschillende schandalen, zoals

de afwikkeling van de toeslagenaffaire (Engbersen et al. 2021; Miltenburg et al. 2021).

Institutioneel vertrouwen reikt verder dan uitsluitend politiek vertrouwen. Het wordt doorgaans gepeild

door voor een aantal instituties na te gaan in hoeverre burgers deze vertrouwen. Welke instituties varieert

per onderzoek. In dit onderzoek kijken we naar het vertrouwen in negen instituties: het leger, de rechters,

de politie, de Tweede Kamer, ambtenaren, de Europese Unie, de pers, de banken en de grote bedrijven.

Voor het gemak van presentatie zullen we soms het vertrouwen in het leger, de rechters en de politie

gezamenlijk benoemen als vertrouwen in uitvoerende instituties. Het vertrouwen in de Tweede Kamer,

ambtenaren en de Europese Unie wordt dan beschouwd als het vertrouwen in de politiek. Het vertrouwen

in de pers, de banken en de grote bedrijven kan gezien worden als vertrouwen in private instituties.73

Bij de vraag in welke mate men die instituties vertrouwt zijn de volgende vier antwoord­ categorieën

gehanteerd: ‘heel veel vertrouwen’, ‘tamelijk veel vertrouwen’, ‘niet zo veel vertrouwen’ en ‘helemaal

geen vertrouwen’. Deze vierdeling is in dit onderzoek vereenvoudigt tot het onderscheid wel of geen

vertrou­ wen. Een basisniveau van institutioneel vertrouwen is essentieel voor het goed functioneren

van een samenleving. Het is echter lastig om precies aan te geven wanneer er sprake is van voldoende

of onvoldoende institutioneel vertrouwen. Sowieso kan, binnen bepaalde grenzen, ook een kritische

houding tegenover een institutie juist bijdragen aan het goed of beter laten functioneren van die institutie

(Vermeij et al. 2024).

71 Soms wordt een hard onderscheid gemaakt tussen politiek en institutioneel vertrouwen. In deze studie is politiek

vertrouwen onderdeel van institutioneel vertrouwen.

72 Bij Engbersen et al. (2021) gaat het over vertrouwen in de landelijke overheid. Miltenburg et al. (2021) combineren het

vertrouwen in de regering en de Tweede Kamer.

73 Voor het gemak scharen we de pers hier onder privaat. Dit hoeft niet voor alle pers te gelden.

78 I n S T I T U T I O n E E L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S TWie hebben vertrouwen in instituties?

Er zijn verschillende ideeën over waarom individuen wel of geen institutioneel vertrouwen hebben.

Globaal valt een onderscheid te maken tussen exogene en endogene verklaringen (Hudson 2006).

Exogene theorieën verklaren institutioneel vertrouwen vanuit cultuurgebonden factoren (Inglehart 1997),

waarbij de gedachte is dat institutioneel vertrouwen zich op jonge leeftijd ontwikkelt. Bij endogene

verkla­ ringen is de gedachte dat het vertrouwen in een institutie afhangt van de prestaties van die institutie

(Hetherington 1998; North 1990). Uitgaande van deze laatste gedachte spelen ook de ervaringen met

instituties een rol. Zo kunnen ervaren discriminatie of structurele slechte ervaringen voor specifieke

bevolkingsgroepen een verklaring zijn voor verschillen in institutioneel vertrouwen.

Er bestaan grote verschillen tussen bevolkingsgroepen in institutioneel vertrouwen (zie bv. Van Houwelingen

et al. 2016; Schmeets en Exel 2020, 2021; Steenvoorden 2023). Laag institutioneel vertrou­ wen onder

bepaalde bevolkingsgroepen kan een indicatie van onvrede zijn, doordat de betreffende bevolkings­ groep

tekort gedaan wordt of dit in ieder geval zo ervaart. Vooral opleiding blijkt een belangrijke voorspeller

voor institutioneel vertrouwen (zie bv. Schmeets 2017a). Een hbo- of wo-opleiding betekent meestal

voldoende inkomen om het bestaan te kunnen leiden dat men wil, met vaak minder maatschappelijke

problemen. Dit heeft een positieve uitwerking op het vertrouwen in overheid en politiek (Dekker en

Den Ridder 2020). Verder hebben mensen met een hbo- of wo-opleiding vaker het gevoel grip op hun

leven te hebben. Dat gaat gepaard met meer zelfvertrouwen, een bredere wereldvisie en een gemakkelijkere

omgang ten aanzien van diversiteit, wat zich weer vertaalt in een relatief hoge mate van vertrouwen in

instituties (zie bv. WRR 2023). In het verlengde van het gevoel grip te hebben, speelt ook de kennisbasis een

rol. Hudson (2006) suggereert dat wantrouwen in instituties onder mensen zonder hbo- of wo-opleiding

mede te maken kan hebben met onwetendheid over de betreffende instituties. In meer algemene zin

laat een zekere tevredenheid over de eigen economische situatie een samenhang zien met vertrouwen

in de politieke instituties en machthebbers (Bovens en Wille 2008a). Wantrouwen tegenover instituties

komt juist voor bij mensen die in structureel kwetsbare posities zitten met weinig perspectief op sociale

stijging. Ervaringen zoals werkloosheid, discriminatie of gezondheidsklachten kunnen gepaard gaan met

laag politiek vertrouwen.

Generaliserend kan dus gesteld worden dat wie het voor de wind gaat een hoger institutioneel heeft.

Dat hangt samen met opleiding, maar ook met andere persoonskenmerken, mede omdat bijvoorbeeld

opleiding en leeftijd met elkaar correleren. Zo hebben jongeren, die over het algemeen vaker een hbo- of

wo-opleiding hebben gedaan dan ouderen, vaker institutioneel vertrouwen dan ouderen (Schmeets en

Exel 2022). Zoals hiervoor opgemerkt speelt de vraag of institutioneel vertrouwen wel of niet op jonge

leeftijd wordt aangeleerd. Uit onderzoek van Hudson (2006) blijkt dat het niet uitsluitend jong wordt

aangeleerd, maar dat persoonlijke omstandigheden en ervaringen ook een rol spelen.

Migratieachtergrond laat eveneens verschillen in institutioneel vertrouwen zien. Het beeld is echter

weerbarstiger dan bij het onderscheid naar opleidingstypen. Dit komt enerzijds doordat de indeling naar

migratieachtergrond hele verschillende groepen oplevert en anderzijds doordat niet over iedere institutie

hetzelfde wordt gedacht. Schmeets en Exel (2021) concluderen dat er grote verschillen bestaan tussen

bevolkingsgroepen als het gaat om het vertrouwen in instituties in het private en publieke domein.

Vooral personen uit traditionele migratielanden (Turkije, Marokko, Suriname en Antillen) hebben minder

vaak vertrouwen in instituties. Personen met een Aziatische of Arabische achtergrond hebben voor meerdere

instituties juist een hoger vertrouwen. Schmeets et al. (2021) duiden de verschillen in institutioneel vertrouwen

naar migratieachtergrond met de assimilatietheorie en de verwachtingstheorie. De verwachtingstheorie

veronder­ stelt dat migranten met hoge verwachtingen naar een gastland komen, zeker naarmate de

instituties van het herkomstland zwak zijn, er sprake is van corruptie en een laag democratisch gehalte.

De assimilatie­ theorie stelt dat deze verwachtingen door migranten worden bijgesteld naarmate ze langer

in het gastland wonen en de waarden, normen en attitudes van het gastland overnemen. In dat kader

speelt de verblijfsduur een belangrijke rol. Daarnaast moet bedacht worden dat onderliggende kenmerken

van de verschillende groepen heel anders verdeeld kunnen zijn. Zo kan naast migratiemotief, de samen-

stelling naar leeftijd, opleidingstype, verblijfsstatus en verblijfsduur per groep anders zijn.

79 I n S T I T U T I O n E E L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S T5.2 Stand van zaken

Institutioneel vertrouwen varieert per institutie (figuur 5.1). Zo is het vertrouwen in uitvoerende instituties

– leger, rechters en politie – op dit moment hoog. Een grote meerderheid van de bevolking heeft er

vertrouwen in: tussen twee derde en driekwart. Het vertrouwen in private instituties – de pers, banken

en grote bedrijven – en de politiek – de ambtenaren, de Tweede Kamer en de EU – is een stuk minder.

Minder dan de helft van de bevolking heeft daar vertrouwen in. In de Tweede Kamer hebben mensen

het minst vaak vertrouwen; 29% van de bevolking heeft hier vertrouwen in.

Figuur 5.1 laat ook de ontwikkelingen zien van het vertrouwen in de negen verschillende instituties in het

recente verleden. Onder invloed van voornamelijk maatschappelijke ontwikkelingen nam het vertrouwen

in het merendeel van de instituties toe. Een van de instituties waarin het vertrouwen afnam, is de Tweede

Kamer. Het effect van de demografische factoren varieert tussen de -2 en 2 procentpunt.74 Dit is in verge­ lijking

met de bandbreedte waartussen de indicatoren zich bewegen een effect van beperkte omvang. Verder

terug­ kijkend dan 2012 blijkt er in Nederland geen sprake van een afname van het institutioneel vertrouwen

(Schmeets en Te Riele 2014). Voor een aantal instituties is sinds 2002 zelfs sprake van een toenemend

vertrouwen.

Voor sommige instituties zijn de ontwikkelingen sinds 2012 een geleidelijk proces, voor andere gaat het

met schokken. Vooral de laatste jaren was er sprake van een roerige periode, met voor sommige instituties

hoge pieken en diepe dalen. Meest pregnant is de ontwikkeling in het vertrouwen in de Tweede Kamer.

Tot 2019 was er sprake van een geleidelijke toename van het vertrouwen in de Tweede Kamer. Aan het

begin van de coronaperiode schoot het omhoog naar meer dan 53% (het ‘rally round the flag’-effect;

Miltenburg en Schaper 2020). Na verloop van tijd nam de kritiek op de genomen maatregelen toe en

kreeg het vertrouwen in de Tweede Kamer een knauw. In combinatie met andere politieke perikelen

daalde het vertrouwen vervolgens verder en bedroeg in 2022 nog maar 30%. Kortom, binnen twee jaar

werd een toename van 13 procentpunt gevolgd door een daling van 23 procentpunt. Recentelijk, in 2023,

is het vertrouwen in de Tweede Kamer nog iets afgenomen tot 29%.

Tussen het vertrouwen in de overheid en de politiek bestaat een relatie met de economische conjunctuur

(Armingeon en Ceka 2014; Foster en Frieden 2017; Kroknes et al. 2015; Van der Meer en Dekker 2011;

Roth et al. 2011). In figuur 5.1 zien we dat terug. In 2013 zat de economie in een dip. Vervolgens was er tot

aan 2019 economische meewind. Vanaf 2020 zat het economisch tij minder mee. Daarin speelt uiteraard

het uitbreken van de coronapandemie een belangrijke rol. Dit sluit aan bij Bovens en Wille (2008b), die

stellen dat een plotselinge daling van het vertrouwen in de overheid zich vaak laat verklaren door een

politieke of economische crisis.

74 Dit is berekend door de predicties met en zonder jaardummy’s met elkaar te vergelijken.

80 I n S T I T U T I O n E E L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S TFiguur 5.1 Institutioneel vertrouwen, 2023, en ontwikkeling institutioneel vertrouwen, 2012-2023

(in procenten)

90

80

70

60

50

40

30

20

10

0

85

80

75

70

65

60

scp.nl

scp.nl

scp.nl

55

leger

rechters

politie

TK

EU

ambtenaren

grote bedrijven

pers

2012 2013 2015 2017 2019 2021 2014 2016 2018 2020 2022 2023

banken

rechters

leger politie

55

50

45

40

55

50

45

40

35

30

25

2012 2013 2015 2017 2019 2021 2014 2016 2018 2020 2022 2023

2012 2013 2015 2017 2019 2021 2014 2016 2018 2020 2022 2023

TK ambtenaren

EU grote bedrijven pers banken

35

30

scp.nl

scp.nl

25

Bron: CBS (StatLine)

Per bevolkingsgroep varieert het vertrouwen in instituties (tabel 5.1). Jongere mensen, tot 34 jaar,

hebben vaker dan gemiddeld vertrouwen in de meeste instituties. Ouderen, 65-plussers, zijn het

spiegelbeeld hiervan en hebben in het algemeen juist minder vertrouwen. De verschillen zijn niet los te

zien van verschillen in opleiding. Er is een verband tussen leeftijd en opleidingstype: jongeren hebben

relatief vaker een hbo- of wo-opleiding, en hbo- en wo-opgeleiden hebben vaker vertrouwen in

instituties dan mensen met een basis- of vmbo-diploma. Een uitzondering daarop is het vertrouwen in

banken. Daarin hebben de mensen met een hbo- of wo-diploma minder vaak vertrouwen. Een mogelijke

verklaring hiervoor is dat hbo- en wo-opgeleiden de financiële mechanismen van het bankwezen

beter doorgronden en daardoor kritischer zijn (Fungáčová et al. 2019). Ook naar migratieachtergrond

81 I n S T I T U T I O n E E L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S Tverschilt het institutioneel vertrouwen.75 Het valt op dat voornamelijk personen met een achtergrond in

asielmigratielanden in het algemeen meer dan gemiddeld vertrouwen hebben in instituties. Personen

met een EU-achtergrond (zowel Oost als West) hebben in de regel een gemiddeld vertrouwen in de

instituties. Mensen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond hebben minder dan gemiddeld

vertrouwen in de politie76 en de pers. Dit heeft mogelijk te maken met etnisch profileren door de politie

en negatieve berichtgeving in de pers. Personen met een achtergrond in Indonesië, Suriname of de

Antillen hebben minder vaak dan gemiddeld vertrouwen in de politie en rechters. Ook hier speelt etnisch

profileren mogelijk een rol.

Tabel 5.1 Institutioneel vertrouwen naar leeftijd, opleiding en migratieachtergrond, 2023

(in procen­ ten)a,b

leger rechters politie Tweede

Kamer ambtenaren EU grote

bedrijven pers banken

totaal 67 78 77 29 44 47 36 37 50

20-34 jaar 72 82 77 29 51 56 43 33 56

35-64 jaar 67 78 77 28 42 42 34 38 44

65-plus 58 69 78 26 35 40 25 39 47

basis, vmbo 63 65 72 24 35 39 36 30 54

havo, vwo, mbo 67 76 76 24 39 40 36 31 49

hbo, wo 70 88 83 37 55 60 35 47 48

Nederland 67 78 79 28 42 46 34 38 48

West-EU 65 78 75 30 50 50 34 40 47

Oost-EU 76 76 75 36 56 59 46 43 62

arbeids- en

studie-­ migratielanden

65 79 74 35 52 53 39 37 56

asielmigratielanden 72 79 73 39 57 58 54 30 68

Turkije, Marokko 63 76 67 28 56 41 46 17 58

Indonesië,

Suriname, Antillen

67 70 68 28 44 47 38 33 51

a geel geeft aan dat het groepsgemiddelde op het 5% significantieniveau ten minste 3 procentpunten lager is dan het

gemiddelde, groen dat het groepsgemiddelde op het 5% significantieniveau ten minste 3 procentpunten hoger is

dan het gemiddelde.

b Het totaal heeft betrekking op 2023, de verdeling naar groepen van alle drie indicatoren is gebaseerd op 2022 en

toegepast op het totaal uit 2023.

Bron: CBS (StatLine); CBS (SSW ’22); SCP-bewerking

75 Maar weinig verschillen zijn significant.

76 Bij het vertrouwen in de politie gaat het om 10% significantieniveau.

82 I n S T I T U T I O n E E L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S T5.3 Verandering in institutioneel vertrouwen in de toekomst

In deze paragraaf verkennen we de mogelijke effecten die de toekomstige demografische veranderingen

op het institutioneel vertrouwen kunnen hebben. We doen dat allereerst door in een beeld te brengen

hoe de veranderende demografische samenstelling daarin doorwerkt. Daarbij kijken we zowel naar

het gemiddelde voor heel Nederland als naar gemiddelde voor verschillende groepen in de bevolking.

Daarna rapporteren we de resultaten van de ‘wat als’-simulaties, waarin we zijn uitgegaan van alternatieve

veronderstellingen over de samenhang tussen enerzijds demografische kenmerken en anderzijds de

indicatoren van institutioneel vertrouwen. Vervolgens brengen we de invloed van maatschappelijke

ontwikkelingen op het institutioneel vertrouwen in beeld. Tot slot zetten we in een landenvergelijking

het vertrouwen in het parlement, het rechtssysteem, de politie en het Europees Parlement af tegen de

bevolkings­ dichtheid. Dit geeft inzicht in welke invloed het drukker worden in Nederland mogelijk kan

hebben op het institutioneel vertrouwen.

5.3.1 Verandering in de bevolkingssamenstelling

Tabel 5.2 toont de, met het simulatiemodel berekende, verwachte toe- of afname in procentpunten voor

het institutioneel vertrouwen als gevolg van veranderingen in de demografische samenstelling. In de

tabel zijn de resultaten opgenomen van het middenscenario en de minimale en maximale verandering

volgens de verschillende demografische scenario’s.

Tabel 5.2 Institutioneel vertrouwen, 2023, ontwikkeling demografische scenario’s, 2023-2050,

en bandbreedte verleden, 2012-2023 (in procenten en procentpunten)a,b

leger rechters politie Tweede

Kamer ambtenaren EU grote

bedrijven pers banken

totaal 67 78 77 29 44 47 36 37 50

middenscenario -0 2 1 4 4 4 0 2 1

minimaal -1 0 0 2 2 2 -0 1 0

maximaal 1 3 1 5 5 6 1 3 3

bandbreedte

2012-2019

8 6 8 11 6 11 8 6 9

bandbreedte

2012-2023

13 11 12 23 9 19 10 16 14

a In tabel B5.1 in bijlage B5.1 zijn de resultaten van alle demografische scenario’s opgenomen.

b De bandbreedte is het hoogste jaargemiddelde van een indicator min het laagste jaargemiddelde in een bepaalde

periode. Bij bandbreedtes is een onderscheid gemaakt tussen een periode die loopt tot aan de coronapandemie en

een periode waarin ook de meest actuele jaren zijn meegenomen.

Bron: CBS (2024b); CBS (SSW ’12-‘22); SCP-bewerking

In de demografische scenario’s zien we dat het institutioneel vertrouwen als gevolg van veranderingen in

de demografische samenstelling over bijna de gehele linie licht toeneemt. Dat komt vooral doordat er in

2050 meer mensen met een hbo- of wo-opleiding zijn. Het vertrouwen in de politiek – de Tweede Kamer,

ambtenaren en de EU – neemt het meest toe; afgerond is die toename rond de 4 procentpunt. Over een

periode van bijna 25 jaar is dat gering. Het vertrouwen in rechters en politie is op dit moment al hoog

en zal in de demografische scenario’s nog wat verder toenemen. Ook het vertrouwen in het leger is op

dit moment hoog. Dit is de enige institutie waarvoor in de toekomst een lichte afname wordt verwacht.

De verschillen tussen de demografische scenario’s zijn minimaal; dat blijkt uit de kleine verschillen tussen

het minimale en maximale uitkomst in tabel 5.2.

83 I n S T I T U T I O n E E L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S TAfgezet tegen de bandbreedte uit het verleden is de toename van institutioneel vertrouwen op basis van

demografische veranderingen marginaal. Schommelingen in het institutionele vertrouwen kenden in het

verleden een flinke bandbreedte van 6 tot 11 procentpunt buiten de coronaperiode en fors hoger als we

de coronaperiode ook in beschouwing nemen (zie ook figuur 5.1). Maatschappelijke veranderingen lijken

dus een zwaardere stempel te drukken op de veranderingen in institutioneel vertrouwen dan demografische

veranderingen (zie ook § 5.3.4).

5.3.2 Verandering binnen de bevolkingsgroepen

Deze paragraaf gaat in op de vraag of verschillen in vertrouwen tussen bevolkingsgroepen blijven bestaan

bij de verwachte demografische ontwikkelingen.

Jongeren hebben meer en ouderen minder vertrouwen in de verschillende instituties. Dat zal in de toekomst

zo blijven, al zal het verschil kleiner worden. Dat komt doordat het institutioneel vertrouwen onder

ouderen in de demografische scenario’s harder dan gemiddeld stijgt (tabel 5.3). Vooral het vertrouwen in

rechters neemt onder ouderen sneller toe.

Het zijn vooral mensen met een basis- of vmbo-opleiding die minder vaak vertrouwen in instituties hebben.77

Dit lagere institutioneel vertrouwen zal in de toekomst marginaal veranderen in deze scenario’s. Voor

de meeste instituties zal het verschil met mensen met een hbo- of wo-opleiding iets kleiner worden

(tabel 5.3). Uitzondering is het vertrouwen in de banken. Mensen met een basis- of vmbo-opleiding

hebben meer vertrouwen in de banken dan mensen met een hbo- of wo-opleiding en dat verschil neemt

toe.78 Het versch­ il in institutioneel vertrouwen tussen mensen met havo-, vwo- of mbo-opleiding en

mensen met een hbo- of wo-opleiding blijft vrijwel hetzelfde. Dat houdt in dat de verschillen in de toekomst

groot blijven.

De ontwikkeling van institutioneel vertrouwen bij mensen met en zonder migratieachtergrond laat een

divers beeld zien. De ontwikkelingen verschillen per institutie en zijn niet voor alle migranten hetzelfde.

Het institutioneel vertrouwen onder mensen zonder migratieachtergrond is en blijft rond het gemiddelde voor

de hele populatie. Voor personen met een herkomst uit de West-EU groeit het institutioneel vertrou­ wen over

het algemeen iets naar het gemiddelde van de hele populatie, al blijven er kleine verschillen (tabel 5.3).79

Voor mensen met een Oost-EU-achtergrond worden de meeste verschillen kleiner, doordat hun vertrouwen

in instituties minder snel groeit dan voor de hele bevolking of daalt in plaats van stijgt.80 Voor de mensen

uit arbeids- en studiemigratielanden en asielmigratielanden worden de verschillen ook kleiner. Zij hadden

eerst een groter dan gemiddeld vertrouwen in de meeste instituties, maar dat stijgt langzamer dan

gemiddeld. Voor mensen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond blijft de groei van het institutioneel

vertrouwen eveneens achter bij het landelijk gemiddelde voor een groot aantal instituties. Hun vertrouwen

in de politieke instituties ligt nu al lager en in de toekomst blijven grote verschillen met het landelijke

gemiddelde bestaan. Mensen met een Indonesische Surinaamse of Antilliaanse achtergrond hadden

vooral een lager vertrouwen in de politie en dat verschil blijft bestaan. Het vertrouwen in de EU was

ongeveer gelijk aan het gemiddelde, maar dat neemt meer af dan gemiddeld.

77 Dat komt doordat in de toekomst hun aandeel onder ouderen harder afneemt dan onder jongeren (zie figuur B2.3 in

bijlage B2.6).

78 Dat komt doordat er veel minder vergrijzing is onder mensen met een basis- of vmbo-opleiding dan gemiddeld

(zie figuur B2.6 in bijlage B2.6).

79 Dat komt doordat personen met een herkomst uit de West-EU veel minder vergrijzing kennen dan gemiddeld in de bevolking

en een grotere stijging in het aandeel mensen met een hbo- of wo-opleiding. Met name het vertrouwen in het leger en de

rechters stijgt sneller, doordat het leeftijds- en opleidingseffect in dezelfde richting werken.

80 Dat komt doordat het aandeel mensen met een basis- of vmbo-opleiding veel minder snel groeit dan gemiddeld en het

aandeel mensen met een hbo- of wo-opleiding veel sneller groeit dan gemiddeld.

84 I n S T I T U T I O n E E L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S TTabel 5.3 Institutioneel vertrouwen, 2023, ontwikkeling binnen groepen gedefinieerd naar leeftijd,

opleiding, en (migratie)achtergrond, middenscenario, 2023-2050 (in procentpunten)a

leger rechters politie Tweede

Kamer ambtenaren EU grote

bedrijven pers banken

0 2 1 4 4 4 0 2 1

Nederlands

gemiddelde

20-34 jaar -1 -0 -1 1 1 1 -0 1 1

35-64 jaar -0 2 1 3 4 4 1 2 1

65-plus 1 6 3 6 6 6 2 3 2

basis, vmbo 0 0 -1 2 3 4 3 1 5

havo, vwo, mbo -2 -2 0 1 1 1 -0 1 1

hbo, wo -2 -1 -0 1 1 1 -1 1 1

Nederland 0 3 2 3 3 3 -0 2 -0

West-EU 2 5 2 4 4 6 0 2 -1

Oost-EU -2 -0 -0 0 0 -1 -3 1 -3

arbeids- en

studie­ migratielanden

-2 1 1 1 1 0 -2 2 -3

asielmigratielanden

-2 -0 0 -0 -0 -1 -3 1 -3

Turkije, Marokko -5 1 1 1 -0 -1 -4 2 -4

Indonesië,

Suriname, Antillen

-2 -0 2 2 1 1 -2 1 -1

a Rood geeft aan dat het groepsgemiddelde significant minder snel groeit (verschil van 3 procentpunt of meer) dan

het populatiegemiddelde, blauw dat het groepsgemiddelde significant sneller groeit dan populatiegemiddelde

(met 3 procentpunt of meer).

Bron: CBS (2024b); CBS (SSW ’12-’22); SCP-bewerking

5.3.3 Verandering in denken en doen

In aanvulling op de demografische scenario’s bekijken we met de ‘wat als’-simulaties hoe veranderende

omstandigheden qua denken en doen het institutioneel vertrouwen in de toekomst kunnen beïnvloeden

(zie tabel 5.4).81 In een van de ‘wat als’-simulaties veronderstellen we dat de periode waarin mensen

opgroeien bepalend is voor wat zij (later in hun leven) zullen denken en doen. We noemen dat het

‘verschil tussen generaties’-scenario.82 Bij deze simulatie groeit het vertrouwen in de meeste instituties

aanzienlijk sterker dan in het middenscenario. Voor een aantal instituties ligt de verwachte toename zelfs

boven de 10 procentpunt. De enige institutie waarin het vertrouwen afneemt, is de pers. De simulaties

laten zien dat er duidelijke verschillen tussen generaties bestaan in institutioneel vertrouwen. De jongere

generaties hebben over het algemeen meer vertrouwen in instituties dan de oudere generaties. Zicht op

het onderliggende mechanisme ten aanzien van een veranderende houding gedurende de levensloop

kan wellicht bijdragen aan bestendigen van het toekomstig institutioneel vertrouwen.

81 In paragraaf 2.4.3.2 is te vinden hoe we dat methodisch hebben aangepakt. De ‘wat als’-simulaties gaan uit van de

middenvariant van het CBS (2024b).

82 We gaan ervan uit dat het verband tussen leeftijd en het vertrouwen in instituties niet verandert gedurende de levensloop en

mensen hun opinies en houding ten aanzien van de instituties hun hele leven met zich meenemen.

85 I n S T I T U T I O n E E L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S TIn het ‘kinderen van de tweede generatie’-scenario veronderstellen we dat de kinderen van de tweede

generatie wat betreft hun houding ten opzichte van instituties op hun ouders gaan lijken. Als dat zo is,

zijn de veranderingen in institutioneel vertrouwen vergelijkbaar aan die in het middenscenario. In het

‘wat als’-scenario ‘culturele competitie’ gaan we ervan uit dat in de toekomst door de toegenomen

migratie meer mensen zonder migratieachtergrond migranten als ‘concurrenten’ zullen zien. Als dat

gebeurt, neemt het vertrouwen in de meeste instituties iets minder toe dan in het middenscenario.

Behalve verder uit elkaar groeien, zouden mensen met en zonder migratieachtergrond in de toekomst

ook naar elkaar toe kunnen groeien. Van die situatie zijn we in het ‘culturele convergentie’-scenario

uitgegaan. Daarin blijft het institutioneel vertrouwen voor het merendeel gelijk of iets achter bij het

midden­ scenario. Het vertrouwen in het leger en de politie neemt iets meer af dan in het middenscenario.

Een uitzondering vormt het vertrouwen in ambtenaren, dat neemt in het ‘culturele convergentie’-scenario

iets toe.

Als in de toekomst het aandeel mensen met een hbo- of wo-opleiding toeneemt, zou een grotere groep

dan nu het geval is een bevoorrechte positie in de samenleving kunnen innemen. De kloof tussen de

mensen die een hbo- of wo-opleiding hebben en degenen die dat niet hebben kan groter worden. Als dit

‘toenemend verschil tussen opleidingen’-scenario zich voordoet, neemt het institutioneel vertrouwen

minder toe of neemt het zelfs licht af in vergelijking met het middenscenario. De grootste verschillen

doen zich voor bij het vertrouwen in rechters, de Tweede Kamer en de EU. In de toekomst zou een toename

van het aandeel mensen met een hbo- of wo-opleiding er ook toe kunnen leiden dat meer mensen zo’n

opleiding hebben dan waar vraag naar is. Een hbo- of wo-opleiding is in dat geval minder waard. Als

dat gebeurt, dan leidt dat, zoals het diploma-inflatie-scenario laat zien, tot een daling in het vertrouwen

in alle instituties, behalve in de grote bedrijven en banken. Het vertrouwen daarin stijgt iets. Een ander

mogelijk gevolg van een toenemend aandeel hbo- en wo-opgeleiden is dat de waardering toeneemt

voor degenen die een ander type opleiding hebben en daarmee voor de praktische beroepen. In dit ‘meer

waardering’-scenario zou het vertrouwen in de meeste instituties licht toenemen ten opzichte van het

middenscenario. Ten slotte zouden mensen met verschillende typen opleidingen in de toekomst ook

naar elkaar toe kunnen groeien, bijvoorbeeld omdat ze meer met elkaar in contact komen en er naar

gelijkvormigheid wordt gestreefd. Dit gelijkvormigheidsscenario laat een beeld zien van licht afnemend

vertrouwen in de meeste instituties ten opzichte van het middenscenario.

Tabel 5.4 Institutioneel vertrouwen, 2023, ontwikkeling ‘wat als’-scenario’s, 2023-2050

(in procentpunten en procenten)

leger rechters politie Tweede

Kamer ambtenaren EU grote

bedrijven pers banken

totaal 67 78 77 29 44 47 36 37 50

middenscenario 0 2 1 4 4 4 0 2 1

verschil tussen

generaties

10 8 2 7 7 13 10 -1 11

kinderen van de

tweede generatie

-1 2 1 4 4 4 0 2 1

culturele competitie -1 -0 0 2 2 2 0 2 2

culturele conver-

gentie

-4 0 -2 2 5 4 -1 1 1

toenemend verschil

tussen opleidingen

-2 -2 -1 1 1 1 0 1 2

diploma-inflatie -1 -3 -2 -2 -1 -2 1 -2 3

meer waardering 0 4 2 5 5 5 0 3 0

gelijkvormigheid -1 -1 -0 1 2 2 0 1 2

Bron: CBS (2024b); CBS (SSW ’12-’22); SCP-bewerking

86 I n S T I T U T I O n E E L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S T5.3.4 Verandering in de maatschappij

We hebben geen gegevens om de invloed van afzonderlijke maatschappelijke ontwikkelingen op de

indica­ toren van sociale cohesie te onderscheiden. Wel kunnen we een indicatie geven hoe het samenspel

van verschillende maatschappelijke ontwikkelingen uitpakt voor het institutioneel vertrouwen in 2050.

Aan de hand van de ontwikkelingen uit het verleden kunnen we voorzichtig een licht werpen op de toekomst.

Tussen 2012 en 2022 is voor elke institutie een onder- en bovengrens aan te geven waartussen het vertrouwen

in de betreffende institutie zich bewoog. Als we deze bandbreedte als leidraad nemen, zien we dat maat-

schappelijke ontwikkelingen in de toekomst duidelijke veranderingen in het vertrouwen in instituties tot

gevolg kunnen hebben. Het vertrouwen in instituties in de toekomst beweegt zich immers binnen een

flinke bandbreedte (tabel 5.5). De kanttekening die we hierbij wel moeten maken is dat we veronderstellen

dat het effect van de maatschappelijke ontwikkelingen in de toekomst zich begeeft binnen de bandbreedte

uit het verleden. Dat hoeft niet het geval te zijn. Er kunnen zich in de toekomst ontwikkelingen voordoen

die mogelijk een nog groter effect hebben dan wat zich in het verleden heeft voorgedaan.

Gegeven deze veronderstelling is het onderlinge verschil tussen het minimum- en maximumscenario (tabel 5.5)

groter dan de onderlinge verschillen tussen de demografische scenario’s (tabel 5.2). Maatschappelijke

ontwikkelingen hebben dus meer invloed hebben op het institutionele vertrouwen dan veranderingen

in de demografische samenstelling. Dat geldt vooral voor het vertrouwen in de Tweede Kamer. Daarin

speelt met name de ‘waan van de dag’ een grote rol. Tot die conclusie komen we door statistisch te toetsen

of veranderingen geleidelijk verliepen of door incidentele gebeurtenissen (tabel B2.10 in bijlage B2.7).

Dat laatste blijkt bepalend te zijn voor veranderingen in het institutioneel vertrouwen.

Tabel 5.5 Institutioneel vertrouwen, 2023, alternatieve simulaties met betrekking tot maatschappelijke

ontwikkelingen, verschillen 2023-2050 (in procentpunten en procenten)

leger rechters politie Tweede

Kamer ambtenaren EU grote

bedrijven pers banken

totaal 67 78 77 29 44 47 36 37 50

middenscenario -0 2 1 4 4 4 0 2 1

minimum -8 -2 -4 -5 1 -3 -3 -2 -6

maximum 7 8 7 18 8 14 5 12 9

bandbreedte 15 10 11 23 9 17 8 15 15

trend/schok schok schok schok schok schok schok schok schok schok

Bron: CBS (2024b); CBS (SSW ’12-’22); SCP-bewerking

5.3.5 Verandering in bevolkingsomvang

Met het analysemodel is het niet mogelijk te achterhalen welke invloed een toename van de bevolking

zal hebben op het institutioneel vertrouwen. Door dat te vergelijken tussen landen die qua bevolkings-

dichtheid verschillen, kunnen we daar wel een indicatie van geven (tabel 5.6). Hoewel het verband zwak

is, is de relatie tussen institutioneel vertrouwen en bevolkingsdichtheid in de meeste gevallen negatief.

Met andere woorden, een hoge bevolkingsdichtheid gaat samen met een iets lager institutioneel

vertrouw­ en. Nederland lijkt daarin een uitzonderingspositie in te nemen: als dichtbevolkt land scoort

het ruim boven het gemiddelde op de indicatoren van institutioneel vertrouwen. Voor alle in tabel 5.6

opgenomen instituties behoort Nederland tot de top 5 van hoogst scorende landen.

87 I n S T I T U T I O n E E L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S TTabel 5.6 Samenhang indicatoren institutioneel vertrouwen en bevolkingsdichtheid en Nederland

vergeleken met andere landen, 2020a

indicator correlatie met

bevolkingsdichtheid

positie Nederland t.o.v.

31 landen

vertrouwen in het parlement -0,1 5

vertrouwen in het rechtssysteem 0,1 4

vertrouwen in de politie -0,1 3

vertrouwen in het Europees parlement -0,2 3

a De ESS-data meten het vertrouwen in instituties op een schaal van 0 tot en met 10. Deze schaal is omgerekend naar

een binaire variabele door mensen die een waarde 6 of hoger toekennen en de helft van de mensen die een waarde

5 toekennen toe te rekenen aan mensen met algemeen vertrouwen.

Bron: ESS10 (’20); IndexMundi (2024); SCP-bewerking

5.4 Samenvatting

Eén van de belangrijke aspecten van sociale cohesie is institutioneel vertrouwen. Een zekere mate hiervan

institutioneel is een voorwaarde voor een stabiele democratie. Verminderd vertrouwen in politieke en

maatschappelijke instituties zet de legitimiteit daarvan onder druk. Voor negen instituties bekeken we

in dit hoofdstuk hoe zij zich in de toekomst mogelijk kunnen ontwikkelen. Het gaat om de uitvoerende

instituties (leger, rechters en politie), de politieke instituties (Tweede Kamer, ambtenaren en Europese Unie)

en de private instituties (pers, banken en grote bedrijven).

Het institutioneel vertrouwen in Nederland is hoog in vergelijking met andere landen. Mensen hebben

het meeste vertrouwen in rechters en de politie en in de Tweede Kamer en grote bedrijven het minst.

Het vertrouwen in de meeste instituties nam tussen 2012 en 2023 toe, hoewel het beeld vanaf 2020 met

de coronapandemie wisselvallig werd. Vooral het vertrouwen in de Tweede Kamer fluctueerde sterk.

In 2020 nam dat fors toe, om in de twee daaropvolgende jaren sterk te dalen en uit te komen op een

niveau dat lager lag dan in 2012.

Binnen dit algemene beeld voor Nederland als geheel bestaan grote verschillen tussen groepen. Jongeren

hebben meer vertrouwen in instituties dan ouderen. Mensen met een hbo- of wo-opleiding hebben in

het algemeen meer vertrouwen in instituties dan mensen met een basis- of vmbo-opleiding. Dat kan zijn

omdat mensen met een hbo- of wo-opleiding meer zelfvertrouwen en kennis over instituties hebben.

Over het algemeen hebben mensen met een migratieachtergrond vaker vertrouwen in instituties dan

mensen zonder migratieachtergrond. Daarop zijn enkele uitzonderingen. Mensen met herkomst uit een

klassiek migratieland (Turkije, Marokko, Indonesië, Suriname, Antillen) hebben minder vaak vertrouwen

in de politie. Ook in de pers is het vertrouwen van mensen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond

lager. Dit zou te maken kunnen hebben met etnisch profileren door de politie en negatieve berichtgeving

in de pers.

Volgens de demografische scenario’s neemt het vertrouwen in de instituties over bijna de gehele linie

een klein beetje toe. Dat komt met name door een toename van het aandeel mensen met een hbo- of

wo-opleiding. Ook de verschillen in institutioneel vertrouwen tussen bevolkingsgroepen blijven volgens

de demografische scenario’s grotendeels bestaan. Ze worden slechts iets kleiner.

Onze ‘wat als’-simulaties laten zien dat in de toekomst in het institutioneel vertrouwen ook grotere

veranderingen mogelijk zijn. Een van de simulaties waarin we dat zien gebeuren is het ‘verschil tussen

generaties’­ -scenario. Hierin veronderstellen we dat de condities waarin mensen opgroeien bepalend zijn

voor hun opvattingen en gedrag (later in het leven) en dat die condities tussen generaties verschillen.

88 I n S T I T U T I O n E E L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S TIn deze situatie zal het vertrouwen in een aantal instituties met meer dan 10 procentpunt sterk toenemen.

Een andere ‘wat als’-simulatie die grotere gevolgen voor het toekomstige institutioneel vertrouwen

laat zien is het ‘diploma-inflatie’-scenario. De gedachte hierachter is dat een toename van het aandeel

mensen met een hbo- of wo-opleiding leidt tot meer hbo- en wo-opgeleiden dan waar de arbeidsmarkt

behoefte aan heeft, waardoor een hbo- of wo-diploma aan waarde inboet. Mocht dit gebeuren, dan komt

het institutioneel vertrouwen lager uit dan in het middenscenario. Dat kan soms 5 procentpunt schelen.

In het recente verleden was de invloed van maatschappelijke ontwikkelingen op het institutioneel vertrouwen

groter dan van demografische ontwikkelingen. In de periode 2012-2023 hadden de maatschappe­ lijke

ontwikkelingen per saldo een positief effect op het institutioneel vertrouwen. Ook in de toekomst zullen

de maatschappelijke ontwikkelingen daarin volgens de scenario’s met alternatieve veronderstellingen

over de invloed van maatschappelijke ontwikkelingen een grotere rol spelen dan de demografische

ontwikkelingen.

Of een toename van de bevolking tot veranderingen in institutioneel vertrouwen zal leiden, hebben we

geprobeerd in kaart te brengen op basis van een internationale vergelijking. Daaruit blijkt dat er niet of

nauwelijks een verband tussen bevolkingsdichtheid en institutioneel vertrouwen te vinden is.

89 I n S T I T U T I O n E E L V E R T R O U W E n nu e n i n D E T O E K O M S T6 Politieke participatie nu en in de toekomst

Belangrijkste bevindingen

Politieke participatie kent uiteenlopende verschijningsvormen, van stemmen bij

Tweede Kamerverkiezingen tot conventionele en onconventionele politieke activiteiten.

De demografische scenario’s laten kleine veranderingen zien in de opkomst voor de Tweede

Kamerverkiezingen en de deelname aan politieke activiteiten.

Een punt van aandacht is dat de verschillen naar migratieachtergrond en naar type opleiding in

de toekomst niet verdwijnen. De verschillen worden zelfs groter tussen mensen met een

basis- of vmbo-opleiding en mensen met een hbo- of wo-opleiding.

Uit de ‘wat als’-scenario’s blijkt dat in de toekomst de politieke participatie wel terug kan lopen.

Dat is bijvoorbeeld het geval van bij de scenario’s ‘diploma-inflatie’-en ‘toenemend verschil

tussen opleidingen’. Een terugloop in politieke participatie is ook mogelijk bij het ‘verschillen

tussen generaties’-scenario, en dan met name bij de opkomst voor de Tweede Kamerverkiezingen.

Hoe zouden verschillende vormen van politieke participatie zich als gevolg van demografische veranderingen

kunnen ontwikkelen? Dat is de vraag die we in dit hoofdstuk beantwoorden. Daartoe beschrijven

we eerst wat we onder politieke participatie verstaan, hoe we dat meten en wie politiek actief zijn

(§ 6.1). Vervolgens bekijken we de ontwikkelingen in het recente verleden in politieke participatie en of

er verschil­ len zijn in politieke deelname tussen verschillende groepen in de bevolking (§ 6.2). Daarna

verkennen we of en hoe politiek actief zijn in de toekomst zou kunnen veranderen door veranderingen in de

demografische samenstelling (§ 6.3). Daarbij kijken we eerst naar het effect van een andere bevolkingssamen­

stelling. Vervolgens gaan we na of achter dit toekomstige beeld voor Nederland als geheel

verschillen tussen groepen in de bevolking schuilgaan, met andere woorden of de verschillen tussen

groepen groter of kleiner worden, of gelijk blijven. Veranderingen in de bevolkingssamenstelling kunnen

het denken en doen van de bevolking veranderen; daarom bestuderen we ook de invloed van een aantal

mogelijke veranderingen in het denken en doen. Daarna plaatsen we het effect van demografische

veranderingen op politieke participatie in de toekomst in perspectief door een indicatie te geven van

het mogelijke effect van maatschappelijke veranderingen op toekomstige politieke activiteiten. Tot slot

analyseren we met behulp van een internationale vergelijking de samenhang tussen bevolkingsomvang

en de diverse vormen van politieke participatie. We eindigen het hoofdstuk met een samenvatting van

onze bevindingen (§ 6.4).

6.1 Wat weten we van politieke participatie?

Onderdeel van de wijze waarop in Nederland wordt samengeleefd is dat beslissingen over het bestuur

van het land door politici worden genomen. Zij moeten ervoor zorgen dat de belangen van alle groepen en

individuen in de samenleving tot hun recht komen en ze moeten omgaan met de tegengestelde opvattin-

gen daarin. Voor het goed functioneren van een democratie is het van belang dat zoveel mogelijk mensen

hun stem uitbrengen bij verkiezingen. Daarnaast is het belangrijk dat politieke deelname gelijkmatig is

verdeeld over de verschillende groepen in de bevolking. Anders kan het geluid dat politici en beleidsma-

kers bereikt vertekend zijn (zie Lijphart 1998). Een gevoel niet gerepresenteerd te zijn kan de democrati-

sche legitimiteit ondermijnen (Van Noije 2019). Een hoge mate van en een gelijkmatig verdeelde politieke

participatie zorgen daarom voor een goede werking van de democratie. Vertegenwoordiging van de

belangen van verschillende groeperingen is geen garantie dat deze meer in overeenstemming met elkaar

worden gebracht. Het is ook mogelijk dat de maatschappelijke tegenstellingen en conflicten scherper

worden (vgl. Van den Berg et al. 2008).

Meedoen aan de politiek kan op verschillende manieren. Daarvan is stemmen de meest directe manier.

Mensen kunnen ook invloed (proberen) uit te oefenen op het politieke besluitvormingsproces door

90 P O L I T I E K E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S Tconta­ ct op te nemen met een politicus, een politieke organisatie in te schakelen, een door de overheid

georganiseerde bijeenkomst bij te wonen of de media (radio, tv of krant) te benaderen. Deze acties

worden ook wel conven­ tionele vormen van politieke participatie genoemd. Daarnaast zijn er ook

onconventionele vormen van politieke participatie. Daartoe behoren het meedoen aan een protestactie,

actiegroep, handtekeningenactie of online actie (Elsinga 1984; Schmeets 2017b).

6.1.1 Stemmen

Het belang van stemmen

Nederland kent verschillende bestuurslagen waarvoor volksvertegenwoordigers gekozen worden.

Op landelijk niveau worden de leden van de Tweede Kamer gekozen, op provinciaal niveau de leden van

de Provinciale Staten (die vervolgens de leden van de Eerste Kamer kiezen), en op gemeentelijk niveau de

leden van de gemeenteraad.83 Mensen voelen zich het meest verbonden met en betrokken bij het lande-

lijke niveau (Dekker en Den Ridder 2023). We richten ons in dit hoofdstuk daarom alleen op dat niveau.

Mensen van 18 jaar en ouder met de Nederlandse nationaliteit mogen stemmen voor de Tweede

Kamerverkiezingen. Stemmen is niet verplicht. Dat was niet altijd zo. Tot 1970 kende Nederland een

opkomstplicht bij verkiezingen. Bij de eerstvolgende verkiezingen in 1971 daalde de opkomst behoorlijk.

In de twee verkiezingen daarna lag het opkomstpercentage wel weer iets hoger, maar daarna nam het

opkomstpercentage geleidelijk af. Sinds 2002 is het opkomstpercentage weer iets opgekrabbeld en

schommelt het rond de 80%.

Het hoeft geen probleem te zijn dat niet iedereen bij een verkiezing gaat stemmen.84 Een lagere opkomst kan

wijzen op tevredenheid met hoe het gaat: er is geen reden of belang om te gaan stemmen (Franklin 2001).

Bovendien zijn er andere manieren waarop mensen politici kunnen laten weten wat zij willen. Een hoog

opkomstpercentage zou er juist op kunnen wijzen dat kiezers ontevreden zijn, of dat er maatschappelijke

en politieke onrust is (Dekker 2002). Ontevredenheid is zowel een reden om wel als om niet te gaan

stemmen. Andere redenen om de gang naar de stembus niet te maken, zijn politieke desinteresse of

onverschilligheid (Dekker en Den Ridder 2022).85 In Nederland was onverschilligheid lange tijd de belangrijkste

reden om niet te gaan stemmen (Dekker en Den Ridder 2018). De laatste jaren lijkt ontevredenheid vaker

een reden te zijn om geen gebruik te maken van het stemrecht bij de Tweede Kamerverkiezingen (Dekker

et al. 2020).

Wie gaan stemmen?

De gang naar de stembus is veelvuldig door politicologen bestudeerd. Er zijn verschillende overzichtsstudies

verschenen over factoren die verklaren of mensen gaan stemmen (Cancela en Geys 2016;

Frank en Martínez i Coma 2023; Smets en Van Ham 2013; Stockemer 2017). Met meer dan 150 verklarende

factoren hebben die overzichtsstudies geen eensluidend antwoord opgeleverd (Den Ridder en Vollaard 2022).

Voor dit rapport voert het te ver om op al deze factoren in te gaan.86 We concentreren ons hier op de invloed

van demografische en sociaal-economische kenmerken.

Leeftijd speelt een rol in de beslissing al dan niet te gaan stemmen. Jongeren en ouderen op hoge leeftijd

maken minder vaak de gang naar de stembus. Dit hangt samen met hun hulpbronnen. Degenen die over

83 Verder is er nog een verkiezing voor het waterschap, waarmee de leden van het algemeen bestuur van het waterschap

gekozen worden, en worden er volksvertegenwoordigers gekozen die zitting nemen in het Europees Parlement.

84 Dat is het wel als kiesgerechtigden thuisblijven omdat ze zich niet vertegenwoordigd voelen, of als hun thuisblijven leidt tot

een vertekening in de partijpolitieke verhoudingen.

85 Verder kunnen ook nog praktische belemmeringen, geen keuze kunnen maken of een verwacht gering effect motieven zijn

om niet te stemmen (Dekker en Den Ridder 2022).

86 Factoren die het opkomstpercentage en het gedrag van niet-stemmers kunnen verklaren, zijn in drie categorieën onder te

verdelen: institutionele, sociaal-economische en politieke verklaringen (Den Ridder en Vollaard 2022). Factoren die tot het

institutionele domein gerekend worden zijn bijvoorbeeld de opkomstplicht, het aantal partijen waaruit gekozen kan worden

en het gemak waarmee gestemd kan worden (zoals het automatisch toesturen van de stempas). Naast leeftijd, opleiding en

migratieachtergrond behoren onder andere de mate van urbanisatie, inkomen en sociale klasse tot de sociaal-economische

factoren. Onder politieke verklaringen vallen onder meer verschillen tussen partijen, opkomst in het verleden, mediabericht-

geving en vertrouwen in politieke instituties.

91 P O L I T I E K E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S Ttijd, geld en vaardigheden beschikken kunnen zich verdiepen in de politiek. Jongeren hebben vaak nog

een gebrek aan kennis over en ervaring met de politiek. Zodra mensen ouder worden stemmen ze vaak

wel. Voor mensen op hoge leeftijd geldt dat zij niet gaan stemmen omdat er een praktische drempel is,

of omdat ze zich terugtrekken uit het sociale leven.

De opkomst bij verkiezingen houdt duidelijk verband met de opleiding die mensen hebben gevolgd.

Mensen met een hbo- of wo-opleiding gaan vaker stemmen dan mensen zonder zo’n opleiding.

Opleiding is een hulpbron; mensen doen er vaardigheden mee op. Ook socialisatie en sociale omgeving

spelen een rol in de gang naar de stembus.87 Gedurende hun leven worden mensen gevormd door

ouders, onderwijzers, vrienden, collega’s en anderen die deel uitmaken van hun netwerk, zoals de

leden van de sportvereniging of hobbyclub. In hun omgang met deze ‘anderen’ krijgen mensen normen

overgedragen en kunnen zij sociale druk ervaren om bepaalde normen na te leven. De keuze om te gaan

stemmen kan al gevormd worden in iemands jonge jaren. Als ouders een hoog inkomen hebben en

behoren tot een hoge sociale klasse, dan is de kans groter dat iemand gaat stemmen. Het omgekeerde

geldt ook: hoe lager het inkomen en de sociale klasse van de ouders, hoe kleiner de kans dat iemand

gaat stemmen.88

Mensen met een migratieachtergrond kunnen bij de Tweede Kamerverkiezingen alleen een stem uit­ brengen

als zij de Nederlandse nationaliteit hebben. Zij stemmen minder vaak dan Nederlanders zonder migratieachtergrond

(Vermeulen 2018), hoewel daarin verschillen zijn naar land van herkomst (Dagevos et al. 2024).

Op zoek naar verklaringen voor het verschil in stemmen tussen mensen zonder en met een migratieachtergrond

vragen Den Ridder en Vollaard (2022) zich af of dit te maken heeft met opleiding en leeftijd

of generatie en niet uitsluitend met hun herkomst. Onderzoek van het SCP lijkt dat beeld (deels) te bevestigen

(Dagevos et al. 2024).

6.1.2 Politieke activiteiten

Wat houdt politiek actief zijn in?

Naast het stemmen bij verkiezingen hebben mensen ook andere manieren om invloed uit te oefenen op

de politieke besluitvorming. Zij kunnen contact leggen met ambtenaren, politici of de media om een probleem

aan te kaarten. Verder kunnen ze een door de overheid georganiseerde bijeenkomst bijwonen om

inspraak te hebben op politieke besluiten. Dit alles vatten we samen onder de noemer van conventionele

politieke activiteiten. Daarnaast kunnen mensen deelnemen aan handtekeningenacties, demonstraties

en actiegroepen of online van zich laten horen door bijvoorbeeld berichten te plaatsen op blogs of sociale

media. Mensen die niet mogen of niet willen stemmen zouden van deze politieke activiteiten gebruik

kunnen maken en op deze manieren toch politiek actief zijn.

Hoewel ontevredenheid een belangrijke drijfveer is om politiek in actie te komen (Ouattara en Steenvoorden

2023), spelen ook andere factoren een rol, zoals iemands persoonlijke situatie. Om actief mee te kunnen

doen hebben mensen bijvoorbeeld ook tijd en kennis nodig. Verder zullen mensen vaak pas in actie komen

als er een duidelijk gemeenschappelijk doel of gevoel van onrechtvaardigheid is of de overtuiging dat

verandering mogelijk is (Van Stekelenburg 2017). Daarnaast is ook de context belangrijk: was er een politiek

of maatschappelijk incident, wie doen er nog meer mee en welke aandacht is ervoor in de media

(Van Stekelenburg en Klandermans 2013).

87 Ook andere factoren kunnen daar een rol in spelen. Mensen met een basis- of vmbo-opleiding gaan minder vaak stemmen

als de verkiezingsprocedure minder makkelijk is en als er meer partijen zijn om uit te kiezen (Gallego 2010).

88 Onderzoek waarin jongeren zijn ondervraagd over democratische kernwaarden komt tot dezelfde conclusie (Mulder et al. 2022).

Daaruit blijkt dat vwo’ers het leven in een democratie vaker belangrijk vinden dan leerlingen op het vmbo, zij vaker voornemens

zijn te gaan stemmen en zij meer politieke kennis hebben.

92 P O L I T I E K E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S TDe meeste mensen houden zich, behalve stemmen, overigens liever niet bezig met de politiek. Ze willen

gehoord worden, zich vertegenwoordigd voelen, maar niet zozeer actief meedoen (Van Noije en Den Ridder

2024). Politiek besteden ze het liefst uit aan bekwame politici.

Wie zijn politiek actief?

Het SCP heeft in kaart gebracht op welke manieren mensen politiek actief zijn (Miltenburg et al. 2023).

Naast politieke deelname is daarbij ook naar maatschappelijke betrokkenheid gekeken. Mensen die (helemaal)

niet politiek actief zijn kunnen toch betrokken burgers kunnen zijn, en niet zijn ‘afgehaakt’ zoals wel wordt

gevreesd (zie Staatscommissie Parlementair Stelsel 2018; De Voogd en Cuperus 2021). Een grote groep (41%) is

politiek en maatschappelijk nauwelijks actief, op het stemmen bij verkiezingen na. Verder zijn er twee veel

kleinere politiek actievere groepen. Een van die groepen (5%) is actief in veel conventionele politieke

activiteiten. Deze groep is daarnaast ook vaak actief als vrijwilliger. De andere groep (9%) doet vooral mee

aan onconventionele politieke participatie en participeert maatschappelijk minder.89 De kleinste groep

‘actieve participanten’ is op leeftijd, heeft vaak een hbo- of wo-opleiding en is politiek geïnteresseerd

(Miltenburg et al. 2023).90 Deze groep staat te boek als de ‘participatie-elite’: het deel van het electoraat dat

vaak komt opdagen als er meegedacht of -gepraat mag worden (Tonkens et al. 2015). Degenen in de

andere politiek actieve groep, de ‘actieve onconventionele participanten’, zijn jong. Mensen in de groep

‘weinig actieve participanten’ hebben minder vaak een hbo- of wo-opleiding en zijn minder vaak politiek

geïnteresseerd.

Er bestaan geen verschillen in (on)conventionele politieke participatie tussen mensen met en zonder

een migratieachtergrond (Dagevos en Vermeulen 2024). Wel geldt voor de onconventionele politieke

participatie dat daarin verschillen bestaan tussen mensen met een migratieachtergrond. Mensen met een

Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse achtergrond nemen wat vaker deel aan zowel fysieke als

online (protest)acties (Dagevos en Vermeulen 2024).

6.2 Stand van zaken

Figuur 6.1 brengt de ontwikkelingen in politieke participatie in beeld. Voor de conventionele en

onconven­ tionele politieke activiteiten doen we dat voor de periode 2012-2022.91 Voor de opkomst bij de

Tweede Kamerverkiezingen bekijken we dat over een langere periode, 1971-2023.92 De opkomst bij de

Tweede Kamerverkiezingen leek vanaf midden jaren zeventig een tijd lang te dalen. Daar kwam in 2002

verandering in. Sinds die tijd schommelt de opkomst tussen de 75% en 80%. In die periode zijn er drie

Tweede Kamerverkiezingen geweest. Bij conventionele politieke activiteiten is door de tijd heen nauwelijks

sprake van veranderingen. De deelname aan onconventionele politieke activiteiten was ook lange tijd

constant, maar lijkt sinds 2019 iets gestegen.

89 Voor het overige deel van de Nederlanders geldt dat zij buiten het stemmen om niet heel politiek actief zijn (hoewel zij soms

wel deelnemen aan handtekeningenacties), maar wel aan vrijwilligerswerk doen (37%) of zich inzetten voor hun buren (8%).

90 Volledigheidshalve moet hier gemeld worden dat Miltenburg et al. (2023) een verkenning hebben uitgevoerd waarmee een

eerste inzicht is gegeven in de relatie tussen de verschillende participatiegroepen enerzijds en demografische kenmerken en

factoren van ontevredenheid over politiek en maatschappij anderzijds. Dit betreft vooral beschrijvende analyses zonder

controle voor andere achtergrondkenmerken.

91 Voor de onconventionele politieke activiteiten is in 2022 een trendbreuk in de dataverzameling.

92 Dat is omdat de periode 2012-2022 te weinig waarnemingen heeft om een ontwikkeling mee in kaart te kunnen brengen.

93 P O L I T I E K E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S TFiguur 6.1 Ontwikkeling politieke participatie 2012-2022/1971-2023 (in procenten)a

90

40

35

85

30

80

25

75

20

15

70

65

scp.nl

60

10

5

0

scp.nl

1971 1976 1986 1996 2006 2016 1981 1991 2001 2011 2021 2026

2012 2013 2015 2017 2019 2021 2014 2016 2018 2020 2022

opkomst TK-verkiezingen

onconventionele politieke activiteiten

conventionele politieke activiteiten

a De opkomstpercentages voor de Tweede Kamerverkiezingen in de figuur wijken af van de waarden in tabellen 6.1-6.4.

Die tabellen hebben betrekking op gegevens die zijn verzameld door het CBS en betreffen een deelpopulatie

waarbij respondenten zelf aan hebben gegeven of ze gestemd hebben.

Bron: CBS (StatLine); PDC (2024); SCP-bewerking

We zien een aantal verschillen tussen groepen in de bevolking (tabel 6.1). Ouderen stemmen vaker en

nemen minder vaak deel aan (on)conventionele politieke activiteiten. Bij jongeren is dat precies andersom.

Dat jongeren minder vaak stemmen kan te maken hebben met een gebrek aan kennis en ervaring over de

politiek. Als mensen ouder worden, gaan ze vaak wel stemmen. Het zou ook kunnen zijn dat er sprake is

van een verschil tussen generaties en dat jongere generaties minder vaak stemmen dan oudere generaties

(Van den Broek et al. 2010).

Bij alle drie de vormen van politieke participatie ligt de deelname van mensen met een basis- of vmbo-opleiding

veel lager (ongeveer 10 à 30 procentpunt) dan van mensen met een hbo- of wo-opleiding.

Persson (2014) laat zien dat opleiding een indicatie is voor de sociale omstandigheden en cognitieve

vermogens. Door betere sociale omstandigheden en meer vaardigheden krijgen mensen meer interesse

in politiek en hebben ze ook meer het idee dat ze invloed kunnen uitoefenen via de politiek. Daar komt

nog bij dat mensen met een hbo- of wo-opleiding in een omgeving verkeren waarin het gewoon is

te stemmen.

Dat mensen met een migratieachtergrond veel minder vaak gaan stemmen heeft er mede mee te maken

dat ze niet altijd de Nederlandse nationaliteit hebben en dus niet allemaal stemrecht hebben. Arbeids-

en studiemigranten nemen vaker dan gemiddeld deel aan conventionele politieke activiteiten. Mensen

met een Turkse of Marokkaanse achtergrond nemen minder vaak deel aan zowel conventionele als

onconven­ tionele politieke activiteiten.

94 P O L I T I E K E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S TTabel 6.1 Politieke participatie, naar leeftijd, opleiding en migratieachtergrond, 2022 (in procenten)a

stemmen

TK-verkiezingen

conventionele politieke

activiteitenb

onconventionele

politieke activiteiten

totaal 84 27 34

20-34 jaar 80 29 44

35-64 jaar 84 29 35

65-plus 88 23 23

basis, vmbo 73 17 18

havo, vwo, mbo 84 26 33

hbo, wo 93 35 27

Nederland 88 27 35

West-EU 81 29 33

Oost-EU 52 42 34

arbeids- en studiemigratielanden 64 36 32

asielmigratielanden 59 23 28

Turkije, Marokko 57 24 19

Indonesië, Suriname, Antillen 75 23 31

a geel geeft aan dat het groepsgemiddelde op het 5% significantieniveau ten minste 3 procentpunt lager is dan het

gemiddelde, groen dat het groepsgemiddelde op het 5% significantieniveau ten minste 3 procentpunt hoger is dan

het gemiddelde.

b Op basis van cijfers uit 2021, omdat de vraag in 2022 op een andere manier gesteld is.

Bron: CBS (SSW ’22); SCP-bewerking

6.3 Verandering in politieke participatie in de toekomst

Nu we weten hoe het met de politieke participatie in Nederland gesteld is, bekijken we wat daar in de

toekomst mogelijk in zou kunnen veranderen. We doen dat allereerst aan de hand van de demografische

scenario’s. Daarbij kijken we zowel naar veranderingen in het gemiddelde over de gehele bevolking als

naar de ontwikkelingen in de verschillen tussen groepen in de bevolking. Vervolgens gaan we na hoe de

politieke participatie in de toekomst verandert als we in de simulaties uitgaan van alternatieve veronder-

stellingen over de samenhang tussen politieke participatie en demografische kenmerken. Verder brengen

we de effecten van maatschappelijke ontwikkelingen in beeld. Tot slot maken we met behulp van een

internationale vergelijking een inschatting van het effect van een toename van de bevolkingsomvang op

de politieke participatie.

6.3.1 Verandering in de bevolkingssamenstelling

Tabel 6.2 toont de, met het simulatiemodel berekende, verwachte toe- of afname in procentpunten voor

politieke participatie. In de tabel zijn de resultaten opgenomen van het demografische middenscenario

en de minimale en maximale verandering volgens de verschillende demografische scenario’s. De demo-

grafische scenario’s in tabel 6.2 laten weinig opzienbarende veranderingen in de toekomstige politieke

participatie zien; het zijn vooral kleine veranderingen. In het middenscenario gaat het per indicator om

een verwachte verandering van plus of min één procentpunt. Over een periode van ongeveer 25 jaar is

dit een nauwelijks tastbare verandering. Dat geldt zeker als bedacht wordt dat de bandbreedte in het

verleden groter was.

95 P O L I T I E K E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S TTabel 6.2 Politieke participatie, 2022, demografische scenario’s, 2023-2050, en bandbreedte

verleden, 2012-2019/2022 (in procenten en procentpunten)a,b,c

stemmen

TK-verkiezingen

conventionele politieke

activiteiten

onconventionele

politieke activiteiten

totaal 84 27d 34

middenscenario -1 1 1

minimaal -3 -0 -1

maximaal 1 2 2

bandbreedte 2012-2019 12 3 2

bandbreedte 2012-2022 12 3 5

a In tabel B6.1 in bijlage B6.1 zijn de resultaten van alle demografische scenario’s opgenomen.

b De bandbreedte is het hoogste jaargemiddelde van een indicator min het laagste jaargemiddelde in een bepaalde

periode. Bij bandbreedtes is een onderscheid gemaakt tussen een periode die loopt tot aan de coronapandemie en

een periode waarin ook de meest actuele jaren zijn meegenomen.

c De opkomst bij de Tweede Kamerverkiezingen wijkt hier af van de officiële opkomstpercentages.

d Op basis van cijfers uit 2021 vanwege de trendbreuk tussen 2021 en 2022.

Bron: CBS (SSW ’12-‘22); CBS (2024b); SCP-bewerking

6.3.2 Verandering binnen de bevolkingsgroepen

Blijven de verschillen tussen groepen in de bevolking, waarover we in paragraaf 6.2 rapporteerden,

in de toekomst bestaan, of worden ze groter of kleiner door een veranderende samenstelling van

de bevolking?

De verschillen tussen jongeren en ouderen in politieke deelname blijven bestaan (zie tabel 6.3).

Dat betekent dat ouderen ook in de toekomst vaker dan jongeren zullen stemmen bij de Tweede

Kamerverkiezingen in het demografische middenscenario.

Mensen met een migratieachtergrond lopen, in het demografische middenscenario, hun achterstand qua

stemmen voor een deel in. Dat is het sterkst bij mensen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond.

Bij hen gaat een sterkere dan gemiddelde vergrijzing samen met een meer dan gemiddelde stijging in het

aandeel mensen met een hbo- of wo-opleiding.93 Door de grote initiële verschillen tussen mensen zonder

en met migratieachtergrond qua stemmen blijven in de toekomst in alle gevallen de verschillen tussen

de groepen bestaan. Wat betreft de onconventionele politieke activiteiten worden de verschillen tussen

mensen met een West-Europese, Turkse of Marokkaanse achtergrond aan de ene kant en mensen zonder

migratieachtergrond aan de andere kant in de toekomst iets kleiner. Dat komt doordat het aandeel

mensen met een West-Europese, Turkse of Marokkaanse achtergrond dat aan onconventionele politieke

activiteiten deelneemt harder groeit dan gemiddeld.

In de toekomst worden de verschillen naar type opleiding als het gaat om de gang naar de stembus

groter in het demografische middenscenario. Mensen met een basis- of vmbo-opleiding gaan in de toe-

komst minder vaak naar de stembus. Dat komt doordat deze groep een groot aandeel mensen met een

niet-Nederlandse herkomst kent (figuur B2.6 in bijlage B2.6).

93 De verwachte vergrijzing en de verandering in opleidingstypen verschillen per migratieachtergrond. De meeste vergrijzing is

te vinden onder mensen met een Turkse of Marokkaans of een Surinaamse, Indonesische of Antilliaanse achtergrond, en dat

geldt zowel voor de eerste als tweede generatie. De grootste daling in aandeel mensen met basis- of vmbo-opleiding en

stijging in het aandeel hbo- en wo-opgeleiden zien we onder mensen met een tweede generatie West-Europese herkomst of

eerste generatie met een Turkse of Marokkaanse achtergrond (zie figuur B2.5 in bijlage B2.6).

96 P O L I T I E K E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S TAangezien mensen met een basis- of vmbo-opleiding nu al minder vaak stemmen, betekent dit dat de

verschillen tussen mensen met verschillende opleidingstypen verder zullen toenemen. Dat is een zorgelijke

ontwikkeling.

Tabel 6.3 Politieke participatie, 2022, ontwikkeling binnen groepen gedefinieerd naar leeftijd,

opleiding, en migratieachtergrond, middenscenario, 2023-2050 (in procentpunten)a

stemmen

TK-verkiezingen

conventionele

politieke activiteiten

onconventionele

politieke activiteiten

Nederlands gemiddelde -1 1 1

20-34 jaar -3 0 0

35-64 jaar -3 2 2

65-plus 0 2 2

basis, vmbo -10 0 -2

havo, vwo, mbo -1 -1 -2

hbo, wo -2 -1 -3

Nederland 3 1 2

West-EU -2 3 5

Oost-EU 7 0 1

arbeids- en studiemigratielanden 6 1 2

asielmigratielanden 6 1 3

Turkije, Marokko 8 3 5

Indonesië, Suriname, Antillen 4 0 -1

a Rood geeft aan dat het groepsgemiddelde significant minder hard groeit (verschil van 3 procentpunt of meer) dan

het populatiegemiddelde, blauw dat het groepsgemiddelde significant harder groeit dan populatiegemiddelde (met

3 procentpunt of meer).

Bron: CBS (SSW ’12-‘22); CBS (2024b); SCP-bewerking

6.3.3 Verandering in denken en doen

Aan de hand van ‘wat als’-scenario’s bekijken we hoe andere omstandigheden in de toekomst het denken

en doen van mensen kunnen beïnvloeden en daarmee een stempel kunnen drukken op de politieke

participatie. We maken alternatieve veronderstellingen over de samenhang van opleiding, migratie-

achtergrond en leeftijd enerzijds en politieke participatie anderzijds.94 Voor acht mogelijke toekomstige

situaties zetten we in deze studie de effecten op een rij (zie tabel 6.4). Hoe we onze analyses uitvoeren,

is na te lezen in paragraaf 2.4.3.2.

In een van de ‘wat als’-scenario’s gaan we ervan uit dat de tijd waarin mensen opgroeien bepaalt wat zij

(later) in hun leven denken en doen. Verder veronderstellen we dat die omstandigheden voor de huidige

jongeren anders zijn dan voor de generaties die hen voorgingen. Dit scenario, met de naam ‘verschil tussen

generaties’, geeft geen eenduidig beeld van de toekomstige ontwikkeling in politieke participatie. Zo zien

we enerzijds een sterke afname van het stemmen voor de Tweede Kamerverkiezingen (-7 procentpunt)

en anderzijds een toename van politieke (on)conventionele activiteiten (3 procentpunt). De afname van

het stemmen heeft te maken met de huidige lagere stembusopkomst onder jongeren.

94 De simulaties gaan uit van de middenvariant van het CBS (2024b).

97 P O L I T I E K E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S TAls hun stembus­ opkomst gedurende hun levensloop niet verandert dan zullen in 2050 generaties met

een hoge stembus­ opkomst (de ouderen van nu) opgevolgd zijn door generaties met een lage stembus-

opkomst. De ontwikke­ ling van de conventionele en onconventionele politieke activiteiten is het spie-

gelbeeld van het stemmen. Volgens het ‘verschil tussen generaties’-scenario zal in de toekomst minder

gebruik gemaakt worden van stemmen om politici kenbaar te maken wat de wensen zijn en zal dit vaker

gebeuren via (on)conventionele politieke activiteiten.

De veronderstelling die we in het ‘wat als’-scenario ‘kinderen van de tweede generatie’ maken is dat de

kinderen van de tweede generatie in houding en gedrag wat betreft politieke participatie op hun ouders

lijken. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als niet alleen de tweede generatie migranten maar

ook hun kinderen discriminatie ervaren, waardoor zij hun kansen in de samenleving somber inschatten.

De uitkom­ sten van dit scenario zijn vergelijkbaar met de uitkomsten van het middenscenario. Een toenemend

aandeel migranten in de samenleving zou ertoe kunnen leiden dat het deel van de bevolking zonder

migratieachtergrond dat migranten als concurrenten ziet toeneemt. Deze situatie hebben we het ‘culturele

competitie’-scenario genoemd. Daarin neemt de politieke participatie in alle drie de vormen licht af. In de

twee voorgaande scenario’s zijn we ervan uitgegaan dat de verschillen tussen mensen met en zonder

migratieachtergrond in de toekomst groter worden. Het tegenovergestelde zou ook kunnen gebeuren:

mensen met en zonder migratieachtergrond gaan meer op elkaar lijken. Dat zou kunnen komen doordat

ze meer met elkaar in contact komen. In dit scenario is uitgegaan van een smeltkroes waarin het gedrag

van mensen met en zonder migratieachtergrond convergeert naar een gemiddelde. Als het ‘culturele

convergentie’-scenario zich voordoet, blijft het stemmen voor de Tweede Kamerverkiezingen iets achter

bij het middenscenario.

Een toenemend aandeel hbo- en wo-opgeleiden in de toekomst zou als mogelijk gevolg kunnen hebben

dat een groter deel van de bevolking dan nu een bevoorrechte positie in de samenleving heeft. In zo’n

doorontwikkelde kenniseconomie waarin hoge eisen aan mensen worden gesteld kan het voor meer

mensen zonder hbo- of wo-opleiding moeilijk worden aan de hoge eisen te voldoen. Daardoor zouden

de verschillen tussen mensen naar type opleiding toe kunnen nemen. In dit scenario, met de naam

‘toenemend verschil tussen opleidingen’, daalt de politieke participatie in de drie onderscheiden vormen

(met respectieve­ lijk -6, -1 en -4 procentpunt). Een ander effect van het toenemend aandeel hbo- en

wo-opgeleiden in de toekomst kan zijn dat hbo- en wo-opleidingen minder waard worden, omdat er

meer hbo- en wo-opgeleiden zijn dan waar vraag naar is. Ook dit ‘diploma-inflatie’-scenario leidt tot

een sterke daling in de politieke participatie in alle drie de onderscheiden vormen (met resp. -5, -3 en

-6 procentpunt). Weer een ander gevolg van een toenemend aandeel hbo- en wo-opgeleiden zou kunnen

zijn dat er meer waardering komt voor degenen met een ander type opleiding en daarmee voor de

praktische beroepen. In dit ‘meer waardering’-scenario neemt de politieke participatie licht toe. Tot slot

zouden mensen met verschillende typen opleidingen in de toekomst naar elkaar toe kunnen groeien, bij-

voorbeeld omdat ze meer met elkaar in contact komen en er naar gelijkvormigheid wordt gestreefd. In dit

gelijk­ vormigheidsscenario zou met name stemmen voor de Tweede Kamerverkiezingen en onconventionele

politieke activiteiten meer afnemen dan in het middenscenario. De scenario’s met aangepaste

veronderstellingen over het opleidingstype tonen vooral de grote invloed van opleiding op de politieke

participatie.

98 P O L I T I E K E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S TTabel 6.4 Politieke participatie, 2022, en ontwikkeling ‘wat als’-scenario’s, 2023-2050 (in procenten

en procentpunten)

stemmen

TK-verkiezingen

conventionele

politieke activiteiten

onconventionele

politieke activiteiten

totaal 84 27a 34

middenscenario -1 1 1

verschil tussen generaties -7 3 3

kinderen van de tweede generatie -1 1 1

culturele competitie -3 -0 -2

culturele convergentie -3 2 1

toenemend verschil tussen opleidingen -6 -1 -4

diploma-inflatie -5 -3 -6

meer waardering 1 2 3

gelijkvormigheid -5 -1 -3

a Op basis van cijfers uit 2021 vanwege de trendbreuk tussen 2021 en 2022.

Bron: CBS (SSW ’12-‘22); CBS (2024b); SCP-bewerking

6.3.4 Verandering in de maatschappij

Ontwikkelingen in de maatschappij drukken hun stempel op de politieke participatie. Zo kan onvrede

over een bepaalde situatie ten grondslag liggen aan conventionele en onconventionele politieke activiteiten.

De stembusopkomst kan mede beïnvloed worden door het belang dat kiezers hechten aan de verkiezingen,

bijvoorbeeld als uit de peilingen blijkt dat om een nek-aan-nekrace gaat tussen verschillende partijen,

of als er een breed gedragen wens tot politieke verandering is. De invloed van specifieke maatschappelijke

ontwikkelingen op de indicatoren van politieke participatie kunnen we niet onderscheiden. Daar hebben

we geen gegevens over. Wel kunnen we een indicatie geven van de invloed van het samenspel van de

verschillende maatschappelijke ontwikkelingen op de politieke participatie in 2050. We doen dat door

naar de recente ontwikkelingen te kijken. De invloed van de toekomstige maatschappelijke ontwikkelingen

op het stemmen voor de Tweede Kamerverkiezingen kunnen we niet in kaart brengen. Daarvoor hebben

we onvoldoende gegevens tot onze beschikking. Tussen 2012 en 2022 kon er drie keer gestemd worden

voor de Tweede Kamerverkiezingen. Dat is te weinig om de toekomstige ontwikkeling op te baseren.

Voor de (on)conventionele politieke activiteiten is in de periode 2012-2022 wel een onder- en bovengrens

aan te geven waartussen ze zich hebben bewogen. Als we deze bandbreedte als leidraad nemen, zullen

de maatschappelijke ontwikkelingen in de toekomst geen grote gevolgen hebben voor de (on)conventionele

politieke activiteiten. De kanttekening die we hierbij wel moeten maken, is dat we veronderstellen

dat het effect van de maatschappelijke ontwikkelingen in de toekomst zich begeeft binnen de

bandbreedte uit het verleden. Dat hoeft niet zo te zijn. In de toekomst kunnen zich ook ontwikkelingen

voordoen die mogelijk een nog groter effect hebben dan wat zich in het verleden heeft voorgedaan.95

Het onderling verschil tussen de minimum- en maximumscenario’s (tabel 6.5) is met een bandbreedte van

4procentpunt niet veel meer dan de onderlinge verschillen tussen de demografische scenario’s (tabel 6.2).

Op basis van de simulaties is de verwachting dat maatschappelijke ontwikkelingen in de toekomst weinig

verandering zullen brengen in de (on)conventionele politieke activiteiten. De invloed van maatschappelijke

ontwikkelingen lijkt minimaal en meer incidenteel dan trendmatig.96

95 Het opkomstpercentage van de Tweede Kamerverkiezingen van langer geleden illustreert dit. Op basis van opkomstpercentages

van de verkiezingen van 1971 tot en met 1994 was de lage opkomst in 1998 niet verwacht.

96 Met een statistische toets hebben we bekeken of de ontwikkelingen trendmatig dan wel schoksgewijs waren. Deze toets

bevestigt dat bij (on)conventionele politieke activiteiten schoksgewijze processen de overhand hebben (zie tabel B2.10

in bijlage B2.7).

99 P O L I T I E K E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S TTabel 6.5 Politieke participatie, 2022, en alternatieve scenario’s met betrekking tot maatschappelijke

ontwikkelingen, verschillen, 2023-2050 (in procenten en procentpunten)

conventionele politieke activiteiten onconventionele politieke activiteiten

totaal 27a 34

middenscenario 1 1

minimum 0 -1

maximum 4 3

bandbreedte 4 4

trend/schok schok schok

a Op basis van cijfers uit 2021 vanwege de trendbreuk tussen 2021 en 2022.

Bron: CBS (SSW ’12-’22); CBS (2024b); SCP-bewerking

6.3.5 Verandering in bevolkingsomvang

De invloed van een verandering in de bevolkingsomvang op de politieke participatie kunnen we niet met

het analysemodel in beeld brengen. Met een landenvergelijking is dat wel mogelijk. Daaruit volgt dat bij

een hogere bevolkingsdichtheid de politieke participatie hoger is; dat geldt met name voor de onconven-

tionele politieke activiteiten (zie tabel 6.6). Internationaal gezien neemt Nederland qua politieke participatie

soms een positie in aan de top, soms bovenaan of soms onder in de middenmoot van de ranglijst.

In deze cijfers zien we een samenhang met institutioneel vertrouwen (hoofdstuk 5): een laag institutioneel

vertrouwen in een land gaat gepaard met een hogere deelname aan demonstraties. Bij meer institutioneel

vertrouwen is er meer politieke participatie waarbij invloed wordt aangewend, zoals stemmen, contact

met politici of ambtenaren, of het ondertekenen van een petitie. Kort gezegd: onvrede over instituties

is een voedingsbodem voor demonstraties, terwijl vertrouwen juist gepaard gaat met conventionelere

vormen van politieke participatie.

Tabel 6.6 Samenhang indicatoren politieke participatie en bevolkingsdichtheid en Nederland

vergeleken met andere landen, 2020a

indicator correlatie met

bevolkingsdichtheid

positie Nederland

t.o.v. 31 landen

heeft bij de laatste nationale verkiezingen gestemd 0,1 6

contact gehad met politicus of ambtenaar 0,0 15

gedoneerd aan of deelgenomen aan politieke partij of actiegroep 0,1 8

ondertekende petitie 0,1 9

deelgenomen aan openbare demonstratie 0,3 22

heeft iets over politiek online geplaatst of gedeeld 0,2 14

a De indicatoren in de tabel zijn gebaseerd op de volgende vragen in de ESS: ‘Did you vote in the last national election?,

referring to the last election of a country’s primary legislative assembly’; ‘Have you done one of the following in the past 12 months’:

contacted a politician, government or local government official; donated to or participated in a political party or pressure group;

signed a petition; taken part in a public demonstration; posted or shared anything about politics online, for example on blogs, via

email or on social media such as Facebook or Twitter.

Bron: ESS10 (’20); IndexMundi (2024); SCP-bewerking

100 P O L I T I E K E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S T6.4 Samenvatting

Politieke participatie kent uiteenlopende verschijningsvormen. Mensen kunnen gaan stemmen, maar

ze kunnen politici ook op andere wijze kenbaar maken wat hun wensen zijn. Dat kan bijvoorbeeld door

contact op te nemen met een politicus of ambtenaar of door media als de radio, tv of krant in te schakelen.

Dit worden ook wel conventionele politieke activiteiten genoemd. Er bestaan ook onconventionele

politieke activiteiten, zoals het meedoen aan een actiegroep of demonstratie. Een hoge opkomst bij

verkiezingen kan een teken zijn van maatschappelijke betrokkenheid. Als mensen ontevreden zijn met

het door politici gevoerde beleid hebben ze er belang bij om te gaan stemmen. Ze kunnen daar op die

manier verandering in proberen aan te brengen. Maar ontevredenheid met het gevoerde beleid kan er

ook toe leiden dat mensen niet (meer) gaan stemmen, bijvoorbeeld omdat ze politici niet vertrouwen.

De relatie tussen een hoge opkomst en sociale cohesie is daarmee gecompliceerder dan op het eerste

gezicht lijkt en niet zo eenduidig.

In vergelijking met andere landen is in Nederland de politieke participatie gemiddeld. Er zijn landen met

een hogere opkomst bij verkiezingen, maar ook landen waar minder mensen de gang naar de stembus

maken. Datzelfde geldt voor de andere politieke activiteiten. In Nederland is deelname aan (on)conven-

tionele politieke activiteiten overwegend stabiel over de tijd, hoewel de deelname aan onconventionele

activiteiten recentelijk iets steeg. De opkomst bij het stemmen schommelt het laatste decennium tussen

de 75% en 80%.

Binnen dit algemene beeld bestaan substantiële verschillen tussen groepen. Ouderen zijn vaker geneigd

te stemmen en nemen minder vaak deel aan (on)conventionele politieke activiteiten. Mensen met een

migratieachtergrond stemmen beduidend minder vaak dan mensen zonder migratieachtergrond. Dat komt

onder meer doordat zij niet allemaal de Nederlandse nationaliteit hebben en dus niet mogen stemmen,

maar ook door verschillen in politieke cultuur (Voicu en Comşa 2014). Mensen met een Turkse of Marokkaanse

achtergrond zijn daarnaast beduidend minder vaak politiek actief via (on)conventionele activiteiten dan

mensen zonder migratieachtergrond; zij benaderen dus minder vaak een politici of de media en nemen

minder vaak deel aan demonstraties of actiegroepen. Aan alle vormen van politieke partici­ patie nemen

mensen met een basis- of vmbo-opleiding minder vaak deel (ongeveer 10 à 30 procent­ punt) dan mensen

met een hbo- of wo-opleiding. Zo’n ongelijke verdeling tussen participanten en non-partici­ panten kan

betekenen dat de laatsten zich minder goed vertegenwoordigd voelen. Het beleid richt zich vooral op

de onderwerpen die de participanten, met name degenen met een hbo- of wo-opleiding en/of zonder

migratieachtergrond, belangrijk vinden.

Toekomstige veranderingen in de demografische samenstelling leiden in de demografische scenario’s

tot slechts kleine veranderingen in politieke participatie. In de verschillen qua politieke participatie tussen

groepen in de bevolking treden in de toekomst volgens de demografische scenario’s wel veranderingen

op. De verschillen naar type opleiding nemen toe. Het aandeel mensen met een basis- of vmbo-opleiding

dat stemt daalt sterker dan gemiddeld door de veranderende samenstelling van die groep (meer dan

gemiddeld mensen met een migratieachtergrond). Bijna alle migrantengroepen, met uitzondering

van degenen met een West-EU achtergrond, maken een inhaalslag bij het stemmen voor de Tweede

Kamerverkiezingen. Dat komt doordat mensen met een migratieachtergrond in de toekomst vaker een

hbo- of wo-opleiding hebben gevolgd. Ondanks deze inhaalslag blijft er een verschil tussen mensen met

en zonder migratieachtergrond bestaan.

Ook de ‘wat als’-scenario’s laten zien dat de politieke participatie in de toekomst verandert. De scenario’s

‘verschil tussen generaties’, ‘toenemend verschil tussen opleidingen’ en ‘diploma-inflatie’ springen eruit.

Als mensen in de toekomst hetzelfde politieke gedrag vertonen als hun jongere ik (het ‘verschil tussen

generaties’-scenario), zal er minder vaak gestemd worden voor de Tweede Kamerverkiezingen en zullen

politici iets vaker op conventionele en onconventionele wijze vernemen wat de wensen zijn. Als steeds

meer mensen in de samenleving een hbo- of wo-opleiding hebben, kan het voor meer mensen zonder

hbo- of wo-opleiding moeilijker worden aan de hoge eisen in zo’n kenniseconomie te voldoen. Daardoor

zouden de verschillen tussen mensen naar type opleiding toe kunnen nemen (het ‘toenemend verschil

tussen opleidingen’-scenario). Ook zou het zo kunnen zijn dat als het aandeel hbo- en wo-geschoolden in

101 P O L I T I E K E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S Tde toekomst toeneemt er meer mensen met zo’n opleiding zijn dan waaraan de arbeidsmarkt behoefte

heeft, met als mogelijk dat zo’n diploma minder waard wordt (het ‘diploma-inflatie’-scenario). In deze

beide scenario’s nemen alle drie onderzochte vormen van politieke participatie af.

Op basis van gegevens over het afgelopen decennium verwachten we dat de invloed van maatschappelijke

ontwikkelingen op politieke participatie in de toekomst waarschijnlijk niet groot zal zijn.

102 P O L I T I E K E P A R T I C I P AT I E nu e n i n D E T O E K O M S TLiteratuur

Abascal, Maria en Delia Baldassarri (2015). Love Thy Neighbor? Ethnoracial Diversity and Trust reexamined.

In: American Journal of Sociology, jg. 121, nr. 3, p. 722-782.

Adami, Rebecca en Katy Dineen (2021). Discourses of Childism: How covid-19 Has Unveiled Prejudice,

Discrimination and Social Injustice against Children in the Everyday. In: The International Journal of

Children’s Rights, jg. 29, nr. 2, p. 353-370.

Adviesraad Migratie (2023). Arbeidsmigratie: oplossing voor economie en demografie? Den Haag: Adviesraad

Migratie.

Adviesraad Migratie (2024). Afgewogen arbeidsmigratie. Gericht arbeidsmigratiebeleid voor brede welvaart.

Den Haag: Adviesraad Migratie.

Alesina, Alberto en Eliana La Ferrara (2002). Who trusts others? In: Journal of Public Economics, jg. 85, nr. 2,

p. 207-234.

Almond, Gabriel en Sidney Verba (1963). The civic culture: Political attitudes and democracy in five nations.

Princeton: Princeton University Press.

Amit, Karin en Shirly Bar-Lev (2015). Immigrants’ sense of belonging to the host country: The role of life

satisfaction, language proficiency, and religious motives. In: Social Indicators Research, jg. 124, nr. 3,

p. 947-961.

Andriessen, Iris, Justin Hoegen Dijkhof, Ab van der Torre, Esther van den Berg, Ine Pulles, Jurjen Iedema

en Marian de Voogd-Hamelink (2020). Ervaren discriminatie in Nederland II. Den Haag: Sociaal en

Cultureel Planbureau.

Arends, Judit (2020). Vrijwilligerswerk 2019. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd

24 januari, 2023 via http://www.cbs.nl/nl-nl/longread/aanvullende-statistische-diensten/2020/

vrijwilligerswerk-2019.

Arends, Judit (2021). Vrijwilligerswerk 2020. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd

25 januari, 2023 via http://www.cbs.nl/nl-nl/longread/rapportages/2021/vrijwilligerswerk-2020.

Arends, Judit en Maartje Tummers (2022). Vrijwilligerswerk 2021. Den Haag: Centraal Bureau voor de

Statistiek. Geraadpleegd 18 januari 2023 via http://www.cbs.nl/nl-nl/longread/rapportages/2022/

vrijwilligerswerk-2021.

Armingeon, Klaus en Besir Ceka (2014). The loss of trust in the European Union during the great recession

since 2007: The role of heuristics from the national political system. In: European Union Politics, jg. 15,

nr. 1, p. 82-107.

Avery, Eileen, Joan Hermsen en Danielle Kuhl (2021). Toward a Better Understanding of Perceptions of

Neighborhood Social Cohesion in Rural and Urban Places. In: Social Indicators Research, jg. 157, nr. 2,

p. 523-541.

Avest, Ina ter, Ton van Prooijen, Jan van der Stoep, Regien Smit en Irena Rosenthal (2009). Samen leven,

samen botsen. Den Bosch: Uitgeverij Gopher.

Bakker, Erik de, Lex Thijssen en Wil Portegijs (2023a). Samenleving in beweging. Diversiteit en sociale cohesie

nader beschouwd. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Bakker, Erik de, Marcel Coenders en Jaco Dagevos (2023b). Asiel en migratie. In: Willem Huijnk,

Debbie Verbeek-Oudijk en Roel Willems (red.), Kwesties voor het kiezen. Maatschappelijke thema’s voor de

Tweede Kamerverkiezingen 2023 (p. 31-38). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Bakker, Erik de, Lonneke van Kampen en Rudy van Belkom (nog te verschijnen). Digitaal vervlochten, maar ook

verbonden? De toekomst van sociale cohesie in het licht van digitalisering, ongelijkheden en individualisering (werktitel).

Den Haag: Sociaal en Cultrueel Planbureau.

Bauman, Zygmunt (1994). Alone again: Ethics after certainty. Londen: Demos.

Bekkers, René (2004). Giving and volunteering in the Netherlands: Sociological and psychological perspectives.

Utrecht: Universiteit Utrecht.

Berg, Esther van den (2010). Kunstbeoefening in informele verbanden. In: A. van den Broek (red.),

Mogelijkheden tot kunstbeofening in de vrije tijd (p. 209-239). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

103 L I T E R AT U U RBerg, Esther van den, Paul Dekker en Joep de Hart (2008). Verenigingsleven en maatschappelijk middenveld.

In: Paul Schnabel, Rob Bijl en Joep de Hart (red.), Betrekkelijke betrokkenheid. Studies in sociale cohesie.

Sociaal en Cultureel Rapport 2008 (p. 65-90). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Berg, Esther van den, Pepijn van Houwelingen en Joep de Hart (2011). Informele groepen. Verkenningen van

eigentijdse bronnen van sociale cohesie. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Beugelsdijk, Sjoerd, Joep de Hart, Pepijn van Houwelingen en Maroesjka Versantvoort (red.) (2019).

Denkend aan Nederland. Sociaal en Cultureel Rapport 2019. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Boderé, Anneleen, Steffi Sassenus en Peter van Petegem (2018). Het onderwijs in de 21ste eeuw.

Maatschappelijke veranderingen en hun impact op het onderwijs van vandaag en morgen. Gent: Steunpunt

Onderwijsonderzoek.

Boer, Alice de, Mirjam de Klerk, Debbie Verbeek-Oudijk en Inger Plaisier (2020). Blijvende bron van zorg.

Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Bovens, Mark en Anchrit Wille (2008a). Politiek vertrouwen langs de meetlat. In: Socialisme en Democratie,

jg. 65, nr. 10, p. 32-43.

Bovens, Mark en Anchrit Wille (2008b). Deciphering the Dutch drop: ten explanations for decreasing

political trust in The Netherlands. In: International Review of Administrative Sciences, jg. 74, nr. 2,

p. 283-305.

Bovens, Mark en Anchrit Wille (2017). Diploma Democracy: The Rise of Political Meritocracy. Oxford: Oxford

University Press.

Bovens, Mark, Paul Dekker en Will Tiemeijer (2014). Gescheiden werelden? Een verkenning van sociaal-culturele

tegenstellingen in Nederland. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau/Wetenschappelijke Raad voor

het Regeringsbeleid.

Brandt, Mark en PJ Henry (2012). Psychological defensiveness as a mechanism explaining the relationship

between low socioeconomic status and religiosity. In: International Journal for the Psychology of Religion,

jg. 22, nr. 4, p. 321-332.

Broek, Andries van den, Ria Bronneman en Vic Veldheer (red.) (2010). Wisseling van de wacht: generaties in

Nederland. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Bucx, Freek, Christine Carabain en Joep Schaper (2020). Sociale cohesie (interne publicatie). Den Haag:

Sociaal en Cultureel Planbureau.

Campen, Crétien van, Jurjen Iedema en Jos de Haan (2024). Investeren in vitale ouderen. Een verklaringsmodel

van veranderingen in hulpbronnen en participatie op welbevinden in de vergrijzende samenleving. Den Haag:

Sociaal en Cultureel Planbureau.

Cancela, João en Benny Geys (2016). Explaining voter turnout: A meta-analysis of national and subnational

elections. In: Electoral Studies, jg. 2016, nr. 42, p. 264-275.

CBS (2024a). Verdeling: Samenvatting. In: Monitor Brede Welvaart & de Sustainable Devolopment Goals.

Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd 21 mei 2024 via http://www.cbs.nl/nl-nl/

visualisaties/monitor-brede-welvaart-en-de-sustainable-development-goals/verdeling/

verdeling-samenvatting.

CBS (2024b). Bevolking van 20 jaar en ouder naar geslacht, leeftijdsgroep, herkomst en opleidingsniveau. Maatwerktabellen

Verkenning Bevolking 2050 – editie 2024 (niet gepubliceerd). Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2024c). Hoeveel immigranten komen naar Nederland? Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Geraadpleegd 30 juli 2024 via http://www.cbs.nl/nl-nl/dossier/dossier-asiel-migratie-en-integratie/

hoeveel-immigranten-komen-naar-nederland.

CBS (2024d). Mensen met Nederlandse herkomst hebben meest gesegregeerde netwerk. Den Haag: Centraal

Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd 12 maart 2024 via http://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2024/08/

mensen-met-nederlandse-herkomst-hebben-meest-gesegregeerde-netwerk.

Chan, Joseph, Ho-Pong To en Elaine Chan (2006). Reconsidering Social Cohesion: Developing a Definition

and Analytical Framework for Empirical Research. In: Social Indicators Research, jg. 75, nr. 2, p. 273-302.

Charron, Nicholas en Bo Rothstein (2016). Does education lead to higher generalized trust? The importance

of quality of government. In: International Journal of Educational Development, jg. 2016, nr. 50, p. 59-73.

Claassen, Adrie en Nardy Welling (2006). Verkenning van een nieuwe definitie van vrijwilligerswerk/vrijwillige inzet.

Nijmegen: ITS/Radboud Universiteit Nijmegen.

Coenders, Marcel en Jaco Dagevos (2024). Asiel en migratie. In: Lotte Vermeij, Yvonne de Kluizenaar,

Mark Reijnders en Marcel Coenders (red.), Koersen op kwaliteit van de samenleving. Sociale en Culturele

Ontwikkelingen 2024 (p. 104-120). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

104 L I T E R AT U U RCoenders, Marcel, Marcel Lubbers, Peer Scheepers en Maykel Verkuyten (2008). More than Two Decades

of Changing Ethnic Attitudes in the Netherlands. In: Journal of Social Issues, jg. 64, nr. 2, p. 269-285.

CvdRM (2023). Hoe gender(on)gelijk is Nederland? Stereotypen en rolpatronen. Utrecht: College voor de Rechten

van de Mens Geraadpleegd 28 juni 2024 via http://www.mensenrechten.nl/actueel/nieuws/2023/03/8/

hoe-genderongelijk-is-nederland-stereotypen-en-rolpatronen.

Collins, Randall (1979). The Credential Society: An Historical Sociology of Education and Stratification. New York:

Academic Press.

Crul, Maurice en Frans Lelie (2023). De nieuwe minderheid: over mensen zonder migratieachtergrond in de

superdiverse stad. Amsterdam: VU University Press.

Dagevos, Jaco en Floris Vermeulen (2024). Is de politiek er voor iedereen? Een onderzoek naar ervaren representatie,

institutioneel vertrouwen en politiek participatie bij personen met een migratieachtergrond. Den Haag: Sociaal en

Cultureel Planbureau.

Dagevos, Jaco, Marian de Voogd-Hamelink en Roxy Damen (2022). Gevestigd maar niet thuis. Eerste

bevindingen uit de Survey integratie migranten (SIM2020). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Dagevos, Jaco, Jurjen Iedema en Niels Spierings (2024). Ervaren representatie, institutioneel vertrouwen

en politieke participatie: bevindingen van kwantitatief onderzoek. In: Jaco Dagevos en Floris

Vermeulen (red.), Is de politiek er voor iedereen? Een onderzoek naar ervaren representatie, institutioneel

vertrouwen en politieke participatie bij personen met een migratieachtergrond (p. 13-44). Den Haag: Sociaal en

Cultureel Planbureau.

Dagevos, Jaco en Mérove Gijsberts (2007). Jaarrapport Integratie 2007. Den Haag: Sociaal en

Cultureel Planbureau.

Dalen, Harry van (2018). Vergrijzing vakbonden. In: DEMOS: bulletin over bevolking en samenleving, jg. 34, nr. 8,

p. 8.

Damen, Roxy, Jaco Dagevos en Willem Huijnk (2024). Feeling at Home? A Dynamic Analysis of the Impact

of Discrimination, Refugee-Specific, and Participation Characteristics on Recently Arrived Refugees’

Belonging. In: Journal of International Migration and Integration (doi.org/10.1007/s12134-024-01135-y).

Dawson, Chris (2019). How Persistent Is Generalised Trust? In: Sociology, jg. 53, nr. 3, p. 590-599.

Dekker, Paul (1999). Vrijwilligerswerk vergeleken. Rijswijk: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Dekker, Paul (2005). De deelname aan vrijwilligerswerk in Nederland, wat meten we ervan? In: Vrijwillige

Inzet Onderzocht, jg. 2, nr. 2, p. 7-16.

Dekker, Paul (2006). Individuele achtergronden van ontbrekend vertrouwen in de regering. In: Arno Korsten

en Peter de Goede (red.), Bouwen aan vertrouwen in het openbaar bestuur. Diagnoses en remedies (p. 45-59).

Den Haag: Elsevier Overheid.

Dekker, Paul en Joep de Hart (2009). Vrijwilligerswerk in meervoud. Civil society en vrijwilligerswerk 5. Den Haag:

Sociaal en Cultureel Planbureau.

Dekker, Paul en Josje den Ridder (2018). Afkeer en afzijdigheid. In: Tom van der Meer, Henk van der Kolk

en Roderik Rekker (red.), Aanhoudend wisselvallig. Nationaal Kiezersonderzoek 2017 (p. 40-47). Leiden:

Stichting KiezersOnderzoek Nederland.

Dekker, Paul en Josje den Ridder (2019). Burgerperspectieven 2019|1. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Dekker, Paul en Josje den Ridder (2020). Burgerperspectieven 2020|1. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Dekker, Paul en Josje den Ridder (2022). Afkeer van de Haagse politiek. In: Take Sipma, Marcel Lubbers,

Tom van der Meer, Niels Spierings en Kristof Jacobs (red.), Versplinterde vertegenwoordiging. Nationaal

Kiezersonderzoek 2021 (p. 28-36). Leiden: Stichting KiezersOnderzoek Nederland.

Dekker, Paul en Josje den Ridder (2023). Lokale betrokkenheid en participatie(bereidheid). In: Hans Vollaard

en Jansen Giedo (red.), Democratie in de gemeente. Lokaal Kiezersonderzoek 2022 (p. 31-45). Utrecht/

Amsterdam: Universiteit Utrecht/Universiteit van Amsterdam.

Dekker, Paul, Joep de Hart en Laila Faulk (2007). Toekomstverkenning vrijwillige inzet 2015. Den Haag: Sociaal

en Cultureel Planbureau.

Dekker, Paul, Pepijn van Houwelingen en Tom van der Meer (2015). Burgerperspectieven 2015|3. Den Haag:

Sociaal en Cultureel Planbureau.

Dekker, Paul, Josje den Ridder, Pepijn van Houwelingen en Emily Miltenburg (2020). Burgerperspectieven

2020|2. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Delhey, Jan en Kenneth Newton (2003). Who trusts? The origins of social trust in seven societies.

In: European Societies, jg. 5, nr. 2, p. 93-137.

105 L I T E R AT U U RDickes, Paul, Marie Valentova en Monique Borsenberger (2010). Construct validation and application of a

common measure of social cohesion in 33 European countries. In: Social Indicators Research, jg. 98, nr. 3,

p. 451-473.

Dinesen, Peter Thisted (2013). Where you come from or where you live? Examining the cultural and

institutional explanation of generalized trust using migration as a natural experiment. In: European

Sociological Review, jg. 29, nr. 1, p. 114-128.

Dool, Remko van den (2023). Lidmaatschap sportclubs en sportdeelname 2022 (factsheet). Utrecht: Mulier

Instituut. Geraadpleegd 11 december 2023 via http://www.mulierinstituut.nl/publicaties/27765/

lidmaatschap-sportclubs-en-sportdeelname-2022.

Doorne-Huiskes, Anneke, Renée van Römkens, Joop Schippers en Antia Wiersma (2017). Van privé-probleem

tot overheidszorg. Emancipatiebeleid in Nederland. Zoetermeer: Lecturium Uitgeverij.

Duyvendak, Jan Willem en Menno Hurenkamp (2004). Kiezen voor de kudde. Lichte gemeenschappen en de

meerderheid. Amsterdam: Van Gennep.

Eliasoph, Nina (2013). The Politics of Volunteering. Cambridge: Polity Press.

Elsinga, Einte (1984). De politieke representativiteit van politieke participatie. In: Beleid en Maatschappij,

jg. 11, nr. 6, p. 173-182.

Engbersen, Godfried, Marianne van Bochove, Jan de Boom, Btissame el Farisi, André Krouwel, Jeroen van

Lindert, Katja Rusinovic, Erik Snel, Laura van Heck en Hasse van der Veen (2021). De laag-vertrouwensamen­

leving: de maatschappelijke impact van COVID-19 in Amsterdam, Den Haag, Rotterdam & Nederland.

Rotterdam: Erasmus University Rotterdam.

Enjolras, Bernard (2021). Explaining the Varieties of Volunteering in Europe: A Capability Approach. In:

VOLUNTAS: International Journal of Voluntary and Nonprofit Organizations, jg. 32, nr. 6, p. 1187-1212.

Eurostat (2022). 41% of young adults hold a tertiary degree. Geraadpleegd 27 juni 2024 via ec.europa.eu/

eurostat/en/web/products-eurostat-news/-/ddn-20220524-2.

Feijten, Peteke, Coen van Duin en Lenny Stoeldraijer (2024). Verkenning Bevolking 2050 – editie 2024. Zeven

varianten van de demografische samenstelling van Nederland in 2050. Den Haag: Centraal Bureau voor de

Statistiek. Geraadpleegd 2 juli 2024 via http://www.cbs.nl/nl-nl/longread/aanvullende-statistische-dien-

sten/2024/verkenning-bevolking-2050-editie-2024.

Föllmer, Moritz (2020). The sociology of individuality and the history of urban society. In: Urban History,

jg. 47, nr. 2, p. 311-326.

Fonseca, Xavier, Stephan Lukosch en Frances Brazier (2019). Social cohesion revisited: a new definition

and how to characterize it. In: Innovation: The European Journal of Social Science Research, jg. 32, nr. 2,

p. 231-253.

Foster, Chase en Jeffry Frieden (2017). Crisis of trust: Socio-economic determinants of Europeans’

confidence in government. In: European Union Politics, jg. 18, nr. 4, p. 511-535.

Frank, Richard en Ferran Martínez i Coma (2023). Correlates of Voter Turnout. In: Political Behavior, jg. 45,

nr. 2, p. 607-633.

Franklin, Mark (2001). The Dynamics of Electoral Participation. In: Laurence Leduc, Richard Niemi en

Pippa Norris (red.), Comparing Democracies 2: Elections and Voting in Global Perspective (p. 148-168).

Thousand Oaks: Sage.

FreedomLab (2021). Toekomstverkenning Digitalisering 2030. Amsterdam: FreedomLab.

Fungáčová, Zuzana, Iftekhar Hasan en Laurent Weill (2019). Turst in banks. In: Journal of Economic Behavior

& Organization, jg. 2019, nr. 157, p. 452-476.

Gallego, Aina (2010). Understanding unequal turnout: Education and voting in comparative perspective.

In: Electoral Studies, jg. 29, nr. 2, p. 239-248.

Gehem, Maarten en Daan van den Berg (2023). Digitale Samenleving 2040. Vier toekomstbeelden over de

invloedvan digitalisering op hoe mensen in 2040 in Nederland samenleven. Amsterdam: De Argumentenfabriek.

Geurkink, Bram, Emily Miltenburg en Josje den Ridder (2023). Burgerperspectieven 2023 I Extra verkiezingsbericht.

Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Gijsberts, Mérove en Miranda Vervoort (2009). Beeldvorming onder hoger opgeleide allochtonen:

waarom is er sprake van een integratieparadox? In: Sociologie, jg. 5, nr. 3, p. 406-429.

Gijsberts, Mérove, Miranda Vervoort, Esther Havekes en Jaco Dagevos (2010). Maakt de buurt verschil?

Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

106 L I T E R AT U U RGijsberts, Mérove, Tom van der Meer en Jaco Dagevos (2012). ‘Hunkering Down’ in Multi-Ethnic

Neighbourhoods? The Effects of Ethnic Diversity on Dimensions of Social Cohesion. In: European

Sociological Review, jg. 28, nr. 4, p. 527-537.

Gijsberts, Mérove, Wil Portegijs, Erik de Bakker, Maroesjka Versantvoort en Joris Broere (2024). Samen

verschillend. Een verkenning van de relatie tussen diversiteit en sociale cohesie in de buurt, op school en op het werk.

Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Glanville, Jennifer (2004). Voluntary Associations and Social Network Structure: Why Organizational

Location and Type are Important. In: Sociological Forum, jg. 19, nr. 3, p. 465-491.

Granovetter, Mark (1973). The strength of weak ties. In: American Journal of Sociology, jg. 78, nr. 6, p. 1360-1380.

Hart, Joep de (2005). Landelijk verenigd. Grote ledenorganisaties over ontwikkelingen op het maatschappelijk

middenveld. Civil society en vrijwilligerswerk IV. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Hart, Joep de (2019). Wat ons typeert en wat ons bindt: het burgerperspectief. In: Sjoerd Beugelsdijk,

Joep de Hart, Pepijn van Houwelingen en Maroesjka Versantvoort (red.), Denkend aan Nederand. Sociaal

en Cultureel Rapport 2019 (hoofdstuk 5). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Hart, Joep de en Maroesjka Versantvoort (2019). Wat verbindt ons? Een studie naar Nederlandse

identiteit. Inleiding. In: Sjoerd Beugelsdijk, Joep de Hart, Pepijn van Houwelingen en Maroesjka

Versantvoort (red.), Denken aan Nederland. Sociaal en Cultureel Rapport 2019 (hoofdstuk 1). Den Haag:

Sociaal en Cultureel Planbureau.

Hart, Joep de (red.), Frans Knol, Cora Maas-de Waal en Theo Roes (2002). Zekere banden. Den Haag:

Sociaal en Cultureel Planbureau.

Hart, Joep de, Pepijn van Houwelingen en Willem Huijnk (2022). Religie in een pluriforme samenleving.

Diversiteit en verandering in beeld. Deel 3: Buiten kerk en moskee. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Heerikhuizen, Bart van (2014). Sociale cohesie in de klassieke sociologie (lezing). Geraadpleegd 12 januari 2024

via bartvanheerikhuizen.nl/2014/03/sociale-cohesie-de-klassieke-sociologie-2008.

Hetherington, Marc (1998). The political relevance of political trust. In: American Political Science Review,

jg. 92, nr. 4, p. 791-808.

Hoefman, Renske, Maja Djundeva, Marcel Coenders, Sander Kunst en Lex Thijssen (2023). Solidariteit over

landsgrenzen heen tijdens de coronapandemie. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Holbein, John (2017). Childhood skill development and adult political participation. In: American Political

Science Review, jg. 111, nr. 3, p. 572-583.

Houwelingen, Pepijn van en Joep de Hart (2019). Is er leven na de babyboomers? Kerk en geloof in de

afgelopen decennia. In: Mens & maatschappij, jg. 94, nr. 4, p. 399-428.

Houwelingen, Pepijn van, Willem Huijnk en Josje den Ridder (2016). Participatie en vertrouwen van

niet-westerse migranten. In: Willem Huijnk en Iris Andriessen (red.), Integratie in zicht (p. 185-209).

Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Hudson, John (2006). Institutional Trust and Subjective Well-Being across the EU. In: Kyklos, jg. 59, nr. 1,

p. 43-62.

IndexMundi (2024). Vergelijkende Kaart – Bevolkingsdichtheid Europa. Geraadpleegd 30 juli 2024 via

http://www.­ index­ mundi.­ com/­ map/?v=21000&r=eu&l=nl.

Inglehart, Ronald (1977). The Silent Revolution: Changing Values and Political Styles Among Western Publics.

Princeton: Princeton University Press.

Inglehart, Ronald (1997). Modernization and Postmodernization: Cultural, Economic, and Political Change in

43 Societies. Princeton: Princeton University Press.

Jasinskaja-Lahti, Inga, Karmela Liebkind en Erling Solheim (2008). To identfy or not identify? National

disidentification as an alternative reaction to perceived ethnic discrimination. In: Applied Psychology,

jg. 58, nr. 1, p. 105-128.

Jennissen, Roel, Mark Bovens, Godfried Engbersen en Meike Bokhorst (2023). Migration Diversity and Social

Cohesion: Reassessing the Dutch Policy Agenda. Den Haag: Springer.

Kalmijn, Matthijs (1998). Intermarriage and homogamy: Causes, Patterns, Trends. In: Annual Review of

Sociology, jg. 24, p. 395-421.

Kazmina, Yuliia, Eelke Heemskerk, Eszter Bokányi en Frank Takes (2024). Socio-economic segregation in

a population-scale social network. In: Social Networks, jg. 2024, nr. 78, p. 279-291.

Kešić, Josip en Jan Willem Duyvendak (2019). The nation under threat: secularist, racial and populist

nativism in the Netherlands. In: Patternes of Prejudice, jg. 53, nr. 5, p. 441-463.

107 L I T E R AT U U RKlaver, Jeanine, Eleanor Tromp en Roland Oude Ophuis (2005). Allochtonen en vrijwilligerswerk. Amsterdam:

Regioplan.

Klingeren, Fijnanda van, Marieke de Vries en Marjolijn Das (2024). Herkomstsegregatie in Nederland: een

netwerkanalyse. In: Statistische Trends. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd

27 juni 2024 via http://www.­ cbs.­ nl/­ nl-nl/­ longread/­ statistische-­ trends/­ 2024/­ herkomst­ segregatie-­ in-­ nederland-een-­

netwerk­ analyse.

Kloosterman, Rianne en Moniek Coumans (2014). Lidmaatschap en deelname verenigingen. Den Haag:

Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd 23 november 2021 via http://www.cbs.nl/nl-nl/achter-

grond/2014/38/lidmaatschap-en-deelname-verenigingen.

Knack, Stephan (2001). Trust, assocational life, and economic performance. In: John Helliwell (red.),

The contribution of human and social capital to sustained economic growth and well-being. (p. 172-202). Hull:

Human Resources Development Canada.

Kool, Linda, Jurriën Hamer, Pieter van Boheemen, Romy Dekker, Jasper Deuten, Rinie van Est, Mariëtte

van Huijstee, Roos de Jong, Bart Karstens, Eef Masson en Petra Verhoef (2021). De stand van digitaal

Nederland. Naar zeggenschap en vertrouwen in de digitale samenleving. Den Haag: Rathenau Instituut.

Koolen-Maas, Stephanie en Arjen de Wit (2022). Geven van tijd. In: René Bekkers, Barbara Gouwenberg,

Stephanie Koolen-Maas en Theo Schuyt (red.), Geven in Nederland. Maatschappelijke betrokkenheid in kaart

gebracht (p. 232-258). Amsterdam: Universiteit van Amsterdam/Vrije Universiteit.

Koopmans, Ruud (2023). De asielloterij. Het Europese vluchtelingenbeleid van 2015 tot de Oekraïneoorlog en hoe het

beter kan. Amsterdam: Prometheus.

Kroknes, Veronica Fagerland, Tor Georg Jakobsen en Lisa-Marie Grønning (2015). Economic performance

and political trust: The impact of the financial crisis on European citizens. In: European Societies, jg. 17,

nr. 5, p. 700-723.

Kullberg, Jeanet, Rachid Mouktadibillah en Jeroen de Vries (2021). Opgroeien in een kwetsbare wijk. Over

buurteffecten en persoonlijke ervaringen van jongens en jonge mannen. Den Haag: Sociaal en Cultureel

Planbureau.

Kuppens, Toon, Russel Spears, Antony Manstead, Bra Spruyt en Matthew Easterbrook (2018).

Educationism and the irony of meritocracy: Negative attitudes of higher educated people towards the

less educated. In: Journal of Experimental Social Psychology, jg. 2016, nr. 76, p. 429-447.

Kuyper, Lisette (2018). Opvattingen over seksuele en genderdiversiteit in Nederland en Europa. Een schets van een

actueel beeld en de ontwikkelingen in de tijd. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Lancee, Bram en Jonas Radl (2014). Volunteering over the Life Course. In: Social Forces, jg. 93, nr. 2,

p. 833-862.

Leonardi, Robert, Raffaella Y Nanetti en Robert D Putnam (2001). Making democracy work: Civic traditions in

modern Italy. Princeton: Princeton University Press.

Lijphart, Arend (1998). The Problem of Low and Unequal Voter Turnout – and What We Can Do About It

(working paper). In: Political Science Series, nr. 54.

Lo Iacono, Sergio (2019). Law-breaking, fairness, and generalized trust: The mediating role of trust in

institutions. In: PLOS ONE, jg. 14, nr. 8, art. e0220160 (doi.org/10.1371%2Fjournal.pone.0220160).

Lubbers, Marcel en Peer Scheepers (2019). Het zijn aardige mensen, maar liever niet als buren.

Veranderingen in sociale distantie tegenover migranten, moslims en ‘zigeuners’ in Nederland in de

periode 1990-2017. In: Mens & Maatschappij, jg. 94, nr. 4, p. 459-481.

Lupi, Tineke (2005). Buurtbinding. Van veenkolonie tot VINEX-wijk. Amsterdam: Aksant.

McPherson, Miller, Lynn Smith-Lovin en James Cook (2001). Birds of a feather: Homophily in social

networks. In: Annual Review of Sociology, jg. 27, nr. 1, p. 415-444.

Meer, Tom van der en Paul Dekker (2011). Trustworthy states, trusting citizens? a multilevel study into

objective and subjective determinants of political trust. In: Sonja Zmerli en Marc Hooghe (red.),

Political trust: Why context matters (p. 95-116). Colchester: ECPR Press.

Meer, Tom van der en Jochem Tolsma (2014). Ethnic diversity and its effects on social capital. In: Annual

Review of Sociology, jg. 40, p. 459-478.

Meijs, Lucas (2022). Er is geen tekort aan vrijwilligers. Rotterdam: Erasmus University Rotterdam.

Geraadpleegd 28 februari 2023 via http://www.eur.nl/nieuws/er-geen-tekort-aan-vrijwilligers.

Meurs, Pauline (2008). Sociaal vertrouwen: een kwestie van durf. In: SER/Verwey-Jonker Instituut (red.),

Eerste Verwey-Jonker/SER-lezing: Sociaal Vertrouwen (p. 9-23). Den Haag/Utrecht: Sociaal Economische

Raad/Verwey-Jonker Instituut.

108 L I T E R AT U U RMiltenburg, Emily en Joep Schaper (2020). Verwachte gevolgen van corona voor de opvattingen en houdingen van

Nederlanders. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Miltenburg, Emily, Josje den Ridder, Fieke Wagemans en Joep Schaper (2021). Burgerperspectieven 2021|2.

Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Miltenburg, Emily, Bram Geurkink, Lex Herweijer en Josje den Ridder (2023). Burgerperspectieven 2023|3.

Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Mooren, Francis van der en Robert de Vries (2022). Steeds meer hoogopgeleiden in Nederland: wat voor

beroep hebben ze? In: Statistische Trends. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd

27 juni 2024 via http://www.­ cbs.­ nl/­ nl-nl/­ longread/­ statistische-­ trends/­ 2022/­ steeds-­ meer-­ hoogopgeleiden-in-nederland-wat-voor-beroep-hebben-ze-.

Muis, Jasper, Peer Smets, Carmen Buijtendorp, Stephanie de Groot, Rick Zijlma en Sven Jonkman (2022).

Hoe sociale cohesie de buurt bij elkaar houdt: Het grote Nextddoor buurtonderzoek 2022. Amsterdam:

Vrije Universiteit Amsterdam.

Muis, Quita, Inge Sieben, Tim Reeskens en Loek Halman (2019). Seksueel-ethische permissiviteit:

Trends in Nederland 1981-2017. In: Mens & Maatschappij, jg. 94, nr. 4, p. 429-458.

Mulder, Laura, Chaïm la Roi, Hester Mennes, Carmen van Alebeek, Geert ten Dam, Tom van der Meer en

Herman van de Werfhorst (2022). Democratische kernwaarden in het voortgezet onderwijs. dolescentenpanel

Democratische Kernnwaarden en Schoolloopbanen. jaar 3 – 2020/2021. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.

Murphy, Raymond (1988). Social closure. The theory of monopolization and exclusion. Oxford: Clarendon Press.

Nab, Charlotte (2022). De laag-vertrouwen-samenleving en het sociaal contract. In: Alibi Magazine,

jg. 2022, nr. 2, p. 12-15.

Nelson, Todd (2005). Ageism: Prejudice Against Our Feared Future Self. In: Journal of Social Issues, jg. 61,

nr. 2, p. 207-221.

NIDI/CBS (2020). Bevolking 2050 in beeld. Drukker, diverser en dubbelgrijs. Deelrapport Verkenning Bevolking 2050.

Den Haag: Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut/Centraal Bureau voor de Statistiek.

NIDI/CBS (2021). Bevolking 2050 in beeld: opleiding, arbeid, zorg en wonen. Eindrapport Verkenning Bevolking 2050.

Den Haag: Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut/Centraal Bureau voor de Statistiek.

NIDI/CBS/CPB/PBL/RIVM/SCP (2019). Verkenning bevolking 2050. Zekerheden en onzekerheden over de gevolgen

van veranderingen in de bevolking. Den Haag/Bilthoven: Nederlands Interdisciplinair Demografisch

Instituut/Centraal Bureau voor de Statistiek/Centraal Planbureau/Planbureau voor de Leefomgeving/

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu/Sociaal en Cultureel Planbureau.

Niebuur, Jacobien, Aart Liefbroer, Nardi Steverink en Nynke Smidt (2022). Transitions into and out of

voluntary work over the life course: what is the effect of major life events? In: Nonprofit and Voluntary

Sector Quarterly, jg. 51, nr. 6, p. 1233-1256.

Noije, Lonneke van (2019). Overheidslegitimiteit in SCP-onderzoek: een conceptuele verkenning. Den Haag: Sociaal

en Cultureel Planbureau.

Noije, Lonneke van en Josje den Ridder (2024). Burgers over democratie en rechtsstaat. Kennisnotitie voor de

Staatscommissie rechtsstaat. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Noije, Lonneke van, Josje den Ridder en Bram Geurkink (2023). Democratie en vertrouwen. In: Debbie

Verbeek-Oudijk, Sarah Hardus, Andries van den Broek en Mark Reijnders (red.), Sociale en Culturele

Ontwikkelingen. Stand van Nederland 2023 (p. 111-132). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

North, Douglass (1990). Institutions, institutional change, and economic performance. Cambridge: Cambridge

University Press.

OESO (2016). Trends shaping education 2016. Parijs: Organisatie voor Economische Samenwerking en

Ontwikkeling.

OESO (2017). OECD Guidelines on Measuring Trust. Parijs: Organisatie voor Economische Samenwerking en

Ontwikkeling (doi.org/10.1787/9789264278219-en).

Ouattara, Ebe en Eefje Steenvoorden (2023). The Elusive Effect of Political Trust on Participation:

Participatory Resource or (Dis)incentive? In: Political Studies (doi.org/10.1177/00323217231194820).

PDC (2024). Opkomst bij Tweede Kamerverkiezingen. Den Haag: Stichting Parlementair Documentatie

Centrum. Geraadpleegd 1 februari 2024 via http://www.­ parlement.­ com/­ id/­ vh8lnhrp8wsz/­ opkomst_bij_

tweede_kamerverkiezingen.

Persson, Mikael (2014). Testing the Relationship Between Education and Political Participation Using the

1970 British Cohort Study. In: Political Behavior, jg. 36, nr. 4, p. 877-897.

109 L I T E R AT U U RPosthumus, Hanneke, Josje den Ridder en Joep de Hart (2014). Verenigd in verandering. Grote maatschappelijke

organisaties en ontwikkelingen in de Nederlandse civil society. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Putnam, Robert (2000). Bowling alone: The collapse and revival of American community. New York: Simon & Schuster.

Putnam, Robert (2007). E pluribus unum: Diversity and community in the twenty-first century the 2006

Johan Skytte Prize Lecture. In: Scandinavian Political Studies, jg. 30, nr. 2, p. 137-174.

Rekker, Roderik (2024). Electoral change through generational replacement: An age-period-cohort

analysis of vote choice across 21 countries between 1948 and 2021. In: Frontiers in Political Science, jg. 6

(doi.org/10.3389/fpos.2024.1279888).

Ridder, Josje den (2020). Maatschappelijke en politieke participatie. In: Josje den Ridder, Edith Josten,

Jeroen Boelhouwer en Crétien van Campen (red.) (2020), De sociale staat van Nederland 2020. Den Haag:

Sociaal en Cultureel Planbureau. Geraadpleegd 12 november 2022 via digitaal.scp.nl/ssn2020/

maatschappelijke-en-politieke-participatie.

Ridder, Josje den en Hans Vollaard (2022). Wat we weten over de opkomst en niet-stemmen.

In: Hans Vollaard, Lisanne de Blok, Josje den Ridder en Jansen Giedo (red.), De lokale niet-stemmer.

Een analyse van de lage opkomst bij de gemeenteraadverkiezingen van 2022. Utrecht/Den Haag/Amsterdam:

Universiteit Utrecht/Sociaal en Cultureel Planbureau/Universiteit van Amsterdam.

Ridder, Josje den, Paul Dekker en Evelien Boonstoppel (2018). Burgerperspectieven 2018|3. Den Haag: Sociaal

en Cultureel Planbureau.

Ridder, Josje den, Edith Josten, Jeroen Boelhouwer en Crétien van Campen (red.) (2020). De sociale staat

van Nederland 2020. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Ridder, Josje den, Emily Miltenburg, Sander Kunst, Leonard van ‘t Hul en Andries van den Broek (2022).

Burgerperspectieven 2022|1. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Ridder, Josje den, Sander Kunst, Claudia Hartman en Emily Miltenburg (2023a). Burgerperspectieven 2023I2.

Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Ridder, Josje den, Leonard van ‘t Hul en Andries van den Broek (2023b). Burgerperspectieven 2023I1.

Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Ridder, Josje den, Leonard van ‘t Hul en Joris Broere (2024). Burgerperspectieven 2024|1. Den Haag: Sociaal

en Cultureel Planbureau.

Rijksoverheid (2023). Wanneer is sprake van vrijwilligerswerk? Geraadpleegd 20 januari 2023 via http://www.­ rijksoverheid.nl/­

onderwerpen/­ vrijwilligerswerk/vraag-en-antwoord/wat-is-vrijwilligerswerk.

RIVM (2023a). Clublidmaatschap. Trend in de toekomst. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en

Milieu. Geraadpleegd 11 december 2023 via http://www.sportenbewegenincijfers.nl/toekomstverkenning/

trendscenario/clublidmaatschap.

RIVM (2023b). Clublidmaatschap. Het aandeel van de bevolking van 6 jaar en ouder dat lid is van een sportvereniging.

Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Geraadpleegd 11 december 2023 via

http://www.­ sporten­ bewegenincijfers.nl/kernindicatoren/clublidmaatschap.

Robinson, Robert en Elton Jackson (2001). Is Trust in Others Declining in America? An Age-Period-Cohort

Analysis. In: Social Science Research, jg. 30, nr. 1, p. 117-145.

Roeters, Anne (2018). Alle ballen in de lucht. Tijdsbesteding in Nederland en de samenhang met kwaliteit van leven.

Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Roeters, Anne en Andries van den Broek (2022). De toekomst in meervoud. Verhouding beleid-burgers dan en nu.

Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Rond, Jan de, Lucas Meijs en Ivo Geers (2022). Corona-onderzoek: lokaal gemeenschapsleven is veerkrachtig.

In: Sociale Vraagstukken, 17 februari 2022. Geraadpleegd 13 mei 2024 via http://www.socialevraagstukken.nl/

corona-onderzoek-lokaal-gemeenschapsleven-is-veerkrachtig.

Rooij, Antonius van, Jeroen Jansz en Tim Schoenmakers (2010). Wat weten we over… effecten van games.

Een beknopt overzicht van wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van games. Zoetermeer: Stichting

Kennisnet.

Roth, Felix, Felicitas Nowak-Lehmann en Thomas Otter (2011). Has the financial crisis shattered citizens’ trust in

national and European governmental institutions? Evidence from the EU member states, 1999-2010 (CEPS

Working Document 343). Brussel: Centre for European Policy Studies.

Rothstein, Bo en Dietlind Stolle (2008). The state and social capital: An institutional theory of generalized

trust. In: Comparative Politics, jg. 40, nr. 4, p. 441-459.

110 L I T E R AT U U RRVS (2020). De derde levensfase: het geschenk van de eeuw. Den Haag: Raad voor Volksgezondheid en Samenleving.

Salverda, Irini, Pat van der Jagt, Rijk Willemse, Marleen Onwezen en Jan Top (2013). Sociale media: nieuwe

wegen naar sociale innovatie. Een verkenning van de rol van internet en de sociale media bij het onstaan van sociale

innovatie. Wageningen/Nijmegen: Alterra/LaVerbe/LEI/FBR.

Sandel, Michael (2020). The tyranny of merit: What’s become of the common good? New York: Farrar,

Straus and Giroux.

Scheepers, Peer, Mérove Gijsberts en Marcel Coenders (2002). Ethnic Exclusionism in European Countries:

Public Opposition to Civil Rights for Legal Migrants as a Response to Perceived Ethnic Threat.

In: European Sociological Review, jg. 18, nr. 1, p. 17-34.

Schiefer, David en Jolanda van der Noll (2017). The Essentials of Social Cohesion: A Literature Review.

In: Social Indicators Research, jg. 132, nr. 2, p. 579-603.

Schilke, Oliver, Martin Reimann en Karen Cook (2021). Trust in social relations. In: Annual Review of

Sociology, jg. 47, p. 239-259.

Schmeets, Hans (2015). Ontwikkelingen in sociaal en institutioneel vertrouwen. In: Hans Schmeets (red.),

Sociale samenhang 2015: wat ons bindt en verdeelt (p. 87-100). Den Haag: Centraal Bureau voor

de Statistiek.

Schmeets, Hans (2017a). Vertrouwen in elkaar en in de samenleving. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor

het Regeringsbeleid.

Schmeets, Hans (2017b). Politieke betrokkenheid in Nederland. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Schmeets, Hans (2018). Vertrouwen op de kaart. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Schmeets, Hans en Jeanet Exel (2020). Vertrouwen, maatschappelijk onbehagen en pessimisme.

In: Statistische Trends. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd 23 november 2021 via

http://www.­ cbs.­ nl/­ nl-nl/­ longread/­ statistische-­ trends/2020/­ vertrouwen-­ maatschappelijk-­ onbehagen-­ en-

pessimisme.

Schmeets, Hans en Jeanet Exel (2021). Vertrouwen van migranten in medemens en instituties.

In: Statistische Trends. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd 23 november 2021 via

http://www.­ cbs.­ nl/­ nl-nl/­ longread/­ statistische-trends/2021/­ vertrouwen-­ van-migranten-in-medemens-en-

instituties.

Schmeets, Hans en Jeanet Exel (2022). Vertrouwen in instituties. In: Statistische Trends. Den Haag: Centraal

Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd 27 november 2023 via http://www.cbs.nl/nl-nl/longread/

statistische-­ trends/­ 2022/­ vertrouwen-­ in-medemens­ -en-instituties-voor-en-tijdens-de-pandemie/4-

vertrouwen-in-instituties.

Schmeets, Hans en Marieke Houben (2023). Religieuze betrokkenheid in Nederland. In: Statistische Trends.

Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd 19 juni 2024 via http://www.cbs.nl/nl-nl/

longread/statistische-trends/2023/religieuze-betrokkenheid-in-nederland.

Schmeets, Hans en Saskia te Riele (2014). Declining Social Cohesion in The Netherlands? In: Social

Indicators Research, jg. 115, nr. 2, p. 791-812.

Schmeets, Hans, Jerome Conceicao en Constanza Marcellino (2021). Het vertrouwen van immigranten in

de samenleving in relatie tot hun verblijfsduur. In: Statistische Trends. Den Haag: Centraal Bureau voor

de Statistiek. Geraadpleegd 23 november 2021 via http://www.­ cbs.­ nl/­ nl-nl/­ longread/­ statistische-­ trends/2021/­

het-vertrouwen-­ van-­ immigranten-­ in-de-­ samenleving-­ in-relatie-­ tot-hun-­ verblijfsduur.

Schnabel, Paul, Rob Bijl en Joep de Hart (2008). Betrekkelijke betrokkenheid. Studies in sociale cohesie. Sociaal en

Cultureel Rapport 2008. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Schoon, Ingrid en Helen Cheng (2011). Determinants of political trust: A lifetime learning model. In:

Developmental Psychology, jg. 47, nr. 3, p. 619-631.

Schuyt, Kees (2006). Steunberen van de samenleving. Sociologische essays. Amsterdam: Amsterdam

University Press.

SDO2050 (2024). Gematigde groei. Rapport van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050.

Den Haag: Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050.

Sielias, Janna (2016). Verschillen tussen laag- en hoogopgeleiden in de mate van het verrichten van vrijwilligerswerk.

Utrecht: Universiteit Utrecht.

Skocpol, Theda (2003). Diminished Democracy: From Membership to Management in American Civic Life. Norman:

University of Oklahoma Press.

Smets, Kaat en Carolien van Ham (2013). The embarrassment of riches? A meta-analysis of individuel-level

research on voter turnout. In: Electoral Studies, jg. 32, nr. 2, p. 344-359.

111 L I T E R AT U U RSonsbeek, Jan-Maarten van, Frits Bos, Jos Ebregts en Eugène Verkade (2023). De Nederlandse economie in

historisch perspectief. Den Haag: Centraal Planbureau.

Spierings, Niels (2024). Conservatief keerpunt, anti-regenboogcampagne of toevalligheden?

In: Remco Voogd, Kristof Jacobs, Niels Spierings en Marcel Lubbers (red.), De verkiezingen van 2023.

Van Onderstroom naar Doorbraak: Onvrede en Migratie (p. 150-155). Stichting Kiezersonderzoek Nederland.

Staatscommissie Parlementair Stelsel (2018). Lage drempels, hoge dijken. Democratie en rechsstaat in balans.

Eindrapport van de staatscommissie parlementair stelsel. Amsterdam: Boom.

Steenvoorden, Eefje (2023). Woorden zeggen meer dan cijfers. Uiteenlolpende betekenissen van (gebrek aan) politiek

vertrouwen onder sociale groepen in Nederland. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.

Stekelenburg, Jacquelien van (2017). Protest voorspellen is zo eenvoudig nog niet (oratie). Amsterdam:

Vrije Universiteit.

Stekelenburg, Jacquelien van en Bert Klandermans (2013). The Social Psychology of Protest. In: Current

Sociology, jg. 61, nr. 5-6, p. 886-905.

Stiphout-Kramer, Bert van, Bram Hendriks, Gerdien Meijerink, Mark van der Plaat en Jan-Maarten van

Sonsbeek (2024). Economische dynamiek en migratie. Den Haag: Centraal Planbureau.

Stockemer, Daniel (2017). What Affects Voter Turnout? A Review Article/Meta-Analysis of Aggregate

Research. In: Government and Opposition, jg. 52, nr. 4, p. 698-722.

Stolle, Dietlind en Thomas Rochon (1998). Are All Associations Alike? Member Diversity, Associational

Type, and the Creation of Social Capital. In: American Behavioral Scientist, jg. 42, nr. 1, p. 47-65.

Sturgis, Patrick, Sanna Read, Peter Hatemi, Gu Zhu, Tim Trull, Margaret Wright en Nicholas Martin (2010).

A Genetic Basis for Social Trust? In: Political Behavior, jg. 32, nr. 2, p. 205-230.

Sutter, Matthias en Martin Kocher (2007). Trust and trustworthiness across different age groups.

In: Games and Economic Behavior, jg. 59, nr. 2, p. 364-382.

Thijssen, Lex, Marcel Coenders en Bram Lancee (2019). Etnische discriminatie op de Nederlandse

arbeidsmarkt: verschillen tussen etnische groepen en de rol van beschikbare informatie over

sollicitanten. In: Mens & Maatschappij, jg. 94, nr. 2, p. 141-176.

Thijssen, Peter (2017). Intergenerational solidarity: the paradox of reciprocity imbalance in ageing welfare

states. In: The British Journal of Sociology, jg. 67, nr. 4, p. 592-612.

Tiessen-Raaphorst, Annet en Andries van den Broek (2016). Sport en cultuur. Patronen in belangstelling en

beoefening. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

TK (2018/2019). Motie van het lid Dijkhoff c.s. over de consequenties van demografische ontwikkelingen in verschillende

scenarios’s in kaart brengen. Tweede Kamer, vergaderjaar 2018/2019, 35000, nr. 8.

TK (2021/2022). Motie van het lid Den Haan c.s. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021/2022, 35925, nr. 55.

Tolsma, Jochem, Tom van der Meer en Maurice Gesthuizen (2009). The impact of neighbourhood and

municipality characteristics on social cohesion in the Netherlands. In: Acta Politica, jg. 44, nr. 3,

p. 286-313.

Tonkens, Evelien, Margo Trappenburg, Menno Hurenkamp en Jante Schmidt (2015). Montessori-democratie.

Spanningen tussen burgerparticipatie en de lokale politiek. Amsterdam: Amsterdam University Press.

Universiteit Leiden (2021). Dalend vertrouwen in de overheid: de laag-vertrouwensamenleving. Geraadpleegd

23 november 2023 via http://www.­ universiteitleiden.­ nl/­ nieuws/2021/11/­ sterk-dalend-­ vertrouwen-­ in-de-overheid-de-­

laag-­ vertrouwensamenleving.

Uslaner, Eric (2002). The moral foundations of trust. Cambridge: Cambridge University Press.

Uslaner, Eric (2012). Segregation and mistrust: Diversity, isolation, and social cohesion. Cambridge: Cambridge

University Press.

Uzzell, David, Enric Pol en David Badenas (2002). Place Identification, Social Cohesion, and Enviornmental

Sustainability. In: Environment and Behavior, jg. 34, nr. 1, p. 26-53.

Velden, Rolf van der en Arie Glebbeek (2024). Het MBO in de onderwijswedloop: Kan de ladder ooit een waaier

worden. Maastricht: Research Centre for Education and the Labour Market.

Verba, Sidney, Kay Schlozman en Henry Brady (1995). Voice and Equality: Civic Voluntarism in American Politics.

Cambridge: Harvard University Press.

Vermeij, Lotte en Lex Thijssen, m.m.v. Daan Beekers en Ralf Maslowski (2024). De leefwerelden van arm en

rijk. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Vermeij, Lotte, Yvonne de Kluizenaar, Mark Reijnders en Marcel Coenders (red.) (2024). Koersen op kwaliteit

van de samenleving. Sociaal en Culturele Ontwikkelingen 2024. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

112 L I T E R AT U U RVermeulen, Floris (2018). The paradox of immigrant political participation in Europe amidst crises of

multiculturalism. In: Cecilia Menjívar, Marie Ruiz en Immanuel Ness (red.), The Oxford handbook of

migration crises (p. 801-816). New York: Oxford University Press.

Vijver, Fons van de (2015). Identiteit, diversiteit en welbevinden. In: Huub Beijers, Polli Hagenaars en

Ellen Minkenberg (red.), Identiteit: uitsluiten of verbinden (p. 39-52). Utrecht: De Graaff.

Visser, Kirsten en Anouk Tersteeg (2019). Young People are the Future? Comparing Adults’ and Young

People’s Perceptions and Practices of Diversity in a Highly Diverse Neighbourhood. In: Tijdschrift voor

Economische en Sociale Geografie, jg. 110, nr. 2, p. 209-222.

Vogels, Ria, Monique Turkenburg en Lex Herweijer (2021). Samen of gescheiden naar school. De betekenis van

sociale scheiding en ontmoeting in het voortgezet onderwijs. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Voicu, Bogdan en Mircea Comşa (2014). Immigrants’ Participation in Voting: Exposure, Resilience, and

Transferability. In: Journal of Ethnic and Migrations Studies, jg. 40, nr. 10, p. 1572-1592.

Voogd, Josse de en René Cuperus (2021). Atlas van Afgehaakt Nederland. Over buitenstaanders en gevestigden.

Den Haag: Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties.

Vrooman, Cok, Jeroen Boelhouwer, Jurjen Iedema en Ab van der Torre (2023). Eigentijdse ongelijkheid.

De postindustriële klassenstructuur op basis van vier typen kapitaal. Verschil in Nederland 2023. Den Haag:

Sociaal en Cultureel Planbureau.

Vroome, Thomas de, Marc Hooghe en Sofie Marien (2013). The origins of generalized and political trust

among immigrant minorities and the majority population in the Netherlands. In: European Sociological

Review, jg. 29, nr. 6, p. 1336-1350.

Vroome, Thomas de, Borja Marinovic en Maykel Verkuyten (2014). The integration paradox: Level of

education and immigrants’ attitudes towards natives and the host society. In: Cultural Diversity and

Ethnic Minority Psychology, jg. 20, nr. 2, p. 166-175 (doi.org/10.1037/a0034946).

Waal, Jeroen van der (2022). Over leven met een lage status. In: Tijdschrift Sociologie, jg. 2022, nr. 3,

p. 434-454.

Wasburn, Philo (1994). A life course model of political socialization. In: Politics & the Individual, jg. 4, nr. 2,

p. 1-26.

Wiertz, Dingeman (2015). A Bridge Too Far? Volunteering, Voluntary Associations, and Social Cohesion. Oxford:

University of Oxford.

Wiertz, Dingeman (2016). Segregation in Civic Life: Ethnic Sorting and Mixing across Voluntary

Associations. In: American Sociological Review, jg. 81, nr. 4, p. 800-827.

Wilkes, Rima en Cary Wu (2019). Immigration, Discrimination, and Trust: A Simply Complex Relationship.

In: Frontiers in Sociology, jg. 4, art. 32 (doi.org/10.3389/fsoc.2019.00032).

WRR (2018). De nieuwe verscheidenheid. Toenemende diversiteit naar herkomst in Nederland. Den Haag:

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

WRR (2020). Samenleven in verscheidenheid. Beleid voor de migratiesamenleving. Den Haag: Wetenschappelijke

Raad voor het Regeringsbeleid.

WRR (2021). Kiezen voor houdbare zorg. Mensen, middelen en maatschappelijk draagvlak. Den Haag:

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

WRR (2023). Grip. Het maatschappelijk belang van persoonlijke controle. Den Haag: Wetenschappelijke Raad

voor het Regeringsbeleid.

113 L I T E R AT U U RDit is een uitgave van:

Sociaal en Cultureel Planbureau

Postbus 16164

2500 BD Den Haag

http://www.scp.nl

info@scp.nl