Onderzoek E-Learning 2001.

 Opdracht

1.        Inleiding

Dit document bevat een overzicht van de E-learning markt in 2000. Deze markt is door het grote succes van E-learning aan het exploderen. E-learning blijkt fors  kosten te besparen. Het effect van dit alles is dat ieder bedrijf zich met dit onderwerp lijkt bezig te houden en dat het openen van een ingang onmiddelijk weer nieuwe facetten toont. Het is dan ook bijna onmogelijk is om door de bomen het bos te zien. Deze notitie moet dan ook gezien worden als een poging tot ordenen. In eerste instantie (Hfdst 5.) is leren in al zijn facetten in kaart gebracht. Leren is een generiek concept dat bijna op alles van toepassing kan worden verklaart. Door van generiek naar specifiek te gaan wordt langzamerhand  een kader gebouwd. Dit kader wordt in Hfdst 6. gebruikt om een zoek-vraag te formuleren die in de volgende hoofdstukken wordt uitgewerkt. In het laatste hoofdstuk ( 10) staan aanbevelingen.

2.        Gebruikte documenten

3.        Samenvatting

4.        Gevolgde aanpak

In een aantal gesprekken is de opdracht helder gemaakt. In eerste instantie is geprobeerd om een kader te maken. Dit kader komt voort uit eigen inzichten ten aanzien van het onderwerp. Naar het gebruikte materiaal wordt via voetnoten gerefereerd. Op basis van dit kader zijn vragen uitgezet in het netwerk en zijn documenten gezocht c.q. opgevraagd. In totaal zijn is  meer dan 1000 bladzijden documenten ontvangen en doorgenomen. Deze zijn geanalyseerd en gerelateerd aan het kader. Daarna is geprobeerd om een relevante zoekvraag te formuleren zodat de markt in kaart kon worden gebracht. Als laatste is geprobeerd om uit de enorme hoeveelheid aspecten relevante aanbevelingen te destilleren. Er moet worden opgemerkt dat dit niet eenvoudig bleek te zij. Het maken van dit rapport was gezien de korte doorlooptijd en gezien de enorme input aan documenten  een enorme opgave.

5.        Algemeen kader

5.1.   Leren

Leren is het aanpassen van een organisme (bijv. een mens) aan zijn omgeving[1]. Leren vind in het algemeen niet intentioneel plaats. Het gaat als vanzelf. Een belangrijke bron van leren voor de mens is de steeds weer veranderende werkomgeving.

Het organisme kan worden opgedeeld in verschillende onderdelen (bijv. zintuigen, hersenen,  spieren, organen, immuunsysteem, etc.). De veranderingen in de omgeving (de impuls) worden opgemerkt door de zintuigen. Op basis van de informatie die de zintuigen opvangen gaat een onderdeel of een aantal onderdelen van het organisme zich anders gedragen. De meeste veranderingen spelen zich af binnen het organisme (het lichaam). Ze zijn voor een externe waarnemer niet zichtbaar.

Als de impuls zich vaak herhaalt zal het organisme op termijn een permanente verandering ondergaan[2].  Er ontstaat een standaard reactiepatroon (script).[3] Organismen hebben zich gewapend tegen al te snelle veranderingen. Het is uit op continuiteit. De bestaande scripts bepalen voor het grootste deel wat men kan leren.  Scripts kunnen worden aangepast doordat het verwachtingspatroon verbonden aan het script niet uitkomt (een expectation-failure). Men leert door fouten te maken[4]. Naarmate een organisme langer bestaat is het steeds minder in staat tot aanpassing. 

Er zijn grenzen aan het aanpassings-vermogen. Als deze grens (het talent, de potentie) wordt overschreden vertoont het organisme stress. Langdurige stress veroorzaakt ziektes en uiteindelijk het sterven van het organisme.

5.2.   Opleiden

In principe leren mensen altijd iets. Een belangrijk punt is de sprong die men maakt in zijn kenns. Het gaat dan om het verkrijgen van een inzicht of een paradigm-shift. Een belangrijke impliciete leeromgeving is het werk. Het ondersteunen van het leer-proces op het werk (meer in de zin van exploreren) wordt performance-support genoemd.

Opleiden (c.q. Training) is het doelgericht veranderen van de kennis van een mens. Er is sprake van een leerdoel. Kennis is het vermogen om binnen grenzen (het kennisdomein) voorspelbaar te kunnen reageren op onverwachte situaties. Opleiden richt zich vooral op van buiten waarneembare, te toetsen, permanente veranderingen. Een belangrijk punt bij opleiding is de doorlooptijd van een verandering (het inleren). Deze moet binnen afzienbare, vooraf vastgestelde tijd, plaatsvinden. Als deze tijd niet wordt gehaald is de opleiding (in het algemeen de leerling) mislukt.

Op dit moment verkeert de cognitieve wetenschap in een stroomversnelling. Het wordt steeds duidelijker hoe mensen leren (zie Hfdst 5.1). De kennis over het leren sijpelt langzaam door in het bestaande systeem. Er ontstaan combinaties van traditioneel leren en innovatief leren[5]. Duidelijk zal zijn dat de markt zich vooral op de eerste categorie richt.

Kennis kan worden gedefinieerd met de formule Kennis = Gegevens x Ervaring x Vaardigheden x Attitude[6]. Gegevens zijn van de mens ontkoppelde kennis en daarmee eenvoudig door te geven. Gegevens worden opgeslagen in en opgehaald uit het geheugen (herinneren). Ervaring en vaardigheid worden verkregen door te doen. Ze kunnen vooral worden gerelateerd aan aanpassing van het gedrag van de spieren. Ze worden overgedragen door voor te doen (copieren). Attitude is een onderdeel van de persoonlijkheid en daardoor een gegeven. De laatste drie factoren worden vaak aangeduid met de term “impliciete” kennis (praktijk).  De eerste met expliciete kennis (theorie).

5.3.   De kennisspiraal van Nonaka[7]

Groepen van mensen, meestal samengebracht in een onderneming of beroepsgroep, bouwen indien ze langdurig met elkaar optrekken een kennis-infrastructuur op. Deze infrastructuur bestaat uit boeken, verhalen, gegevens, procedures, software-programma’s, ervaring, tradities en verwachtingen. De technische- en applicatieinfrastructuur van een bedrijf maakt deel uit van deze kennis-infrastructuur. Ze is opgeslagen in databases, archieven maar vooral in het geheugen van de mensen zelf. De expliciete kennis is het meest mens-onafhankelijk. Men moet de kennis wel kunnen begrijpen. De meeste kennis is echter mens-gebonden. Als een medewerker een onderneming verlaat kan dit dan ook grote problemen geven. Kennis-intensieve ondernemingen (bijv. banken) doen er dan ook alles aan om belangrijke specialisten (experts) te behouden of om hun impliciete kennis expliciet te maken (b.v. middels expert-systemen). 

Het bouwproces van de kennis-infrastructuur, wel de kennisspiraal genoemd, vindt in zijn totaliteit meestal ad-hoc plaats. Sommige delen van het proces worden sterk bestuurd, andere delen worden op hun beloop gelaten.

In de westerse samenleving is er volgens Nonaka een te grote nadruk gelegd op expliciete kennis, theorie. Men geeft minder aandacht aan wat de mens spontaan opbouwt (de ervaring) en bezit (het talent). Door de aspecten praktijk en theorie met elkaar te combineren ontstaan er vier transformaties van kennis n.l. Socialisatie, Externalisatie, Combinatie en Internalisatie. Door te analyseren (Externalisatie) en  te Combineren ontstaat nieuwe expliciete kennis. Deze kennis moet worden getraind en ingeleerd (Internalisatie).   Het is ook mogelijk dat praktijk-kennis rechtstreeks wordt overgedragen (Socialisatie). Externalisatie is in de loop der tijd bijna volledig het domein van de automatisering geworden. Ook het combineren (denk aan Business Intelligence, End-User-Computing, Neurale Netwerken) begint sterk doortrokken te worden van ICT.

Figuur 1 De kennis-spiraal van Nonaka

Iedere transformatie kan een externe relatie hebben. Er worden medewerkers ontslagen en in dienst genomen. Er wordt externe kennis (bijv. een methode) en externe training ingekocht. Ook de Kennis-infrasructuur heeft relaties naar buiten. Er stroomt via het netwerk data in en uit (bijv. nieuwe wet- en regelgeving). Deze data krijgt steeds meer ongestructureerde (tekst) en multimediale kenmerken (plaatjes, video). In dit rapport wordt dit soort data aangeduid met de term content.

De kennis-spiraal is in grote ondernemingen tot op heden nog nooit als geheel bestuurd. Ze begint door de steeds toenemende innovatie steeds sneller te draaien. In onder-nemingen draait de spiraal met horten en stoten en vindt er verlies van geld en kennis plaats. Kennis-intensieve ondernemingen, zoals de Belastingdienst,  worden steeds meer genoodzaakt om de complete kennisspiraal te integreren en onder één besturing te brengen (Kennis-management). Er zijn ondernemingen die de spiraal methodisch  proberen te besturen[8]. Als voorbeeld bevat Figuur 2 de uitkomst van een onderzoek dat Cisco[9] heeft gedaan samen met Intellinex. 

Figuur 2:  Een voorbeeld van een kennis-spiraal (Cisco).

  • De E-Kennis-spiraal

Door de opkomst van de Tele-Communicatie is het efficient koppelen van mensen en software (Keten-integratie, E-Commerce) via een netwerk (het Internet) een steeds grotere rol gaan spelen. Het wordt mogelijk om functies van af een willekeurig plaats (distributie) en op een willekeurig tijdstip te gebruiken. Ook Opleiding heeft een E-aspect gekregen en heet nu E-Learning. E-Learning  is in essentie de automatisering en de distributie van het Internalisatie-proces.

  • E-socialisatie

Het is nog onduidelijk hoe de automatisering van het Socialisatie-proces zal gaan plaatsvinden. Dit komt omdat het hier gaat om de uitwisseling van impliciete kennis. Automatisering houdt zich nu eenmaal  vooral bezig met het expliciet maken van kennis (vertalen in gegevens). Mensen leren het beste als ze samen met anderen nieuwe voor hen betekenisvolle kennis construeren en ervaring delen[10]. Het gaat dan om het voeren van een (gestructureerde) dialoog[11].  Deze kan plaatsvinden in de vorm van een project. Men deelt dan een gezamenlijk doel . Hier ligt een sterke relatie naar groupware (collaborative learning).

Een technologie die zich concentreert op het expliciet maken en overdragen van ervaringskennis is Case-Based Reasoning (CBR)[12]. In opleidingen wordt gebruikt gemaakt van de denkwereld achter CBR door het presenteren van cases en het uitvoeren van simulaties in de vorm van rollenspellen. De digitale vorm is te vinden in  computer-games en simulators (denk aan de flight-simulator). Een samenhangende aanpak die gebruikt maakt van de inzichten achter CBR is Goal-Based-Learning [13]

  • Relatie Kennis-management en Change-management

E-Learning heeft als input-relaties de producten van de Externalisatie en Combinatie. Regels en gegevens worden omgezet in programma’s en databases en komen in de technische- cq. de applicatie-infrastructuur terecht. E-Learning heeft een output-relatie naar het proces van Socialisatie (het delen van ervaring). De medewerker krijgt (educatieve) content aangeboden. E-Learning legt de nadruk op het gebruik van de gestructureerde vorm van de Kennis-Infrastructuur (b.v. databases). De directe input-relaties hebben vooral het karakter van organisatorische changes (veranderen vantaken, werkwijze). De changes die betrekking hebben op expliciete kennis (data, programma’s) worden via Automatiseringsprojecten geimplementeerd. Er bestaat een sterke relatie tussen Kennis-management en Change-management.

Figuur 3: Positionering van E-learning in de Kennis-spiraal

 

  • Performance support

Software wordt steeds complexer in zijn werking. Door de toenemende gebruikers-interactie wordt gebruikers-vriendelijkheid (usability) steeds belangrijker. Om het werkproces te kunnen ondersteunen worden Help-systemen[14] (ook wel Electronic Performance Support Systemen (EPSS) genoemd) ontwikkeld.

Het adviseren van de klant ten aanzien van complexe producten zoals verzekeringen wordt steeds meer ondersteund door Advies-systemen die meestal gebaseerd zijn op kennis-technologie (AI). Deze advies-systemen nemen de rol en de kennis (de regels) van de adviseur over en worden steeds meer direct via het Internet ter beschikking gesteld aan de klant. Kennis-regels kunnen centraal worden opgeslagen en hergebruikt. Een voorbeeld van een markleider  in dit gebied is AIONDS (Platinum nu eigendom van CA). E-Learning-systemen kunnen deze kennis-regels hergebruiken.

Help-systemen en advies-systemen kunnen een deel van de opleidingsinspanning binnen een onderneming overnemen of zelfs doen verdwijnen als de taak van de adviseur door software wordt overgenomen. Ze maken eigenlijk deel uit van het E-learning-instrumentarium maar worden tot op heden in de hoek van de complexe automatisering of de performance-support geplaatst. Via Help- en adviessystemen kan op de werkplek just-in-time E-learning-content ter beschikking worden gesteld.

Het is aan te raden om het ontwikkelen van software en de training die nodig is om deze software effectief te kunnen gebruiken in samenhang te gaan ontwikkelen. In deze nota wordt dit aspect niet verder uitgewerkt.

  • Logistiek management en opleiden

Het schoolsysteem van de 20e eeuw is gebaseerd op de principes van Taylor[15]. Een belangrijk criterium is “efficiency” (logistiek management). Het gaat om standaardisatie en procesbesturing (ERP, workflow, proces-managers). Een belangrijk onderwerp is het verkorten c.q. integreren van waardeketens door het weghalen van tussenpersonen (value-chain-management). E-learning is een voorbeeld van een dergelijke waardeketen-integratie waarbij de afstand tussen de zender van content (de uitgever) en de leerling wordt verkleind.

Door de enorme instroom van leerlingen werd het noodzakelijk om de inzet van leraren en de beschikbare ruimtes (het klaslokaal) te gaan optimaliseren. De leerlingen werden hiertoe via een aantal lopende banden (klassen) geassembleerd in een beperkt aantal standaard types dat aan het einde van de opleiding zo aan de “echte” lopende band kan aanschuiven. Op een aantal plaatsen wordt getest of een onderdeel aan de gestelde eisen voldoet. Door de grote snelheid van verandering in de maatschappij wordt het steeds moeilijker om de output-standaard te formuleren. Omdat men niet meer weet wat men moet weten wordt er steeds meer nadruk gelegd op zelf uit- en opzoeken (leren leren etc.). Hier spelen zoekmachines een grote rol. De rol van de leraar verandert van instructeur naar coach c.q. supporter.

In essentie is het huidige E-learning nog steeds gebaseerd op de Tayloriaanse manier van opleiden. De efficiency kan door de inzet van ICT verder worden opgevoerd. Het logistiek management-systeem (het Learning Management Systeem, LMS) speelt dan ook een dominante rol in de huidige E-Learning-pakketten.

  • Het ontwikkelen van educatieve content

De standaard-output  wordt door de behoefte aan differentiatie van de leerling steeds meer gedetailleerd. Net als in de industrie wordt opleiding een assemblage-proces dat op basis van de behoefte van de klant just-in-time componenten (learning-objects) koppelt. Het uiteindelijke doel is maatwerk per leerling (vgl. personalisatie in E-Commerce).

Een learning-object wordt beschreven door kenmerken. Deze kenmerken worden samengevoegd tot een meta-model (of taxanomie). Het meta-model kan worden opgeslagen in een (learning-object)repository. 

De taxonomie moet per bedrijf of bedijfstak worden ontworpen. Ze moet worden afgeleid uit de toekomstige opleidingsbehoefte van de organisatie. Afhankelijk van het type organisatie-onderdeel (staf, lijn), de branche (bijv. het bankwezen), de beschikbare budgetten en de manier van werken (veel of weinig eigen regels) is er content te koop (bijv. automatisering) of moet ze zelf worden ontwikkeld.  De kans is erg klein dat er content te koop is om het primaire proces van de Belastingdienst te ondersteunen. De meeste content wordt in de Engelse taal opgeleverd.

De bestaande content werd tot voor kort ter beschikking gesteld in de vorm van boeken. Deze boeken worden nu gedigitaliseerd en via een user-interface (de PC, E-Book etc) ter beschikking gesteld. Ze bestaat voor het grootste deel nog uit veel te grote niet op elkaar aan te sluiten componenten.  Een nog groter  probleem is het op elkaar aansluiten van de componenten van verschillende leveranciers. Hiertoe zijn internationale standaarden nodig.

Het ontwerpen van het juiste niveau component (de granulariteit) en het definieren van de meest passende taxonomie is cruciaal. Het kost erg veel capaciteit om in een later stadium als er veel componenten zijn gemaakt extra meta-data toe te gaan voegen of bestaande meta-data aan te passen. Het is niet aan te raden om op dit moment over te gaan tot het zelfstandig ontwerpen van complexe learning-objectstructuren. Hier speelt een vergelijkbare problematiek (en aanpak) als bij het ontwerpen van OO-gebaseerde systemen. Het wachten is op Learning-object-(class)librarys.

Er bestaat nog geen standaard-model voor learning-objects. Dit model is nog in ontwikkeling. Als deze standaard wordt vastgesteld is het zeker dat deze standaard niet volledig zal passen op de Belastingdienst. Men zal moeten toevoegen of aanpassen. Het dilemma is dat dit weer problemen gaat opleveren met de uitwisselbaarheid van de content.

Een alternatieve manier is om de meta-data rechtstreeks af te leiden uit de content. Hiertoe moet een geavanceerde pratroonherkenner (bijv. met behulp van genetische algoritmen

) worden ontwikkeld. Deze patroonherkenners bestaan nog niet.

  • Standaarden

Om educatieve content en pakketten te kunnen koppelen moeten internationale standaarden worden ontwikkeld.  Het is van belang dat deze standaarden zich baseren op de bekende Internet-(content)standaarden als HTML, XML,  XSLT transformation en

XSL-fo

Er zijn nog geen internationaal vastgestelde standaarden. Ze zijn nog in ontwikkeling. De vier belangrijkste initiatieven zijn IEEE’s Learning Technology Standards Committee (IEEE LTSC), het IMS Global Learning Consortium (IMS), Advanced Distributed Learning (ADL) in combinatie met Sharable Content Object Reference Model (ADL SCORM), en het Aviation Industry CBT Committee (AICC). (Zie Bijlage I).

Los van specifieke E-learning-standaarden is de Dublin Core-standaard van belang. Dit is een algemene standaard om het zoeken in ongestructureerde tekst te stroomlijnen (ten behoeve van bibliotheken en search-engines). In het algemeen kan worden gesteld dat de E-Learning-standaarden een specialisatie zijn van bibliotheek-standaarden.

De meest belangrijkste internationale standaard is AICC. Ze is van groot belang voor de uitwisseling/ compatibiliteit van content met al of niet multimedia onderdelen,  LMS-en, Authoring-systemen en ‘of the shelff’ producten van content-leveranciers als NetG, Smarttrainer,Smartforce en Global Knowledge. De standaard SCORM speelt alleen in de defensie wereld. Deze standaard is instabiel.

Een groot probleem is de aggregatie van learning-objects . Naast verschillende terminologieen, worden er ook verschillende niveau’s gebruikt. Een voorbeeld van een aggregatie in vier lagen is Course, Lesson, Topic, Subtopic. Een subtopic is een plaatje, graphic, stukje tekst.

De standaarden zijn meervoudig te interpreteren. Zelfs als producten voldoen aan de AICC-standaard is het integreren geen “plug and play”. Er moet intensief worden getest. Vaak moeten op basis van deze test converters (API’s) worden gebouwd.

Een voorbeeld van een nieuwe uitgebreide en goed ontworpen (Nederlandse) standaard is EML[16]. EML wordt waarschijnlijk opgenomen in IMS. EML staat daarom op dit moment erg in de belangstelling. Het EML-model bestaat uit drie onderdelen n.l. het leer-model (welke leermethode), het unit of study-model (het learning-object) en het domein-model (het  kennisdomein).

Per unit worden o.m. de volgende variabelen ingevuld:

  • Welke rollen (cursisten en docenten) zijn er?
  • Welke leerdoelen moeten er worden bereikt?
  • Welke ingangseisen worden er gesteld?
  • Welke activiteiten moeten de verschillende cursisten uitvoeren om de gestelde leerdoelen te bereiken en in welke volgorde? Wie bepaalt de volgorde (leerling, cursist of een bepaald schema)?
  • Welke hulpmiddelen (online of realiteit) heeft de cursist nodig om de activiteiten uit te voeren (litteratuur, communicatie-faciliteiten, toetsen, zoeksystemen, tools)?
  • Welke docent-faciliteiten zijn nodig en welke hulpmiddelen gebruikt de docent?
  • Matchen van content en leerlingDe statische leerbehoefte en competenties

Het koppelen van de juiste leer-componenten aan de behoefte van een leerling is in feite een matching-proces. Hiertoe moeten kenmerken van de leerling (b.v. de competentie) en zijn (toekomstige) taak of functie worden gerelateerd aan de kenmerken die bij de leer-objecten zijn opgenomen (b.v. welke kennis heeft men op nodig en welke leeraanpak is passend). Het ontwikkelen van competentie- en functieprofielen is een taak van het Human Resource Management (HRM).

Figuur 4:   Matchen van behoeftes en content

Het is zeker dat er ten behoeve van het matchen zowel aan de kant van de leerling als aan de kant van de componenten extra meta-data moet worden toegevoegd. Ook hier zal een meta-data-model moeten worden ontwikkeld (c.q. gekocht).

Als de juiste componenten worden gevonden is de kans aanwezig (en bij veel componenten groot, vgl zoekmachines) dat men nog handmatig moet filteren. Daarna moeten de componenten tot een opleidingen worden samengevoegd. Hiertoe is educatieve expertise (een educatief ontwerper) nodig.

  • De dynamische leerbehoefte

Leer-componenten bevatten ongestuctureerde data (tekst, plaatjes). Op dit gebied vertonen ze grote overeenkomst met andere content-objecten. Het verschil tussen leer-componenten en andere kennis-objecten zoals nieuws, wijzigingen wetteksten, en jurisprudentie is gelegen in de dynamiek en de meta-data waarmee ze worden beschreven. Normale kennis-objecten hebben geen koppeling met de meta-data die de leeraanpak beschrijft. 

De topstructuur van educatieve objecten (course, lesson) veranderen langzamer dan de onderliggende kennis-objecten (topic, sub-topic). Ze zijn gericht op de lange termijn behoefte aan kennis (preventie, carriereplanning). De investering in het veredelen van de objecten door ze te filteren, te voorzien van meta-data en ze te koppelen tot een cursus is zinvol als de cursus zijn rendement oplevert en dus langere tijd meegaat.

Duidelijk mag zijn dat faciliteren van de korte en de lange termijn kennisbehoefte op infrastructureel niveau sterk met elkaar is gerelateerd.  Er is sprake van gedeelde (wellicht meer gedetailleerde) profielen op het gebied van zowel de content als de medewerker. Daarnaast is er sprake van gelijksoortige technologie (bijv. search-engines, samenvatters, vertalers, dictionaries). Ten aanzien van zeer dynamische content is het niet mogelijk om handmatig te classificeren. Dit gebeurt automatisch. Automatische classificaties kunnen indien nodig worden omgezet in handmatige codes.

Leren en informeren hebben een sterke relatie. Dynamische content kan in een aantal gevallen worden gebruikt in cases of als voorbeeld. Daarnaast is mogelijk dat een medewerker bij het interpreteren van dynamische content behoefte heeft aan uitleg of bijstand van een expert (ask the expert). Op die manier wordt het (statische) opleidings-gebied weer betreden.

  • De zoekvraag

Het doel van dit rapport is het uitvoeren van een marktonderzoek. In het vorige hoofdstuk is geprobeerd om de meeste aspecten gerelateerd aan leren onder één noemer te brengen.

Gezien het feit dat leren, leven en werken erg veel met elkaar te maken blijken te hebben is het mogelijk om alle soorten technologien en onderverdelingen (CRM, HRM, E-Commerce etc.) te relateren. Door alles te zoeken vind men uiteindelijk niets. Om iets te kunnen vinden zal er dus moeten worden afgebakend en versimpeld.  

In het zoekmodel wordt uitgegaan van de verdeling content-ontwikkeling (Learning Content Management ((LCM), de Uitgever)), het beschikbaar stellen van content (Learning Management Systems ((LMS), de Opleider) en het construeren en delen van kennis en ervaring (Collaborative Learning, Ontwerpen, Exploreren).

Het gaat in feite om het matchen van kenmerken die hangen aan de content (meta-data) en de medewerker (zijn competentie, taken, loopbaan) en de medewerkers onderling (experts).

Het ontwikkelen van Competentie-profielen en functie-profielen behoort tot het domein van het Human Resource Management. Er wordt naar dit aspect geen verder onderzoek gedaan. 

Figuur 5 Afbakenen zoekvraag

Ten aanzien van Collaborative Learning is al opgemerkt dat dit aspect een sterke relatie heeft met Groupware. Er zal aan dit onderwerp geen aandacht meer worden besteed aangezien de Belastingdienst reeds beschikt over een “full-flash” groupware-systeem (Lotus). Het is duidelijk dat er in of op Lotus faciliteiten dienen te worden gebouwd c.q. gekocht (bijv. het matchen van experts of het faciliteren van dialogen (bijv. moderating)). 

Sommige E-learning-leveranciers, zoals Intellinex en Saba faciliteren Collaborative Learning.

Er is vastgesteld dat de kennis-spiraal in ondernemingen steeds sneller gaat draaien en dat er dan ook behoefte zal gaan komen aan een geintegreerd change-management-systeem dat organisatorische- en technische changes coordineert. Aan dit onderwerp zal in dit rapport verder geen aandacht meer worden geschonken.

E-learning kan op commercieele basis worden uitgevoerd. In dit kader zijn E-commerce-faciliteiten nodig zoals betalen en copyright-management. In dit rapport wordt aan  dit aspect geen aandacht gegeven.

Als laatste drijft de kennis-infrastructuur op de applicatie- en technische infrastructuur. Ze wordt in dit rapport als een gegeven gezien. In principe moet het mogelijk zijn om gebruik te maken van wat er is of (wellicht beter) om het aspect E-Learning uit te besteden in de vorm van een externe ASP zodat de relatie met de techniek “loosely coupled” wordt.

  • De markt
    • Algemeen beeld

Tegelijkertijd met het instorten van de Intermarkt kwamen er zeer positieve cases op het gebied van E-learning beschikbaar zowel in het school-systeem als bij bedrijven. E-Learning blijkt kosten te besparen. Op dit moment stelt al 50% van de Amerikaanse Colleges zijn traning on-line beschikbaar. De hogere segmenten (Universities etc) stomen snel op. Alleen deze markt wordt in 2005 al geschat op 20 miljard dollar.

De omzet van de groten op de markt (bv. Smartforce, Intellinex, SABA, Click2Learn, DigitalThink en Docent) neemt nog steeds toe. De meesten maken nog fors verlies (Saba en Docent $60 mio, Intellinex speelt quitte). Op de markt zijn Smarforce, Intellinex en Netg overduidelijk de grootste.  Docent geeft om marktaandeel te veroveren op dit moment software gratis weg. Het is de kleinste. De sales- en supportafdelingen van de grote spelers als Saba en Intellinex zijn in Europa net in ontwikkeling.  Kleinere leveranciers, zoals Docent, zijn volledig afhankelijk van hun implementatie-partners. 

Figuur 6: Verhouding omzet E-learning leveranciers (2000) (bron IDC).

Er worden laatste tijd in snel tempo grote lucratieve contracten afgesloten (bijv. met Eastman Kodak’s, 80,000 medewerkers).  Dit staat in schril kontrast met de bedrijven die zich op E-Commerce hebben gestort. Het gevolg is dat alle groten (bijv. Oracle, Microsoft, IBM) en kleintjes zich in snel tempo gaan profileren als E-learning-company.

  • De spelers

De markt kan worden verdeeld in leveranciers van Content, Pakketten (Delivery Solutions, LMS, LCMS) en Consulting. Sommige leveranciers leveren combinaties.

Figuur 7: De spelers op de Europese markt (bron IDC).

De meeste consulting bedrijven leveren specialisten op het gebied van E-learning. Deze consultancy-bureau’s hebben een relatie met meestal een aantal pakketten-leverancier. Sommigen gebruiken zelf E-Learning pakketten (bijv. Deloitte Saba). De  onafhankelijkheid van de meeste consutnacy-bedrijven kan worden betwijfeld. E&Y is een voorbeeld van een consultancy-bedrijf dat (via Intellinex) zijn eigen E-learning-systeem en content verkoopt.

  • Trends bij kopersPrijsconcurrentie

Er wordt door kopers steeds meer aandacht gegeven aan kwantitatieve aspecten zoals kostenbesparing en prijs. Er is sprake van toenemende prijsconcurrentie. Microsoft’s is bijvoorbeeld om prijstechnische redenen recent veranderd van Click2learn naar SmartForce.

  • Financiele draagkracht leveranciers

Vanwege de zich aftekenende consolidatie kiezen klanten steeds meer voor marktleiders waardoor veel start-ups, als ze niet worden overgekocht, failliet gaan. De markt is aan het consolideren. Er vinden veel overnames plaats (bijv. Intellinex koopt Teach.com). De financiele kracht van een onderneming is een belangrijk selectiecriterium.

  • Content becomes the king

Het gaat bij E-learning in toenemende mate om het kopen c.q. delen van content. De openheid van deze content wordt daarom van groot belang (Zie Standaarden). Steeds meer bedrijven concentreren zich op content (bijv. Smartforce, Global Knowledge en NetG). Dit is ook het snelst groeiende marktsegment. De verhouding Delivery Solutions : Services : Content is nu 1 : 1 : 1 en zal (in 2004 volgens IDC) veranderen naar 1 : 2 : 7. De openheid van het LMS naar allerlei soorten content is cruciaal.

  • Standaarden

Bedrijven die niet voldoen aan internationale standaarden (AITC) worden niet meer  geselecteerd [17].

  • End-to-end oplossingen

Kopers zijn steeds meer op zoek naar end-to-end oplossingen. In dit kader komen de bekende integrators als IBM (met Mindspan Solutions) en Microsoft (samen met Blackbord) naar voren. Naast interne integratie is er grote belangstelling voor ASP-oplossingen.

  • Technologie

De learning-objects zijn sterk in opkomst. Dit idee wordt gepropageerd door een toenemende groep bedrijven verenigd in de  LCMS Vendor Council. Er is steeds meer aandacht voor collaboratieve technologien (“learning by doing”).

  • Implementatie-tijd

Het implementeren van complexe pakketten (vgl. SAP) kost erg veel tijd. Soms mislukt de implementatie. Berucht is SABA (net aangeschaft door ABN AMRO). Het pakket heeft een enorme functionaliteit. Het is daarom erg in trek bij consultants. Het kost vele manjaren en soms jaren om dit pakket in te stellen. Cisco is om deze reden eind 1999 overgeschakeld naar Intellinex dat een veel beter implementatie-track-record heeft (meestal binnen 3 maanden).

  • E-Learning management systeem (LMS)

Zoals in hoofdstuk 7 in grote lijnen uiteengezet kent de E-Learning markt drie voorname invalshoeken:

  • Content (generatie),
  • (Consulting) Services en
  • Delivery Solutions (LMS, LCMS)

(Voor het gemak en de eenduidigheid is hier gekozen voor de term Learning Managament System of LMS).

N.B.: De relatie met de in LEERNET gebruikte terminologie is gelegd door tussen haakjes (vet cursieve) print.

De functionaliteit van verschillende LMS-en is zo  complex dat ze eigenlijk alleen met uitgebreide demonstraties te vergelijken is. Enkele willekeurige voorbeelden van vragen over functies:

  • hoe zit de push mail functie in elkaar.
  • Kunnen mensen meer dan 1 adres hebben.
  • Hoeveel lagen kunnen learning approval geven,
  • hoeveel lagen diep kun je een organisatieschema kwijt.
  • Hoe werkt het competentie management deel;
  • Hoe de matching?
  • Hetzelfde met Forum discussie functies.
    • Met de backoffice,
    • met report functies voor het management informatie systeem, etc.

Op een hoog abstracteniveau lijken LMS’en sterk op elkaar. Omdat alle LMS’en beogen een complete “end-to-end” oplossing te bieden, moet binnen het pakket alles aan de orde komen, met alle klassieke gevaren van overlap met reeds bestaande functies:

  1. Content generatie of Learning Development System, (LDS)
  2. Consulting services

Maar daarnaast dus:

  • Registratie algemeen
  • (inschrijving, aanwezigheid, (deelname initieel/ just in time leren)
  • Competentie registratie en Personalisatie:
  • HRS-koppeling, certificatie (competentiekaart), verificatie (afvinken)
  • individuele rapportage, carrière-“yield”,
  • curriculum planning (leereis, leeradvies, Goal based learning), vordering binnen curriculum (reflectie)
  • workflow aspecten.
  • Logistiek planning
  • (roostering, ruimten en fysieke middelen)
  • Architectuur compliantie met de “business” en de technische infrastructuur.

Accurate en betrouwbare vastlegging en sturing is -gezien de ermee gemoeide belangen- vanzelfsprekend een bepalend criterium . Maar bovendien kan ook nog een andere indeling worden aangebracht gezien de factor tijd en urgentie: een horiontale gelaagdheid

  • Hoogdynamische (dag tot dag) operationele content (actueel nieuws)
  • Dynamische, vakgebonden (fiscale) content (nieuwe wetgeving, jurisprudentie (cf. bijvoorbeeld LexisNexis) (just in time leren)
  • Statische(r) generieke content : formele kennis, competenties, skills, carriere info  (diploma’s, credentials, milestones) (in virtuele leergroep)

Tenslotte kennen alle LMS pakketten nog de mogelijkheid van een E-Commerce module voor het verwerken van facturen, opleidings-vouchers (waardebonnen), creditcard betalingen, enzovoort. Waarschijnlijk is deze voor de Belastingdienst irrelevant.

  1. eCommerce module

Al met al een onbruikbaar complexe indeling Om daarin tegen de achtergrond van B/C ICT -in het kader van LEERNET– goed onderscheid aan te kunnen brengen dient eenduidigheid te bestaan over welke (knock off) criteria moeten worden gehanteerd. Er kunnen een groot aantal invalshoeken worden gekozen, maar gegeven de grootte en de aard van de B/C ICT  populatie moeten als die van het grootste belang worden beschouwd[18]:

  1. Registratie algemeen
    1. Competentie registratie & personalisatie
    1. Logistiek planning & workflow
    1. Architectuur compliantie

8.1       Registratie algemeen

Een goed Learning Management Systeem, of  LMS moet vanzelfsprekend eenduidig kunnen registreren. Maar als het volledig is heeft het tevens alle functionaliteit om de personeels ontwikkel kant in HR geheel te managen evenals een complete en grote complexe opleidings functie zodat een organisatie nog slechts een HR systeem (in dit geval SAP-HR) nodig heeft om de administratieve (klassieke) kant te managen. Voor de Belastingdienst moet de vraag worden beantwoord waar de “knip” qua functies moet komen te liggen.

8.2       Competentieregistratie & personalisatie

Het LMS kan de cursusregistratie dus koppelen aan een competentie-registratie of PDP (personel development plan).(Bepalen en schrijven leerroute). Zo’n personeel ontwikkelplan is afgeleid van een “gap analysis” tussen het eigen competentie profiel, (wellicht tot stand gekomen na een assessment), en een gewenst profiel (te verwerven competenties) passend bij een rol of functie.

Natuurlijk kunnen te stellen competentie eisen op alle mogelijke manieren gekoppeld worden aan individuen, rollen, organisatie onderdelen, etc. Hierin en in de leermodules en curricula kan ook volop ge-searched en ge-browsed worden. (Leernet matching functie, leerdossier). Met on-line leren kan snel een grote groep worden (bij)geschoold/ gepraat. Als de functionaliteit volledig wordt benut treden er drie neven effecten op.

  1. Ten eerste is resource planning goed mogelijk omdat de Belastingdienst precies weet wat de kwalitatieve en kwantitatieve competenties zijn.
  2. Ten tweede zal de Belastingdienst over een ongekend aantal ‘facts and figures’rondom leerprocessen en faciliteiten beschikken. Een belangrijke bron voor sturing, kosten reductie en optimalisering.
  3. Ten derde zal het systeem integreren met kennis management. Leerervaringen vanuit de toepassing worden uitgewisseld en kunnen, bi-directioneel dus, omgezet worden in on-line kennis/modules.
  • Logistiek planning & workflow

Een goed LMS “manage-t” ook de workshops, klassikale leerprocessen, seminars, zelfstudie etc. (arrangeren, inroosteren). Het backoffice behoort krachtig genoeg te zijn om tienduizenden mensen in een complexe organisatie te begeleiden, plannen, coördineren, rapporteren, monitoren, qua leren, faciliteren etc. Ook alle lokalen, hotels, beamers, (externe /co-) docenten en kosten. (uitvoerbaarheid testen, accorderen, klaarzetten, doorbelasten).

Betrokkenen hoeven op hun systeem niets te downloaden. De lerende evenmin als de manager. Alle PC’s en laptops binnen de Belastingdienst kunnen, indien aangesloten op intranet danwel internet, dienstdoen als leerstation. Leren vanaf de eigen werkplek kan voor de lerende kosteloos indien deze inlogt op het eigen intranet waarbij het net ‘terugbelt’en de kosten voor de Belastingdienst neemt.

De beheerfunctie voor de organisatie kan beperkt worden tot een aantal “ster”gebruikers, bijvoorbeeld planners en coödinatoren voor leerroute/leertaak ondersteuning en een aantal report administrators inclusief enkele regelaars voor complexe automatic mail activiteiten, die bijvoorbeeld alle informatie aanleveren als deel van een MIS. Daarnaast indien gewenst discussie- moderatoren worden ingevoerd. Tenslotte is een beperkte eerste lijn helpdesk nodig.

Omdat leren via verschillende distributiekanalen en communicatie kanalen kan plaatsvinden en de leerstof op verschillende wijzen vastgelegd kan zijn is het mogelijk om een lerende vooraf een (entry)test af te nemen en de didactisch meest optimale vorm voor het leerproces te bepalen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan teamwerk tussen de projectleider, (soms kunnen mensen meer dan één rol op zich nemen), educational designer, subject matter expert, graphic designer, programmer, multimedia specialist, onderwijs coördinator, etc. On-line authoring maakt het bovendien mogelijk om met externe experts een gemeenschappelijk team te vormen.

Alle andere fucties en rollen kunnen worden ge-outsourced (en kunnen desgewenst  in een ASP pakketprijs worden begrepen). Bij huidige grootschalig geimplementeerde LMS situaties blijkt deze opzet veruit populair.  De motivatie is in de regel: substantiële reductie (vaak > 30 % ) in kosten en in de regel aanleiding tot reorganisatie/stroomlijning  van de interne opleidings functie.

Workflow-aspecten:

Het opstellen van een leeradvies en vervolgens het accorderen van een concreet leerplan kan in principe worden ondervangen binnen reeds bestaande workflow-functionaliteit(!). Maar kan ook binnen een LMS op 3 niveau’s plaatsvinden: bijvoorbeeld door mentor, manager, opleidings coördinator. De leerstof ontwikkeling en het onderhoud (I:O:C: model, cognitieve/ervaringstaken) gaat in dat geval volledig online. Een compleet LMS heeft bovendien fase-functies voor leerplannen:

  • historie,
    • in de wacht,
    • gepland maar nog niet geaccordeerd,
    • onder handen leerproces

Een LMS hoort te ondersteunen de niveau’s curriculum, cursus, module, les, topic, subtopic. (Een subtopic is een leerobject, tekst, plaatje, model, figuur, etc.) Op dit niveau kan dan ook door een cursus heen genavigeerd worden.

De communicatie/distributie kanalen voor leerprocessen en coördinatie, begeleiding kunnen ook door de organisatie worden gebruikt ter voorbereiding of vervanging van meetings, om top down iets naar vele doelgroepen te communiceren, of om discussie te voeren. (Plan van aanpak, reflectie/interventie)

8.4       Architectuur compliantie

Vanzelfsprekend is inbedding in de bestaande Business-, Informatie- en Infrastructuur Architecturen van de Belastingdienst onontbeerlijk. Van bijzonder belang is de eerder genoemde koppeling met SAP-HR. Verder zal zodra een definitieve keuze van B/C ICT bekend wordt ten aanzien van een overkoepelende workflow management oplossing, integratie daarmee een hard vereiste zijn.

Door veel leveranciers wordt exclusief de nadruk gelegd op onderscheidende eigenschappen op het multimediale, perceptieve vlak.. Men kan zich afvragen in hoeverre dat voor B/C ICT relevante criteria oplevert. Internet faciliteiten zijn inmiddels goed genoeg om streaming audio en static video aan te kunnen, naast modellen, plaatjes, drag and drop oefeningen, spelletjes en simulaties. Waar relevant kunnen zeer indringende WEB based modules worden samengesteld.

Gegeven de aard en omvang van de Belastingdienst is het onwaarschijnlijk dat een kleinere LMS of Delivery Solution leverancier voldoende functionele en logistieke capaciteit en schaalbaarheid kan bieden om implementatie bij de Belastingdienst binnen een acceptabel tijdbestek mogelijk te maken. De ervaringsgegevens over implementatie effort en –kosten lopen sterk uiteen en dienen een belangrijk keuze kriterium te zijn.

Om die reden zal de keus zich kunnen beperken tot de als  bijlage II opgenomen matrix van de grootste vier LMS leveranciers (zie ook 7.3) en de functionaliteit die ze bieden.[19]

Aanbeveling:

Om reden van integratie en uit oogpunt van kosten en doelmatigheid raden wij sterk aan een volledige ASP oplossing te kiezen. Er zijn leveranciers die inmiddels meer dan 1 miljoen lerenden worldwide “hosten” in strikt beveiligde omgevingen met een performance van 99,97 % op een geplande beschikbaarheid van 24 x 7 x 365 h ofwel “zero down”. Tevens is externe hosting op ASP basis mogelijk bij een eigen extranet oplossing waarbij de volledige infrastuctuur onder beheer van de klant valt. Dit puur om extra security redenen.

  • Learning Content Management Systems (LCMS)
    •  Web-content-management

Het verschil tussen “normale” content en leer-content is in zekere zin arbitrair. Het belangrijke verschil is gelegen in het toekennen van gespecialiseerde meta-gegevens en het koppelen van componenten via een workflow tot een cursus of curriculum (Zie Hfdst 5.9). De content moet door het LMS worden herkend.

Het ontwikkelen en presenteren van educatieve content kan plaatsvinden met (Web-)content-management-systemen. Voordeel is dat er geen verschil hoeft te worden gemaakt tussen leer-objecten en andere kennis-objecten.

Geavanceerde content-management-systemen ondersteunen o.m. vele content-typen (multimedia),  workflow, indexeren/zoeken en personalisatie. Ze hebben vele standaard- interfaces naar “third-party” software (SAP, Peoplesoft, ..).

De content-management komt voort uit document-management. De tradionele  leveranciers hier zijn Interwoven, Documentum en Xpedio.  Er zijn bedrijven die zich hebben gespecialiseerd in web-content-management (o.m. Microsoft, Aptrix (in combinatie met Lotus), Tridion). Als laatste zijn er leveranciers die ook nog hebben gespecialiseerd in personalisatie (Vignette,Broadvision) [20]. De laatstste twee zijn de top in de markt. Alle content-management-leveranciers zijn zich aan het etaleren richting E-learning. Voorbeelden van samenwerkingsverbanden zijn Vignette/OutStart [21],  Broadvision/Powered Inc [22] en Documentum/Plateau[23]. De partners zijn kleine start-ups. 

Er wordt op dit moment onderzoek gedaan bij de Belastingdienst naar een content-management-systeem. Aangeraden wordt om het verband tussen het onderzoek naar E-learning en het content-management-onderzoek in de gaten te houden. Indien er sprake zal zijn van separate systemen zal er een koppeling moeten worden gemaakt.

  • Authoring systems

Het ontwikkelen van educatieve content vindt plaats met z.g. authoring tools. Deze authoring tools ondersteunen educatieve ontwikkelaars, die geen computerexperts zijn, om op eenvoudige wijze educatieve content in te voeren (via templates) en onderling te verbinden (bijv. via een flow-chart). Daarnaast kunnen training-specifieke aspecten zoals verschillende testsoorten, meten voortgang leerling en feedback van de leerling worden gekoppeld.

In een later stadium zijn de hulpmiddelen geschikt gemaakt voor het Internet en voor multimediale objecten (plaatjes, films etc). Naarmate de ontwikkelaar meer geavanceerde functies wil toevoegen zal de ontwikkelaar moeten gaan programmeren. Hiertoe kan hij normale talen gebruiken (bijv. Java). Daarnaast zijn er speciale scripting-talen ontwikkeld (bijv. Javascript). De geavanceerde authoring-hulpmiddelen verschillen qua besturing (testen,  configuratie-management, autorisatie, archivering,  etc.) niet veel meer van de normale content-management-hulpmiddelen.

Om content te kunnen doorgeven naar een LMS is het noodzakelijk dat de content voldoet aan standaarden van de AITC of ADL (Scorm).

Ook hier is er sprake van een uitbouw van bestaande markleiders op het gebied van authoring naar de E-learning-wereld. Zo heeft Macromedia onder meer Authorware en Dreamweaver met Coursebuilder ontwikkeld.  Een overzicht van de belangrijkste authoring-tools staat in [24].

Het belangrijkste onderdeel van een authoring-hulpmiddel is de database met herbruikbare objecten (plaatjes, video’s, tabellen, audio, tekst etc.). De leveranciers gebruiken hiertoe allemaal de normaal beschikbare DBMS’en (vaak met ODBC en soms JDBC). Om deze objecten te kunnen vinden moeten de objecten voorzien worden van meta-data door de auteur.

Als laatste is onafhankelijkheid van presentatie van de content door de toenemende diversiteit van user-interfaces (TV, PC, Spel-computer, GSM) van groot belang. Hier speelt mobiliteit een grote rol (Appliances).

Een voorbeeld van de top in web-based authoring tool is LEAP van Intellinex. Alle markleiders hebben eigen vormen van een min of meer gesloten LCMS’en.

Op het gebied van Learning Objects timmert WBT-systems (met Topclass) aan de weg. Opgemerkt dient te worden dat bedrijven als WBT erg klein zijn en dat het onwaarschijnlijk wordt geacht dat ze de enorme investering die nodig is om een dergelijk geavanceerd LCMS te kunnen ontwikkelen kunnen opbrengen. Het wachten is dan ook op een overname of een faillisement.

  • Uitgevers

E-learning is het integreren van de waardeketen tussen de (educatieve) content-producent en de leerling. Een belangrijke speler op dit gebied zijn uitgevers. Ze zijn allemaal bezig om hun content digitaal te maken en via het Internet of via data-feeds (bijv. nieuws) ter beschikking te stelen. Een volgende stap in de keten-integratie is het “direct” koppelen van de auteur aan de leerling via een “clearing-house”. Dit clearing house zorgt o.m. voor het digitaliseren van de content, , het omzetten van de content naar passende componenten (conversie), het aanbrengen van meta-data en indexen (de taxanomie), centrale opslag, zoekmogelijkheden,  het transformeren naar de juiste presentatie-vorm (channel-management bijv. web, CD, ..), het samenvoegen van de juiste componentent tot een cursus en het zorgen voor betaling en copy-right-management. Een voorbeeld van een dergelijk Nederlands clearing-house is VelvetTree (ex. Bosch en Koening). VelvetTree heeft een engine ontwikkeld gebaseerd op XML-technologie. 

  1. Aanbeveling

De E-learning-markt is aan het exploderen in omzet, functionaliteit, taalgebruik en ondernemingen. Kortom E-learning is een hype aan het worden! Naast traditionele leveranciers van trainingen (bijv. Smartforce, Intellinex) en training-technologie (bijv. Saba) zijn alle leveranciers van onderdelen van E-learning (bijv. workflow/groupware (Lotus), content-management (Vignette), authoring (Macromedia), databases (Oracle), infrastructuur (IBM, Microsoft) en consultancy (KPMG, Deloitte, E&Y, Accenture) zich aan het profileren. De markt is op weg naar een enorme shake-out. Het is dan ook aan te bevelen om de financiele en R&D-kracht van een bedrijf als belangrijk selectie-criterium te nemen.

Het ontwikkelen van een curriculum vooral als dit is gebaseerd op een geavanceerd concept als goal-based-learning is vakwerk. Het gaat hier om een redelijk klein aantal specialisten die kennis hebben van o.m. technologie, (leer/cognitie-)psychologie, implementie (veranderkunde) en exploitatie. Deze kennis moet niet bij één concultancy-bedrijf worden gezocht. Bekend is dat deze bedrijven zeer snel om hun inkomen op te voeren grote hoeveelheden onervaren medewerkers in gaan zetten. Deze medewerkers krijgen ervaring op kosten van de klant. Gezien de belangstelling voor Goal-Based-Learning wordt aangeraden om in ieder geval Roger Schank bij het vervolgtraject te betrekken.

Het betrekken van consulting bedrijven heeft alleen zin als er sprake is van een implementatie (instellen van de parameters). Op dit gebied bepaalt de leverancier van de infrastructuur in zekere zin de keuze van het consultancy-bedrijf. Op dit gebied is Deloitte verbonden met Saba, E&Y met Intellinex en Accenture met Docent (hier zijn ze aandeelhouder van).

Technology-bedrijven zitten eigenlijk in hetzelfde vaarwater als de consultants. Ze hebben hun eigen producten als voorkeur maar pretederen “onafhankelijkheid”. Gezien de dominantie van IBM is een relatie met IBM voor de hand liggend (Zie IBM Mindspan Solutions). Hierbij moet worden opgemerkt dat dergelijke bedrijven geen echte ervaring hebben met training van belasting-personeel. Een belangrijk keuze-critrerium moet zijn dat datgene wat het bedrijf adviseert het ook zelf moet worden gebruikt. Waarbij de vraag naar boven komt welk E-learning-systeem IBM zelf gebruikt!

De E-learning-infrastructuur is aan het stabiliseren en standaardiseren in de vorm van Learning-Management-Systemen. Ze zijn uitgekristalliseerd in de praktijk van de training-leveranciers. Op dit gebied kan in zee worden gegaan met één van de marktleiders (Zie bijlage II).  Hierbij moet worden aangetekend dat Saba bij een groot aantal klanten implementatie-problemen geeft vanwege de enorme functionaliteit. Daarnaast is Docent als bedrijf te klein.

Het belangrijkste onderdeel is content. Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen statische specifieke educatieve content (het curriculum) en dynamische content die meer in de hoek van performance-support zit. Op het eerste gebied is er sprake van het ontwikkelen van herbruikbare componenten (learning-objects). Deze ontwikkeling is in het beginstadium. De meeste leveranciers gebruiken nog een hierarchisch model met een aantal vaste lagen (max. 4). Pogingen tot standaardisering binnen AITC, IMS (bijv. EML) en ADL (Scorm) zullen hier overduidelijk een rol spelen. In essentie gaat het in alle gevallen om het matchen van profielen van de medewerker met profielen die aan de content zijn gekoppeld. Het ontwerpen van een dergelijk meta-model is cruciaal en een zeer complexe aangelegenheid. Het zal moeten plaatsvinden of in samenspraak met een leverancier of (wellicht beter) door een team van onafhankelijke deskundigen dat in een later stadium de specificatie overdraagt aan de leverancier.

Ten aanzien van de dynamische content in combinatie met performance-support is een samenwerkingsverband met een (educatieve) uitgever van belang. Het is zinvol om het idee van een Belastingdienst-clearing-house verder uit te werken.

Ten aanzien van de integratie in de Belasting-infrastructuur kunnen grote problemen worden verwacht. E-learning raakt aan alles! Het is dan ook aan te bevelen om te gaan kiezen voor een loosely coupled ASP-oplossing.

Kort samengevat wordt geadviseerd om voordat er sprake is van een “beauty-contest” vooral de content-architectuur (het LCMS) verder uit te werken.  Het in zee gaan met wat voor partij dan ook impliceert een keuze voor een product.  Indien men dit toch wil doen zijn Intellinex (E&Y), Deloitte (Saba) , IBM (Lotus/Mindspan) en Accenture (Docent) in deze volgorde de beste gesprekspartners. 

Bijlage I: Belangrijke standaards in E-Learning

IEEE Learning Technology Standards Committee (LTSC)

Approximately 20 different working groups within the IEEE’s Learning Technology

Standards Committee are each creating a separate but related e-Learning standard.

Topics covered include learning object metadata, learner profiles, lesson sequencing,

computer managed instruction, and content packaging.

The IEEE is influential because nearly every global initiative working on e-Learning standards has agreed to abide by the process for certifying standards set forth in IEEE LTSC P1484. The IEEE LTSC is taking specifications developed by those groups and crafting them into accredited standards that meet strict quality requirement set forth by standards bodies like ANSI and ISO. The LTSC membership is made of individuals and organizations. The LTS also coordinates work with the ISO JTC1 SC36. ISO members are nations rather than individuals or organizations. As e-Learning specifications evolve, the IEEE LTSC is turning them into reliable, verifiable standards with worldwide recognition.

AICC  | The Aviation Industry CBT Committee

The AICC is an international association of technology-based training professionals that was formed to standardize instructional material for aircraft manufacturers and buyers. Going back to the days when DOS was the dominant operating system, the AICC specifications have served, at times, as an early benchmark for the e-Learning industry as a whole.AICC specifications cover nine major areas – from learning objects to learning management systems. Typically, when a company says it complies with AICC specifications, it means it complies at least in part with one or more of the group’s nine guidelines and recommendations. AICC operates a certification program and provides a test suite that e-Learning vendors can use to double-check that their products are in fact compatible with other AICC-compliant systems. This certification is currently available only for an earlier version of the AICC specification. It’s important to note that the AICC remains focused on specific requirements of one industry– its primary goal is to create guidelines that serve the needs of the aviation industry and its vendors. The broader exploration of e-Learning standards is being done today within the more inclusive IMS Global Learning Consortium.

ADL  | Advanced Distributed Learning Initiative

The U.S. government’s Advanced Distributed Learning initiative is the group responsible for creating the Sharable Content Object Reference Model (SCORM). SCORM is the government’s blueprint for an interoperable, learning object-based e-Learning system. The specification was developed to help ensure that government-training materials were interoperable. The result is a set of rules that encourage extreme degrees of granularity – defining very small segments of e-Learning that can be combined to create full courses. Rather than creating specifications out of thin air, the SCORM technical working groups are reusing existing specifications, such as portions of the AICC and IMS specifications. Ongoing work is done in close cooperation with those groups and the IEEE LTSC. This standard is important to any organization or group creating e-Learning modules that will be used by military and government organizations, but is also increasingly getting traction in corporate learning because it benefits from more development resources and better testing than the AICC specification.

IMS  | Instructional Management System Global Learning Consortium

The IMS Global Learning Consortium is comprised of members from educational, commercial, and government organizations. Their charter is to develop and promote open specifications for facilitating online learning activities. This group has been clarifying how e-Learning content should be identified or tagged and how to organize learner information for exchange between the different services involved in learning management. Other specifications include enterprise level data exchange, content packaging, content sequencing, accessibility, reusable competency definitions and question and testing mechanisms. The IMS is the most active standards specification initiative and, because of its broad scope, will present some of the most useful features for customers. It’s worth noting that the IMS has been an active participant¾in cooperation with other groups – in the development of a specification for metadata. These rules will spell out how learning objects are tagged with cataloguing information, such as course titles, authors, publishers and formats. This specification is currently being finalized by the IEEE LTSC and may become the first to become a real, recognized e-Learning standard. The IMS has developed and is maintaining the XML binding to encode the metadata.

Microsoft’s Learning Resource Interchange (LRN)

LRN was the first commercial implementation of the IMS Content Packaging Specification developed by the e-Learning industry and the IMS Global Learning Consortium. LRN is an XML-based schema that defines course content, allowing organizations and e-Learning providers to easily create and manage compatible online learning content. Now that the SCORM specification has incorporated the IMS Content Packaging specification, LRN has largely faded from view as a separate specification.

PROMETEUS: Promoting Multimedia Access to Education and Training in European Society

The various special interest groups (SIGs) of PROMETEUS work to apply and integrate IEEE LTSC standards into Europe’s context and cultures. Their clear underlying ideal is to promote access to education and training to all European citizens – regardless of their age, geographical location or social status. 

PROMETEUS has brought together hundreds of public and private sector organizations. Their goal is tobridge the gap between research and actual use of learning technologies, content, and services. PROMETEUS also provides guidelines, best practice handbooks, and recommendations that will be submitted to Education and Training Authorities and to European Union and International Standards Bodies.

The Dublin Core: Metadata for Electronic Resources

The Dublin Core group is building an interdisciplinary, international consensus around a metadata element set that will make it easier for people to search and find all kinds of electronic resources – including e-Learning building blocks. The Dublin Core group’s initiative has attracted the attention of museums, libraries and government agencies and other organizations involved in cataloguing electronic resources to make information easier to find. e-Learning groups are developing both the IMS metadata specification and the IEEE LTSC Learning Object Metadata (LOM) standard in cooperation with the Dublin Core group. As a result, the LOM standard will incorporate the generic Dublin Core descriptors along with additional data specific to learning objects.

The Dublin Core is an important group to watch because they have active participation and promotion in over 20 countries in North America, Europe, Australia, and Asia.

BIJLAGE II: Functionaliteit bij top-tier vendors [25]

he following table shows a high level analysis of features and functionality with top tier vendors.

Last Updated:  August 9, 2001

NA = Not available

Note:  On December 11, 2000 Saba released a new version of their LMS.  The matrix below does not yet  reflect the new version. 

FEATUREDocent Enterprise 4.7Saba Learning EnterpriseClick2learn
Ingenium 6.0
INTELLINEX
Learning Zone 2.6.1
 
RegistrationStrongWeakStrongStrong 
Self RegistrationYesNAYesYes 
Online Registration & ConfirmationYesYesYesYes 
Call Center RegistrationNoYesNoNo 
Conflict CheckingYesYesYesYes 
Prerequisites CheckingYesYesYesYes 
Registration ApprovalYesYesYesYes 
Individual CalendarsYesNoYesYes 
Workgroup CalendarsYesNoYesYes 
Event SchedulingYesYesYesYes 
Home Page/PersonalizationWeakWeakWeakStrong 
System Driven-Display:
Upcoming and Active Learning
Waiting Lists, Pending Registration Approval Certifications
Learning History
NAYesYesYes 
Learner Driven-PersonalizationNANoNoYes** 
Learning StatusStrongStrongEquivalentEquivalent 
Learning CertificationsYesYesYesYes 
Learning/Training Plan
Current Learning
Learning History
Waiting Lists
Certification Status
YesYesYesYes 
Employee TranscriptsYesYesYesYes 
Certification & Compliance IssuesYesYesYesYes 
Reporting of Course CompletionYesYesYesYes 
Learning information:
Upcoming scheduled
Active/nonscheduled
Waiting lists
Registration waiting-list approval
NAYesYesYes 
Skills-Based (Competency)EquivalentEquivalentEquivalentEquivalent 
Skills InventoryYesYesYesYes 
Skill RequirementsYesYesYesYes 
Skill CertificationsYesYesYesYes 
Multiple Jobs and OrganizationsYesYesYesYes 
Class EnablersStrongWeakEquivalentEquivalent 
Attendance TrackingYesNoYesYes 
On-Line Class RosterYesYesYesYes 
E-CommerceStrongStrongWeakStrong
Credit Card PurchasesYesYesYesYes
VouchersNoNoNoYes
Charge-BacksYesYesYesYes*
Multiple CurrenciesYesNANoNo
Multiple Language Credit TransactionsNANoNANo
Browse/Search-Locate LearningStrongStrongStrongStrong
Learning CatalogsYesYesYesYes
Browsing and Searching OptionsYesYesYesYes
Web-Based LearningYesYesYesYes
CD-ROM, Uploading ResultsYesYesYesNo*****
EntitlementYesYesYesYes
Performance Measurement/ManagementStrongStrongWeakStrong
Career PlanningYesYesYesYes
Tracking and Reporting of Learner ProgressYesYesYesYes
Evaluation of Performance ImprovementYesYesYesYes
Alignment of Training and Competencies With Business GoalsNoYesNoYes
Learner CommunicationStrongStrongStrongStrong
E-Mail MessagingYesNoYesYes
Online Collaboration Tools (chat, messaging, threaded discussion groups)YesYesYesYes
Virtual Classroom and Live Conferencing ToolsYesYesYesYes
Curriculum DevelopmentStrongStrongEquivalentEquivalent
Budgeting & ForecastingYesYesYesYes
Support for Alternate Learning ActivitiesYesYesYesYes
Learning MapsNoNoYesYes
Skill Gap AnalysisYesYesYesYes
Integration CapabilitiesStrongStrongStrongStrong
Ability to Integrate Third-Party ContentYesYes***YesYes
Upload ResultsYesYesYesYes/No****
Course DeliveryStrongStrongStrongStrong**
Multiple Language SupportYesYesYesYes**

*If you are not using the Intellinex e-commerce capabilities, then clients can use the CORE product charge-back feature.

** Planned between Q4 2001 and the end of Q2 2002.

*** Must be AICC compliant.

**** The Learning Zone uploads results from courses taken offline (like NETg courses), but this functionality is not available to all   vendors, or for our own LDS courses (which currently are not available for offline delivery).

*****Through the LMS Monitoring of results is possible, not the uploading.


[1] Matarana H., and Varela F. (1987), The Tree of Knowledge: The biological Roots of Human Understanding, Shambala Publications, Boston

[2] Skinner B.F, (1984), Over gedrag, Boom, Meppel.

[3] Schank R., (1977), Scripts, Plans, Goals and Understanding: An  Inquiry Into Human

Knowledge Structures. With R.Abelson, Lawrence Erlbaum Associates, Hillsdale, NJ

[4] Schank R., (1982), Dynamic Memory: A theory of reminding and learning in computers

and people, Cambridge University Press.

[5] Schank, R.C, (2001), Designing World-Class E-Learning, McGraw-Hill Professional Publishing.

[6] Spek R. van der, Spijkervet, A.(1997). Kennismanagement, Intelligent omgaan met kennis. CIBIT, nr. 1.

[7] Nonaka Ikujiro, Takeuchi Hirotaka, (1995), The Knowledge Creating Company, Oxford University Press.

[8] Marc, J. Rosenberg, (2001), Building successful E-learning strategies, McGrawHill.

[9] Tom Kelly, Vice President of Worldwide Training, Cisco Systems

: About 14 months ago, we approached Intellinex and asked if they could help us develop a learning solution. At first, we told them they had about seven months to develop the solution for us–from the technology, to the site development, content development and portal–but then, in true Cisco fashion, we changed our minds and asked Intellinex if it could be done in three months and they did it.

[10] Papert, S., (1990), Introduction in I. Harel (ed.), Constructionist Learning. Boston MIT

[11] Isaacs, W, Senge P.,(1999),  Dialogue and the Art of Thinking Together : A Pioneering Approach to Communicating in Business and in Life, Doubleday;

[12] Watson I, (1997), Applying Case-Based Reasoning, Techniques for Enterprise Systems, Morgan Kaufmann Publishers.

[13] Schank, R., (1995), Engines for Education, Lawrence Erlbaum.

[14] Breuker,J.A., editor (1990). EUROHELP: Developing Intelligent Help Systems. EC, Copenhagen, 1990. .

[15] Callahan R. (1962) Education and the Cult of Effiency, The University of Chicago Press.

[16] Koper. R (2001), Modelling units of study from a pedagogical perspective, Open Universiteit

[17] Voor een lijst met AITC gecertificeerde producten zie http://www.aicc.org/pages/cert.htm

[18] Er van uit gaand dat het belang van E-Learning duidelijk is, d.w.z. niet door “marketing” hoeft te worden “verkocht”

[19] Bron: Brandon Hall Ph.D. , Sunnyvale CA (www.brandon-hall.com)

[20] Zie voor meer informatie het onderzoek van META Group Consulting naar Tridion Dialog ServerÒ en alternatieven, d.d. november 2001

[21] zie http://www.outstart.com

[22] zie http://www.powered.com/

[23] zie http:www.plateau.com

[24] C. Dean, (2001), Technology Based Training & On-line Learning, Zie http://www.deancbt.demon.co.uk/authrep.htm

[25] Bron: Brandon Hall Ph.D. , Sunnyvale CA (www.brandon-hall.com)

“The limits of my language mean the limits of my world” (Wittgenstein, 1921).

“The limits of my software mean the limits of my world” (Konstapel, 1998).

Het lijkt erop alsof we gevangen zijn geraakt in de ban van software.

De automatiseringswereld is in twintig jaar getransformeerd van een kleine verzameling programmeurs naar een de mens omvattende wereld van software. Het lijkt erop alsof software de macht over ons heeft overgenomen. Software tiert net als planten, dieren en mensen. Hierbij moet groeien worden gezien als een continu proces van ontstaan, ontwikkelen en sterven van steeds nieuwe soorten. De productie aan software is zo groot en onsamenhangend geworden, dat we mee moeten gaan met de stroom. Ondanks het feit, dat er geen centrale regisseur is ontdekken we toch eilanden van structuur. Er komt software op ons af, die onze eigen softwarewereld aanvalt. Hier moeten we ons tegen verdedigen (virussen). Om de wereld om ons heen te verklaren ontlenen  we steeds meer denkbeelden uit de evolutietheorie. Het aardige is, dat deze theorie sterk in beweging is. De nieuwe inzichten hebben een brede toepassing. In dit artikel probeer ik deze inzichten te gebruiken om te achterhalen wat er aan de hand is. Ik vermoed, dat we in de ban zijn geraakt van het meme wiskunde.

De evolutietheorie kan worden verklaard uit het gedrag van een netwerk.

Richard Kauffmann toont in zijn boek “The origins of order” (1993) aan, dat ordening een eigenschap is van bepaalde zichzelf reproducerende netwerkstructuren.  Belangrijk zijn de verhouding tussen het aantal verbindingen, het aantal knooppunten en de mate van terugkoppeling in het netwerk. Netwerken met gemiddelde twee verbindingen per knooppunt vertonen vanzelf een hoge mate van ordening. Hoe meer koppelingen hoe lager de ordening. Netwerkstructuren kunnen in de tijd convergeren, divergeren en trillen op de grens tussen orde en chaos  Deze laatste toestand is de meest adaptieve toestand. De drie toestanden zijn te vergelijken met vaste stof, gas en vloeistof.

Kaufmann’s theorie is toepasbaar op vele structuren, van het DNA tot de maatschappij. We kunnen een idee-> mens-> software – netwerk bedenken.  De mens fungeert als een transformatiestation van idee naar software. Het totale netwerk kan een ordening gaan krijgen, instabiel worden of op de grens van de chaos gaan verkeren. Het past zich middels een selectiemechanisme gradueel aan. Het netwerk bevat terugkoppeling. Kaufmann’s boek gaat voor het grootste deel over de biochemie, maar in een tweetal   bladzijden probeert hij zijn theorie uit op technologie transfer en concepten. Hij komt tot de volgende conclusies:

  • Hoe meer verschillende knooppunten in het netwerk worden gekoppeld hoe meer diversiteit er ontstaat. Deze diversiteit kan omslaan in ongestructureerdheid.
    De komst van de PC en de koppeling tussen de PC’s (het Internet) schept een enorme diversiteit. Deze is aan het omslaan naar een chaotische toestand. Hierbij moet worden opgemerkt, dat we verschil moeten maken tussen de persoonlijke en de wetenschappelijke beleving van dit fenomeen. Als een mens niet meer beschikt over woorden en concepten om iets te vatten wordt het automatisch chaos genoemd. (“Our brains have a certain capacity for detecting regularity. To the extent that the world matches these characteristics of ours, we can see structure and pattern. To the extent that behavior in the world exceeds our capacities, the excess amount of sophistication in the stimulus is lost on us and turns into randomness, into apparent structure less-ness that we can’t represent”) (Crutchfield and Kann, 1996).
  • Hoe verder men vooruit denkt hoe meer diversiteit er ontstaat.
    Ad-hoc werken geeft sterke ordening en uiteindelijk stilstand. Het systeem kan niet meer reageren op grote veranderingen in de omgeving en stabiliseert. Door te spelen met de termijn van planning kunnen we de diversiteit beïnvloeden. We kunnen de software-diversiteit verminderen door geen plannen meer te maken.
  • Hoe beter een systeem ontworpen is, hoe kwetsbaarder het is voor verandering.
    Deze regel pleit er voor om ontwerpen te maken, die niet precies passen op het op te lossen probleem.  We denken altijd, dat onze oplossing eeuwigheidswaarde heeft. Niets is minder waar. Een hoge graad van redundantie vermindert de kwetsbaarheid. Wellicht moet er toch meer op “z’n beloop gelaten worden”.
  • Er komen altijd verstoringen voor. 
    Dit is de wet van Murphy. Er zit trouwens wel regelmaat in het voorkomen van dergelijke foutsituaties. Het is nodig om dit te weten, omdat men anders gaat zoeken naar oorzaken, die er niet zijn.
  • Hoe beter het model van de werkelijkheid hoe chaotischer het gedrag.
    Het loont helemaal niet om informatiesystemen te verbeteren. Uiteindelijk kan een onderneming aan een perfecte informatievoorziening ten onder gaan. Alles weten is niet goed voor een mens. We zullen het besturingsmodel van de onderneming en de mens eens op deze inzichten moeten aanpassen. Minder regelen levert op (Peters, 1987).

Het netwerk is een belangrijk concept aan het worden

Zowel in de automatisering, als in de biologie en de cognitiepsychologie is het netwerk een belangrijk concept aan het worden. In de verschillende wetenschappen zijn de knooppunten (computers, genen en neuronen) anders van inhoud. Toch worden gelijksoortige conclusies getrokken. Er is sprake van een nieuwe kandidaat voor een “Theory of everything” (Capra, 1996). Door het netwerk stroomt  informatie. Deze informatie wordt gedragen door een medium (elektronen, RNA).

Structuur ontstaat door weloverwogen met koppelingen om te gaan en de terugkoppeling in het netwerk te regelen.  Door “schotjes” tussen compartimenten te plaatsen of weg te halen ontwikkelen delen zich alleen of samen. De informatie stroomt dan via andere kanalen. Soms lopen paden dood. Andere paden sluiten in zichzelf: een “loop”. Gekoppelde delen streven naar een evenwicht. Soms lukt dit niet en wordt het patroon (tijdelijk) chaotisch. Het netwerk kan zich hierdoor aan een observator vast, vloeibaar (beweeglijk) en chaotisch van structuur tonen.

De meest flexibele structuur is vloeibaar. In vloeibare toestand kan een deel van het netwerk structuur hebben en een ander deel chaotisch zijn. Een vloeibare structuur kan zich snel reconstrueren en instellen op veranderingen in de buitenwereld. Een kleine verandering kan een gestructureerd gebied op grote schaal van structuur doen veranderen. Sommige gebieden zijn bestand tegen veranderingen. Ze herstructureren pas na grote druk.

Een organisatie is een stabiel netwerk van mensen

Als we van mensen en hun communicatie een netwerk maken ontstaan organisaties en projecten. Dit zijn patronen, die geruime tijd blijven bestaan. Ze blijven langere tijd in stand, omdat ze zichzelf reproduceren en bestand zijn tegen veranderingen (Mingers, 1995). De structuur van het netwerk bewerkstelligt dit. Er is een afbakening gemaakt tussen binnen en buiten. De mensen hebben een bril van taal op gekregen, die ze het idee geeft, dat de binnen- en buitenwereld stabiel is of voorspelbaar verandert. Deze bril noemen we vaak cultuur of visie (Dongen, 1996). Door de komst van communicatienetwerken worden steeds meer connecties tussen mensen gemaakt. Dit resulteert in andere bestendige patronen dan de huidige. We noemen deze patronen netwerkorganisaties.  De afscherming tussen bedrijfsonderdelen door een hiërarchie werkt niet meer. De “top” wordt hierdoor geïsoleerd van zijn onderlaag.  Projecten transformeren zich in  “autonome teams”, die zich in onderling overleg specialiseren in een bepaald productieproces.

Een flexibel mensennetwerk is vloeibaar.

Een vloeibare mensenstructuur is een structuur die bijna uit elkaar valt. Indien een team langdurig een vast patroon vertoont, moet de manager zorgdragen voor nieuwe “losheid”. Menselijke structuren hebben nu eenmaal de neiging om te verstarren. Het is niet de bedoeling, dat managers structuren permanent “kapot maken”. Dit geeft stress. Indien een structuur doelgericht werkt is vastigheid een noodzaak. Soms kan het verplaatsen van één medewerker al nieuwe vloeibaarheid bewerkstelligen (“never change a winning team”). Een mensennetwerk deelt concepten. Een stabiele mensenstructuur betekent een stabiel patroon (een ritme) van datauitwisseling en daardoor gedeelde concepten. Concepten veranderen mensen en mensen veranderen concepten. Hoe meer koppelingen er komen, hoe meer concepten zullen worden gedeeld. Er ontstaat een evenwichtstoestand. Ook hier moet iemand de evenwichtstoestand verstoren als binnen- en buitenwereld teveel van elkaar gaan afwijken. Mensen hebben de eigenschap om hun beeld van de buitenwereld aan te passen aan hun binnenwereld.

Onze denkwereld is een netwerk van concepten

In het boek ” Fluid concepts and creative analogies (1995)” doet Hofstadter verslag van zijn experimenten over “Fundamental mechanisms of thought”. Creativiteit is volgens hem een product van “subcognitive pressure” that probabilistically influence the building and reforming of representations […] Cognititive representations are relativily immune to contextual pressure […] A crucial role is played by the inner structure of concepts and conceptual neighborhoods”. Creativiteit verschijnt door het uitoefenen van druk, waardoor er  foutjes ontstaan in meestal stabiele structuren (“slips of the tongue”). Deze stabiele structuren bestaan uit concepten met hun omgeving.

Nieuwe concepten ontstaan in mensen onder druk. Ze komen meestal spontaan in mensen op na een periode van spanning. Op het juiste moment tijdens het examen komt een briljante inval. Kunstenaars maken gebruik van deze aanpak om bijzondere dingen te laten ontstaan. Z e stellen de creatieve daad uit tot het laatste moment (deadlinen). Inspiratie resulteert helaas niet altijd in briljante ideeën. Niet alle foutjes zijn bruikbaar net als in de evolutie.

Mensen krijgen briljante invallen. Ze maken sluiting tussen onbekende gebieden.

Sommige mensen hebben meer dan anderen last van briljantie. We noemen ze wonderkinderen of genieën. Vaak hebben ze interesse in vele haaks op elkaar staande vakgebieden. Ze brengen nog onbekende combinaties tot stand, zodat er letterlijk een nieuwe vonk kan overspringen. Naast briljante mensen zijn er mensen nodig die de gaten opvullen, die door de voortrekkers zijn gemaakt. Hofstadter (1995) heeft software gemaakt, die rare combinaties van concepten (analogieën) maakt en hun waarde onderzoekt. Hij past dit toe op een hele kleine conceptenwereld. Die is al ingewikkeld genoeg.

Concepten veranderen via mensen de werkelijkheid

Aansprekende concepten verleiden mensen tot realisatie. Deze realisatie vindt plaats in de wereld waar men deel van uitmaakt. Men zet de componenten die men kent en een beperkt aantal nieuwe, in de gewenste volgorde. Vaak zijn er standaardpatronen om een passende volgorde te bewerkstelligen.

Realisatie blijkt plaats te vinden via vaste patronen.

De architect Christopher Alexander heeft veertien jaar gewerkt aan het boek ” The Timeless Way of Building” (1979). Het boek gaat over het ontwerpen en realiseren van drie dimensionale structuren in de materiele wereld. Te denken valt aan een tuin, een gebouw of een stad. De structuren beschikken over “Quality without a name “. Dit begrip is wellicht het best te beschrijven met “het gevoel, dat het goed zit”.  “Quality without a name” ontstaat door het gebruik van “design patterns ( = ontwerppatroon)”. Een ontwerppatroon is een aanpak om in een bepaalde (fysieke) context een krachtenveld in balans te krijgen. Dit krachtenveld bestaat uit natuurlijke krachten (b.v. de zwaartekracht) en menselijke krachten. Bij de menselijke krachten kan gedacht worden aan de behoefte om in bepaalde (omschreven) gevallen alleen te zijn en de behoefte om in andere omstandigheden ruimte te delen. De krachten verkeren soms in een wankele balans. Ze trillen rondom om een evenwicht. Het ontwikkelen van een patroon gaat gepaard met vele jaren observatie en verbetering. Alexander vergelijkt de moeilijkheidsgraad met “anything in theoretical physics”. Men krijgt gauw een gevoel, maar “it is very hard to be precise, because there is never any one formulation of the pattern which is perfectly exact”. Een goede beschrijving is een “a kind of fluid image, a swirling intuition about form, which captures the invariant field”. Het formuleren van een patroon als een spanning tussen krachten is een prachtig idee.  Het hele boek geeft je trouwens het gevoel, dat er een “quality without a name” in zit. Alexander heeft in de veertien jaar van schrijven waarschijnlijk zoveel geschrapt, herschreven,  gewikt en gewogen, dat de essentie er echt in staat.

Patronen overlappen en verwekken daarmee nieuwe patronen. Een patroon kan een ander patroon starten. Dit betekent, dat er veel vanzelf gaat. Door het “goede gevoel” gaan mensen ook als vanzelfsprekend mee. Zij groeien in hun omgeving en laten hun omgeving groeien. Een combinatie van patronen noemt Alexander een taal. Een taal is “a good one”, als ze “morfologisch’ compleet is. Dit betekent, dat men het eindresultaat kan visualiseren. We kunnen het resultaat “voor ons zien”. Daarnaast moeten in alle mogelijke combinaties van patronen de krachten in evenwicht blijven. Er blijft dan harmonie bestaan. Een cultuur is een specifieke verzameling patronen. Ontwerpen is het innemen van de ideeënruimte en verwezenlijken is het veroveren van de  materiële ruimte. In beide worden patronen gevolgd. De ruimte is vrijwel nooit leeg. Zij dwingt tot aanpassing. De goede ontwerper voelt de lopende patronen in de ruimte en gaat met ze mee. De som van patronen biedt altijd ruimte tot manoeuvreren, maar geen oneindige variatie.

In het artikel “The architecture of Life” legt Donald Ingler (1998) het principe van “tensegrity” uit. Dit principe bestuurt het ontwerp van alle organische structuren in mens, dier en plant. In dergelijke structuren zijn vaste (bijv. de botten) en beweeglijke (bijv. de spieren) delen volgens een geometrisch patroon aan elkaar verbonden. Dergelijke structuren zijn ook al voorgesteld om het atoom en het heelal (D’arcy Thompson, 1942) te verklaren. Tensegrity is gelijk aan “quality without a name”. We lijken op weg naar een herwaardering van de “harmonie der  spheren”.

De denk/realisatiewereld bestaat uit vele lagen. Hoger liggende lagen schermen onderliggende lagen af voor snelle verandering. In de kern staat de tijd stil.

In de materiële wereld bevatten diepere lagen de infrastructuur. Het kost veel moeite om de materie de goede kant op te krijgen. Het implementeren van een infrastructuur kost dan ook veel tijd. Zo kost het aanleggen van een spoorlijn al gauw tien jaar. In de denkwereld komt hetzelfde voor. Een hogere ordening, een structuur, bevat regels, die invloed uitoefenen op de onderdelen van de “lagere” structuur.  De lagere structuur wordt hiermee “stil gezet”. Als men zich aan de regels houdt gaat alles goed. Hoe dieper je door de lagen in de denkwereld kijkt hoe langzamer het veranderingsproces verloopt.  We praten dan over paradigma’s. Er zijn steeds meer wetten zichtbaar. Diepe structuren kunnen letterlijk geen kant op. Ze dragen de last van de hogere structuren. In de kern staat de tijd stil. Hier bevindt zich de “eeuwige waarheid”. Je kunt een structuur in een hogere versnelling zetten als je de regels van de hogere weghaalt. Bij mensen spreken we dan van een cultuurverandering. Grote aanpassingen gaan als schokgolven door vele lagen heen. Mensen worden ziek als er een grote reorganisatie plaatsvindt. Vaak worden bij reorganisatie de echte regels niet weggehaald of onderkend. Alles blijft hetzelfde. In de storm buigen de bomen mee. Na de storm gaan de bomen weer rechtop staan.

Mensen beroeren met behulp van hun instrumenten andere diepere structuren

Men kan in diepere structuren reiken door hulpmiddelen te maken. Je kunt rijden met een auto. Het waarnemingsveld wordt tot de rand van de auto uitgebreid. Je speelt muziek met een viool. Er ontstaat een directe koppeling tussen de partituur en de hand die de snaar bespeelt. Je kunt de atomenruimte bekijken met een electronenmicroscoop. Deze instrumenten beroeren de diepere structuur. Na enige tijd zijn mensen één met hun instrument. Het instrument heeft ze van binnen geordend. Het vervangen van een instrument heeft vaak grote invloed op de mens die hem gebruikt. Men komt van de ene in de andere ruimte. De  instrumenten hebben zich in de tijd verbonden met de hand, het oog en het oor. Meestal spelen ze het spel op juiste manier. Ze veranderen de ruimte niet fundamenteel. Ze laten de schotten op de oude plaats staan. In het verleden waren alle instrumenten analoog of mechanisch van aard. Het koppelen van mechanische instrumenten met raderen en tandwielen is een hele klus. Koppelingen van instrumenten voor oog en oor werden makkelijker door de vloeibaarheid en kneedbaarheid van het licht en de electronenstroom. We gebruiken hier spiegels, lenzen en transistoren. Allemaal namen, die slaan op koppelen/ verbinden  Deze  hulpmiddelen worden nu vervangen door software (digitaal). Software is in de materie uitgekristalliseerde denkkracht. We zijn deze softwarestructuren ook weer aan het koppelen. Koppelingen tussen software zijn erg vloeibaar. Dit maakt, dat we voorheen niet gekoppelde of diepere lagen in beroering brengen. Ze komen in een gezamenlijk evenwicht of raken een tijdje chaotisch. Software koppelt steeds meer ruimten en maakt steeds  meer tussenlagen overbodig. Ook tussen softwarecomponenten zitten schotten. We noemen ze interfaces. Veel  interfaces zijn slecht gedefinieerd. Ze vallen niet op en laten dan ook weinig informatiestroom door. Softwaresystemen met dergelijke koppelingen zijn inflexibel. Het zijn meestal grote oude brokken software of stukken software die erg nieuw zijn. Ze hebben nog geen ontwikkeling doorgemaakt. De meest vloeibare koppeling tussen softwaresystemen is een koppeling via informatie. Op dit ogenblik zijn er nog vrijwel geen zelfstructurerende softwarecomplexen. Ze zullen er zeker gaan komen.

Concepten worden omgezet met behulp van taal omgezet in software.

Taal is het instrument van de hersenen, het denken. Software (“taal geordend volgens Chomsky”) bevat ook “design patterns”. De “design patterns” van Alexander zijn op dit ogenblik de nieuwe rage in de software-engineering. In dit zeer technische vakgebied probeert men om complexe softwaresystemen te bouwen, die meestal op de achtergrond functies uitvoeren in de infrastructuur.

Men heeft tientallen jaren nagedacht over hoe een structuur flexibel kan worden ontworpen. Gebleken is dat aanpassen van onderliggende lagen grote invloed heeft op de bovenliggende lagen. Men laat de zaken liever hetzelfde. Hoe dieper je in de software duikt hoe ouder ze wordt. Men is er wel achter gekomen, dat flexibele systemen moeten bestaan uit softwareonderdelen, die uitsluitend met elkaar communiceren met behulp van berichten. Denk hierbij aan mensen, die met elkaar praten. Op geen enkele wijze mag de softwarebouwsteen, object genoemd, zijn interne structuur laten zien. Op deze wijze wordt het mogelijk om de binnenkant aan te passen zonder dat de interactie moet worden aangepast. Daarnaast is men druk bezig om zoveel mogelijk onderdelen te hergebruiken. Dit doet men door verzamelingen, klassen genoemd, te onderscheiden. Een object zit in een klasse (bijv. de klasse mensen). Deze klasse heeft eigenschappen (bijv. mensen lopen). Deze eigenschap wordt doorgegeven naar een deelverzameling (bijv. vrouwen), die zelf weer eigen eigenschappen heeft (kinderen baren). Vrouwen lopen doordat ze deel uit maken van de verzameling mensen. Zo zijn enorme verzamelingstructuren ontstaan met steeds andere meestal technische (bijv. de klasse van de printer of het scherm) uitgangspunten. Er blijkt geen eenduidige indeling te bestaan. Twee ontwerpers lossen hetzelfde probleem soms totaal anders op. Dit maakt het ideaal van het één keer maken en daarna overal toepassen een “fata morgana”. De “design patterns” zijn een koppeling van meerdere objecten. Er blijken net als in de 3D-wereld een aantal zeer vaak voorkomende grotere structuren te zijn, die een software ontwerper het “goede gevoel” geven.

Krachtige memen zijn een krachtenveld in balans.

De theorie van de objecten is zonder veel problemen om te zetten naar andere vakgebieden. Ze is een ideale manier om structuur aan te brengen. Eigenlijk ben je bezig om met taal te spelen. Objecten zijn zelfstandige naamwoorden en verbindingen tussen deze objecten zijn werkwoorden. Deze analogie geeft de gelegenheid om Alexander los te laten op memen (Denett, 1991), de genen van de taal. Deze zouden de “design patterns” in onze taal zijn, die de taalruimte innemen en samengaan met bestaande patronen. Een meme is dan een “krachtenveld in balans”. Meestal de spanning, die tussen  tegendelen hangt. Een krachtig meme beschikt over “the quality without a name”.

Wiskunde is het grootste sterk samenhangende meme op aarde.

Conceptcomplexen (memen) fungeren als selectiemiddel voor andere complexen. Net als de leeuw het schaap dwingt om te veranderen in de tijd of om eeuwig als zijn voedsel te dienen. Sterke memen drukken zwakke memen weg. Het is gelukkig nog niet duidelijk welk mechanisme hier een rol speelt. Als we het zouden weten zouden met reclame/ indoctrinatie iedereen onder controle kunnen brengen. Sterke memen beschikken waarschijnlijk over zelfreferentie en bezitten in het netwerk van concepten, hun semantisch netwerk, meerdere terugkoppelingen. Op deze wijze reiken ze horizontaal in vele structuren en vormen ze verticaal een gesloten structuur. Wiskunde is de meest pure en samenhangende conceptenwereld. Een goed bewijs geeft het “gevoel, dat het goed zit”. Een wiskundige wordt door een mooi bewijs tot tranen toe geroerd. Een mooi bewijs klinkt hem als muziek in de oren. Geen wonder dat vele beroemde wiskundigen ook filosoof zijn. Ze hebben hun tovenarij met concepten ook op andere denkwerelden toegepast. Wiskundig gestructureerde muziek spreekt velen aan (Bach). In de wiskunde wordt ieder nieuw stukje naadloos aan het oude gekit. Hier bestaat een hulpmiddel voor, dat we “bewijzen” noemen. Iedereen gelooft, dat “bewijzen” de “eeuwige waarheid” schept. Het wiskundecomplex is zo groot en krachtig, dat het bestand is tegen vrijwel alle aanvallen van andere conceptstructuren.  Het complex heeft via de computer zijn weg naar de werkelijkheid gevonden en wordt steeds machtiger. Niemand is op zoek naar een verdedigingsmechanisme. Het is niet onwaarschijnlijk, dat op termijn met voldoende rekenkracht beschikbaar, de werkelijkheid zich aan de wiskunde zal gaan aanpassen. De druk om te verwezenlijken is immens. Wie dit niet acceptabel vindt zal de aanval moeten gaan inzetten en een nieuwe overtuiging, een alternatief voor “bewijzen” moeten gaan vinden.

Gedachten over een nieuwe wanorde en wellicht het “eeuwig leven”.

Kaufmann (1993) geeft uitzicht op een oplossing. Als we zijn denkbeelden over orde (en wiskunde) bekijken kunnen we een aanval tegen de wiskunde, de maximale gestructureerdheid,  formuleren. Belangrijk is, dat we accepteren, dat we continue net voorbij de grens van orde en wanorde moeten zien te blijven. We moeten net niet “verdampen”. We mogen nooit “in slaap vallen” of verveeld raken. We moeten kortom permanent “scherp” zijn. Dit soort gedachten stemt overeen met denkbeelden, die er zijn rondom het verkrijgen van “het eeuwig leven”. Men probeert “Magere Hein” te misleiden door permanent te veranderen. We komen dan tot de volgende aanbevelingen:

  • Verbreek snel oude koppelingen als zich het begin van stabilisatie voordoet. Breng permanent nieuwe verbindingen aan.
  • Richt je op de verre toekomst (het oneindige, de hemel). Kijk niet om.
  • Streef naar overlap. Passende oplossingen zijn verslavend.
  • Veroorzaak en verwelkom verstoringen en fouten.
  • Fixeer je op een paar variabelen en negeer de rest. Maak geen passend model.

Voor zover ik het kan overzien leidt dit alles tot “pure gekheid”. Het lijkt er dus op, dat we moeten kiezen tussen normaal en sterfelijk en gek en eeuwig levend. Wellicht is de dood niet zo’n gekke oplossing.

Littteratuur.

Alexander C. 1979, The Timeless Way of Building, New York, Oxford University Press.

Capra F., 1996, The web of Life, New York, First Anchor Books.

D’Arcy W. Thomson, 1942, On growth and form, Cambridge University Press.

Denett D.C., Consciousness Explained, New York, Little, Brown and Company

Crutchfield J and N. Kahn, 1996, Turbulent Landscapes: A Dialogue. Sante Fe Institute Working papers 96-07-051.

Dongen van H.J., Laat de W.A.M., Maas A.J.J.A, 1996, Een kwestie van verschil, Eberon, Delft.

Hofstadter D., 1995,  Fluid concepts and creative analogies, New York, BasicBooks.

Ingher D. E., 1998, The Architecture of Life, Scientific American 1-1998.

Kaufmann S.,. 1993, The origins of order, New York, Oxford University Press.

Mingers J. , 1995, Self Reproducing Systems, New York, Plenum Press.

Peters T., 1987, Triving on Chaos, New York, Kropf. Wittgenstein L., 1992, Tractatus Logico-Philosophicus, Pears, D.F. and McGuinness, B.F., 1974editi

Over Lichaam, Taal en Metaforen

Zo’n 30 jaar geleden waren verhalen er vooral voor kinderen en oudere mensen. ‘Serieuze’ mensen bestudeerden de wetenschap – om de feiten. Inmiddels zijn we er wel achter we niet in een wereld van feiten leven. We leven in wereld, vol van betekenis, in een wereld van mythen en metaforen, gecreeërd door onze verbeelding.    

Inleiding

Telkens als we iets beschrijven in termen van iets anders, creëren we een metafoor. Mijn liefde is als een bloem, mijn leven als een ontdekkingsreis, mijn bedrijf als een kind, mijn werk als een struggle. Een metafoor projecteert een ervaring van het ene (mijn liefde) en contasteert het met iets (een bloem). Elementen in de ervaring van liefde, worden begrepen in het licht van een object, de bloem.

Dit is de manier waarop mensen betekenis geven; door een ervaring te vergelijken met iets. Of door ‘iets’ met ‘iets’ anders te vergelijken. Met iedere metafoor nemen sommige ervaringen in belang toe, en andere af. Alle verhalen en analogieën bevatten metaforen, of we nu willen of niet. We kunnen niet niet in metaforen praten, denken, voelen en leven. Metaforen worden soms opzettelijk gebruikt in onderwijs, therapie, bedrijfsvoering en politiek, omdat ze:

  • Domeinen van betekenis aan elkaar relateren.
  • Een context bieden.
  • Ervaring in perspectief plaatsen.
  • Onze ervaringen ‘versimpelen’.
  • Sequenties van emotionele staten en reakties bevatten.
  • Geconstrueerd of verwijderd kunnen worden.
  • Afkomstig zijn van bestaande of imaginaire analogieën.
  • Duidelijk aanwezig zijn of opgenomen in iets anders.
  • De dragers zijn van veronderstellingen, overtuigingen, criteria en gewenste staten/toestanden.
  • Omdat ze overal voorkomen waar mensen niet verwijzen naar het hier en nu, zoals als we over sport discussiëren, mensen, de toestand in de wereld. Zelfs als we naar muziek luisteren (Faulkner, 1993).

De impact van metaforen is enorm. Onlangs werkten we mee aan een nogal ambitueus researchproject. Na verloop van tijd verliep het wat stroef; zodanig dat de situatie was gefixeerd. Door een aantal mensen werd de voortgang als ‘doelloos’ en ‘ongestructureerd’ ervaren. Anderen hadden het gevoel alleen met het proces van het project bezig te zijn, in plaats van een inhoudelijke verdiepingsslag. Middels gesprekken inventariseerden we onder andere metaforen. Wat bleek was dat er twee verschillende manieren waren waarop het project werd ervaren. Een groot deel van de projectmedewerkers zag het project als een ‘ontdekkingsreis’. Bij een ontdekkingsreis is er wel een eindbestemming, maar de weg ernaartoe is niet vastomlijnd. Er is een vertrek, een queeste (of avontuur), een tijd van contemplatie en een aankomst. Waar die aankomst is, hangt af van de bestemming. Een ander deel van de projectmedewerkers beschouwt zichzelf als deelnemer aan een denktank. Heel letterlijk kunnen we een denktank opvatten als een vat waarin je iets gooit, er er vervolgens iets ‘uit’ komt rollen. Er is een duidelijk begin en eind. Begin is een moeilijk vraagstuk en eind is een oplossing (of meerdere). Het impliceert een ‘informatie’verwerkend proces, waarbij wat er in de ‘tank’ gebeurt niet eens zoveel uitmaakt. Het gaat erom dat er iets van waarde uit komt ‘rollen’. Daarnaast impliceert ‘denktank’ ook een ‘binnen’ en een ‘buiten’, kortom: veel duidelijker afbakening ten opzichte van de context. Medewerkers met de ‘denktank’ metafoor vonden dat e.e.a. te rommelig en ongestructureerd verliep. Medewerkers met de ‘ontdekkingsreis’ metafoor waren op zich tevreden, maar hadden meer behoefte aan inhoudelijke richting. Een combinatie van beide metaforen en de explicitering daarvan, was nodig om het project nieuw leven in te blazen.

Andere mogelijke metaforen voor een dergelijk project kunnen zijn:

  • een spel,waarin je kunt winnen of verliezen.
  • een machine, die begint als nieuw, vervolgens ‘in gebruik’ is, verouderd en tenslotte aan vervanging toe is.
  • een verhaal, met een begin, een midden, een climax en een einde, vaak rondom een held.
  • een toneelstuk, met een 1e akte, een 2e akte, een climax en een einde.
  • een seizoen (of het proces van de jaargetijden, met de overgangen van zomer naar herfst, naar winter, naar lente en zomer. Tijdens de seizoenen wisselt het activiteitenniveau zich af met reflectie en rust).

Het inbrengen van één van deze ‘metaforen’ kan een nieuw licht op de doelstelling, het ontwerp en de aanpak van het project werpen. Betrokkenen dienen zich bewust te zijn van de gehanteerde metafoor. De kans dat er ‘misverstanden’ optreden en inefficiency ontstaat wordt dan sterk gereduceerd.

Hierboven hebben we het meest zichtbare van metaforen toegelicht; hoe we ze in het dagelijks leven relatief duidelijk tegenkomen. Echter, metaforen impliceren meer. Wat ligt er aan ten grondslag, hoe creërt de mens metaforen en waar komen ze vandaan? Voor een antwoord moeten we kijken naar de relatie tussen taal en lichaam.    

Niet bewijzen, maar geloven

Het onderzoek naar metaforen is in een stroomversnelling geraakt door Lakoff [1].  Lakoff  houdt zich al jaren bezig met de achtergronden van taal. In eerste instantie was hij bezig om taal wiskundig te beschrijven (syntax, semantiek). Het bleek niet mogelijk om de wijze waarop we dagelijks met elkaar praten op deze manier te verklaren. Onze taal is doorspekt met beelden, metaforen, en bestaat niet slechts uit ‘feiten’ zoals de wiskunde die definieert. Lakoff bereikte een doorbraak door het uitgangspunt te kiezen dat alle redeneringen gebaseerd zijn op het gebruik van metaforen.

Uitgangspunt is dat we niet figuurlijk maar letterlijk redeneren. Als we iemand horen praten vertalen we onbewust alle metaforen razendsnel in ons bekende termen. We snappen het. Als we letterlijk naar iemand luisteren kunnen we nog veel meer te weten komen over de drijfveren (de levensmetaforen) van onze gesprekpartner. We begrijpen nieuwe dingen door ze te relateren aan vergelijkbare verklaringen uit het verleden. Dit in tegenstelling met de “wiskundige aanpak” die sterk denkt in “bewijzen”, “gelijk zijn” en “deel uit van maken van”. Lakoff kwam er achter dat mensen niet bewijzen maar geloven. Geloven is gebaseerd op het gebruik van metaforen. Als iets lijkt op datgene wat we al kennen (en vertrouwen) voelt het goed. 

Meer over metaforen

Containermetafoor

Ik heb vreselijk het land

Aan begrenzing, maar niet aan grenzen.

L. Vroman: Twee gedichten

Metaforen worden aangeleerd door de voortdurende interactie tussen de mens en de buitenwereld. We zijn fysieke wezens en worden van de rest van de wereld gescheiden door onze huid. We ervaren de rest van de wereld als iets dat buiten onszelf is. Ieder van ons is een ‘container’, met een begrenzend oppervlak, de huid, en een binnen en buiten oriëntatie (Lakoff, 1980, p.29). We projecteren onze binnen/buiten-oriëntatie op andere fysieke objecten die door iets worden gescheiden; we denken dat ze op ons lijken. We bekijken ze dus ook als containers. Kamers en huizen zijn containers. Als we van de ene kamer in de andere lopen, begeven we ons van de ene container naar de andere. We gaan uit het een, naar het ander. Als we geboren worden leren we door te kruipen dat we ergens naartoe kunnen, het doel, en door op te staan leren we het verschil tussen op– en neer. De betekenis van ‘op’, ‘neer’, ‘uit’, ‘naartoe’, ‘boven’, ‘onder’ wordt al zeer vroeg in onze kinderjaren vastgesteld. In alle talen staat de term “op” voor positief en de term “neer” voor negatief. Dit heeft enorme implicaties voor de wijze waarop mensen, organisaties en de maatschappij functioneren.

Personificatie

Naast tastbare (zichtbare, reukbare) begrippen, zoals een  bloem en een stoel, zijn er ook constructies die bedoeld zijn om de wereld simpel en compact te maken. Dit is nodig omdat we in geval van gevaar snel moeten kunnen reageren. Hier maken we impliciet gebruik van de verzamelingenleer; we scharen iets onder een geheel. We praten dan niet over een ‘stoel’ maar over ‘meubelen’. Het begrip ‘meubelen’ kunnen we ons echter niet voorstellen. Zie maar eens ‘meubelen’. Dan zie je vast een verzameling stoelen, tafels en banken, maar ‘meubelen’ an sich, kunnen we ons niet voorstellen. We voelen het niet. In de praktijk blijven we daarentegen toch doorgaan met het gebruik van onze zintuigelijke ervaring. Ieder mens gebruikt bij het abstracte redeneren een deel van de verzameling (een prototype, bijv. de stoel) om door te kunnen redeneren. We plakken eigenschappen van het deel aan het geheel (een meubel is een soort stoel). Zo ontstaat het idee van de lerende organisatie door een eigenschap van de mens (leren) de koppelen aan het geheel, de organisatie.

Metaforen en hun cyclisch karakter

Metaforen worden aangeleerd door de interactie van de mens met de wereld buiten hem.  De werkelijkheid bevat vele cycli. We zijn lichamelijk en geestelijk tussen de middag op onze top (Rossi,…). Iedere dag gaat de zon op en onder. Ieder jaar maken we seizoenen mee. De kortste en de langste dag zijn al eeuwenlang gebeurtenissen waarop krachtige rituelen werden en worden uitgevoerd (denk aan Kerstmis). Aangezien metaforen gebaseerd zijn op “directe” waarnemening hebben ze onderling een cyclisch verband. Na de winter komt de lente. Na de nacht komt de dag. De winter is “neer” en de dag is “op”. In ons redeneren maken we gebruik van dit soort patronen. De overgang naar een volgende stap in de cyclus gaat bijna altijd gepaard met een dramatische gebeurtenis die wordt vertaald in een ritueel (a ritual of passage). We moeten er even “doorheen”. Belangrijke cycli en hun overgangen zijn door middel van mythes generatie op generatie doorgegeven. Denk bij voorbeeld aan de zondvloed. 

Metaforen verbindt wetenschap en sprookjes

Achter het wetenschappelijke denken liggen een aantal standaardmetaforen. Lakoff heeft deze aanpak toegepast op de filosofie en wiskunde en komt met opmerkelijke resultaten. Zelfs de wiskunde blijkt lichamelijk te zijn gefundeerd[2]. Het doorvertalen van Lakoff naar andere vakgebieden staat nog in de kinderschoenen maar zal zeker enorme invloed hebben.

Een belangrijke consequentie van het onderzoek van Lakoff is dat het idee over waarheid moet worden aangepast. Op dit moment worden er twee waarheden onderscheiden: de wetenschappelijke waarheid voornamelijk gebaseerd op de wiskunde en de logica en de waarheid van het volk te vinden in de spreektaal. De laatste waarheid  wordt geassocieerd met geloven. In de spreektaal wordt kennis doorgegeven in de vorm van onder meer sprookjes, mythes en spreekwoorden.  Nu de wiskunde een metaforisch fundament blijkt te hebben, schuiven de twee werkelijkheden weer in elkaar. Als deze trend doorzet is het voorspelbaar dat vakgebieden die door de dominatie van de wiskunde (de exacte vakken) in waardering zijn gezakt, zoals de literatuur, weer in waarde zullen stijgen. Dit is al te zien in de toenemende interesse in verhalen bij organisatie-ontwikkeling en strategie-formulering (narratives, cases).

Opkomende metaforen

De metafoor van de machine (computer, stoommachine), de fabriek en de lopende band (componenten, standaardisatie, logistiek) zijn tot op heden dominante metaforen. Ze hebben hun impact gehad in vele vakgebieden. Ziekenhuizen zijn in dertig jaar tijd getransformeerd van kloosters waar nonnen het lijden en de loutering van de patienten begeleiden naar fabrieken. In deze fabriek wordt de mens gezien wordt als een ‘kapotte machine’ waar onderdelen moeten worden vervangen. Dokters zijn getransformeerd in technici. Wachtlijsten zijn een gevolg van het logistieke denken.

Zodra een metafoor te dominant wordt, springen we, via een dramatische gebeurtenis, naar een volgende stap in een cyclus. Door de machine is de zingeving in de westerse wereld op de achtergrond geraakt. De wereld is in de winter terecht gekomen. Ze is koud en guur. De westerse wereld wacht op de lente. Geen wonder dat in vele vakgebieden het eenheidsdenken (de centrale besturing) wordt verlaten en de metaforen van het leven (chaos, organisme), de wensdroom, het theater en het pretpark aan het opkomen zijn.

Wat kunnen en willen we er mee?

Het toepassen van de denkbeelden van Lakoff is niet simpel. We zitten enorm ‘vast’ in het wetenschappelijke, figuurlijke, denken. Het letterlijke denken met behulp van metaforen vindt op andere niveaus plaats. Het kost moeite om ons ervan bewust te worden. Als we het gaan toepassen worden zaken erg duidelijk. We zeggen waar het op staat en dat wordt over het algemeen niet op prijs gesteld. We hebben het “door”. Het toepassen van het metaforisch denken is confronterend. We achterhalen het denkraam (de world-view) van een persoon. Mensen houden ten koste van veel vast aan hun paradigma’s. Ze geven zekerheid. Het transformeren van metaforen van mensen en organisaties is mogelijk. Het probleem hierbij is dat we methoden en technieken gebruiken die “vreemd overkomen”. Ze worden niet als “wetenschappelijk” gezien. Daarnaast staat het onderzoek nog in de kinderschoenen. Er zijn nog geen complete bibliotheken met metaforen. We weten nog te weinig over onderlinge relaties.

‘There’s no choice on how to start.

 The path has been entered or it hasn’t’.

(Will McWhinney, 2001)

Literatuur

Faulkner, C. (1993). The Mythic Wheel of Life. Audio Cassette seminar. Genesis II, Lyons.

Lakoff, G., Johnson, G. (1980). Metaphors we live by. University of Chicago Press. Chicago & London.


[1] Lakoff G., Johnson M. (1999), Philosophy in the flesh, Basic Books;

[2]Lakoff G,  Nunez R (2000), Where Mathematics Comes From: How the Embodied Mind Brings Mathematics into Being, Basic Books;

Is an Electro-Magnetic Vaccine an alternative for a Biological Vaccine?

Zit het Einde van de Corona–Crisis in een Klein Kastje?

Can the end of the Corona-Crisis be found in a small Device?

The Immunesystem.

The First part of this Blog is written in English. The last part is written in Dutch. It contains a document for investors. If you want an English Document please send an Email.

Experiments with exposure to a specific type of ElectroMagnetic field have shown that immune cells have increased activity levels after exposure.

The quality of the Immunesystem is dependent on Age and Lifestyle.

Smoking, Alcohol, loneliness, poor nutrition, stress and old age weakens the system.

Instead of a Biological Vaccine we could use an Electro Magnetic Vaccine to re-Activate the immune-system.

History of Magnetic Therapy.

Magnetic therapy dates as far back as the ancient Egyptians. Magnets have long been believed to have healing powers associated with muscle pain and stiffness.

Chinese healers as early as 200 b.c. were said to use magnetic lodestones on the body to correct unhealthy imbalances in the flow of chi or life-energy. The ancient Chinese medical text known as The Yellow Emperor’s Canon of Internal Medicine describes this procedure.

When the first cosmonauts and astronauts were going into space, physicians noted that they experienced bone calcium loss and muscle cramps when they were out of the Earth’s magnetic field for any extended period of time. After this discovery was made, artificIal magnetic fields were placed in the space capsules.

Research in Magnetic Therapy.

When you search the Internet with the terms “magnetic Field” and “immune system” you will see that Low Frequency Fields have a healing effect.

For a list of References see the end of this Blog.

Corona (COVID-19) infections can be reduced in severity (quicker, easier recovery, less hospitalisations, less ICU admittance, less mortality) and infectiousness (lower R) by making the immune system react faster and stronger early in the infection.

The virus gets less chance and time to grow exponentially and the infection is kept smaller and easier to eradicate.

Both infectious disease and auto immune disease are linked to insufficient activity of the primary immune system.

Many of the diseases in these categories have no satisfactory treatment and cause significant suffering, healthcare cost and -workload.

Sometimes the Immune-system can get in an overdrive called a Cytokine Storm. cytokines are small proteins released by many different cells in the body, including those of the immune system where they coordinate the body’s response against infection.

The primary immune system has three functions:

  • 1)  to decrease the growth of infections in the period before the secondary immune system kicks in,
  • 2)  to detect pathogens, break them up and produce cytokines and antibodies that activate and direct the secondary immune system,
  • 3)  to clean-up the debris after a successful immune reaction so that auto-immune disease is prevented.

The Activator is a small, low cost medical device that activates the primary immune system of patients to respond much faster to infections and to clean-up immune debris better.

We need about 1 mio Euro to finalize clinical trial and start production of the device.

Our device is without risks or side effects, suitable for home and practice settings.

Faster response helps to fight and prevent infectious disease, and better clean-up helps reduce auto immune disease.

The technology addresses high volume medical problems, urgent for patients and physicians alike, making it valuable for society and attractive for business and governments.

Experiments with exposure to a specific type of electromagnetic field have shown that:

  • immune cells have increased activity levels after exposure
  • mortality in animals suffering from infectious disease decreases by a factor 2.5: from 50% after 17 days to 20%.
  • feed conversion and therefore productivity in broiler chicken increased (probably due to enhanced health) by more than 20%.

Immunologist prof. dr. Huub Savelkoul of Wageningen university has reviewed the experiments and stated that: “The results are extremely encouraging and support the hypothesis that EMF treatment can lead to enhanced innate resistance.

The mechanisms that are expected to play a role in this activation of the immune system are universally present in all vertebrae animals, including fish, all farm animals and humans.”

Applications of this effect can include:

  • treatment of infectious disease in situations where antibiotics are ineffective, undesired or too expensive;
  • prevention of infectious disease in risk situations or risk periods.

Products that support such applications (treatment probably 30 minutes per week)can include:

  • a small treatment box for an individual human,
  • an optional component to be included in feed stations or milking stations for cattle
  • installations for mass treatment in fish farms, poultry farms or other meat production facilities.

Markets for such products are expected to develop in human medicine, fish farms, farms with high value animals such as dairy cows, and in meat production facilities.

Market development will be supported by an ever growing disease pressure in high density populations, decreasing effectiveness and increasing cost of antibiotics and the threat of epidemics. Market size will be large, at least several 100 Million euro.

A device can be produced for 50$ that can treat 1500 people per week (30 minutes times 10 persons times simultaneously) and run on a car battery or AC taking less than 5 Watts.

Ideal for Low and Middle Income Countries.

It will work for other infections and future pandemics, never generate bacterial resistance and also be effective for other (including resistant bacterial) infections.

Besides immune-system activation Pulsed Electro Magnetic Field (PEMF) has showed a lot of applications in many area’s of the body. including Wound healing, Pain reduction, Rheumatoid Arthritis, Depression, Immune Stimulation for milder, Urinary tract infection, Acné inversa and other Serious Skin diseases, Immune Stimulation for milder and less Inflammatory bowel diseases, including Crohn and Colitis Ulcerosa rtc. etc..

Please help us finish the device engineering and, run a clinical trial. We are looking for investors that are not looking for the big money although there is a lot money to make.

In this case we want nvest a part of the eprofit in to a dedicated R&D-Unit linked to Universities, Hospitals, Animal breaders and other Users of the technology. We believe that the Electro Magnetic Field has a lot to offer to Mankind.

Dutch Text:

Theorie over het Immuunsysteem:
Prof Savelkoul Over het Immuunsysteem.
Prof Savelkoul Over het Immuunsysteem en het Coronavirus

Doel en werking van een vaccin zijn het vroegtijdig op gang brengen van een immuunrespons waardoor de infectie klein blijft en snel en makkelijk opgeruimd kan worden.

Dat leidt tot mildere of geen ziekteverschijnselen, en minder ziekenhuisopnames en lagere mortaliteit.

Een goed werkend immuunsysteem kan het coronavirus volledig blokkeren:

Invloed van het Magnetische Veld:

Twintig jaar Onderzoek bij de Mens (humaan) en praktijkervaring in veehouderij aat zien dat eenzelfde effect als een vaccin of medicatie bewerkstelligd kan worden door het primaire immuunsysteem te activeren, harder en sneller te laten reageren (zie referenties/ onderzoek Savelkoul).

Het immuunsystem wordt geactiveerd middels een kleine elektromagnetische stimulus die door geïnduceerde spanningen in cellen een lichte stress op cellen zet, te weinig voor negatieve effecten, maar wel voldoende om cellen te stimuleren tot productie van cytokines die het immuunsysteem ‘aan’ zetten.

De activator is een klein apparaat met toepassing in zowel ziekenhuis, huisartsenpraktijk maar ook thuis.

Hoe staat het er nu voor met de Activator?

Het apparaat is in de praktijk uitgeprobeerd en wordt in productie genomen zodra er voldoende kapitaal is gevonden.

Meer detail?

Maatschappelijk betrokken investeerders zijn welkom.

Interesse neem contact op met Hans Konstapel, Tunicaduin 2318 XE Leiden, T 071 5231126, M: 06 53843188.

Email: Hans.konstapel@gmail.com.

Over de Veerkracht. van ons lichaam en waarom uiteindelijk de zaak enorm in de war raakt en er zelfs eiweitten zijn die de troep weer opruimen.

Referenties:

  1. Golbach LA, Portelli LA, Savelkoul HF, Terwel SR, Kuster N, de Vries RB, Verburg-van Kemenade BM. Calcium homeostasis and low-frequency magnetic and electric field exposure: A systematic review and meta-analysis of in vitro studies. Environ Int. 2016 Jul-Aug;92-93:695-706.
  2. Golbach LA, Scheer MH, Cuppen JJ, Savelkoul H, Verburg-van Kemenade BM. Low-Frequency Electromagnetic Field Exposure Enhances Extracellular Trap Formation by Human Neutrophils through the NADPH Pathway. J Innate Immun. 2015;7(5):459-65.
  3. Elmusharaf MA, Cuppen JJ, Grooten HN, Beynen AC. Antagonistic effect of electromagnetic field exposure on coccidiosis infection in broiler chickens. Poult Sci. 2007 Oct;86(10):2139-43.
  4. de Kleijn S, Bouwens M, Verburg-van Kemenade BM, Cuppen JJ, Ferwerda G, Hermans PW. Extremely low frequency electromagnetic field exposure does not modulate toll-like receptor signaling in human peripheral blood mononuclear cells. Cytokine. 2011 Apr;54(1):43-50.
  5. Cuppen JJM, Wiegertjes GF, Lobee HWJ, Savelkoul HFJ, Elmusharaf MA, Beynen AC, Grooten HNA, Smink W, Immune stimulation in fish and chicken through weak low frequency electromagnetic fields. Environmentalist 2007.

LINKS.

Over Veerkracht.

About Loci

Method of loci

To use the method of loci bring to mind a familiar building, such as your house. Take a moment to conduct a mental walk through the rooms in your house.

Pay particular attention to the details , noticing any imperfections, like scratches: anything that makes your mental images more vivid. Make sure you can move easily from one room to another.

Along your route create a list of “loci” :i.e. well defined parts of the room that you can use later to memorize things.A locus can be a door, a bed, an oven, etc. Be sure that you can easily go from locus to locus as you visit the house.

Now, when you are faced with a list of words or ideas to be memorized, you must form visual images for each of the words and place them, in order, on the loci in your route. To recall the words or ideas now you take a mental walk throughout your house, asking yourself , “What is on the living-room door? What’s on the sleeping room bed. What’s in the oven?” And so on.

Associating the words or ideas to remember with the loci, you should create surprising images. More striking is the created image, more easily you will remember the thing.


This is all about the method! What follows is,instead, just a short FAQ if you are curious about what is behind this method.

Who invented the Method of loci?

According to Cicero’s De Oratore, the greek poet Simonides invented it. The legend says that Simonides escaped a disaster that destroyed the building where he was having a dinner with other dignitaries. He was able to name the victims by recalling where they had been seated.

What is the relationship between the method and the “Art of Memory”?

The Art of Memory was about the use of space to remember things and was based indeed on the method of loci.So the method of loci is almost a synonym of Art of Memory.This mnemonic technique was used by the ancient rhetoricians and later orators until the invention of the press.The major points of speeches were remembered using the method. The orator would visualize walking through the rooms of their memory palace and associating the next point to be addressed with a successive locus. This is perhaps why we now say “in the first place.”

Why Frances Yates is often cited when speaking of the Art of Memory ?

Frances Yates has written the best in depth account on the history of the Art during its long evolution from Simonides to its demise in the 17 century. In this book,named “The Art of Memory” and easily readable by anyone,Frances rediscovers the Art after two centuries of oblivion.Yates main point is that the learning of the Art was central to the formation of cultured people for twenty centuries. For this reason the Art is one of the central points in Western Culture.

Are there signs of the influence of the Art still visible in our cities ?

Medioeval cathedrals were build to work also as memory places.Dante also, in the Divina Commedia, builds a kind of memory place.

Can you give examples of uses of the Art by cultured people?

Monks used the Art to commit to memory their sermons, lawyers would memorize their speech in the same way.

What is the connection between the Art of Memory, Giordano Bruno and Hermetism?

Giordano Bruno , a dominican monk, left the convent where he learned the Art and wandered throughout Europe telling the secrets of the Art to all who would listen to him including the King of France.He was in 1600 burned at the stake for heresy.You can read online the most famous of his books : The Shadows of Ideas in latin but with some fascinating drawings of “memory wheels”.Bruno,following the teaching of Neoplatonists ,thought that learning the Art gave magic powers:this was the Hermetic Art of Memory. This is a short Introduction To The Hermetic Art Of Memory
Images stored in the loci become more than a mnemonic device. They help us in getting a better understanding of the world. Through them we discover the true essence of things and their relationship. They have also magical powers acting like talismans.They are in fact the “Shadows of Ideas”:the essence of reality.

After his death he was and is presented as a martyr of Science.The truth is that ,when he lived, modern science was not really born and we don’t really know why the Inquisition decided to condemn him( all documents about his process have been lost). But, if the idea that Bruno lost his life because of his support for Copernicanism is probably false, the idea that he was condemned because of his beliefs about the magic powers of the Art of Memory, is probably true.So he may very well be a martyr of the method of loci!

(Here other online texts from Bruno.)

What is the connection of the Art with the discipline of Rhetoric?

The Art was learned as part of the Rhetoric by Greek and Roman orators. Later it was integrated by Thomas Aquinas under the virtue of Prudence.

Can you give some specific example of striking images?

In an ancient text about the Art (Rhetorica Ad Herennium) there is this image to be used by a lawyer working on a case of poisoning to gain an inheritance with many witnesses: the defendant is at the bedside of the poisoned man holding in his right hand a cup(the poison) and in his left, tablets (inheritance) and a ram’s testicles (testes i.e. the witnesses in latin).
If you are curious this manual about mnemonics contains hundreds of examples of ridiculous images used to remember things plus some rules on how to create them.

What is the link between the Method of Loci and the Camillo Memory Theatre?

The “Idea” of the Theatre by Giulio Camillo, was essentially the following: instead of having cultured people imagine complex architectures to store all the knowledge,why not build a physical place and then store all knowledge in this place. Now you can learn simply by walking in this Memory Theatre.

Should we use necessarily real buildings or we can use also a imaginary place?

As “building” for the loci almost every structure both real and imaginary that extends in space, has been used.A city, an abbey, a tree, the human body, a schematic drawing, etc,etc.The so called mnemonic major system or peg system uses as loci images connected to the numbers 1 , 2, 3 ..This manual about mnemonics describes how these images are created in a systematic way from a list of words connected to the original numbers. You start from 1(t,d,th), 2(n), 3(m),4(r),5(l),6(g),7(c,k,gh),8(f,v),9(p,b),0(z,s) and then 16 becomes the word “dog” (d=1,g=6) and the image of the dog.

Is the method still used today?

Some memory performers on stage or television use the method.One of these is the famous italian mnemonist Gianni Golfera.
Also the most studied mnemonist, a certain Shereshevsky(S.) followed for 30 years by the russian psychologist Luria, discovered the Method by himself.He really didn’t need it to remember things: apparently ,for him, being synaesthetic,every experience was so compelling to be unforgettable.But when asked to remember ,for example, 50 items in order, he would put them along some street that he knew very well.This would make the recollection of the items in the right order more easy for him.
This paper reports that in many known cases of normal people with exceptional memory (excluding thus autistic people with savant syndrome) this method is used.
Many Universities and colleges include the Method as a mnemonic device in their pages of advices to students. This is a typical example of information on mnemonic devices for students.
The famous novelist Thomas Harris in the novel about Hannibal Lecter (“Hannibal”) describes in detail how Dr. Lecter uses the method . Unfortunately all this has been lost in the movie version.

How many things can you memorize with the method of loci?

People would memorize palaces with hundreds if not thousands of loci .With such a memory palace you can remember a lot of things but you also need to train a lot to use properly such big places. Memory performers use them routinely but their experience is that they have to rehearse for hours every day to use them.

There are images left by the ancients of these memory palaces?

Yes there are some striking images included in memory treatises or just printed without accompanying text to be used specifically for this purpose.Medioeval university teachers would,for example,represent all the items of their subject matter organized spatially in some striking image and have this image used by students to learn their topic.
You find some examples here.

Why some authors consider the Art of Memory as a tool of creation?

Mary Carruthers and others modern authors point out that the ancient Art of memory was considered more than a way to remember things, a tool to create new things. We now think about this technique as something where you have, for example, a sermon already written and then you memorize the main points using the Art and then recollect your images to deliver the speech. Something that in modern days would be done by reading the words from a sheet of paper. In fact, things were slightly different. There was no previous written sermon! The sermon was created directly from the memory images! In the same way people would create also literary composition like poems or simply meditate about God or other items. For example, in the case of meditations, the written word (in the Bible) was only a starting point, then the creation of the memory images and its recollection walking in memory palaces would organize and expand the original material allowing the person to explore and learn more about the subject matter.

What is the relationship between memory palaces and hypertext?

Both use space to make learning easier.An hypertext with its clickable icons and images is like a memory palace and each link is a locus .When you click, the idea stored there appears as a new document.The only difference is that you don’t have to memorize the structure . From this point of view hypertext is much more like the Camillo Theatre: a physical space where you learn by walking.
See also Hypertext and the Art of Memory from Visible Language 31.2:1997

What is the relationship between the memory palaces and virtual reality?

Virtual Reality is essentially a 3D hypertext.You now navigate not only with the mouse but with all your body:the dream of Camillo becomes true.We can now build a place where you learn only by walking.

What is the relationship between the Art of Memory and computer interface?

It is by now clear that both the human and digital memory aren’t merely a repository, but a theatrical stage. We access computer data by clicking and in general using an interface based on a spatial metaphor.The same we do with our memory using the method of loci.So the Art has been the first computer interface invented by man and used to make better use of the biggest computer ever built:our brain.It was the first model for data storage and retrieval and now is driving the the research on new computer interfaces.
You can read an introduction on this fascinating matter on this paper by Peter Matussek about the The Renaissance of the Theater of Memory

What is the relationship between the Art of Memory and scientific visualization

The Art of Memory is a special case of visual thinking : i.e. high level manipulation of visual information by our brain. Scientific visualization tries to help our powerful capacity to handle visual information by creating visual representations of abstract or invisible objects for example a molecule or the interactions between particles. Like for the development of computer interfaces, we don’t know why some representations seem to work and others no, but the method of loci is a powerful paradigm that we know works, and that helps us find effective visualizations. In the method there are two fundamental components:

  1. the interiorization of the images in the loci
  2. the interiorization of the path (a muscular activity)

So ,for example, the successful visualization of a complex molecule includes not only static images of its parts but also the capability to travel inside the molecule using the mouse.

Does the method really work?

Yes,although there is no proof that it works better than other methods, like for example rote learning.An interesting article on this subject(This is the electronic version without pictures of:

Bower:Analysis of a mnemonic device-Am.Sci. Sep,Oct 75?

. See also this Master memories are made not born. And also Testing-the-Limits in a mnemonic technique: A study of cognitive plasticity in very old age.In these studies the participants are trained in using the method as a mnemonic device to remember word lists.

Works Cited

  • Carruthers, Mary. The Book of Memory: A Study of Memory in Medieval Culture. Cambridge: Cambridge UP, 1990.
  • Carruthers, Mary. The Craft of Thought: Meditation, Rhetoric and the Making of Images, 400-1200. Cambridge: Cambridge UP, 1998.
  • Parker, Cahill,McGaugh A Case of Unusual Autobiographical RememberingNeurocase(2006) 12, 35-49
  • Rossi, Paolo. Logic and the Art of Memory. Trans. Stephen Clucas. Chicago: U of Chicago P, 2000.
  • Yates, Frances. The Art of Memory. Chicago: U of Chicago P, 1966.

Introduction of our New Cooperation First Time Right Engineering (FiTiRi)

FITIRI is the result of a meeting with Theo Lohman who is the co-creator of Collin (Collective Intelligence). Collin is a system designed to manage complex engineering projects.

I discovered soon that Theo was playing with the same model I used for a very long time called Paths of Change (PoC). Theo was trying to improve engineering but failed because his theory was too complicated.

In february 2019 I have started a new company with my old friends that is able to do what almost Nobody is Able to do.

We have the intention to Make the Best for the Lowest Price in the Shortest Time.

The “First Time Right” or “Right First Time” (RFT) Principle is part of the Lean Six Sigma method . Lean Six Sigma is aimed at Preventing Failures.

FiTiRi is a Software / Business / General multidisciplinary Engineering Firm that is able to Produce Machines (“a factory”) and Structures Managed by Software (and related products (Strategy, Advice, Research, Auditing (testing), Training, etc). According to the FTR-principle.

We are expirienced in Change Management and Education.

We are not only Technical Engineers but also Social Engineers with a lot of experience in Change Management including Education.

We have development new tools that train people by providing real-time feedback on what they do. At this moment our educational tools are operational in the IT-domain and we are developing tools to train Nurses.

Our tools provide the students with a real certificate provided by a Instituion that is acertified to do that.

We are specialized in Analytics.

This is the Model of Walter Russell mapped on the Model of Paths of Change. showing that the Action Potential of the Emotion generates an Impulse (Need) that can be ANalyzed to Find Rules that can Inspire Insight that can fuel the Action Potential. that can be fulfilled with a Personal Tranformation (“an AH erlebnis“).

We Build Smart InfoSystems.

We are able to built Intelligent (Smart) Information Systems that automatically collect Quantitative (Numbers) and Qualitative (Content, Facts) data and combine them in a Shared (Semantic) Model.

We are specialized in Banking and Healthcare.

Peter Gotsche believes that Big Pharma and Mistakes of Doctors kills a lot of people who were not ill at all. That’s Why we believe in Biophysics:.instead of BioChemistry.

We Build Smart Buildings and Smart Cities.

We are able to model 3 and 4D flexible virtual structures (“buildings) and are able to design factories that produces these structures on demand.

Components of smart buildings. | Download Scientific Diagram

We use Statistical techniques but also tools out of Machine Learning (AI) to find patterns and build software that reacts to these patterns.

We are able to make (High Functionality, ( Many Function Points)) Complex Software) and Simple Software. In the last case our Price a Low.

We are also able to Design and Build Software-Generators based on a (Business-)Domain Model (for instance Healthcare).

Our First Meeting in which we gladly Hear Your Story and Answer your Questions is always For Free. We are prepared to work No Cure No Pay.

To make Contact use the link.

We are also able to Sell the Products we make together with our customers.To do that we are part of big International business Networks.

Our Favorite Aproach is No Cure No Pay.

As we want o create Value by helping you to create Value we prefer to start by making a
Shared Business Case. To make the case we prefer using the tools of our partner Theodoor van Donge who developed VDML (Value Delivery Modelling Language and a tool VDMBee to use VDML.

We Are experts in Value Engineering.

The nice thing about VDML is that it is possible to generate BPML (Business Process Modelling Language).

Proces Improvement by combining many POC-cycles

It is possible to generate software out of a BPML model. THis means that it possible to generate a proces-model of your business out of a business-case that describes your business.

A BPMLmodel is not only a business-model but als a value-chain in Value-based-Healthcare.

With VDML we are also able to design Business-Ecologies

We are able to Reengineer Models out of Content and Software.

It is also possible to reengineer a Business Model out of the Content related to your business/practice (Dcoments, Software, ) using the tool developed by Wim Goes and Marco Dumont we called Alchemist.

This means that it must be possible to distelate a business-model and a proces-model of your business out of all the content that is available in your business.

We can also use your bookkeeping data quantative (numbers) and qualitative (facts, content, paper bills, invoices).

It is also possible to map the BPML model to a TOP-model (Task Oriented Programming), a toolset developed by Rinus Plasmeijer written in CLEAN. CLEAN is a Functional-Programming Language.

Our speciality is the design of Autonomous (Smart) Systems and Highly Secure Systems.

Smart Computing mapped to the Paths of Change model which is a model of the Human being. It shows that ICT is able to Imitate Humans.

We are the only IT-company that Guarantees its Products.

To do that we use the PoC-approach combined with special SMART tools that are able to detect possible mistakes before they occur.

If you Want you can Buy or Rent our Tools. We are also able to Select, Train and Search for highly qualified Engineers.

We are able to engineer or to re-(reverse) engineer (or adapt) Highly Complex Software-systems. In the last case we move Back in the Development-cycle.

Input in this case can be Software-code or generated code by a tool or documents/content that contains a “Sample” of the current situation. This sample can be documents describing processes but also chats that are part of a dialoque.

We are able to Verify if software correlates to the designed architecture. We are also certified to Test software or to Mediate in a Legal Conflict with a software vendor.

We are able to Train People in Programming or in other Processes. Our most effective method uses Feedback in which we Analyze the result of a process Real-time and show (mostly using movies) the best way to make the result with the highest Quality.

We are able to correlate the activities of many practioners. called a Community of Practice.

Partners.

FiTiRi is a Cooperative in which many different Practices are Combined. Our Team covers Many Years of Experience.

Germt van der Veen: Business Planning, Operations Management, Innovation Management, Healthcare. Germ is the manager of the network.

Hans Konstapel : (RE)Search, Strategy, Mathematics Architecture, Programmagement, Business Development. Banking. Hans is the Strategist of the network.

Wim Goes: Research, Design, Architect, Auditing.Mediator. Wim is the Software Architect of the network.

Erik Vreedenburgh, Design, Architect, Designing Houses & Buildings.

Martin Knuijt, Design. Landscape architect.

Theodoor van Donge: 30 years of IT Innovation and Leadership in the Software Sector (Baan, Cordys, VdmBee). Business Modelling, Business Cases.

Rinus Plasmeijer: Professor Software-Technology. Expert in Functional Programming Technology.

Marco Dumont: Software Engineer, Teacher

Thijs van Gastel: Tax Lawyer, Accountancy, Auditing.

Harm Rozie, Comunication.Strategy, Public Re;ations/

Peter Berlie, Risk Management.

Paths of Change.

Paths of Change (PoC) is a very old general theory about Change reinvented by Will McWhinney of UCLA (University of California Los Angelos).

Poc Uses the concept of a World View, a specific way to Observe, See, Feel the world.

The World View can be represented by the four Senses or the Four Humors.

Carl Jung called the World Views Archetypes. Myers Briggs transformed the Archetypes in a Personality Typology.

A Type is a combination of Two World Views.

John Holland used the types to define a Career Development Model.

The Types can also be used to describe the learning proces. In this case the World Views are called Learning Styles.

The types can also be used to describe a general Development or a Communication Process.

Panarchy Process Model of Innovation.
First Time Right Process Model.

George Klir Complex Adaptive Systems. In complex adaptive systems, the whole is more complex than its parts,[2] and more complicated and meaningful than the aggregate of its parts.

Featured

About The End of the Fourth World.

Introduction.

The biggest problems the World is facing are Income-and Asset inequality . An unbalanced distribution of wealth combined with an inflexibel burocracy controlled by a rich elite is the trigger for a Big Crisis when a not expected Calamity occors.

In the Fourth World Rationality combined with Cold emotions Controls the World. Empathy is not the emotion of the Hawks of the Ruling Class.

horus

A lot of people don’t believe or don’t know that the Spirit of Inspiration is a Conscious Being. This spirit is specialized in The current Time (Anima Mundi) or Place (Genius Loci). The Russian Philosopher Bahktin called the combination of Place and Time, the Chronotype.

The Architect Christopher Alexander wrote a series of books called The Nature of Order. “.

In the Fifth World we will return to the Rose-Garden.

Why the Earth is Growing, he Magnetc Field is Turning and the Big Flood wil come after we connect with a Super Nova.
ccording to Hopi Myth we now live in the Fourth World. This World is Ending Soon. What will the Fifth World bring?
Are we able to Stay a Participatory Society implemented in a Democracy controlled by the Citizens? or will the State, controlled by an invisble Dictator control us? Is the Constitutional State at its end?

We are forgetting to Ask our Creator-Ancestors for Guidance. We have forgotten that that they are able to See the Future from a Far-Away Perspective.

The Nation State has a very long history that begun when Humans started to Organize themselves in the Stone Age.

Humans have been Performing Shared (Death, Birth, Marriage, and other) Rituals for >2.000.000 years. Have we forgotten to take care of the Death?

Certain Civilizations (Egypt, Sumer, Inca) were (Re)Created at About the Same Time by comparable entities Enki (Sumer), ( Thoth Egypt) ( Viracocha, Inca ) who warned us for possible recurring Disasters (f.i. the Great Flood, the End of Civilization ).

God Ea, seated, holding a cup. From Nasiriyah, southern Iraq, 2004-1595 BCE. Iraq Museum.jpg
Enki.
Viracocha
Viracocha
Hermes Trismegistus
Thoth, Hermes Trimegistres.

They build Celestial Observation Centers (like Stonehenge) all over the World to determine the exact moment in Time.

Stonehenge

It is remarkable that they warned us for what is happening in our time.

The same warning comes from leaders of very old civilizations like the Maori, the Aboriginals but also of the Hopi.

According the Hopi Prophesy Three Previous Human Worlds were destroyed when people became Greedy, Worshipped technology as a god, Fought and Hurt each other, and repeatedly forgot the Ethical teachings they’d been given to Honor the Earth as the Source of life and sustenance. Our Fourth World is dying.

Hopi Phrophesy

The first State after the Flood was a City State called Ur.

A City-State is a Distribution System. It distributes Wealth (Surplus, Food, Energy, Knowledge, Human Labor) between rich and poor people.

A State is with an unBalanced Distribution system will Collapse.

Because of the Growing (Niche Weather, Fertile, soil) Surplus The Organizatonal Sructures of the States and the States themselves grew bigger and bigger and behaved as humans behaved because humans used them for their Own Benefit.

States grew by Expanding or by taking over other states.To expand states fused but also took over control which was most of the time done with a lot of Violence.

To stay alive States had to increase the amount of soldiers and make or invent new weapons.

Small States fuse into bigger structures like the European Union to benefit from the Protection of a bigger state.

Most of the time the soldiers were children out of the underclass of the state. To motivate the soldiers States became something to Die for.

States Act like humans because humans always Project humans in Agents that show an active behavior. These agents take over the role of the Parent (mostly the Father). States became a Substitute for the Family.

Currently we see a lot of Competing states that compete with other structures that coordinate Human Behavior.

Big Global Companies are sometimes more Powerful than States.

The most innovative state of the state, the constitutional state (See Part 2) has to be innovated to Integrate all of the organizational structures currently available.

If this is not done one of the new structures will Take over Control.

Current Technology is able to Control and Manipulate billions of people by Changing their behavior

Big Brother is real and wide awake waiting to Rule the World.

This blog will show you what the Big Troubles were created by not turning back to the roots of the human structures, Mother Nature connected with .the Moon Cycles

The only Ancient Culture that is still in Tune with Mother Nature lives in Australia and in New Zealand.

Let us Copy their behavior or start looking for a Place to Hide perhaps in the Old Caves in Capadocia.

Corroboree an Australian Aboriginal dance ceremony which may take the form of a sacred ritual or an informal gathering.Central Australia near Tenant Creek Northern Territory, NT Australia

Part 1: Surviving in a Cave Looking for the Secret Grove of the State.

What are all the Megalyths doing? It looks like they were Showing the Way to the Stars in an ancient landscape that was almost totally covered with Woods.
Archeology uses Astronomy to explain what all the ancient Megalyths are doing. They show that our ancestors knew a lot about the Stars and their Cycles and the Important connections between the Cycles and Nature. In this way they were able to predict important changes in Nature like Spring and Autumn.
Prehistoric wooly mammoth hunters using bows and arrows
Hunter Gatherers cooperate to kill a Mammoth: Picture out of an Article in the Gardian.
The Bronze Age
Reconstruction of a a Bronze Age ettlement (a Proto-City) in Dartmoor Wales.

The State started as a small City-State surrounded by Walls where the Keeper of the Storage of the Food became a King.

The word King comes from kin (related by birth, bloodline) probably with a God (the first Creator). It is well known that in history powerful kings openly declared that they were a God.

Jericho.is probably the oldest continually-inhabited city.

Walls of Jericho.

Archaeologists have unearthed the remains of 20 successive settlement dating back 11,000 years.

he old walls of Jericho were part of a very old Proto-City.

an Old Sanctuary in the Fertile Crescent, Goebeli Tepe, Turkey, 10.000 BC
Recently Scientists have detected the existence of an old Cataclism that caused the end of Atlantis. They assume that Kobele Tepie was created by the people who survived the disaster.
3d model of ancient greek freight ship hull  merry creation

Humans are Toolmakers.

One of the most interesting inventions was the Boat that made people Look at the Sky to navigate and detect the cycles and the important moments in the cycles (Spring).

Cappadocia, Turkey
Ancient rock-cut church and cave dwellings in Cappadocia, Anatolia Turkey. Capadocia was called Phrygia in old times.

Below the Churches vast Underground Cities were found. They were used to hide from the Invasions of the Sea People.

They were people that migrated with their catlle and boats out of Iran and Turkey later returning from Europe to their Homeland.

Many ancient citystates were destroyed in the Bronze Age Collapse. This happened because of the attack of the Sea People, a huge force of returning seafaring hungry people from Europe because of a sudden Climate Change caused by a Vulcano in Iceland.
Egyptian Drawings of Sea People that probably were “Vikings” coming from Norway .

The State looks like a Beehive.

Phrygia is well known for the Gordian Knot a puzzle solved by Alexander the Great and its King Midas who wanted to create Gold with his touch.

The Goddess of the Phrygians was Cybele, an old Moon Goddess. At that Time the culture was Matriarchal.

 
Beehive Houses Harran Turkey.

Cybele was the Goddess of the Bees. She originated from a big Black Stone, a meteorite, fallen from Heaven. This Stone became the Kaaba, the Black Stone in Mecca.

The Statue of Cybele was always accompanied by a priesthood of eunuchs who dressed like bees.

The male priesthood castrated themselves during an ecstatic celebration, called the Day of Blood’, which took place on 24 March.

Cybele carries the Wall of a City as a Crown on her head.

Cybele the Mother Goddess with her Lions

Cybele and her priests played an important role in Rome by keeping the Cybilline Books that contained prophesys about the End of the State of Rome.

The methaphor of the Cave must have come from the ancient cavedwellers. All of them developed the same concepts probably related to the Bee-hive of Queen Bee Cybele containing citizen-Working-Bees that provided for the Food of the state.

Egypt was known as the land of the bee, its kings were called ‘beekeepers’ and the founders of the Nile Valley appear to have travelled from the Source of the State Mesopotamia with bees in their boats after the flood, circa 3,000 BCE.

Egypt became one the most stable Nation States on earth for a very long time.

It produced, because of the cyclic flooding of the Nile, a vast amount of Food, was so Wealthy that it was able to defend itself by hiring Mercenaries, even against the Sea People and was therefore able to store a long history of knowledge in its Archives that were taken over by new rulers, the Greek (Alexander the Great) and later the Romans. Alexander was extremely impressed by the Priests of the center of knowledge Heliopolis.

Heliopolis attracted many intelligent people from all over the world to learn the State of the Art in Navigation, Prediction, Architecture, History etc.

About the Hunter Gatherers.

The Maori Culture and the of Australia Aboriginals are the oldest culture on earth.

The Maori made a conscious choice not to start Agriculture but to live from Mother Earth.

The Hunter Gatherers developed an intuitive knowledge of what Mother Nature needed. In these cultures only people with a “gift”, the shamans, become priests.

The Hunter-Gatherers: Moari Warrior talks about his culture and the dance of the spiral, The Holy Ghost..

The Origins of the State according to Plato.

The roots of the State go back to Greece where Plato wrote about it. He believed in a city-state he called kallipolis. The state was ruled by a Philosopher King.

Plato got his teachings in Heliopolis, the Center of Wisdom of Egypt and the whole world at that time. His teacher was the Horite priest, Sechnuphis. His teachings came from Thot also called Hermes Trismegistus. Plato mixed the ancient teachings with the dialogs in his books.

The Books of Thot.

The books of the ancient library of Heliopolis were transported to Alexandria and later to Byzantium, , the Center of the new Roman Empire. Later they were taken to Venice and played an important role in the Renaissance.

Part 2: Bruno Latour: About The New Constitution.

Bruno Latour How to Think as a State. A speech to the Dutch WRR, an Scientific Counsel to Government of the Netherlands.

Latour speaks about the New Constitution.

A Constitution is a Law that Controls Laws, a Meta-Law.

Accoding to Latour a State is an Ecology.

To formulate the right Laws we have to Solve the Distinction Between Hard and Soft, Science (Facts) and Politics (Society, Values) ,  Nature and Culture, Thing and Subject.

The adaptive cycle as a dynamic map for resilience thinking
The theory of complex dynamic systems called Panarchy describes the periodic, rhythmic dance of the spiral of the holy spirit between order and chaos, between stability and transformation as a fundamental pattern of self-organization in complex (living) systems

An Ecology (= a State) Grows when the parts of the ecology are not too connected (“autonomous“) and the Wealth of the Economy is widely available for action.

The Panarchy Cycle ends with the end of the Ecology (in the Conservation-state), This state is always saved in a Sacred Grove.

I hope that you realize that the Sacred Grove of the state is kept alive in the Maori- and Aboriginal Culture and in humans that are able to Feel and/or See, the new Bards and Druids.

About the Gnostics a Religious sect of Greek speaking Jews living in Egypt that took over de ancient faith of Mother Nature combined with the knowledge of Plato & Pythagoras.

In a Conservation-state a State (a Political ecology) is old and fragile only busy with itself, spending all of its energy (wealth) to reproduce

The windows of a Cathedral show the Spiral of Life. Cathedral are always build on a Sacred Grove.
The Medicine Wheel is the basic form of Model of the Cycle seen in the way animals behave. .

The Sacred Grove was the place were the Spiritual Buildings (Churches/Cathedrals) were build by the Priests of te Old Orders. Atlas (“the Mapmaker“) and the creator of Atlantis shows the Maps that were made to Navigate all over the World and to Predict the Future by projecting Time in Space (f.i Lightyear).

To find the Future of the State we have to research the time we lived in the Caves,

Politicians have to realize that the State is an Ecology that Contains a Diversity of Matter (Things) and Life Forms (subjects) and

Scientists have to realize that Objects are also Actors, they move and/or are a cause and/or an Effect .

Politicians (Thinking(Unity) <->, Feeling (Social) <–> Manipulate and negociate Consensus and

Scientists (Thinking (Unity) , Sensing <–> Make, Analyze) ) have to realize that besides their Archetypes there are other Archetypes like Seeers (INtuiting) and Empats (Feeling). that Play a Role in the Cycle of Paths of Change.

Paths of Change mapped to the Tarot where Mythic (= Imagination, idea, Intuitive, Seeer, Cups), Social (= Opinion, Status, Emotion, Feeling, Pentacles), Sensory ( Fact, Experience, Wands, Action, Grow) and Unity (= Knowledge, Order, Rule, Law, Swords).
The Parliament of Things has to make a full Rotation of PATHS OF CHANGE with the Clock (Generating, Producing) or and / or Against the Clock (Consuming). With and Agaianst the Clock = a Moebius Ring). Observe the MOEBIUS RING in the Picture of PANARCHY Above and Below.

Does the New Constitution, the new Meta Law also apply to Things-Animals and Things- Machines (Robots)?

Who will Speak for the Lakes, the ozon layer, the Trees and the Self-driving Cars in the Parliament of Things.

Are the Laws of Nature in conflict with the New Constitution or are they the same Laws (and what are these Laws)?

In Chapter 9 of this blog you will see that Humans and Animals (and even Viruses and Bacteria apply the (Ethic) Principle of Tit-for-Tat, a solution to the Infinitely Repeated Prisoners Dilemma.

We are all kept in the same Prison that is Nature and our only way to get out is to Collaborate with all of the Life-Forms.

Part 3: What is Happening?

We are witnessing a Global Transformation in which the old Organizational Mass Structures are Loosing their Power and the Struggle between the Hawks (Rich, Influentional) and the Doves (Poor, Isolated) comes back.

History Repeats itself in a completely different Context filled with Big Brother Technology.

Is it possible to create a Big Brother State that citizens Love to live in?

It looks like (Surveillance Capitalism) could become our Big Friend by Automating Us.

Jared Diamond. Societies collaps because of environmental problems (“climate, too Dry, too Cold,..) combined with External and Internal Conflicts and the Resilience of the Society, (the Way the Citizens are able to Solve their own Problems), is low.
The Panarchy 4D Model of Ecologies fits the development of the Sate. It shows that Resilience is a combination of Connectedness and Wealth (Resources). When a State is too connected (“Burocratic“) and has not distributed its Wealth between the Rich and the Poor it will Collaps.

Part 4: The History of the State.

The State was invented in Sumer translated in Akkadian as the “Land of the Civilized Kings”.

Their forefathers moved from a hunter-gatherer society to an Agrarian one prior to 5000 BCE.

The Kings and their High Priests invented Cuneiform script, the Wheel, the Sail Boat, Irrigation, Law, Diplomacy, Trade, Bookkeeping and astrology.

Machu Picchu, A December Solstice Observatory of the Inca.The Inca’s are part of the Norte Chico Civilization that existed at the same time as Sumer. The December Solstice was observed all over the world. The civilization of the Inca’s was destroyed by the Spanish Golddiggers who killed for Christ and brought many Diseases that killed the Inca too,

Part 5: Theory of the State.

State formation is explained by The production of surplus (Wealth) resulting in a division and specialization of labor: leading to Classes who worked the land and to those who could devote their time to other tasks including astrology and warfare.

Large societies tend to develop Ruling classes and supporting Bureaucracies (Systems, Connectedness) , which leads to larger organizations that want to Control the world.

When the state is too dependent on systems the state will collaps when a Not Expected Disaster takes place (a Black Swan or a Dragon King.).

For a very long time the Hierarchy was the most important Control-System in Use.

Currently the Center of the System is moving from the Top to the Bottom because of the Rise of Communication Technology (Internet).

Part 6: Summary.

A big part of this blog is about the State we live in called the Constitutional State, the Nation State or the Rechtsstaat.

All of them are highly Dependent on the Belief that People are regulated by Laws and that there is something behind all these Laws which is an Eternal principle that represents the Good.

A deep (but not very difficult) analysis shows that the State is an instrument to benefit a certain Elite (A Tribe?) that is Sustained by the Systems of the State in which the Educational System is the most important.

The article by William I. Robinson: Gramsci and Globalisation: From Nation‐State to Transnational Hegemony shows that the current Social Networks of Local Elites connect on the World level and are influenzing the Global Nation States.

The extreme wealthy creators of the Global Social-Network Technology know that they are able to Control the World with a Silent Revolution in which the Needs of their users can be changed to live in a new type of Paradise in which the old Roman theory of controlling their citizins with Food & Play will Lead the Way.

7.List of Chapters.

This list contains numbered summaries of the chapters of this blog from now. It makes it possible to Jump into the blog without missing much.

Watch out: THis Blog is still in Development. It will not be the same in a few weeks from now.

Comment? <-click there.

2: What is a State?

A State was an instrument to support the Ruler of a Boundary in Space called a City State.

The Rulers became Omnipotent when they transformed themselves into a God.

Nice to Monaco

THe City State Monaco.

3. History of the State starting with the GREAT FLOOD.

Before the Great Flood Humans were organized in Tribes and later in Kingdoms. Most of the humans were owned by other humans.

After the Industrial Revolution the Slaves started a Revolution and the Kings had to share their Power with the Many still divided in the Rich and the Poor.

People no longer felt they were Owned by some Ruler; instead they now gave their Loyalty to something bigger, the Nation-state.

4. The Constitutional State.

This is a new concept in which the “good” is put into a General accepted Meta-law (a law that rules over other laws) chosen by a Majority of people. The big problems with a Meta-System is that it not bounded. It suffers Infinite Regress.

The big problem with a not bounded Constitution is that it will eventually cover All of the Humans, the Animals, the Territory of Earth (UNO) or even Space.

5. The problems of the Constitutional Sate.

To service its citizens the Rechtsstaat starts Companies that operate in the for- and the non-profit Market.

These Companies are now sold (or “given”) to the rich elite or the rich global companies that are now controlling the world.

Poor Citizens are paying Taxes for the benefit of the rich others.

This is Splitting the State and gives Opportunistic Leaders (Populist) the chance to drive their followers into a Renaissance of the Fascist State.

The STaat is also competing with other rechtsstaats (EU, UNO, ..). that control the “lower” rechtstaat giving the Nationalists the opportunity to dissolve structures that were created to Prevent a 3de World-war.

6. The End of the Nation State.

States are connected to a physical boundary. The United Nations relate to Earth.

The perspective of Humanity changed when we were able to see the Earth in the Middle (Bible, Creation Story) the Sun in the Middle ( Science Copernicus) to the Center of the Milkey Way in the Middle (Hubble Telescope, Technology).

The Cycle of History is moving to the Center. Our movement into Space_ generates a new (Space)-Spirituality created by the Meta-Myth of Joseph Gampbell that motivates people to leave Earth and move to Mars or even further.

7. About Anarchy and Terroism.

The Institutions of the state and the Elite that controls the state have been an object of Destruction for a very long time. Until now the State seems to be Resilient/ Anti-fragile. It restores and grows from Chaos.

8. Living in Caves. The Pre-Historic State.

What can we learn from the time Humans were not part of a State (and part of a Tribe).What we can learn is that a lot of the experience of that time is put into our culture and in our myths and religion.

9: Are Humans different from Animals & Organisms.

Organisms & Animals “create” organizational structures that look like States. How different are we from organisms and our cousins the Apes. An important feature we don’t want to see is Synchronization. It helps dictators to control the masses.

10. Diverging States?

In 1989 The Berlin Wall fell and the western Nation-State became the “normal” model of the World. After that moment old conflicts started all over again. The same happened when the world wanted to get rid of “real” Dictators like Saddam Hoessein.

States are not a computer program that controls citizins, we can Restart.

States revert to their Initial State which is a Tribal Structure in which Violence is a normal tool to control the Population.

The New Leaders Copy the Story of the Ancient Leaders by Remembering old Stories about Lost Battles. This happened everywhere in the World from YugoSlavia to Ruanda.

Dictators with the use of State Violence control latent conflicts.

States are a very Complex Balancing Act in which many Powers are Neutralized.

A debate with Francis Fukuyama, Professor of Political Science Stanford University

11. The Techno-State.

In 1999 I wrote a document called MOVING UP and MOVING DOWN Ideas and opinions about the connection between Small Scale specialized human networks and large scale collaborative IT-technology.

It shows that we are moving to a connected Collaborative Space mostly called the Internet (or Hyperspace).

Hyperspace is now owned by big Global companies like Google and Facebook that Sell and Predict the Activity-profiles in Hyper- and Physical Space of many people on earth.

1.Introduction.

This blog is the result of an increasing frustration about the Performance of the State I live in (The Netherlands).

My Government acts without a vision, spends a huge amount of (tax)money and makes nistake after mistake most of the time in the use of Technology but also in providing effective Healthcare, Education, Protection, etc etc.

I Spend a few weeks reading thinking and writing about the State and came to the conclusion that we are facing the end of the Nation State.

It looks like Big Brother is already there and we are facing a situation in Europe that looks like the rise of the Totalitarian fascists States around 1933.

Is history repeating?

2. What is a Sate?

A Nation State is a Top Down Management Structure that controls a lot of people that share a lot. Currently the Top (Government) is loosing its power to other powers (Companies) .

In this last case the Nation State will transform into a Network of Special Economic Zones comparable to Hong Kong that provide a Tax-haven and a Secure haven to the very Rich. .

People that look alike synchronize and turn into a crowd that follows the directions of the Leader if he (or she) uses the Rhetoric of the Common Enemy. Most of the influentual Dictators were aware (by instinct or training) that they could bring a huge amount of people in Sync doing things they never believed that was Possible.

Crowds Synchronize when they look at the same thing.

Nation States are fragmenting into small Cultural Identities.

The State is defefined by Max Weber as a polity that maintains a Monopoly on the use of violence.

The Greek philosopher Aristotle believed that questions of the State, how it should be organized, and how it should pursue its ends, were fundamental to the achievement of happiness. Aristotle was aquainted with the City-State of Athens.

Acropolis Athens

The State we live in is the result of a Top-Down/Bottom Up process that repeats itself many times.

States start as small City States, and grow into Big Burocratic States.

Burocratic states are highly fragile and are therefore easily destroyed by a calamity or taken over by groups of violent people specialized in warfare that are triggered by famine caused by a change of climate or a change of the environment caused by human activity (desert creation, the industrial revolution).

Another cause of the end of a state can be found in internal conflict between competing groups often part of the Rulers (Masters) and the Ruled (Slaves).

This conflict can result in a Split of the state and or a Fusion of comparable parts. India and the Us are an example of both in which Religion was the cause of the split and a Cultural Likeness (“Capitalistic, Calvinistic) the reason of a Fusion.

The Huns, especially under their King Attila, made frequent and devastating raids into the Eastern Roman Empire. invaded Italy and almost conquered Rome.

Chinese government build big walls to protect the country against the Mongols.

Great Wall, China

In time the Victors fill in the old framework of the burocracy with their own people and the system becomes fragile again.

Systems (and humans) Reproduce themselves with Parts that reproduce themselves ( autopoiesis. ).

3. History of the State.

The next Great Flood will probably not be caused by a collision with a meteorite but by the melting of ice caused by the rising of temperature caused by Climate Change.

The repeating process of State-production was stopped by and started again after the Great Flood. This happened around 3117 BC.

After the Flood had swept over the earth and when kingship was lowered again from heaven, kingship was first in Kish. . . . in Uruk the divine Gilgamesh . . . ruled 126 years . . . its kingship was removed to Ur

Hero lion Dur-Sharrukin Louvre AO19862.jpg
Gilgamesh.

The City State of Ur.

Ur was a new .start. Soon the City States started to make war and grew into a bigger structure.

Ur has always been an important location, a harbor, part of the trade-routes that connected the East and the West. Because of the Trade The rulers (Male and/or Female) of Ur became very rich.

Rulers become God and The High Priest gets te power.

Extreme richness, Power and Praise often leads to many psychological disorders (described by Interpersonal Theory) including Histrionic, believing your Fantasy is true ) Narcissism (extreme self-esteem) and Paranoia (Believing that Everybody is a Threat).

Shulgi, the greatest king of the Third Dynasty of Ur, who solidified the hegemony of Ur and reformed the empire into a highly centralized bureaucratic state. Shulgi ruled for a long time (at least 42 years) and deified himself halfway through his rule.

The transformation from ruler to God brought the King to the highest state of Power. Many rulers copied this behavior and many new Gods appeared making life very complex.

At the time of Shulgi rulers were often adviced by Magi that had a lot of knowledge about Mass Manipulation, Personal Magic and Medicine. When the rulers became God the Magi became the High Priest.

Persian Magician.

Monotheism.

The Egyptian Pharao Akhenaton who was probably the Master of the Biblical Mozes Defined one God as the principal God. He started a new trend Monotheism based on the worship of Aten (the Sun Disk) .

In the Egyptian state the Priests were very powerful. They rebelled against Akhhenaton and restored the cult of Ammon.

Ahkenaton worships the Sun.

Ancient Israelite religion was originally polytheistic; the Israelites worshipped many deities including El, Baal, Asherah, and Astarte. Yahweh was originally the national god of the Kingdom of Judah.

The ancient economies of China, the Incan Empire, the Indian Empires, Babylon, Greece, and the various kingdoms of Africa operated on principles of reciprocity and redistribution with a very limited role for markets.

Cycles: History repeats itself.

Below you see a picture of a cycle-generator that generates Cycles in Cycles (etc). Cycles are driven by harmonic patterns that have a lot in common with music (“the Music of the Spheres“).

The Waves and the Overtones of the cycle going Up and Down can be described with recurring themes part of a five-fold-pattern (Pentangle). This pattern shares the four World Views of Path of Change (PoC) with a center which represents a whole. . PoC is a very old theory about Change that was discovered by Will McWhinney.

Kondratiev Cycle has a cycle-time of 52 years. Currently we are in a State called a Spring. In Spring the economy is growing until it moves into a recession. Every step in the cycle is controlled by a specific issue related to a world-view of Paths of Change. The colors are reused in this blog. Green is Social, Blue is Control, Yellow is Imagination, RED is Action and White is Center/Whole (Geheel).
Cycle generator. desrcibed by a pentangle containing a pentangle etc shows how waves contain waves etc.

Two states of The State of Rome.

The Spiral of Time focused on Europe based on the Cycle of Bahktin.
The spiral of Time is based on Paths of Change Blue is control, Yellow is Imagination, Green is Social / conflict, White is Center and Red is Action/revolution. The white stage always starts a new Religion.

Rome was a state ruled by an elected emperor controlled by an elected parliament with representatives that were Roman Citizen.

Mitrash is slaying the white Bull. The Bull is a symbol for the the Star Sign Taurus.Taurus represents the Worldview Sensory.

Emperor Constantine the Great made Christianity the leading religion of Rome because it looked a lot like the belief of his soldiers the (persian) cult of Mitra. Mitra transformed into Archangel Michael.

The Emperor of Rome transformed into the Pope of Rome.

New Empires.

To the Romans, anyone who was not a citizen of Rome or who did not speak Latin was a barbarian. In Europe there were five major barbarian tribes – the Huns, Franks, Vandals, Saxons, and Visigoths (Goths) – and all of them wanted to destroy Rome.

The rulers of the barbarians soon created kingdoms, empire-states that took over the rule of Rome. As always the expansion of the new Empires generated conflicts and war.

The Secular State.

In the renaissance the Zeitgeist of Europe turned into the state of Imagination/Spirit.

The Bible was translated in the languages of the empires and a unique interpretation of the Christian Faith turned into a Work Ethic based on the theories of Calvin.

Cpitalism and the freedom of Faith were born. The State left the field of religion and the Secular _State was born.

The State of the (Capitalistic) Hawks.

“The German sociologist Franz Oppenheimer (1864-1943), said, there are only two ways for men to acquire wealth.

The first method is by producing a good or a service and voluntarily exchanging that good for the product of somebody else.

This is the method of exchange, the method of the free market; it’s creative and expands production; it is not a zero-sum game because production expands and both parties to the exchange benefit.

Oppenheimer called this method for the acquisition of wealth the “Economic means“.

The second method is seizing another person’s property without his consent, i.e., by robbery, exploitation ND/OR looting.

horus

The Noble Price winning Economist Daniel Kahneman wrote a book called Hawkish Biasis in which he explains economic behavior with the same attitudes Exchange (cooperation, Dove) and competition (Hawk, war, immoral behavior).

Oppenheimer called the thawkish method of obtaining wealth “the political means.” And then he went on to define the state, or government, as “the organization of the Political means,” i.e., the regularization, legiti­mation, and permanent establishment of the political means for the acquisition of wealth of the Hawks (the Upperclass) .

Socialism, Communism and Equality.

Around 1789 Europe was in the Social State meaning that social-conflicts started to increase.

The French Revolution (1789) started a revolt of the underclass that was hit by an economic crisis caused by a change of the climate caused by an explosion of a vulcano in Iceland. After the revolution the Middleclass (Bourgeoisie) took over the power and created factories powered by the steammachine. This stage in history is called the Industrial Revolution.

The Industrial revolution created a new underclass, the proletariat. Marx following Hegel detected that World History follows Patterns

The French Revolution triggered the start of the Socialistic Movement in England that caused many revolutions in for instance Russia and China. Both are countries that are controlled by an Elite (“the Party“).

russian revolution historiography

Although most of the time not highly visible all countries with a State are controlled by an Elite that creates a Network connected to special Schools/Universities, Political Parties and big Companies or networks of specialized comparable Small companies (Farmers rtc).

Cultural Revolution poster.jpg

The State as an Selforganizing System.

Anthony Giddens (1985) stresses that the emergence of the “Internally Pacified State” that centralizes the Means of Violence and hence prevents Armed Struggles between opposed classes was accompanied and enabled by a large expansion of the apparatuses of Surveillance and Bureaucratic Administration.

Giddens argues that the nation state is a “Power Container” [Giddens, 1985: 13] that stores and concentrates Authorative and allocative resources and that with the rise of capitalism the nation state replaced the City as the most important power container.

The Institutions of the State are the Keepers of the Rules that facilitate the systems in the state to self-organize:

Can a human society be constrained in such a way that self-organization will thereafter tend to produce outcomes that Advance the Goals of the society? Such a society would be self-organizing in the sense that individuals who pursue only their own interests would none-the-less act in the interests of the society as a whole, irrespective of any intention to do so. This paper identifies the conditions that must be met if such a self- organizing society is to emerge. It demonstrates that the key enabling requirement for a self- organizing society is ‘consequence-capture’. Broadly this means that all agents in the society must capture sufficient of the benefits (and harms) that are produced by their actions on the goals of the society. ‘Consequence-capture’ can be organized in a society by appropriate management (systems of evolvable constraints) that suppress free riders and support pro-social actions. In human societies these constraints include institutions such as systems of governance and social norms. The paper identifies ways of organizing societies so that effective governance will also self-organize. This will produce a fully self-organizing society in which the interests of all agents (including individuals, associations, firms, multi- national corporations, political organizations, institutions and governments) are aligned with the interests of the society as a whole.

4. The Constitutional State.

At the turn of the nineteenth century, the constitutional state took its origin from a revolution against absolutist rule and feudal inequality.

‘Constitution’ as a revolutionary new concept of law meant as an ideal-type: written, supreme, secular law, decided by the people and regulating all public power.

Constitutional monarchy was the dominant type of constitutional state in Europe throughout the nineteenth century.

It was marked by a fundamental dualism between monarchical and parliamentary power, which tended towards parliamentarization and came to an end with complete constitutionalization and democratization of European states as an outcome of the First World War.

While the post-war years represented the apex of European constitutionalism, the deep European crisis of the 1930s with the rise of dictatorship destroyed the core function of constitutionalism, to legally bind state power, which came to be restored only gradually after 1989 for the whole of Europe.

Currently a big part of Europe is controlled by the European Union (EU) created 1-1-1958. The citizen support for the EU is in a steep decline culminating in the rise and come back of many nationalistic parties and the Brexit (Exit of Brittain).

5. The Future of the Dutch Constitutional State.

In 2003 the WRR ( Dutch Government Scientific Think Thank) wrote a report about the future of the Dutch Constitutional State called a Rechtsstaat.

A Rechtsstaat is a “constitutional state” in which the exercise of governmental power is constrained by the law.

The big problem not adressed in the document above is that Law is a symbolic system that could be in line with the Zeitgeist or otherwise.

It is almost impossible to program the citizins of a country unless the program is put into many examples that are thaught at primary school.

Louis Althusser is a Marxist Philosopher who claims that Education is the Foundation of the Ruling Power of the State.

Civil Society.

The ZeitGeist is currently in the State of the Center (Whole, White, Boundaries).

Citizins want to be treated as respected Individuals (Informalization) and are exploring boundaries (Intensivation) . Young people Cross boundaries, companies work without boundaries (Globalization) and countries define new boundaries.

The system of rules governing a rechtstaat is becoming too complex and the connected system becomes too bureaucratic, while capacity problems are arising on account of the large flow of applications, public participation procedures, complaints, pleas and proceedings against the government on the part of assertive citizens.

Competing Rule Systems.

Next to this there are many more “rechts states” (EU, UN) that are are creating and enforcing competing rule-systems.

The Service State moves to the Market.

Public services are what make the state visible to its citizens.

Public services are citizens’ direct line to government. They make the state tangible through an almost daily interaction, direct or indirect.

public infrastructure made the previously far away centres of power more accessible.

Currently many public services are given over to the Market making the state more and more invisible.

The Third Sector.

Especially in small cities and parts of big cities (comparable to city-states) a new third sector is growing that contains cooperatives of civilians that develop shared autarkic non-for-profit (social) functions like energy& food-production, care for the elderly etc etc. These functions are based on exchange of material and services (reciprocity ).

This a model based on Paths of Change that is based on reports of the Social Cultural Planning Bureau in the Netherlands described in this blog (in Dutch).

6. The End of the Nation State.

(THis part of Chapter 6 is Cited from a part of this long article out of the Guardian)

“Similar varieties of populism are erupting in many countries. Several have noted the parallels in style and substance between leaders such as Donald Trump, Vladimir Putin, Narendra Modi, Viktor Orbán and Recep Tayyip Erdoğan.

All countries are today embedded in the same system, which subjects them all to the same pressures.

20th-century political structures are drowning in a 21st-century ocean of deregulated finance, autonomous technology, religious militancy and great-power rivalry.

Finally, the old superpowers’ demolition of old ideas of international society – ideas of the “society of nations” that were essential to the way the new world order was envisioned after 1918 – has turned the nation-state system into a lawless gangland“;

Everything that was structured most of the time by a Top Down Hierarchical Structure and Controlled by Lawmakers that enforce their own rules is now attacked by many new connected (by a Telecom Network) bottom-up structures that make it possible to Control and Direct the Individuals in the Masses with Highly Intelligent Big Brother technology.

A Model of a Human based on the Paths of Change (PoC)-model.

The 2nd part of Chapter 6 is cited out of an Article out of Forbes.

From Top to Bottom.

There is a strong popular demand for decisions to be taken at lower levels than Central Government

At the extreme, this has fuelled Iindependence movements in Scotland, Quebec, Catalonia and Western Sahara, not to mention Palestine and Kosovo. Less dramatically, we see an increasing devolution of Central Powers in most countries.

Multinational Corporations are more powerfull than Governments:  They operate globally, unrestricted by borders

The biggest tech companies are now richer than most countries, and foreign Governments find it very difficult to tax them properly on the profits they make.  

Hannah Arendt The Origins of Totalitarianism.

At the very center of Hannah Arendt’s analysis of The Origins of Totalitarianism is her insight into the decline of European Nation-States.

Nation-states were always based on a fiction so that the demanded Liberté, égalité and, fraternité demanded by liberal States was held to be compatible with the national Homogeneity of the Nation.

But as different Ethnic Groups demanded recognition and rights and as refugees advocated for rights within traditional nation-states, the Tension between legal equality and national recognition set the nations of Europe Against the states and led to the rise of Fascism in Italy and Totalitarianism in Germany.

Today there are similar indications that nation-states are once again failing and . that the rise of populist nationalist movements around the world is a response to the widespread failure of nation-states to address 21st century problems.

This is why a strange brand of Apocalyptic Nationalism is so widely in vogue. But the current appeal of Machismo as Political Style, the Wall-building and Xenophobia,the fantastical Promises of National Restoration – these are not cures, but symptoms of what is slowly revealing itself to all: nation states everywhere are in an advanced state of political and moral decay.

7.The History of Terrorism, Anarchy, The End of the State by Violence.

Deprivation (poverty, lack of education, lack of political freedom) can drive people to terrorism.

Late in the 19th century, Anarchist labor unions began to use the tactic of general strike. This often resulted in violence by both sides and some of the strikes even resulted in the Deaths of striking workers, their replacements and security staff. In this climate, some anarchists began to advocate and practice terrorism or assassination.

Violence Against the State is used by Groups of People (“Freedom Fighters”) who do not recognize that the current State represents the (Origional) Citizins and/or that the Law of the State is not the Accepted general Law (“Religious Fighters“) of a Culture that occupies the State.

Sometimes the State uses Violence to Control the Citizens of the State (State Terrorism).

8. Living in a Cave: Lessons from The Pre-Historic State of the Humans.

Alvin Toffler , The Third Wave, After, the Hunter Gatherers the State was caused by the move to Agriculture. The big question is what the State will become in the Third Wave or What is the Fourth Wave.
Translating Rock Art. It looks like the Ancient Rock Art contains the Symbols we see in Ancient writing.

The State was created when we,the humans Stopped Moving Around, Settled Down and started Agriculture. . The first place we settled down were Caves.

Using mainly red pigments and sometimes black, groups of animals, hand stencils, engravings, dots, discs and geometric designs are depicted in the cave paintings.
Oldest known cave art was made by Neanderthals, not humans

Outside the Cave Nature was filled with many Animals and Plants we could eat.

To Kill Animals we made Weapons and to make weapons we needed Fire and Iron. Powerful Weapons were filled with Magic.

Magic is a System that gives the Focused Human Belief-System to take the role of Observer in Quantum Mechanics.

Joseph Campbell — Jung and the Right and Left-hand Paths. The Cycle of Life moves with and Against the Clock.

With the Clock moves the Path of Creation, the Path of Birth, Light, Spring and Summer.
Against the Clock (the path of Darkness, Winter and Autumn) is the Path of Destruction making place for New Life
.

As a a human we have to Cope with Violent Acts like an Accident, the Killing of an Animal that looks like a Human and the Strange Transformations of our Body we encounter when we Grow from a Child to a Grown-up.

Our transformation follows the Path of the Hero.

This path has a lot in common with Paths of Change, a General Theory about Change.

The Meta-Myth, the Path of the Hero describes the way Humans move out of the patterns enforced by Society and the State and come back with a new Vision.
Paths of Change. based on the Spiral of the Universal One of Walter Russelll

The Humans in the Cave became Aware of the Cycles of the Day, The Year and the Equinox.

They crated Rituals to cope with Stress and to avoid Bad Luck.

OSEPH CAMPBELL: “After the animal has been killed, the hunter then has to fulfill certain rites in a a mystic participation with the animals whose death he has brought about, and whose Meat is to become his Life.

So the killing is not simply slaughter, at any rate, it’s a Ritual Act. It’s a recognition of your dependency and of the Voluntary Giving of this food to you by the Animal“.

Dr. Stephan Hoeller at the Gnostic Society in Los Angeles talks about MAgic and Animal Powers.
During the beginning of humanity certain people (now called Shamans) had the possibility to look at the other worlds and receive inspiration from higher entities sometimes called a God. The Shamans turned into the Priests until they were replaced by people who spoke the words of the High Priests.

The humans in the cave specialized and new Crafts came to life. The oldest “jobs” were the Firemaker and the BlackSmith. Both jobs were taken by Shamans. Important crafts were projected on the Gods.

In the Creation-Myths Gods like Ptah and Vulcan were worshiped as the Creator of all things and the patron of various crafts, such as Sculpting and Metalworking.

The Blacksmiths are the Makers & the Warriors.They have a lot in common with the Druids and Bards of the Celts and the Magi of Persia. A Blacksmith was called a Merlin in Celtic Culture.

dia41_h600px.jpg

Vulcan – God of fire and volcanoes as well as Smith of the gods

The Dagda is portrayed in Celtic Myth as a Father-figure, king, and druid.He owns a Magic Staff, which kills with one end and brings to life with the other, a Cauldron which never runs empty (Symbol of the Heart Chakra) , and a magic Harp which can control men’s emotions and Change the Seasons

The Ancient Egyptians Blacksmiths, the Heru-Behutet, are associated with the Power of the Serpent (“the Ka“) and the Winged Disk, the symbol of the Zodiac (Astrology).

Image result for Heru Behutet

Heru Behutet is shown as a Hawk-Headed Man bearing the double crown of Egypt, holding Metal Weapons, and more often as a Winged Disk flanked by a White and a Black Cobra (White and Black Alchemy).

Te story of Osiris (The Old King of Egypt, The Old Order, Blind, ISIS (Queen of the Underworld, Chaos looking for her Husband, Order and the brother of Osiris Seth (the Devil, Evil) He kills Osiris and Cuts him in 42 Pieces (the Number of the Nomes of Egypt) and distributes them all over Egypt.
ISIS makes love to his Penis and Horus the Falcon with the Eye of Insight is born who brings back order. A Horus and Isis are the Black Madonna (Mary Magdelena).


This is a good example of the Cycle of Paths of Change.

Th Black Madonna with the Child Jesus is Isis, the Mother of the Underworld with Horus the Child she got from Penis of Osiris, the Old King of Egypt and of Order.

The Mesniu had shaved heads, wore short tunics that exposed their chests, and bore either an inverted Lance or some other Metal instrument.

In the rear of their temples was situated a “Holy of Holies,” called the Mesnit, which was only accessible by the Mesniu. A Holy of Hollies is Fractal Model.

In the Bible the Blacksmiths are associated with the children of Tubal Cain. One of his descendants is Hiram, the Master Builder of the Temple of Solomon. Building big Buildings became an Art.

Ron Eglash. Fractal Patterns in African Culture.
Fractal African Village
The Fractal Pattern of an African Village with a Holy of Hollies.

In African Orisha Culture, the Ogun, the Blacksmiths are always isolated in a special group outside Society because they are the carriers of the Third, (Evil) Eye of Horus and are able to manipulate the Force of Life, Nyama or Ka (Chi, Prana, Ether, the Fifth Element).

Creative People are able to manipulate the Power that Creates.

Image result for biology status symbols birds sexual reproduction

As soon as the States were created Humans started to Trade & exchange Objects, Creating a new concept called Wealth.

Humans measure their Importance by the physical objects (including caves and animals) they own or are able to buy. They show their importance just like animals in the way they look, wear clothes and the Language they speak.

Humans are experts in detecting lying but we are experts in lying when we deceive ourselves.

There many types of animals that create and defend a Territory.

9. Are Humans different from Animals & Organisms?

Robert SaPolsky: We have much more in common with all kinds of Animals and organisms we think. We all synchronize because we all vibrate and produce signals sometimes of a chemical nature (pheromones).Hmans and Animals use a solution to the Prisoners Dilemma, Tit-for-Tat as a way to survive making Tit-for-Tat a Universal Law. Tit-for-tat is called an Eye for an Eye in the Bible.


The only thing we are different from is Abstraction Methaphor and Being Motivated by something that is Almost Impossible. We love to take Obstacles.
Another Explanation about How we are Different from Apes. We have slowed down and spend a lot of time imitating and producing other humans. We are excellent Copy-Machines.
Robert Trivers The Logic of Deceit and Self-Deception in Human Life Organisms decept to survive and Humans decept themselves. the primary reason we fool ourselves is to fool others“. Humans are exceptionally good at picking up various verbal and physical cues (e.g., speech intonation, eye movements,…) that indicate when another human is practicing deception.
There are many situations such as playing “chicken” and seeing who will back down first, where it can actually benefit an organism to deceive itself, by so doing the organism can better deceive others.

Multilevel Societies emerge from Cultural Transmissions.

Organisms create Complex Organisational structures that look like a State. They do that by Imitating others that look Similar or Act Similar. Acting Similar (Copying) is the reason for Synchronization.

An external file that holds a picture, illustration, etc.
Object name is ncomms9091-f1.jpg
Empirical multilevel network depicting the three nested levels in the sperm whale society off the Galápagos Islands: individuals within social units within vocal clans.

10: States: What makes them Work?

Humans attribute a human Personality to an Active process (an Agent). The weather is nice and States look like a Father ANDor a Mother. or a Family.

George Lakoff is a specialist in Metaphor. A Metaphor is a function between two models.

For instance Freud made a model of the Human by Mapping the Human Body to a Steam Machine.

George Lakoff believes in his book Moral Politics that US Citizins see the State according to their party as a Nurturing Mother (Democrats) or a Strict Father (Republicans) part of a Family (Being a Tribe).

Metaphors are also often used to motivate a country going to a War or to perform another Violent Act.

States are often represented by Humans (Mother Russia) or a Bounded Location (the Heimat, Germany).

States are Born and Grow Up just like Humans.

Just like life a birth is not a gentle process but comes with stress and pain. The Big Battles between states live for many years and the Reason can be revoked to start a new Battle.

The same applies when a State was a Superpower in the past. States without a shared dramatic story don’t motivate citizens to support the state without asking questions.

The State works when the Citizens are able to Trust the state and or be Proud to be part of the state they live in. The state is Evaluated by its Activities but also by the people it represents (PoliticianS).

When we use model of Path of Change (picture below) we can see that Politicians combine Rules and Social (vice verse) which means that they play a Game in which they make a combination between What People Believe and What they Value and are PART OF A CYCLE in which ACTION and REFLECTION takes place.

The task of the Politician is to establish Consensus between the citizens of the State.

Paths of Change model applied to Communication.
Paths of Chhange Model applied to Making.
Moral Pilitics Georg Lakoff.

11 Will The Techno State bring Real Democracy?

Many thought the internet would spawn a Digital democratic utopia: Today, we witness the opposite Hacking elections and Polarizing open societies.

Democracy is not only about Voting but also about having a Voice to articulate what is Needed. Citizens want to participate in the beginning of a project and not only use the result. One of the possibilities is to Vote with the Tax you Pay .

Roslyn Fuller: Citizen Participation in an International Context

Participatory Budgeting (PB) is a democratic process in which community members decide how to spend part of a public budget. It gives people real power over real money.

PB started in Porto Alegre, Brazil, in 1989, as an anti-poverty measure that helped reduce child mortality by nearly 20%.

Since then PB has spread to over 3,000 cities around the world, and has been used to decide budgets from states, counties, cities, housing authorities, schools, and other institutions.

Scan Kennistechnologie.


Een verkenning van de mogelijkheden van ICT bij het trainen.

In opdracht van het Min. van Onderwijs, Opdrachtgever: Hans Boom: Gepubliceerd in 1996.

Kennis is volgens Spek (1997), datgene wat mensen in staat stelt om betekenis toe te kennen aan gegevens om zodoende informatie te genereren.

Het is het geheel van inzichten, ervaringen en procedures die voor juist en waar worden gehouden en die daarom richting geven aan het denken, handelen en communiceren van mensen.

Men gaat uit van de “formule” Kennis = Gegevens x Ervaring x Vaardigheden x Attitude.

Gegevens zijn van de mens “ontkoppelde” kennis en daarmee “eenvoudig” door te geven. Ervaring en vaardigheid worden verkregen door “te doen”. Ze worden overgedragen door “voor te doen”. Attitude is een onderdeel van de persoonlijkheid en daardoor een gegeven. De laatste drie factoren worden vaak aangeduid met de term “impliciete” kennis.

Kennis is het vermogen om binnen grenzen (het kennisdomein) voorspelbaar te kunnen reageren op onverwachte situaties.

Kennistechnologie is de verzameling van methoden, technieken en hulpmiddelen om kennis te manipuleren. Het gaat dan om o.m. ontwikkelen (maken, verwijderen), bewaren, analyseren, coderen, distribueren, ontsluiten, toegankelijk maken en combineren.

Het rapport brengt de ontwikkelingen op het gebied van de Kennistechnologie in kaart. Dit alles leidt tot een schets van de toekomstige leeromgeving.

Na een analyse van markt wordt een strategie gepresenteerd. Als laatste worden vervolgacties geschetst.

Gebruikte aanpak:
De kennis over kennistechnologie is door de schrijver in vele jaren in de praktijk (vooral bij de ABN AMRO) vergaard.

Het laatste jaar is door een aantal opdrachtgevers gevraagd om een strategie en/of een architectuur te ontwikkelen voor verschillende onderwijsomgevingen.

Dit document bevat een neerslag van de praktijk en deze projecten.

Geprobeerd is om een model te vinden, waarin de meeste kennis kan worden ondergebracht. Daarna wordt het model gevuld. Van veel kennis is het niet meer duidelijk waar ze vandaan is gekomen. Indien het mogelijk was is een verwijzing naar een boek of publicatie opgenomen. Het document is niet volledig. Het gebied dat wordt bestreken is daarvoor te groot. De eigen expertise en intuïtie zijn als criterium gebruikt bij de selectie van onderwerpen en meningen. Gezien deze expertise is er een focus op ontwikkelingen in de dienstverlening (80% van het bedrijfsleven in Nederland) en niet in de industrie.

Managementssamenvatting en Leeswijzer.
Samenvatting.
Volgens Nonaka (1995) is er in de wereld een continue transformatie gaande tussen impliciete (“tacit”) kennis en expliciete kennis. De expliciete kennis (en deels de impliciete) accumuleert in een kennis-infrastructuur. In het algemeen is ze vastgelegd in documenten (bv. boeken). De impliciete kennis verdwijnt als de mens verdwijnt, die de kennis bij zich draagt (door vertrek of overlijden). Ze wordt soms over generaties heen onderhouden door verhalen te vertellen. De mensen die dat doen zijn verbonden door een idee. We praten dan over de familie, het gilde, het bedrijf of de cultuur.

De (kennis-)infrastructuur blijft in de tijd voor een deel in stand. Delen verdwijnen en delen zijn niet meer te interpreteren, omdat we de code en de context kwijt zijn. Op dit ogenblik vindt de transformatie door de invloed van de techniek steeds sneller plaats. Er ontstaan steeds nieuwe manieren om gegevens op te slaan. Gegevens veranderen steeds sneller van waarde. De oude waarden worden vaak niet bewaard, zodat een historisch inzicht ontbreekt. De hoeveelheid en de diversiteit van de gegevens neemt snel toe.

In een grote onderneming zit de kennis vooral in de medewerkers. De in- en uitstroom van deze medewerkers had een voorspelbaar patroon. Men ging uit van een levenslange loopbaan bij èèn werkgever. Op dit ogenblik blijven menselijke verbanden steeds korter bestaan. Het aantal echtscheidingen neemt toe. Men heeft soms meerdere werkgevers tegelijkertijd en korstondige arbeidsrelaties. Veel mensen werken aan projecten. Het aantal eenmansbedrijven neemt toe. Door dit alles stroomt de ervaring de onderneming uit. Dit betekent dat er andere manieren moeten gevonden om kennis te behouden. De enige manier die men tot op heden kan bedenken is formalisatie en opslag van kennis in databases. Nieuwe medewerkers moeten deze kennis snel kunnen oppakken en omzetten in ervaring. Er zijn echter grenzen aan het menselijk vermogen om zich te scholen en ervaring op te doen. Op een groot aantal plaatsen loopt de kennisspiraal daardoor uit de gebaande paden. De oude aanpakken (het trainen) en instituties (de scholen) kunnen de snelheid van verandering niet bijhouden en staan daardoor zwaar ter discussie.

Nonaka (1995) waardeert de Japanse cultuur boven de Westerse. Volgens hem is de tweedeling Geest/Lichaam geïntroduceerd door Descartes de oorzaak van grote denkfouten. In Japan is Eenheid binnen en buiten de mens (met de Natuur) een uitgangspunt. De ontwikkelingen in de Westerse wetenschap geven Nonaka gelijk. Er is geen onderscheid tussen geest en lichaam. Beiden beinvloeden elkaar. Het lichaam van de mens, inclusief de hersenen, is gebouwd op snelle reactie. De verbeelding is een oud instrument dat we delen met onze collega’s de zoogdieren. Ten opzichte van de rest van de dieren beschikt de mens over een nieuw instrument, de taal. De taal biedt veel meer mogelijkheden dan de verbeelding. We kunnen met behulp van taal fantaseren over de buitenwereld, een simulatie maken. Men kan zich op deze wijze voorbereiden op onvoorziene omstandigheden. Wat we in onze fantasie trainen kunnen we vrij makkelijk ook in de werkelijkheid toepassen.

Werkzaamheden hebben een lichamelijke en een taalkundig element. Sommige beroepen (bijv. tennisspeler, violist) doen een zwaar beroep op het eerste onderdeel. Andere (bijv. wetenschapper) zijn vooral bezig met het manipuleren van taal. De laatste categorie neemt toe (“kenniswerkers”). Het lichaam heeft een beperkt aantal mogelijkheden (een talent). Deze worden aangesproken door met het talent te werken. Men leert door het talent te exploreren. Men wordt beter door veel te oefenen en te doen.

De taalcomponent hangt sterk samen met de werking van het lange termijngeheugen. Het geheugen wordt aangepast als de verwachting niet uitkomt. Het geheugen bevat geïndexeerde verhalen (cases). Aan een cases hangt emotie. Verhalen die de mens “boeien” worden het beste opgeslagen. Mensen leren door in een vertrouwde omgeving te falen. Ze zijn erg ontvankelijk voor negatieve en positieve suggestie. Door positieve suggestie gaan leerprestaties omhoog. Een belangrijk hulpmiddel is de fantasie. Deze biedt de gelegenheid om “intern” te oefenen.

De informatica heeft de mens geruime tijd beschouwd als een onderdeel van een werkproces (een workflow). Het nadoen van een mens (bijv. een leraar) lukt nog niet erg. Langzamerhand komen we er achter dat de mens zelf helemaal niet zo intelligent is. De mens is intelligent in het gebruik van zijn omgeving. Software kan de mens enorm helpen door zaken op te pakken waar de mens slecht in is. Computers zijn “mindtools”. Ze breiden de mogelijkheden van de taalcomponent van de mens uit tot nieuwe werelden. Ze kunnen veel meer gegevens in kortere tijd verwerken. Dit betekent wel dat we de verantwoordelijkheid moeten durven overdragen aan de machine. In bepaalde gevallen zullen we echt niet meer snappen wat er werkelijk gebeurt. Voor veel mensen (en deskundigen) is dit al het geval.

In het bedrijfsleven is het trainen verbonden met de dagelijkse praktijk. Men traint nieuwe werkprocessen. Deze worden gedomineerd door software. Deze neemt veel te structureren taken over. Complexe producten worden voorzien van adviessystemen. De mens-machine communicatie is tot op heden slecht ontworpen. Dit is aan het veranderen. Mede door de verkleining en het gebruik van het netwerk verdwijnen computers uit het zicht. Ze komen terecht in gespecialiseerde hulpmiddelen (appliances), die door het netwerk met elkaar communiceren. De appliances zullen de patronen van de mens steeds beter gaan begrijpen en gaan anticiperen. De hulpmiddelen en werkprocessen stellen zich steeds meer op de mens in. Trainen is steeds minder nodig. Van de werknemer wordt verwacht dat hij door eigen initiatief “bij blijft”. Vooral het snel verkrijgen van ervaring wordt belangrijk. De leraar moet zich profileren als deze expert. Het gaat om het delen van ervaring. Dit betekent dat de ontwikkelingen op het gebied van het Kennismanagement van groot belang zijn voor het reguliere onderwijs.

De nieuwe leeromgeving moet worden gebaseerd op een breedband netwerkinfrastructuur, die toegang biedt tot medeleerlingen, leerstof, ervaringsexperts en ondersteuners. Deze infrastructuur biedt de mogelijkheid tot onderlinge communicatie. Ze is echter veel belangrijker als middel om software en gegevens te delen. De leerstof moet qua presentatie en image op gelijk niveau zijn met de beschikbare ontspanningsfaciliteiten (bijv. computerspellen). Ze moet de vooral de gelegenheid bieden om ervaring op te doen. Dit gebeurt door de leerling simulaties aan te bieden en in te spelen op zijn verwachtingspatroon. Door kennis te vergaren over de mogelijkheden en blokkades van de leerling kan de software zich instellen en indien nodig de hulp van experts inroepen.

De strategie is om door te borduren op de ontwikkelingen in het bedrijfsleven. Zowel de (kennismanagement-)infrastructuur als de leerconcepten zijn voor een groot deel herbruikbaar in het schoolsysteem. De ontwikkeling van de educatieve software dient te worden gestuurd door de overheid. Ze zal hiertoe een educatief concept aan het bedrijfsleven moeten aanbieden in de vorm van een softwarearchitectuur en een softwareclearinghouse. Dit clearinghouse moet zorgdragen voor standaardisatie en hergebruik. Daarnaast zal het de enige toegangspoort zijn naar de scholen. Er moet vooral worden voorkomen dat er op vele plaatsen in kleine groepen langs elkaar heen wordt geprogrammeerd. Dit zal de beheersproblematiek zo complex maken dat ze alle gelden en aandacht zal gaan opsnoepen.
Leeswijzer.
In het begin van dit rapport wordt de kennisspiraal als “leidraad” gebruikt (Hfdst. 3). Per transformatie Socialisatie (Hfdst 4), Externalisatie (Hfdst. 5), Combinatie (Hfdst. 6) en Internalisatie (Hfdst. 7)) wordt bekeken welke onderdelen stromen, hoe ze worden getransformeerd en welke technologie een rol speelt op korte en lange termijn. Per hoofdstuk wordt aangegeven wat de consequenties zijn voor de het “leren”.

Naast de transformatie binnen een “gesloten” groep vinden er ook interacties plaats tussen verschillende kenniseenheden (Hfdst. 8). Deze interacties beginnen steeds grotere invloed te krijgen door de komst van het communicatienetwerk. Er worden onvoorziene koppelingen gemaakt. Mensen gaan via het netwerk samenwerken. Naast de transformatie is ook het structureren zelf aan het veranderen. Hier komen de invloeden uit de wiskunde en de logicalogica aan de orde (Hfdst. 9). Als we alle ontwikkelingen synthetiseren ontstaat een beeld van de nieuwe leer/werk-omgeving (Hfdst. 10). In Hoofdstuk 11 wordt de markt verkend. Het bedrijfsleven en de retailmarkt lopen voorop. Als we alle bewegingen op een rij zetten vinden we een strategie en een bijbehorende migratiepad (Hfdst 12). Als laatste worden vervolgacties geformuleerd (Hfdst. 13).

De kennisspiraal en de kennis-infrastructuur.
Algemene beschrijving.
Groepen van mensen, meestal samengebracht in een onderneming of beroepsgroep, bouwen indien ze langdurig met elkaar optrekken een kennis-infrastructuur op. Deze infrastructuur bestaat uit boeken, verhalen, gegevens, procedures, programma’s, tradities en verwachtingen. Ze is opgeslagen in databases, archieven en de mensen zelf. Het bouwproces van deze infrastructuur, wel de kennisspiraal genoemd, vindt in zijn totaliteit meestal ad-hoc plaats. Sommige delen van het proces worden sterk bestuurd, andere delen worden op hun beloop gelaten. In de westerse samenleving is er een grote nadruk op expliciete kennis, theorie. Men geeft minder aandacht aan wat de mens “spontaan” opbouwt (de ervaring). De nadruk voor het expliciete zien we in de invloed van de computer en de waardering voor diploma’s en examens.

Door de aspecten praktijk en theorie met elkaar te combineren ontstaan er vier transformaties van kennis:

Van -> naar
Praktijk
Theorie
Praktijk, Ervaring
Socialisatie
Laten zien, Tonen, Doen, Verhalen, Mythen, Memes
Externalisatie
Analyseren, Uit elkaar halen
Gegevens, Programma’s
Theorie, Gegevens
Internalisatie
Training, Uitleggen
Boek, Examen
Combinatie
Synthetiseren, Ontdekken,
Uitvinding, Spel,

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 1 : De kennis-spiraal van Nonaka.

De kennisspiraal kent verschillende niveau’s. Ze werkt binnen de mens, tussen groepen (bijv. artsen, kerkgenootschappen, politieke partijen)en binnen en tussen ondernemingen of instituties.

Binnen de mens gaat het om manieren van denken (“Higher-Order”, “Critical”, of “Complex Thinking, zie IOAWA (1989)). Het combineren van ervaring noemen we Intuïtie (het spontaan weten). Soms analyseren we ons gedrag en combineren dit met externe informatie (bijv. in boeken, op TV). Hierdoor leren we. Meestal hebben we bij de analyse een “onafhankelijke” derde nodig (een expert). Andere stappen zijn in de loop der tijd ook gespecialiseerd in Wetenschapper en Leraar. Op deze wijze is het interne proces van ontwikkeling uitgesmeerd over de maatschappij.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 2: De kennisspiraal in de mens en de externe adviseurs.
In een groep of onderneming is de training een gevolg van combinatie of externalisatie. Men analyseert een proces zoekt naar verbeteringen en verandert de bestaande situatie. Het is onmogelijk om alles met alles in verband te brengen. Sommige veranderingen vinden dan ook ongepland plaats. Dit geeft meestal aanleiding tot tegenwerking en verlies van tempo en geld. In onderneming wordt de spiraal daarom meestal gestuurd via een korte of lange termijn strategie en een bijbehorend plan. Men start een project of meerdere projecten (een programma). De inzet van software is vrijwel altijd een onderdeel van een dergelijk project. Men koopt een pakket of maakt zelf programma’s. De medewerkers maken gebruik van deze pakketten. In het bankwezen is nieuwe software of aanpassingen aan bestaande software de belangrijkste reden om veranderingen in de onderneming door te voeren. Een aantal keren per jaar wordt de werkomgeving soms sterk aangepast. Men moet dan gaan wennen aan de nieuwe werkwijze (inleren). Dit inleren gaat gepaard met fouten en onnodig overleg met collega’s. Dit alles kost soms meer geld dan het ontwikkelen van de software en de aanschaf van de benodigde hardware. Er is daarom veel aandacht besteed aan het integreren van de ontwikkeling van de software en de training. De training kwam in het verleden vaak veel te laat en sloot niet aan op de gewenste verandering. In een grote en/of wereldwijd werkende onderneming wordt er vaak langs elkaar heen gewerkt. Veranderingen zijn dan niet of nauwelijks gepland. Ze beïnvloeden elkaar wel. Dochterbedrijven binnen grote ondernemingen concurreren met elkaar. Veranderingen gaan als schokgolven door de maatschappij. De “één zijn dood is de ander zijn brood”. Er is niemand die de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de verandering draagt.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 3: De besturing van de spiraal in een onderneming.

Door de introductie van het netwerk worden steeds betere koppelingen gemaakt tussen ondernemingen onderling. Men spreekt van (waarde-)ketenintegratie. Intermediairs vallen weg of krijgen een andere functie. De werkwijze en de bijbehorende beroepen veranderen sterk van inhoud. Mensen veranderen binnen of buiten een onderneming steeds meer van werkgever.

De wijze van kennisoverdracht verandert ook. De mondelinge overdracht wordt vervangen door E-mail, Callcentres en speciale permanent aanwezige trainingssoftware (Helpfuncties). De klassikale aanpak wordt steeds meer geïndividualiseerd. Men leert op de werkplek tijdens het werken of thuis. Werken en leren schuiven in elkaar. De leraar als intermediair tussen leerling en leerstof verdwijnt. De collega die wat verder is of wat meer initiatief toont helpt de zwakkere broeder. Vooral in de wat meer complexe beroepen (juristen, informatici) komt het gildesysteem weer op in de vorm van kennismanagement. Men leert door de ander na te doen.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 4: De collectieve kennisspiraal.
De kennisspiraal wordt niet alleen binnen een onderneming of gemeenschap opgebouwd. Door de toenemende stroming van mensen tussen ondernemingen en de groter wordende groep (kleine) zelfstandigen ontstaat een “collectieve” kennisinfrastructuur. Deze bestaat in ieder geval uit een gedeeld netwerk (het Internet). Er is sprake van een collectief geheugen. Het is nu vastgelegd in openbare archieven en bibliotheken. Dit geheugen kan de ontwikkelingen in de maatschappij niet bijbenen. Veel kennis komt terecht in niet ontsloten (z.g. grijze) litteratuur.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 5: De komende kennisspiraal

Software neemt vele functies over. Adviseurs worden vervangen of ondersteund door Adviessystemen. Deze systemen maken gebruik van kennis, die is vergaard tijdens het onderzoek van menselijke Intelligentie (AI). Het zoeken naar onbekende patronen kan worden overgenomen of ondersteund door Neurale Netwerken en Evolutionaire Algoritmen. Deze zijn resultaat van onderzoek naar de hersenen en de evolutietheorie. De ondersteuner zit in een call-centre en wordt geholpen of vervangen door Case Based Reasoning voortgekomen uit onderzoek naar het menselijk geheugen. De werkers worden kenniswerkers en de gebruikers bedieners van een steeds toenemende hoeveelheid apparaten die zich op hun baas proberen in te stellen.

Dit alles heeft invloed op het reguliere schoolsysteem. Het is niet meer duidelijk wat de eisen zijn die het bedrijfsleven stelt in de vorm van inhoud en hulpmiddelen. De middelen om te trainen veranderen. Men kan zich niet meer eenmaal voorbereiden op de rest van het leven. Opleiden wordt een reactieve activiteit in plaats van een preventieve. Men praat niet voor niets over “just-in-time”-trainen.

In de volgende hoofdstukken worden de verschillende stappen van de spiraal in detail bekeken.
Praktijk -> Praktijk (Socialisatie)
De mens bouwt tijdens zijn leven ervaring (praktijk) op. Deze ervaring zit voor een groot deel in het lichaam. We maken er onbewust gebruik van. Als er bewust gebruik van wordt gemaakt werkt het niet meer. Kennis wordt overgedragen door elkaar verhalen te vertellen, door te observeren en na te doen.
Praktijk -> Theorie (Externalisatie)
Door naar anderen te kijken en te luisteren en deze informatie te analyseren wordt theorie opgebouwd. Deze theorie wordt gestructureerd vastgelegd, zodat ze eenvoudig kan worden doorgegeven, vermenigvuldigd en met behulp van een bibliotheek (zoeksystemen, databases) kan worden ontsloten. De wijze, waarop de informatieanalyse wordt uitgevoerd (waar men op let, het filter) is bepalend voor wat men doorgeeft. Als het filter consequent wordt toegepast gaat het fungeren als een “self-fulfilling prophecy”. Wat men niet ziet of niet wil zien wordt niet doorgegeven. Sommige zaken passen niet in de heersende theorie en worden weggelaten. Op deze wijze (de discours) wordt onze werkelijkheid gevormd. Mensen hebben de neiging om zaken mooier voor te stellen dan ze zijn. Ervaring gerelateerd aan persoonlijke of collectief falen wordt niet of nauwelijks doorgegeven. Men ziet dit als “afgang”. Ervaringskennis (cases) sijpelt daarom langzaam door naar de theorie.

Theorie -> Theorie (Combinatie)
In de wetenschap combineert men expliciete kennis uit het verleden en uit andere kennisdomeinen met elkaar. Er zijn vele specialisaties die in het algemeen niet met elkaar overleggen of elkaar niet snappen. Men gebruikt een vaktaal. Er worden meerdere filters gecombineerd en een totaal eigen abstracte werkelijkheid opgebouwd. Deze wordt “dwingend” aan de werkelijkheid opgelegd. Opvallend is hoe vaak “wetenschappers” de praktijk negatief beoordelen (men heeft het “fout” gedaan). Er heeft een totale omkering plaats gevonden. De theorie is de werkelijkheid geworden. In een passend model van de werkelijkheid kan men eindeloos door redeneren zonder te toetsen. Vooral “lange logische oorzaak en gevolg- ketens” spreken aan. Natuurlijk is het niet allemaal “kommer en kwel”. Er worden vele uitvindingen gedaan en in de praktijk uitgeprobeerd. Hoe sneller de terugkoppeling is tussen theorie en praktijk hoe sneller de innovatie plaatsvindt. De druk om te innoveren neemt toe. Men heeft steeds minder tijd om de analyseren en te combineren. De tijd tussen idee en implementatie (de time-to-market) is nu enige maanden in plaats van enige jaren.
Theorie -> Praktijk (Internalisatie)
De theorie wordt gestructureerd (training, brochures etc.) doorgegeven aan de mens. Hierna start een nieuw proces van socialisatie. Meestal komt de nieuwe kennis van buiten de werkgemeenschap. Ze verstoort daarmee het “onzichtbare” informele netwerk. Het opbouwen van praktijk gaat vaak gepaard met het “weggooien” van de ballast van de theorie. Vooral ervaren mensen (experts) hebben grote moeite om nieuwe kennis op te pakken. Men moet eerst zijn oude kennis kwijtraken. Het leren door “ervaring op te doen” of naar andere te kijken wordt binnen een onderneming vaak ernstig geblokkeerd door interne procedures. Men moet zijn tijd verantwoorden en aan het project werken. Het verbeteren van de bestaande werkwijze wordt tegengegaan door een stroom van extern ontwikkelde innovaties. Zo verkeert men eigenlijk permanent in een staat van inleren. Als er ervaring is opgedaan is deze in snel tempo weer waardeloos. Een opvallend fenomeen zijn hier de z.g. persoonlijke pakketten, zoals de tekstverwerker en de spreadsheet. Om nieuwe aanschaf te stimuleren veranderen ze ieder jaar van uiterlijk, bediening en functionaliteit.
Gebruikers en Kenniswerkers.
In de dienstverlening (bijv. het bankwezen) is de invloed van de expliciete kennis het best te zien. In de industrie is ze vaak “verstopt” in voor de buitenstaander onzichtbare processen als een kerncentrale. We maken een onderscheid tussen bedieners (gebruikers genoemd) en bedenkers. De eerste leveren een standaardproces (bijv. een verzekering). Ze bedienen hiertoe software en/of een machine. In samenhang en ondergeschikt hieraan bieden ze hun ervaring aan. Ze zijn een verlengstuk van het hulpmiddel geworden. De bedenkers, vaak kenniswerkers genoemd, verkopen datgene wat zij geleerd hebben. Heel vaak probeert men een vermoeden uit op een nieuw gebied. Dit is “spannend en uitdagend”. Hier vloeien werken en leren dooreen (“producerend leren”). Duidelijk mag zijn, dat het soms niet gaat, zoals men verwacht. Bij de bedieners is feitelijk het lichaam verder uitgebreid met hulpstukken. Na enige tijd is het onderscheid tussen de mens en zijn hulpmiddel verdwenen. Men is een expert geworden. De kenniswerkers denken dat ze nog niet zo’n last hebben van de verbondenheid van de mens met zijn software. Ze worden bepaald door de informatie die ze tot zich nemen en de projecten die ze uitvoeren. Met name de ontwikkeling van geavanceerde zoeksystemen zal de kenniswerker steeds meer afhankelijk maken. De snelheid waarmee dergelijke software miljoenen woorden met elkaar vergelijkt is door geen bibliothecaris na te doen.
De (kennis-)infrastructuur.
In iedere stap van de transformatie worden onderdelen vastgelegd om later door anderen (kinderen, leerlingen) te worden hergebruikt. In de stap Socialisatie (Hfdst. 4.) wordt de mens als drager van kennis gebruikt. Hij maakt hiertoe gebruik van het menselijk geheugen en van allerlei hulpmiddelen (notitieblok, computer). Expliciete kennis wordt opgeslagen in gegevens (databases, bestanden) en processen (regels, algoritmes, programma’s). Gegevens vertegenwoordigen het vaste en processen het veranderende in de wereld. In het hoofdstuk over Externalisatie (Hfdst. 5) wordt hier dieper op in gegaan. De laatste jaren is het steeds beter mogelijk om processen en mensen onderling te laten communiceren via het (telecommunicatie-)netwerk. Dit onderwerp komt in Hfdst. 8. aan de orde.
Socialisatie
Inleiding.
Er wordt ingezoomd op de directe overdracht van kennis tussen mensen en het zelfstandig verzamelen van kennis.
Geruime tijd heeft het idee geleefd, dat de mens een te programmeren wezen was. Als het programmeren niet lukt is de centrale processor kapot (leerstoornis) of is de persoon niet willig. Naast het “opnemen” van gegevens is er vaak wat mis met het bewaren en reproduceren van kennis. De mens bezit een effectief systeem om alles wat niet bruikbaar is weer snel kwijt te raken. De databasesoftware werkt ook al niet naar wens.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 6: De lerende mens is een combinatie van zijn voorgangers in de evolutie voorzien van het hulpmiddel taal.

De laatste jaren is de theorievorming in een versnelling geraakt door het onderzoek naar de hersenen, kunstmatige intelligentie (cognitie-psychologie) en kunstmatig leven. Het blijkt niet mogelijk om het idee van de programmeerbare mens vol te houden. De mens is een verzameling losjes samenwerkende onderdelen (loosely coupled systems) die als ze in nood verkeert een standaard reactiemechanisme vertoont. De geprogrammeerde noodsituaties bestaan niet meer maar worden wel opgeroepen( door angst en stress).

Als eerste wordt het lichaam bekeken (Hfdst 4.2). Het lichaam is een stapeling van vele ontwikkelingen in de evolutie. Het is ten opzichte van zijn collega’s organismen als extra voorzien van een prachtig hulpmiddel, de taal. Met behulp van de verbeelding worden eigen werelden gemaakt en kan in de beschutte binnenwereld worden geoefend. Er zijn hulpmiddelen verzonnen die de mogelijkheden van het lichaam hebben uitgebreid. Door ze veel te gebruiken gaan ze deel uitmaken van het lichaam. Men heeft ervaring en is een expert. Aan de buitenwereld en de eigen binnenwereld wordt via de zintuigen en het lichaam “betekenis gegeven” (Hfdst 4.3). Als laatste (Hfdst 4.4) worden een aantal consequenties voor de leerpraktijk opgesomd.

Het lichaam.
Inleiding.
Alhoewel het aspect ervaring op vele plaatsen wordt gebruikt is het erg moeilijk om er “vat op te krijgen”. Ervaring ontstaat door een bepaalde activiteit langdurig te herhalen. Langzamerhand neemt het lichaam de activiteit in zich op en gaat als een automaat reageren. Het herhalen kan in de praktijk, als training of in de fantasie gebeuren. Het resultaat is hetzelfde. Bijzonder is verder dat het opbouwen van ervaring gepaard gaat met het verdwijnen van de verwoording van de ervaring. Men heeft het “in zich” maar kan niet aan anderen duidelijk maken wat “het” is. De kennis is in het lichaam gezakt.
In dit hoofdstuk wordt leren bekeken vanuit een evolutionair perspectief. De mens is een stapeling van vele soorten organisme die allemaal een eigen vorm van leren hebben. Ieder organisme probeert in balans komen met zijn omgeving (structurele koppeling). Hij bezit standaard-patronen die reageren op interne en externe stimuli. Een stimulus die vaak voorkomt en “voordeel” biedt krijgt prioriteit. Het lichaam kent een aantal toestanden (emoties) die als voordelig of nadelig worden ervaren. Een mens streeft naar een evenwicht tussen rust en activiteit, spanning en ontspanning. Als dit evenwicht is bereikt staat het lichaam het meest open voor nieuwe ontwikkelingen. Het is vol vertrouwen dat er iets goed uitkomt. Een belangrijk onderdeel van het lichaam is het geheugen. Leren is een combinatie van onthouden en herinneren (begrijpen).
Leren bij lagere organismen.
De mens heeft veel eigenschappen direct overgenomen van zijn verre voorgangers in de evolutie. Een groot deel van het DNA is niet afwijkend. Vooral de “niet-bewuste” gedragskenmerken zijn veelal niet veranderd. De mens is een combinatie van een lager organisme(bijv. een bacterie), een reptiel (instincten), een zoogdier (emoties) en een heel klein beetje ratio (Vroon, 1989, 1992).

Het is moeilijk om een goede definitie van leven te geven. De grens tussen leven en chemische processen aan de ene kant en software is soms vaag. Twee belangrijke eigenschappen van een levend wezen zijn autonomie en zelfreproductie. Dit gebeurt niet alleen via produceren van nageslacht. Ook intern wordt het organisme permanent heropgebouwd en hersteld. De mens wordt eens in de drie maanden vrijwel volledig vervangen.

Lagere organismen kunnen niet los worden gezien van de natuurlijke omgeving waarin zij leven. Ze zijn ontstaan omdat er een onderscheid ontstond tussen de binnenwereld en debuitenwereld (de celwand). Door deze afscherming zijn processen in zichzelf gaan sluiten. Ze produceerden zichzelf en afvalstoffen (Kaufmann, 1995), die via de celwand weer naar de buitenwereld werden getransporteerd. De celwand samen met de productieprocessen vormen een autonome eenheid (een identiteit). Het proces van zelfreproductie wordt aangeduid met de term Autopoiesis (Mingers,1995).

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 7: Autopoiesis: Productieprocessen (re)produceren zichzelf.

Autopoiesis is in vele gebieden object van onderzoek. Het gaat dan om bv. neurobiologie (de hersenen), biologie (de cel), informatica (Artificial life) en psychiatrie (het gezin). Belangrijke onderzoeker is (Maturana (1987). Verandering van de input wordt opgevangen binnen de identiteit. Een dergelijke reactie van een identiteit noemt men “structural coupling”. Belangrijk principe is, dat de identiteit uitsluitend via de keten van zijn chemische reacties kan reageren. Binnen de aan elkaar gekoppelde (chemische) processen moet een manier worden gevonden om de input te verwerken. Een verandering kent slechts drie reactiemogelijkheden n.l. er verandert niets, de identiteit sterft of er wordt een ander aanwezig patroon aangesproken en afgewikkeld.

Door het koppelen van kleinere eenheden zijn in de loop der tijd grote complexen ontstaan, die samenwerken. Essentieel is, dat men de (afval)producten van elkaar overneemt en zijn eigen chemische verwerkingsproces recreëert. De ketens van structurele koppelingen geven de indruk van een breed en soms oneindig scala van mogelijkheden. Toch bestaat er maar een eindig repertoire. Al deze structuren bestaan uit een continue stroom van vervanging van de onderdelen zonder verlies van de totaalstructuur. “Structural coupling” is de manier waarop organismen leren.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 8: Lagere organismen hebben een celwand en een zelfreproducerend chemisch proces.

De diversiteit van het aantal koppelingen is bepalend voor de overleving van de identiteit. Deze diversiteit neemt af naarmate het organisme minder “mee maakt”. Dit komt bijvoorbeeld voor bij huisdieren die al generaties door de mens worden verzorgd. Het aantal koppelingen dat kan worden gebruikt is afhankelijk van de emotie van het organisme. Emotie is een waardering van de (chemische) toestand waarin het organisme zich bevindt. In essentie zijn er twee belangrijke “spanningsbogen” n.l. de angst-ontspanning en opwinding-verveling.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 9 : Flow: Evenwicht tussen de basis-emoties.

Angst komt van het Latijnse woord angustia dat onder andere nauwte, engte en bergpas betekent. Angst (“Vernauwing”) en Stress (“geen vertrouwen hebben in de wereld”) verminderen de hoeveelheid reacties tot de meest essentiële. Het organisme is dan bezig met overleven.

Een organisme functioneert het beste als de beide spanningsbogen in evenwicht zijn. Men noemt deze toestand bij de mens “flow” (Csikszentmihalyi, 1993). Bij een toestand van “flow” is de mens volledig geconcentreerd (“scherp”) op het onderwerp dat men onderhanden heeft. Het organisme heeft vertrouwen in zijn omgeving. Op het pad van apathie naar opwinding bestaan locale minima. Men gaat niet automatisch over in een toestand van “flow”. Hier zijn positieve (uitdaging) of negatieve (gevaar) prikkels voor nodig. Uit metingen blijkt dat TV kijken in het algemeen een zeer lage flow geeft. Men vindt het niet echt leuk. Men verkeert in een toestand van apathie. Men kan er in blijven “hangen”. TV-makers doen er alles aan om deze toestand bij hun kijkers te behouden door zo min mogelijk prikkels te geven.
Leren bij hogere organismen.
Naarmate het organisme meer complex is zijn er meer structurele koppelingen in het geding. De mogelijkheden om aan te passen zijn meer divers. Het reptiel heeft vooral vaste reactiepatronen. Bij het zoogdier noemt men structurele koppeling “conditionering”. Beloning of straf (ongeveer eens in de drie keer) besturen het leerproces (“reinforcement”). Volgens Skinner (1984) geldt hier dat “behavior is shaped and maintained by its consequences”. Men went aan wat men vaak doet. Aangezien de mens voor het grootste deel als zoogdier optreedt bepaalt dit z.g. “operant leren” (denk aan “lik op stuk”) een groot deel van onze leerprocessen. Reinforcement is ook het middel om vervelende emoties (bijv. vliegangst) kwijt te raken. Na een aantal keren vliegen is mijn zijn vliegangst kwijt.
De scheiding geest en lichaam.
In het onderzoek naar de werking van de hersenen of beter van de intelligentie wordt langzamerhand sterk getwijfeld aan de ontkoppeling tussen geest en lichaam (Clark, 1997). Uit onderzoek naar het immuunstelsel (Varela, 1979) blijkt, dat er op vele plaatsen koppelingen zijn tussen het denksysteem en het lichaam. Men kan geest en lichaam wederzijds beïnvloeden. De lichamelijke weerstand is afhankelijk van de persoonlijke verwachting.
Veel inzicht is verkregen in experimenten om “leven” (“Artificial life”) te simuleren (Brooks, 1991) met behulp van software. Het blijkt, dat complex gedrag verklaard kan worden door een aantal eenvoudige regels die door autonome eenheden (agents) onderling worden toegepast. Het introduceren van één centrale coördinator maakt de besturing vele malen meer complex.
Dennett (1991) past dit principe toe op de hersenen en komt tot de conclusie, dat de mens (“het bewustzijn”) een samenspel is van vele min of meer losstaande eenheden. Bij sommige mensen is dit erg zichtbaar omdat de verschillende persoonlijkheden abrupt in elkaar overgaan. Iedere mensen speelt echter vele rollen. Het lichaam (de perceptie) is ingericht op snel reageren en maakt daarvoor gebruik van “short-cuts”. Om dit voor elkaar te krijgen reageren onderdelen autonoom of in een bepaalde volgorde (een pattern). Patronen zijn genetisch bepaald (Wilson, 1998) of worden (meestal op jeugdige leeftijd) aangeleerd.
Lichaam en hulpmiddelen.
Intelligentie zit niet in de mens maar is het resultaat van een samenspel van onderdelen (Vygotsky (1986)). Mensen zijn bijvoorbeeld slecht in het manipuleren van plaatjes in hun fantasie, het inschatten van risico’s, het onthouden van veel gegevens, etc. Om deze problemen te overkomen gebruikt de mens zijn eigen middelen in combinatie met andere mensen en “hulpmiddelen (notitieblok, computer, auto)” in de omgeving. De omgeving werkt compenserend voor de tekortkomingen van de “pattern-completion engine”. We moeten bij de mens een onderscheid maken tussen de natuurlijke omgeving en de door de mens geconstrueerde omgeving (“de cultuur”). Deze omgeving domineert de aarde pas de laatste eeuwen.
Het geheugen.
De mens beschikt over een korte en een lange termijn geheugen. Dit laatste is opgedeeld in een procedureel (lichaam) en een declaratief (taal) deel (Gross, 1999). Van het eerste deel is weinig bekend. Het geheugen draagt zorg voor het opslaan en vooral het ophalen van relevante informatie. Het geheugen gaat uit van de theorie, dat iets wat is gebeurd opnieuw gaat gebeuren (de verwachting). Na het ophalen van gegevens wordt het geheugen aangepast aan de bestaande situatie (herinneren). Volgens Schank (1982) vormt herinneren (reminding) de basis van leren en begrijpen.
Herinneren is gebaseerd op het gebruik van meervoudige indexen. Als de waarden van de indexen passen worden de bijbehorende geheugeneenheden opgehaald. De indexen zijn zeer situatiegebonden. Pas als men in vergelijkbare situatie in een stad komt komen herinneringen boven, die in die stad hebben plaatsgevonden Het geheugen produceert op basis van de invoer van beelden en woorden een constante stroom van associaties.
De associaties worden gefilterd waardoor een deel bewust wordt. De bewuste stroom van associaties bepaalt de stroom van woorden die wij spreken. De onbewuste stroom bestaat uit ideeën. Als men in een ontspannen toestand verkeerd (bijv. via Yoga) ziet men de ideeën als “wolkjes” langs drijven. Zodra men met een idee meegaat is de ontspanning verdwenen.
Als de verwachting niet uitkomt wordt het geheugen bijgewerkt.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 10: Het geheugen produceert een grote stroom van associaties waarvan slechts een deel bewust wordt ervaren. De ideeënstroom stuurt het maken van zinnen.
Het geheugen wordt gestimuleerd door het stellen van vragen. Het bijwerken gebeurt door het aanbrengen van nieuwe verbindingen. We leren als er zich iets voordoet wat niet past in het verwachtingspatroon. Het geheugen werkt beter als men zich concentreert (focus), ontspant, betekenis geeft, associeert, visualiseert en nieuwe zaken oppakt. Het geheugen verslechtert door stress (teveel nieuwe indrukken), alcohol, roken en weinig slaap. Mensen hebben verschillende leerstijlen. Deze stijlen zijn verbonden met de zintuigen. Er zijn voorkeuren voor het visuele (met ziet graag plaatjes), het auditieve (men luistert en leest) en het tactiele (men doet).

Het onderzoek naar de werking van de hersenen heeft op dit moment grote invloed op de wetenschap. Het onderzoek naar het geheugen heeft geleid tot Case-based-Reasoning ((Riesbeck,1989), (Watson,1997)). Het onderzoek naar de werking van neuronen heeft geresulteerd in de techniek van de “neurale netwerken” (Anderson, 1995). Beide technieken worden gebruikt om patronen te herkennen.
Verbeelden.
Verbeelden is een oud systeem. Het is een onderdeel van het zoogdier (het “limbische systeem”). De verbeelding heeft een eigen communicatiesysteem dat bijvoorbeeld zichtbaar wordt in de droom. Het heeft een beperkte hoeveelheid symbolen die voortkomen uit vormen, kleur, tijd- en ruimtebeleving (voor, na, onder, boven, …).
De taal als hulpmiddel.
Het belangrijkste hulpmiddel van (het lichaam van) de mens is het taalsysteem. Taal is (net als het lichaam) actiegericht. Het taalsysteem maakt het mogelijk om los van de werkelijkheid te experimenteren. Men kan allerlei situaties oefenen en nieuwe structuren verzinnen. Dit gebeurt door interne gesprekken (“private speech”). Door (intern) te praten ontstaan nieuwe inzichten. Taal geeft daarnaast het lichaam verwerkingssnelheid door essentie te zoeken waardoor structuren compact worden. Hiermee wordt het proces van patroonafwikkeling op een abstract niveau doorgezet. Taal geeft de mogelijkheid om complexe structuren te benoemen (naam geven) en met deze namen te werken zonder enig inzicht in de onderliggende werking (black-box). De taalwereld van de mens fungeert als de werkelijkheid voor het lichaam. Met taal kunnen we allerlei processen in het lichaam starten en stoppen (vgl. magie). Hier wordt bij diverse therapieën gebruik van gemaakt.
De taal.
Dit hoofdstuk is gebaseerd op twee boeken van Weick (1979, 1996). Het laatste boek is een samenvatting van al het onderzoek over “Sense-making”.
Betekenis geven.
Mensen geven betekenis aan de wereld. Ze doen dit door de constante stroom van acties in hun omgeving te interpreteren. Men geeft betekenis aan afwijkingen in de stroom (“gaps”). Interpreteren vindt altijd achteraf plaats. Men doet wat en verklaart zichzelf later. Het beeld van het verleden is dan ook constant aan het veranderen. Belangrijk is de continuïteit van het beeld.
De wereld bestaat uit contradicties en tegenstellingen. Deze geven betekenis. Mensen maken hier zelf één (hun eigen) waarheid van. Zaken die altijd “waar” zijn, zoals lijsten, classificaties en andere ordeningen geven geen betekenis.
Beslissingen zijn een herordening van het verleden. Men formuleert voor zichzelf een logische weg. De beslissing is in feite al geruime tijd aanwezig. Mensen zoeken continu naar bevestiging. Als de afwijking van wat ze geloven te groot is valt hij niet op. Afwijkingen van de verwachting deelt men het best met een vertrouwd (“trusted”) persoon. Men wil niet “af” gaan.
Mensen maken “self-fulfilling-prophecies”. Dit is nodig, omdat de wereld zich anders voor de mens niet herhaalt. Ze is in werkelijkheid grotendeels niet voorspelbaar. Daarom zijn periodiek terugkomende zaken als zonsopgang, de planeten, de getijden, de seizoenen steeds als waardevol gezien. In steden zijn veel meer ritmes aanwezig dan in de natuur.
Belangrijk voor een verklaring is, dat men “zichzelf blijft”. Mensen geloven (en dus leren) meer als ze zelf een rol spelen in de verklaring.
Mensen geloven in oorzaak en gevolg. Vaak zijn de verbanden niet echt duidelijk. Statistisch onderzoek maakt de toekomst, omdat de opdrachtgever de resultaten gelooft en er als zodanig naar gaat handelen.
Het individuele filter en reactiepatronen.
Om niet aan de enorme stroom van informatie ten onder te gaan bezit de mens een filter (de verwachting).

De verwachting bepaalt het gedrag tegenover anderen. Leerlingen, waarvan de leraar denkt, dat ze slim zijn leren beter. De leraar geeft ze onbewust meer aandacht. Mensen zijn continu op zoek naar bevestiging van hun verwachtingen. Verwachtingen bevatten standaarddenkwijzen over de werkelijkheid. Als er voldoende passende gegevens zijn verzameld neemt de standaard over en vult de rest van de ervaring in.
Schank (1977, 1995) noemt deze standaardprocessen “scripts”. Scripts overheersen de echte waarneming. Verwachte gebeurtenissen worden op die manier snel verwerkt, zodat er meer tijd is voor het onverwachte. Als mensen denken, dat er veel onverwachts gaat gebeuren neemt de standaard steeds meer over.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 11: Het filter (de verwachting) bepaalt de reactiepatronen.

Het filter wordt bepaald door de ervaringen die men in het verleden heeft gehad. Als de buitenwereld verandert, verandert het filter niet onmiddellijk mee. Het aanpassen van het filter kost tijd. In de tussentijd interpreteren mensen de buitenwereld anders. Ze passen de buitenwereld aan aan het filter. De menselijke waarneming is niet gericht op betrouwbaarheid, maar op aannemelijkheid. Het aanpassingsproces is niet gradueel. Grote aanpassingen gaan sprongsgewijs.

Als de stroom in de omgeving over een bepaalde grenswaarde gaat ervaren mensen een “shock”. Ze starten dan een actie om de stroom weer in het gareel te brengen. Ze beschikken dan over teveel interpretaties of in het geheel geen interpretatie. Bij langdurige activiteit in de buurt van de grenswaarde ontstaat stress. Shock heeft grote invloed op de waarneming en de besluitvorming. Mensen negeren informatie, gaan abstraheren, reageren op details en maken grove beoordelingsfouten. Shock ontstaat door:
teveel informatie,
complexiteit (veel onderdelen, veel interactie tussen de onderdelen)
turbulentie (grote snelheid van verandering, vele richtingsveranderingen)
Interessant hierbij is, dat ook het gebruik van symbolen, metaforen en andere abstracties shock kan oproepen. Ze sturen teveel interpretaties aan. Een passende werk- leeromgeving moet ontspannend werken. Bekend is de positieve invloed van (barok)muziek.

Men leert veel zonder er aandacht aan te schenken. Als men lange tijd in een bepaalde omgeving doorbrengt pakt men zaken als vanzelf op. In deze omgeving, een taalwereld, bevinden zich algemeen bruikbare filters.

Voorbeelden van dergelijke taalwerelden zijn:
Ideologie.
Men gebruikt deze term als erg veel mensen het geloven. Een goede ideologie versimpelt de wereld.
Cultuur
Het gaat om wat men in een organisatie of een maatschappij voor waar aanneemt. Men is er zich niet van bewust. Er is niets over opgeschreven. De expliciete kennis zit in directe supervisie van de chef en procedures. Deze besturen routinehandelingen. De cultuur “ordent” alles wat niet routine is en werkt daarom het meest in op management en experts. Zij houden zich het minst aan regels.
Paradigma’s.
Een paradigma is een stelsel van regels, die bijvoorbeeld gelden in een beroepsgroep. Het stelsel is langere tijd geldig. De regels helpen om keuzes te maken. Ze bestaan uit vele kleine onderdelen, die onderling enigszins samenhangen. Zodra de samenhang te groot wordt kan men er niets meer mee. Ze maken het niet mogelijk om consensus te bouwen.
Actiepatronen
Het gaat hier over reactiepatronen, die “zonder nadenken” optreden. Onderzoek duidt aan, dat mensen niet in staat zijn deze patronen aan anderen te vertellen. Met behulp van interviews komt men hier dus niet achter. Hier vertelt men “zoals men denkt dat het zou moeten”. Alleen door observatie ziet men de werkelijkheid. Dit is een belangrijke reden voor de discrepantie tussen praktijk (het “hoe”) en theorie (“het wat”).
Traditie
Een patroon is een traditie als deze meer dan twee generaties is doorgegeven. Tradities zijn interessant, omdat ze zo lang in stand zijn gebleven. Het doorgeven van gegevens leidt in het algemeen tot verandering van de boodschap. Een belangrijk punt is hier de vorm. Hoe meer samenhang hoe slechter de boodschap constant blijft.
Verhalen
Mensen denken in de vorm van verhalen. Bijzondere verhalen zijn leerzaam. Het verhaal moet dan over moeilijke acties gaan, die niet routine zijn (ze brengen dus cultuur over). Er moeten onverwachte gebeurtenissen (meestal een “near-miss”) optreden. Ze bieden de hoorder de gelegenheid om in een beschutte omgeving (de eigen fantasie) te oefenen en dus te leren. Een goed verhaal moet nieuwsgierigheid en angst oproepen. De essentie van een verhaal is, dat er een volgorde in zit. Volgordes geven betekenis. Verhalen zijn te associëren met “spel”.

De factoren macht en tijdsdruk zijn belangrijk. Ze geven “opwinding (arousal)”. Indien een machtige iets argumenteert, accepteert men de inhoud vaak blindelings. Men onthoudt echter weinig en ziet minder detail. Dit zelfde geldt voor tijdsdruk. Een minderheid (een onmachtige) brengt detail over en de inhoud beklijft. Macht kan in mensen zitten en in situaties. Onder tijdsdruk houdt men vast aan zijn eigen verklaringen. Dit alles stelt eisen aan de “leraar” en de leeromgeving (“rustgevend”).

De huidige Informatietechnologie geeft een hoge “arousal”. Ze geeft informatie-overload, is complex en turbulent. Ze is te samenhangend en dwangmatig. Technologie moet zich niet tonen (“pervasive”) en aanzetten tot actie. Deze actie wordt dan opgenomen in de interpretatiestroom.
Betekenis geven binnen groepen.
Mensen wisselen ervaringen uit. Ze doen dit door woorden uit te wisselen. Deze uitwisseling is effectief als ze de aandacht vasthoudt. Ze moet dan de vorm hebben van een verhaal (narrative). Mensen kunnen geen betekenis delen. Ze delen ervaring. Daarnaast is het gebruikte idioom van belang. Werkwoorden zeggen meer dan zelfstandige naamwoorden. Ze vertegenwoordigen constructieprocessen. Hoe meer inhoud de zinsconstructie bevat hoe meer werk de hersenen moeten verzetten en hoe minder tijd er is om andere dingen te doen.

Mensen zijn op zoek naar verklaring. Deze verklaring is meestal een connectie tussen een concrete ervaring (een verhaal) en een algemeen concept. Mensen delen deze verklaring met anderen. Ze zijn op zoek naar bevestiging. Door samen te argumenteren vinden mensen als vanzelf nieuwe verklaringen. Argumenteren is het langs contradicties heen manoeuvreren.

Hoe vaker mensen met elkaar optrekken hoe minder details ze van elkaar zien. Ze worden naar elkaar toe voorspelbaar. Organisaties zijn structuren, waarin mensen met elkaar optrekken volgens een vast patroon. Dit patroon gaat langzamerhand de werkelijkheid overheersen. Het patroon wordt de werkelijkheid.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 12: Mensen die vaak met elkaar optrekken scheppen hun eigen taalwereld en schermen hem af naar buiten.
Mensen hebben intern een eigen unieke interpretatie van de wereld. Als ze in een gemeenschap leven accepteren ze dit. Een gemeenschap is een verzameling mensen, die onderling hebben afgesproken om bepaalde zaken niet ter discussie te stellen. Dit noemt men consensus. Consensus slaat dus nadrukkelijk niet op het 100% eens zijn over de inhoud. Dit is theoretisch onmogelijk. Men gelooft, dat men het eens is.

Een bijeenkomst is de manier om betekenis te geven. Het gaat dan om meer dan twee mensen, die samen episodisch praten op basis van gelijkwaardigheid. De bijeenkomst moet niet te gestructureerd zijn (“messy”). Dit is nodig omdat men zelf een rol moet hebben. Men moet de conclusie lang “open houden” en vrij associëren.
Mensen zijn betrokken als ze in het openbaar een zichtbare actie hebben uitgevoerd, die niet meer is terug te draaien. Men is verantwoordelijk voor de consequenties. Men moet iets te kiezen hebben waar wat van afhangt (“high stake”). Betrokken mensen concentreren hun aandacht. Ze zijn “scherp”. In dit geval is er sprake van een hoge mate van betekenis geven en leren. De beste structuur om dit te doen noemt men een “organized anarchy”. Een dergelijke anarchie is het tegendeel van een bureaucratie. In een bureaucratie leert men weinig. Men produceert op een standaardmanier.

Consequenties voor de praktijk van het leren.

Als we alles nog eens op rijtje zetten kunnen we de volgende conclusies trekken over de onderwijspraktijk:

Patronen: Kennis zit opgesloten in patronen. Verwachtingen filteren de input.
Iedere leerling (en leraar) bezit een filter (zijn of haar verwachting). Op basis van de verwachting reageert een mens voor een groot deel autonoom middels patronen (Scripts, Patterns). Patronen bepalen ook wat een mens kan leren. Er bestaat een logische stap in het oppakken van nieuwe zaken. Deze logische stap is vaak niet een rechte weg tussen begin en einde. Mensen moeten nieuwe kennis “inparkeren” (structural coupling). Probleemoplossen is het afmaken van een patroon.
De verwachting blokkeert en verminkt de waarneming. Wat men niet “wil” zien, ziet men niet. De verwachtingen van de leerling moeten voor de training bekend zijn. Deze verwachting bepaalt voor een groot deel welke inhoud wordt opgenomen. Als de verwachting sterk van de inhoud afwijkt heeft training geen zin. Het aanpassen van verwachtingen vereist een andere aanpak dan het inpassen van de inhoud binnen een verwachtingspatroon van een leerling. Het eerste noemen we “therapie”. Verwachtingen worden aangepast door een aantal keren hetzelfde mee te maken (gewennen). Het geheugen wordt aangepast als een verwachting niet uitkomt.

Stress: Fysieke overlast, autoriteit en overload belemmeren het leren.
Onder druk wordt de “opening” steeds kleiner. Druk ontstaat door fysieke omstandigheden (lawaai, licht), maar vooral ook door psychische factoren. Hoe meer autoritair de aanpak is hoe minder er blijft hangen. Overwicht in ervaring wordt in het algemeen wel geaccepteerd. Hoe groter de scheiding tussen het lesgeven en de eigen leefwereld van de leerling hoe slechter de overdracht werkt. Dit vraagt om parttime leraren, die naast hun docentschap in de praktijk werken en daar hun verhalen vandaan halen. Een trainingssituatie (ruimte, leraar en middelen) moet rustgevend en voorspelbaar zijn. Als dit niet het geval is wordt er vrijwel niets opgenomen. Het lichaam staat klaar om te reageren. Een leeromgeving moet precies die gegevens bevatten die nodig zijn. Er moeten weinig onderdelen zijn met weinig verbanden. Er moet niet teveel veranderen. De veranderingen moeten steeds één richting op gaan. Macht en tijdsdruk stoppen het leerproces.

De wil: mensen leren het meest als het niet moet. Ze zijn dan betrokken.
Men leert veel als de gegevens niet expliciet worden gebracht. Men omzeilt zo de wil (Assagioli 1973). Zaken, die in een trainingsomgeving “toevallig” op het goede moment langskomen blijven hangen. Hoe meer iets samenhangt hoe minder het wordt overgenomen. Mensen willen hun eigen interpretatie kwijt. Het behouden van de eigen “identiteit” is van groot belang (zie het “non-invented-here-syndroom”). Het gaat om het vinden van de juiste spanning tussen willen en moeten. Mensen leren het best als ze betrokken zijn. Ze zijn betrokken als er “iets op het spel staat”. Daarnaast is het van belang, dat ze denken, dat hun acties zichtbaar zijn voor anderen en niet kunnen worden teruggedraaid.

Verhalen: Ervaring wordt overgedragen door verhalen te vertellen.
Als men lang iets doet wordt de kennis impliciet. Men is dan een specialist. De beste manier voor hen om te leren is om ervaring uit wisselen met collega’s. Hier spelen verhalen een grote rol. Als de verhalen emoties oproepen raken ze de indexen van het geheugen en worden opgeslagen om later weer te worden herinnerd. Mensen kunnen in hun fantasie (via de “private speech”) oefenen. Ze vertellen zichzelf verhalen.

Omgeving: De mens is intelligent door zijn omgeving (hulpmiddelen en medemensen).
De mens is intelligent door zijn omgeving aan te wenden. Het lichaam is een patroon-afwikkel-machine. Hulpmiddelen compenseren voor de tekortkomingen van het lichaam. Het belangrijkste hulpmiddel van het lichaam is taal. Hiermee kan zonder problemen worden geëxperimenteerd en verzonnen. De fantasie is het belangrijkste trainingsmiddel. Met de taal is de wereld aangepast aan de mens en is de cultuur ontstaan. Men leert het beste als men argumenteert in een groepsbijeenkomst. Deze bijeenkomsten moeten niet te gestructureerd zijn.

Spel: Complexiteit is het toepassen van een klein aantal regels door autonome eenheden.
We hebben de neiging om de wereld te verklaren met centrale besturing. In de praktijk blijkt dit in de natuur niet voor te komen. Voor de mens zeer complexe processen zijn te verklaren door een beperkt aantal regels toegepast door autonome eenheden. Het vinden van deze regels is erg moeilijk en kost veel tijd. Daarnaast geloven we het ook vaak niet. We kunnen de resultaten van het proces leren of inzicht krijgen in de regels. Het verband tussen deze twee zaken is soms moeilijk te zien. Dergelijke systemen zijn om te zetten in spellen (simulaties). Spellen zijn ideale leeromgevingen omdat ze de mens het geloof geven dat de regels “echt werken”.

Terminologie: Leerling, Leraar, Leren, Kennisoverdragen, Ontdekken en Therapie.
De term leerling wordt gebruikt. Naast deze term zijn er nog vele andere termen mogelijk, zoals patiënt, trainee, medewerker, gezel etc. Ze veronderstellen allemaal een “hoger niveau” (de leraar), dat meer weet en kan. We hebben ook vele termen voor dit “hogere niveau”, zoals coach, adviseur, goeroe etc. Naast het woord training kunnen we termen als leren, verandering, leerproces, transformatie, project, stroom, etc. gebruiken. Het gaat er om, dat er “doelgericht” wordt veranderd. Als er niet doelgericht wordt veranderd is er sprake van “ontdekken”. Ook hier leren we van. Het is nodig om niet teveel termen door elkaar te gebruiken. In het vervolg wordt de term “kennis overdracht” voor “eenrichtingsverkeer” van leraar naar leerling gebruikt en de term “ontdekken” voor een proces waar zowel leraar als leerling veranderd uitkomen. Als er sprake is van een verandering in een mens noemen we dit leren. Als we de “paradigma’s” van een mens aanpassen noemen we het therapie.
Externalisatie.
Inleiding.
Hoe impliciete kennis naar gegevens wordt vertaald is te vinden in de denkbeelden over informatieanalyse. In de praktijk volgt de theorie van de analyse de technische innovatie op enige afstand. Deze theorie is nog erg “hype-gevoelig”. Men hoopt op de “silver bullet”, de innovatie, die alle problemen zal oplossen. In 1982 probeerde (Brooks, 1995) aan te tonen dat deze oplossing nooit gevonden zal worden: “There are no simple, easy-to-implement answers for excellence in software-development”. Zijn artikel is in 1995 opnieuw uitgegeven omdat hij tot op heden helaas gelijk heeft gekregen. Het komt voor een groot deel neer op talent en ervaring. Men ondervindt veel last van de steeds veranderende technologie. Vaak wordt na een periode van uitproberen ontdekt, dat de technologie niet deugt. Gezien de toenemende invloed van de automatisering begint deze manier van “trial & error” vervelende gevolgen te hebben.

De meeste automatiseerders lappen informatieanalyse aan hun laars. Zij vinden automatisering nog steeds een “kunst”. Ze willen graag zo snel mogelijk aan de slag gaan met programmeren in hun lievelingstaal (nu JAVA). Door de grote hoeveelheid van deze “engineers” loopt de kwaliteit van de software sterk achteruit. De Amerikaanse resultaatgerichte cultuur bestaat bijna volledig uit “doeners”. Er is langzamerhand een kentering te bespeuren. De Europese (en vooral de Nederlandse) cultuur heeft altijd veel meer aandacht besteed aan het “verantwoord” maken dan de Amerikaanse.

In de automatisering wordt de mens nog vaak (onbewust) gezien als een radertje in het systeem, een knoppenindrukker. Men ontwerpt werkstromen. Pas recent is men vooral door de toenemende (falende) mens-machine interactie gaan beseffen dat de mens niet zonder meer alles doet wat hem gezegd wordt door de machine.

De laatste tijd wordt het netwerk belangrijker dan de computer. Software en gegevens worden verdeeld over meerdere computer (processoren) die onderling samenwerken. Dit maakt het mogelijk om te delen, De keerzijde van distributie is een enorme toename van de complexiteit. Het besturen van veranderingen kan niet meer zonder geavanceerde hulpmiddelen en een rigide organisatie.

Leren is een complex proces dat nog niet goed te vangen is in software. Software kan hulp bieden als ondersteuner op vele vlakken. Het overnemen van de instructie is nog niet mogelijk. De ervaring op het gebied van de analyse is in hulpmiddelen en methoden gestopt. Deze is ook bruikbaar om educatieve software te maken.
De werkstroom.
De eerste stappen in de automatisering waren kopieerslagen. Men kopieerde de boekhouding naar de computer. De kaartenbak en de principes van de administratieve organisatie (Starreveld, 1994) zijn het grote voorbeeld geweest voor de eerste softwareontwikkelaars. Er was veel aandacht voor het voorkomen van fraude en daarmee voor functiescheiding.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 13: De werkstroom.
De term Gegeven wordt vaak verward met het begrip Informatie (Gegevens geïnterpreteerd door een Mens). Een gegeven beschrijft een verzameling gelijksoortige waarden (bijv. Namen, Getallen). Gegevens worden altijd in een bepaalde samenhang met elkaar opgeslagen (kaarten, records, lijsten, schermen etc.).
De theorie achter het gegeven stamt van de kaartenbak. Op een kaart (bijv. de Klantenkaart) staan meerdere waarden. Deze noemt men “attributen” (bijv. Klant-Naam). Ze staan naast elkaar in een rij. Deze rij staat voor een bepaald begrip. Dit begrip noemt men een “entiteit” (bijv. Klant). Sommige attributen (Sleutels) verwijzen naar andere entiteiten (bijv. Rekening-nr). Entiteiten hebben dan samen een relatie. Entiteiten en hun relaties vormen een (semantisch) netwerk. Ieder mens, iedere organisatie en iedere cultuur hebben een eigen netwerk dat permanent in beweging is.
Na de komst van de database werd gegevensanalyse (later informatieanalyse genoemd) een vakgebied. Het werd mogelijk om enorme hoeveelheden data op te gaan slaan. De opslagcapaciteit per gulden neemt per jaar met 100% toe en omvang van de opslag neemt af. Dit betekent, dat we nu al enorme hoeveelheden data op een kleine oppervlakte kwijt kunnen.

Processen worden beschreven door de manier waarop ze de input van gegevens omzetten in de output. Meestal is dit in de vorm van een berekening (algoritme) of een sortering. Men modelleert op deze wijze de stroom van gegevens. Gegevens worden door een proces verwerkt en/of opgeslagen en doorgegeven aan een ander proces. Men noemt een stelsel van processen een werkstroom (“workflow”). De berekeningen waren in de begintijd niet erg complex. Bij banken worden grote hoeveelheden gegevens opgeteld (saldo).

Aangezien de opslag als basis fungeert voor het verwerken heeft een fout in de indeling grote gevolgen. Deze kan niet simpel worden aangepast. Zeker als men al beschikt over historie. Men moet dan grote hoeveelheden gegevens aanpassen (conversie). Dit kost tijd en geld en wordt dus meestal achterwege gelaten. De gegevensanalyse is dan ook de basis voor een passende architectuur. Als men hier iets “fout” doet heeft het verstrekkende gevolgen.
Taal-analyse.
Een belangrijke stap in de ontwikkeling van de informatieanalyse was het inzicht, dat er een relatie bestaat tussen taal (gezien als communicatiemiddel) en het gegeven. Opslagstructuren en processen zijn te beschrijven door vereenvoudigde zinnen (Klant Wonen Huis). Het uitlezen van data lijkt op het vertellen van een verhaal in een “restricted language”. Een belangrijke toepassing van dit inzicht is te vinden in de aanpak NIAM (Wintraecken (1985)).

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 14: Mensen wisselen zinnen uit, die een “Universe of Discours” beschrijven.
Het introduceren van de taalbril gaf een totaal andere dimensie aan automatiseren. Men was niet een stroom kaarten aan het sorteren, maar men bracht het Universe of Discourse in kaart (Griethuysen, 1982). De semantiek had zijn intrede gedaan in de informatieanalyse.
Het werd nu mogelijk om met de gebruiker in de eigen taal te gaan communiceren. Het bleek niet mogelijk om vast te stellen of een analyse correct was uitgevoerd. Twee analisten komen vaak met verschillende modellen op de proppen. Dit staat haaks op het image van de computer als het summum van exactheid. De reden hiervoor is gelegen in de “meerwaardigheid” van de wereld. De wereld verandert steeds en de mens zet de wereld “vast” met zijn eigen interpretatie en zijn gereedschappen.
Object-orientatie.
De laatste jaren is er veel aandacht voor “object-orientatie”. Men streeft naar optimaal hergebruik van onderdelen en het ontwikkelen van softwarecomponenten. Hiertoe worden de entiteiten (nu objecten genoemd) en de bijbehorende processen (nu methods genoemd) ingedeeld in uitgebreide classificatiestructuren (Class-libraries).

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 15: Object-orientatie.

Het blijkt erg moeilijk te zijn om aan te geven wat een “component” is. In de fysieke wereld is dit makkelijker omdat er conventies en standaarden zijn (bv. schroeven, moeren). Daarnaast dwingt de materie een bepaalde volgorde van assembleren af. In de niet-fysieke wereld (intangible) van de software en gegevens ligt het niet zo eenvoudig. Men weet niet op welke detailniveau (de granulariteit) en in welke context men het moet zoeken. Er is een trend om ketens van objecten (z.g. design-patterns) als eenheid te nemen. Meer detail geeft meer mogelijkheden. De complexiteit van het geheel neemt dan enorm toe. Hierdoor neemt de overdraagbaarheid naar collega’s van het werk sterk af. Men snapt producten van elkaar niet meer. Daarnaast worden de mogelijkheid tot koppelen met andere bouwstenen slechter. Grote bouwstenen zijn moeilijk in te stellen en niet flexibel. Ze hebben echter een eenduidige werking en zijn daardoor eenvoudig te koppelen.

Bij de Objecten speelt hetzelfde probleem als bij de entiteiten. Er kan geen “vastigheid in de taalwereld” worden gevonden. Een nieuwe toepassing kan een nieuwe connectie noodzaken tussen tot nu toe losstaande entiteiten of juist het omgekeerde bewerkstelligen.

Een voorbeeld is de verandering van inzicht, dat een klant van een bank onafhankelijk van een kantoor moet kunnen bankieren. Het verbreken van de connectie Kantoor – Klant kost tientallen mensjaren werk. Naast lokale aanpassingen vinden er regelmatig “kantelingen en herordeningen” in gegevensstructuren plaats. Denk aan “van productgericht naar klantgericht” werken. Dergelijke paradigmasprongen vergen een bijna complete nieuwbouw. Het oprekken van een datumveld (t.b.v. het Jaar2000) leidt tot een wereldcrisis. Gezien de enorme complexiteit van de huidige architecturen zijn de meeste aanpassingen niet of nauwelijks op tijd door te voeren. Men komt onbekende zaken tegen of verbreekt per ongeluk verbindingen waardoor er heel ergens anders iets uitvalt of anders gaat werken. Een manier om dit probleem op te lossen is om overlappende structuren te bouwen en data te kopiëren (Data-Warehousing). Op deze wijze ontstaan er nog meer ondoorzichtige lappendekens van systemen.

Het netwerk.
Het netwerk is een middel om berichten uit te wisselen. Het bestaat uit gespecialiseerde computers. De berichten worden in een bepaald formaat van computer naar computer gezonden via een bepaalde drager (bijv. glasvezel of koperdraad). De computer vertaalt de formaten en regelt prioriteiten. In het begin stond er één computer (het z.g. mainframe, CVE) in het centrum van het netwerk. Deze computer regelde alles. De eindpunten waren “dom” (dumb terminals). Ze waren in staat tot gegevens tonen en input opnemen. In de loop der tijd is het tonen van de gegevens steeds ingewikkelder geworden (muziek & beelden). Hierdoor kreeg de “terminal” steeds meer te doen. Daarnaast was men gewend geraakt aan de losstaande computer (de PC). Deze bevatte alle software.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 16: De centrale computer gekoppeld aan beeldschermen. De software en gegevens zijn op één plaats.

Bij het koppelen van deze Pc’s (Clients) aan de centrale computer werd het noodzakelijk om na te gaan denken over de distributie van de software en de gegevens tussen de centrale computer en zijn eindpunten. In theorie is de juiste verdeling uit te rekenen door te kijken naar het noodzakelijke transport tussen de partijen die het netwerk gebruiken. Een centralistische organisatie heeft veel verkeer naar het hoofdkantoor en weinig verkeer tussen de afdelingen. Mensen, die elkaar nooit of weinig spreken hebben geen directe verbinding nodig. Vaak worden deze analyses niet gemaakt en gebruikt men een ideologie.

Een voorbeeld van een dergelijke ideologie is de keuze voor een zware centrale computer (de server) en eenvoudige eindpunten (de “thin-client”). Op dit ogenblik is het mainframe (S390) weer erg in trek.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 17: Als er meerdere processoren zijn moet men de software en de opslag verdelen.
In de meeste (z.g. client/server) architecturen ligt de plaats van opslag van de gegevens en de software vast. In dealingrooms van banken en geavanceerde wapensystemen (Boasson, 1998) is het flexibel omgaan met gegevens een eis. Men gebruikt daar een z.g. “publish/subscribe”-architectuur. In een dergelijke architectuur is de gegevensopslag een gevolg van het gebruik. De gegevens stromen naar de plaats waar de applicatie werkt. Er zijn architecturen in ontwikkeling (“mobile agents”), waar ook de software geen vaste plaats meer heeft. Ze zoekt de plaats op waar een berekening het beste kan worden gemaakt.

Van groot belang is het beheersen van veranderingen van de software in het netwerk. Niet alle software kan zondermeer met elkaar samenwerken. Ongecontroleerde aanpassing veroorzaakt veel moeilijk te vinden fouten. Dit alles voert de kosten aan ondersteuning enorm op. Men moet de versies en functionaliteit afstemmen (releasemanagement). De beste manier is om veranderingen altijd vanuit één plaats door te voeren. In ITIL (IT Infrastructure Library (Zie HYPERLINK http://www.itilalumni.com http://www.itilalumni.com ) is de praktijkkennis over beheer ondergebracht. ITIL bestaat uit een grote verzameling boeken, die alle mogelijke aspecten van beheer afdekken.

De mens.
De gebruiker is heel lang niet gezien als een belangrijke variabele in de analyse. Hij is een (lijdzaam) onderdeel van de bureaucratische machine. Men is een onderdeel van de workflow en moet reageren op de binnenkomende berichten. Mumford (1995) was een van de eerste wetenschappers die de belangen van de gebruiker als object van onderzoek introduceerde. Zij ontwikkelde de methode ETHICS. Een belangrijke invloed in Nederland kwam van de Antroposofie (Morssink, 1984). In deze eerste stappen werd het aspect “betrokkenheid” benadrukt. Veranderingen worden makkelijker doorgevoerd als het “slachtoffer” mee doet (“hang yourself”). Deze betrokkenheid kan direct of indirect geregeld worden via een vertegenwoordiger (OR, materiedeskundigen).

In een later stadium ging ook tijd een rol spelen (“time-to-market”). Projecten waren veel te lang “onderweg”. In deze tijd veranderden de specificaties en verdween de betrokkenheid van het management en de medewerkers. Dit heeft geleid tot de introductie van de “iteratieve aanpak”, die nu vrijwel gemeengoed is geworden. Een project bestaat uit kort durende iteraties, die allemaal een bruikbaar resultaat opleveren.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 18: User-Interaction-Design. Ontwerpen via de zintuigen en de hulpmiddelen van de mens.

Door de introductie van het beeldscherm met toetsenbord werd de gebruiker een deel van de mens-machine-dialoog. Het beeldschermontwerp bracht de “gebruikersvriendelijkheid”, het “grafical-user-interface (GUI)”, “designer”, en de “ergonoom” in beeld. Deze gingen via de zintuigen van de gebruiker naar processen kijken. Dit veroorzaakte een haakse draai in de informatieanalyse. De aandacht verplaatst zich langzaam van “procesanalyse” naar “taakanalyse”. Voor de “engineer” is deze stap heel moeilijk te nemen. In de praktijk blijkt, dat hij veel te veel (technische) mogelijkheden aan de gebruiker aanbiedt. “Keep it simple” is het devies (Norman (1988)). Een aanpak die de mens-machine-dialoog als uitgangspunt heeft heet User-Interaction-Design (UID) (zie HYPERLINK http://www.io.tudelft.nl/uidesign http://www.io.tudelft.nl/uidesign en Winograd (1996)).
Beslissingen en regels.
Gegevens waren lange tijd een integraal deel van de infrastructuur. Ze waren niet “vrij” beschikbaar. Door de komst van Pc’s en z.g. 4de generatie Eindgebruikertalen (bijv. SQL, FOCUS, SAS) werden ze uit de bestanden gehaald en direct of indirect (via kopiebestanden) aan gebruikers ter beschikking gesteld. Hiertoe werd het noodzakelijk om de betekenis van de gegevens voor een “amateur” te ontsluiten. De programmeurs zijn gewend aan technische coderingen. Door de “engineeringattitude” zijn (en worden) veel data-elementen niet voorzien van de beschrijving van hun betekenis (de z.g. metagegevens). Naast het betekenisprobleem is er ook sprake van vervuiling. Gegevens, die niet tot de verantwoordelijkheid van het bedrijf behoren, worden vaak niet up-to-date gehouden (bijv. Naam-Adres-Woonplaats bij Verhuizen). Vaak weet de gebruiker niet welke data hij werkelijk onder handen heeft. Dit geeft aanleiding tot volstrekt verkeerde besluitvorming. Helaas komt deze situatie vaak voor.

In eerste instantie gingen de gegevens naar de boekhouders. In een later stadium ging men zich ook richten op dragers van ongestructureerde taken (beslissers, specialisten). Dit resulteerde in “decision support systemen” en “expertsystemen”. In het eerste geval wordt een enorme hoeveelheid data door allerlei berekeningen en sorteerslagen samengevoegd in tabellen, die via een aantal gezichtspunten (meestal tijd en geografie) kunnen worden bekeken. Ter ondersteuning worden standaard een groot aantal vormen van statistiek aangeboden (Data-mining). De gebruiker van deze statistiek weet meestal niet wanneer een techniek wel of niet mag worden toegepast. Dit geeft aanleiding tot ongefundeerde conclusies.

In de praktijk hebben de Management Information Systems (MIS) niet het succes dat men er van verwacht had. De belangrijkste reden is de wijze, waarop mensen een beslissing nemen. Het MIS gaat uit van het idee, dat men dit doet door vlak voor de beslissing vele alternatieven te onderzoeken. In de praktijk dragen mensen een beslissing met zich mee en zijn ze op zoek naar bevestiging (Zie Hfdst 4.3). Daarnaast speelt het (mensen-)netwerk een grote rol. Men haalt veel informatie weg bij de mensen die men vertrouwt.

Men had de indruk, dat een specialist zijn werk deed door een groot aantal regels in samenhang toe te passen. Er werden speciale (z.g. elicitatie-)technieken en een methode (Hoog, 1994) ontwikkeld om de kennis uit experts te halen en zodoende expertsystemen te bouwen. Het blijkt, dat experts niet weten hoe ze hun werk doen (zie Hfdst 4.3). Daarnaast zijn ze bang om hun baan te verliezen en vertellen niet alles. De analisten zijn op zoek naar een passende (politieke en/of wetenschappelijke (het paradigma)) verklaring en zien daardoor de werkelijkheid niet meer objectief. Deze problemen zijn natuurlijk ook van toepassing op de leraar (als expert in het lesgeven) en de leerling (als expert in het leren). Expertsystemen zijn heel bruikbaar gebleken als ondersteuning van een experts (bijv. financiële adviessystemen). De vervanging van experts door software is nog steeds een kostbare en complexe taak. Meestal lukt het niet.

Er zijn speciale talen (Prolog, LISP) en computers (vooral in Japan) ontworpen om regelgebaseerde (Artificial Intelligence (AI)) systemen te kunnen bouwen. Na een enorme investering in deze 5de generatie computertalen kwam men tot de conclusie, dat deze weg dood liep (Winograd, 1986). De AI heeft als eerste een beroep gedaan op de cognitie-psychologie (Zie Hfdst 4.2).

Het is mogelijk om een systeem volledig te beschrijven met gegevens en regels, die op de attributen worden toegepast. Met behulp van z.g constraint-programming kan met het stelsel “oplossen” door te zoeken (“constraint satisfaction”) of numerieke en algebraïsche methoden toe te passen (“constraint solving”). Het toepassen van deze techniek is nog steeds voorbehouden aan experts. Ze is erg bruikbaar voor het maken van roosters en dynamische tijdsregelingen (spoorboekje).
Methoden en hulpmiddelen.
De ervaring van vele ontwikkelaars werd verzameld en verwoord in technieken. Deze werden verbonden aan een projectmanagementsystematiek. Hierdoor ontstonden complete methodes, die de analyse van begin (strategie) tot einde (testen) beschreven. De methodes werden vaak opgehangen aan een goeroe (Jackson, Martin). Er ontstonden elkaar bevechtende kampen. Door de IFIP (Olle, 1982, 1986, 1989) werd een werkgroep opgericht om de “beste” aanpak te vinden. Hiertoe werd een case gemaakt (de IFIP-case) en criteria geformuleerd om te vergelijken. Tot grote verbazing van iedereen bleek dit niet mogelijk te zijn. De “beste” methode bestaat niet en zal ook niet gevonden worden. De “beste” aanpak is sterk afhankelijk van het soort project, de te gebruiken techniek en de ervaring van de ontwikkelaar. Er zijn hiertoe zeer sterk variabele aanpakken gemaakt gebaseerd op z.g. scenario’s. Naast het vinden van een passend scenario speelt het eigen geloof in de bruikbaarheid een dominante rol bij het succesvol toepassen. Voor een overzicht van de meest bekende aanpakken bestaat er een Method Engineering Encyclopaedia ( Zie HYPERLINK http://www.univ-paris1.fr/CRINFO/dmrg/MEE http://www.univ-paris1.fr/CRINFO/dmrg/MEE ). Methoden en technieken zijn in de loop der jaren sterk geautomatiseerd middels z.g. CASE-tools (Computer Assisted Software-Engineering). Een belangrijk hulpmiddel is een z.g. repository. Dit is een speciale database die alle (meta)gegevens bevat, die in het ontwikkelproces worden gebruikt. In het algemeen is de repository gekoppeld aan een z.g. generator die software genereert op basis van de opgeslagen metagegevens. Door deze generator wordt het mogelijk om onafhankelijk van veranderingen in de techniek te ontwikkelen. De ontwikkelomgeving is gedistribueerd, zodat ontwerpers, materiedeskundigen, projectleiders en vele andere ontwikkelaars achter hun grafische werkstation onafhankelijk van elkaar op hun eigen tijd en plaats kunnen werken. Belangrijke leveranciers zijn: Sterling, Computer Associaties, IBM en Compuware (Allen VS).

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 19: Een voorbeeld van een Computer Assisted Software-Engineering-werkomgeving.
De aansluiting met het socialisatieproces.
De informatieanalyse is voor een groot deel gebaseerd op het idee van de werkstroom. In dit geval wordt de mens gezien als een verwerkingseenheid.
Het beeld van de mens lijkend op een computer kan niet meer stand houden. Mensen zijn onder grote druk overlevingsmachines, die volgens een vast patroon reageren. Het denken in patronen (“Patterns”) begint in de informatieanalyse een rol te spelen. Hierbij worden “objecten” gekoppeld.
Om een mens te kunnen besturen (c.g. te laten leren) is kennis nodig van de toestand van deze mens zelf. Ieder mens is uniek. Het vangen van deze kennis is nog niet echt aan de orde en soms ook discutabel (“privacy”). In de marketing probeert men dit te doen met behulp van patroonherkenning (de z.g one-to-one marketing). Deze patroonherkenning is gebaseerd op ideeën over de werking van de hersenen en het geheugen.
Het beschrijven van de flexibel reagerende (“ontspannen”) mens is nog ondoenlijk. Veel kennis wordt vergaard door “agenttechnologie”. Hier laat men software-eenheden volgens eenvoudige regels autonoom samenwerken. Samenwerkende agentsystemen beginnen het intelligentieniveau van de lagere organismen te bereiken. Toepassingen ziet men in de besturing van complexe gedistribueerde verdeelsystemen (bijv. de energieafname van een huishouding). Men probeert pieken te vermijden door de agents met elkaar te laten onderhandelen over vraag- en aanbod van stroom. Een groot probleem is de analysemethode. Het is onmogelijk om in één keer een complex systeem te reduceren tot een aantal simpele regels. Het kost een groot aantal iteraties (“trial and error”) en dus veel tijd en geld om een werkend systeem te maken. Hoe de mens hier moet worden ingepast en hoe mensen doelgericht kunnen veranderen door deze technologie is onbekend. De beste manier om te trainen is om met een expert op te trekken en “na te doen”.
Consequenties voor de praktijk van het leren.
Workflow: Tot op heden zijn er vooral gegevensstromen geanalyseerd.
De informatieanalyse heeft zich tot op heden sterk geconcentreerd op het analyseren van de werkstroom. De mens wordt hier geacht te doen wat het protocol oplegt. Deze aanpak is geschikt voor het analyseren van ondersteunende processen (de administratie). Het primaire proces van het leren blijft buiten schot.

Taal: Het analyseren van de communicatie tussen de personen in het te “automatiseren” gebied is de basis voor een gegevens- en procesmodel.
Informatieanalyse is een essentiële vaardigheid aan het worden. De taalkundige aanpak is een simpele en effectieve manier van werken. Zij berust voor een groot deel op zinsontleding en goed luisteren. Deze aanpak kan al jong worden aangeleerd. De aanpak van Nijssen (NIAM) is in Australië op de scholen ingevoerd.

Publish/Subscribe: de gegevensarchitectuur van een school moet snel kunnen worden aangepast en gericht zijn op het individu.
Ieder mens leeft in zijn eigen dynamische taalwereld. Delen van deze wereld worden met anderen gedeeld in bijvoorbeeld een organisatie. Centrale geautomatiseerde systemen sluiten daardoor slechts voor een deel aan op de behoefte van het individu. Er is niets tegen een combinatie van een eigen individueel systeem en een centraal systeem, waar gegevens uit worden gekopieerd. Omdat een school moet aansluiten op de buitenwereld zal het “Universe of Discourse” van een school zeer snel veranderen. Hier kunnen de “normale” client/server-architecturen niet tegen. Er zijn infrastructuren beschikbaar (Publish/Subscribe), die uitgaan van een grote flexibiliteit.

UID: Leren is een ongestructureerde taak. De informatieanalyse moet uitgaan van de mens.
De analyse van een leerproces moet plaatsvinden vanuit de blik van de gebruiker. Leren is in principe een ongestructureerd proces. Het maken van educatieve software, die probeert om alles van tevoren te regelen lukt niet of gaat enorme bedragen kosten. De ontwikkelaanpak moet zich baseren op de principes van User Interaction Design.

Cognitie: Technieken ontleend aan de cognitie-psychologie (Agents, CBR) lenen zich het meest voor educatieve software. Er is vrijwel geen praktijkkennis over deze ontwikkelingen.
De informatieanalyse heeft lange tijd de mens beschouwd als een programmeerbaar input/output-mechanisme. Deze weg is niet succesvol gebleken. Het onderzoek naar kunstmatig leven (Agents) en de hersenen (Case Based Reasoning (CBR), Neurale Netwerken) ziet er veelbelovend uit. Ze is wellicht beter geschikt om educatieve software te maken. Op dit ogenblik is de kennis over Agents en CBR vrijwel niet aanwezig bij de kennisinstituten en zeker niet in het bedrijfsleven.

Methoden: Het gebruik van methoden en hulpmiddelen is nog niet doorgedrongen tot de ontwikkelaars van educatieve software.
De kennis over softwareontwikkeling is vertaald in methoden, technieken en hulpmiddelen (MTH). Opvallend is, dat deze MTH vrijwel niet worden gebruikt bij het ontwikkelen van educatieve sofware. Hier heerst de “engineeringcultuur”. Het hergebruik is in deze sector dan ook zeer laag. Vaak wordt het wiel weer uitgevonden en het koppelen van verschillende onderdelen is problematisch.
Combinatie
Inleiding.
In dit hoofdstuk is de combinatie van gestructureerde informatie aan de orde. Het combineren van ongestructureerde informatie (associatie) kan ook. Het combineren heeft als doel om iets nieuws te vinden. Het in staat zijn tot het vinden van “iets nieuws” wordt gezien als “creativiteit” (scheppen). Echt nieuwe denkbeelden zijn zeer schaars en voorbehouden aan genieën. Gelukkig ontstaan de meeste nieuwe inzichten door oude te herordenen. De manier, waarop deze ordening wordt uitgevoerd is van groot belang. Opvallend is, dat grote doorbraken vaak buiten het vakgebied tot stand komen. Men zit schijnbaar te vast in zijn denkwereld om de oplossing te zien (Kuhn, 1962). Een vakgebied wordt bepaald door een aantal fundamentele inzichten (paradigma’s). In de loop der tijd worden er problemen ontdekt, die onoplosbaar zijn. Zij knagen aan het paradigma. Vaak worden ze ontkent of genegeerd. Nieuwe inzichten ontstaan door structureel op zoek te gaan naar “onoplosbare” problemen.

Creativiteit.
Het toeval speelt een rol Deze rol wordt echter erg overdreven. Soms komen door het toeval zaken bij elkaar, die via een doordachte aanpak nooit bij elkaar hadden kunnen komen. Het toeval moet zich wel richten op een werkende structuur (Vgl. DNA en Evolutie).
Er moet sprake zijn van “verhangen” of “weglaten”. Hofstädter (1995) doet al zijn hele leven onderzoek naar creativiteit. Volgens hem is “kennis van zaken” een eerste vereiste om creatief te kunnen zijn. Men moet de componenten (concepts) en hun verbindingen kennen. In een interview met het tijdschrift Wired (11-95) zegt hij hierover het volgende: “A deep immersion in anything makes you more creative, if you’re creative to begin with. Constantly honing your faculties enhances you.” Een andere factor is “druk”. Men moet ergens naar op zoek zijn, de sterke behoefte hebben om een oplossing te vinden. Creativiteit is een product van “subcognitive pressure” that probabilistically influence the building and reforming of representations […] Cognitive representations are relatively immune to contextual pressure […] A crucial role is played by the inner structure of concepts and conceptual neighbourhoods”. Creativiteit verschijnt door het uitoefenen van gerichte druk, waardoor er foutjes ontstaan in meestal stabiele structuren (“slips of the tongue”). Deze stabiele structuren bestaan uit concepten met hun omgeving.

Analogie.
Om een probleem op te lossen zoekt men naar een analogie. Het probleem wordt vertaald in een “standaardprobleem”, waar een “standaardoplossing” voor bestaat. Via deze standaard wordt de eigen oplossing gevonden. Het “losmaken” en daarna “afbeelden naar een ander domein” kan worden gestuurd met aanpakken als “brainstormen”. Men moet dan wel een duidelijk beeld hebben “wat” men wil oplossen. Het domein dat men kan gebruiken om de analogie te vinden, is breed (Finke 1990). Men neemt aan, dat de onderliggende structuur van het probleemdomein en het analogiedomein iets met elkaar gemeen moeten hebben. Dit is nog niet bewezen. Een groot aantal technieken staan in (Wenger, 1996). Er wordt vooral gebruik gemaakt van “guided imagery”. Men visualiseert het probleem en “vraagt” aan de verbeelding oplossingen te verwekken.

Herordenen
Altshüller (1996) heeft 200.000 patenten bestudeerd en geprobeerd om te ontdekken hoe “originele” oplossingen worden gevonden. Hij extraheerde 40 principes, die zijn ondergebracht in de aanpak TRIZ (Theory of Inventive Problemsolving). Altshüller ontdekte, dat een probleem altijd kan worden geformuleerd als een verzameling tegenstrijdige eisen (“contradictions”). Het oplossen van de eisen bestaat uit het verleggen van relaties binnen de verzameling onderdelen, die het systeem bevat. Hiertoe wordt een matrix gemaakt waar onderdelen en functionaliteit naar elkaar worden afgebeeld. Een systeem is nog “in ontwikkeling” als de matrix buiten de diagonalen is gevuld. Een systeem is “volwassen” als er per functionaliteit slechts één onderdeel bestaat. Het is dan “simpel”. Systemen hebben niet het “eeuwige leven”. Na de volwassenheid komt de neergang. Een nieuw systeem pakt de hegemonie van het oude over. Maimon (1998) heeft TRIZ gegeneraliseerd tot twee condities n.l. The Closed World-condition (CW) en Qualitative Change-condition (QC). CW beperkt de oplossing tot de componenten van het systeem. QC beperkt een verandering tot het aanpassen (b.v. verbreken of omkeren) van een relatie tussen de componenten.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 20: Combinatie: Kennis van de werking en de Problemen afbeelden naar een standaardoplossinggebied.
Mindtools.
Jonassen (1996) hangt het Constructivisme (Papert, 1990) aan. Deze stroming zet zich sterk af tegen de praktijk van het onderwijs (“de instructie”). Papert zegt in dit artikel het volgende: “Knowledge is built when the learner is engaged in the construction of something external or at least shareble … a sand castle a machine, a computerprogram, a book”. Jonassen vindt, dat computers (“mindtools”) naast de mens moeten staan. Het is volgens hem niet mogelijk om computerprogramma te maken, die een leraar simuleren. Computers zijn een hulpmiddel voor het denken.

Hij onderscheidt vier niveaus van denken n.l.
Basic (opslaan en ophalen wat geleerd is),
Critical (analyseren, zie Hfdst 5.3),
Creative (het verwekken van nieuwe kennis) en
Complex (probleem oplossen, ontwerpen en besluiten nemen). “Complex thinking” is een op actie gerichte combinatie van de eerste drie.

Mensen leren het beste als ze samen met anderen nieuwe voor hen betekenisvolle kennis construeren (“collaborate”). Hij heeft een aantal “mindtools” gevonden. Hij vermoedt, dat er veel betere in de toekomst zullen komen.
Het gaat om:

Databases (structureren van kennisdomeinen),
Spreadsheets (speculeren met getallen),
Semantische netwerken (het afbeelden van de “mind”),
Expertsystemen (besluitvorming),
Communicatiemiddelen (het verbinden van gemeenschappen van lerenden) en Multimedia /Hypermedia (construeren).
Patronen zoeken.
Indien men beschikt over een grote verzameling gegevens is het mogelijk om automatisch patronen te zoeken. Met de “black-box-benadering” koppelt men input- aan output en zoekt naar een passende formule (neurale netwerken, genetische algoritmen). Deze formule geeft meestal geen enkele “verklaring” voor het verband. De “black-box” geeft geen inzicht in een causaal verband. Hiervoor kan men gebruik maken van de “normale” structuurzoekers die meestal uitgaan van een lineair verband. Zie verder: Hfdst. 9.

De aansluiting bij het Externalisatie-proces.
Combineren is mogelijk als de structuur, de onderdelen en de “onmogelijkheden” van een systeem bekend zijn. Het maakt niet uit of het systeem een auto, een organisatie of een organisme is. De analysemethode “Object-orientatie” is zeer geschikt om dergelijke systemen in te beschrijven. Het is nog geen usance om de problemen en “contradicties” van een
systeem in kaart te brengen.
De analyse kan op vele plaatsen gebeuren. Meestal wordt ze binnen een bedrijf of bedrijfstak uitgevoerd. Er zijn op vele gebieden pogingen gaande om generieke proces- en gegevensmodellen te bouwen (bv gezondheidszorg, handel, electronic commerce), logistiek (ERP, banken etc).. Door de toenemende koppeling van bedrijven middels het netwerk zijn ook waardeketens een onderdeel van studie. De modellen zijn meestal algemeen beschikbaar.
Naast bedrijfstakken vinden er ontwikkelingen plaats in vakgebieden. Er zijn vele specialisaties met een eigen vaktaal, tijdschriften etc.. Er wordt in het algemeen moeilijk samengewerkt. De ontsluiting van de vakgebieden is slecht. Er wordt niet al te vaak over de eigen grenzen gekeken. Modellen, zoals in het bedrijfsleven zijn er nog niet veel. Kennis verandert snel. De gebruikers van de kennis zijn meestal niet betrokken bij de veranderingen. Ze weten dan ook niet altijd wat er aan de hand is. Soms is dit onmogelijk, omdat er teveel mensen betrokken zijn. Bij het maken van een nieuw product wordt rekening gehouden met de bestaande situatie. Ook hier is het gebied van de wetenschap nog erg eigenzinnig geregeld. Veranderingen worden niet zonder meer doorgegeven aan de gebruikers. Hier hebben scholen last van. Het KennisNet kan fungeren als instrument voor “change-management”.
Consequenties voor de praktijk van het leren.
Kennis van zaken: Een systeem wordt bepaald door zijn onderdelen en zijn tekortkomingen.
Probleem en probleemdomein horen bij elkaar. Ieder systeem heeft tekortkomingen, die in een later stadium een verandering in het domein zullen bewerkstelligen. Men heeft pas kennis van zaken als men weet hoe iets in elkaar zit en wat er mis is.

Herordenen: De grootste creativiteit ontstaat door zaken te herordenen.
Vele problemen kunnen worden opgelost door binnen het systeem van onderzoek componenten op een andere wijze met elkaar te verbinden. Het streven moet zijn naar continue versimpeling van de structuur. Men kan pas echt creatief worden als men alle onderdelen van het systeem, de verbindingen en de tekortkomingen van de onderdelen kent. Grote problemen duiden op een komende grote innovatie.

Mindtools: Computers zijn hulpmiddelen bij het creatieve denken.
Computerprogramma’s zijn erg behulpzaam bij het ondersteunen van het construeren van kennis. Ze kunnen grote hoeveelheden data vergelijken, sorteren en visualiseren. Het overnemen van de instructie (lees het programmeren) is een groot probleem, omdat het zeer tijdrovend (en dus kostbaar is) om alle reactiepatronen van de leraar op de leerling in een programma onder te brengen.
Internalisatie.
Inleiding.
Het schoolsysteem van de 20e eeuw is gebaseerd op de principes van Taylor (Callahan 1962). Een belangrijk criterium is “efficiency”. De leerlingen worden via een aantal lopende banden (klassen) geassembleerd in een standaard type dat aan het einde van de opleiding zo aan de “echte” lopende band kan aanschuiven. Op een aantal plaatsen wordt getest of een onderdeel aan de gestelde eisen voldoet. Door de grote snelheid van verandering in de maatschappij wordt het steeds moeilijker om de standaard te formuleren. Er wordt daarom steeds meer nadruk gelegd op het “zelf uitzoeken (leren leren etc.)”. In het bedrijfsleven is dit principe leidend. Training van de medewerkers kost teveel geld. Leren is een product van het werken of doen (“Learning-by-doing”).
De rol van de leraar verandert van instructeur via coach naar supporter eventueel in een call-centre. De software ontwikkelt zich van “drill-and-practice” naar een adviessysteem. In dit laatste geval staat de software naast de mens en neemt taken over waar de mens slecht in is. Bij instructie is er sprake van een ondergeschikte relatie tussen leraar en leerling. De leraar weet meer. Als de leraar en leerling op gelijk niveau verkeren is sprake van het delen van kennis. Men noemt dit Kennismanagement.
Aan het einde van dit hoofdstuk worden een aantal aanpakken behandeld die anders dan anders zijn en erg aansluiten op de theorie die in het Hfdst. 4. (Socialisatie) is behandeld. In onderstaande tabel worden de verbanden tussen software en leraar beschreven.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 21: Het verband tussen de afhankelijkheid van de leraar en van de software.
Instructie.
Instructie is de meest voorkomende vorm van training in de school. In het bedrijfsleven komt deze aanpak steeds minder voor. Het idee achter de instructie is de passieve leerling die kennis ontvangt van een leraar middels de leerstof. Een belangrijk onderdeel van instructie is het testen of de leerling voldoet aan de gestelde eisen. Het meest gebruikte middel is het boek.

De leraar wordt soms geassisteerd door een softwareprogramma. In de loop der tijd is dit programma geëvolueerd van CAI (Computer Assisted Instruction) gebaseerd op “Drill-and-Practice” naar het ITS (Intelligent Tutor System). Het bouwen van een ITS staat nog in de kinderschoenen. (Sinclair, 1993) schrijft: “..[they] often have glaring weaknesses in instructional design and tend to be little more than expensive page turners”. Naast het vertalen van de leerstof (het boek) in software (content genoemd) is het grootste probleem het modelleren van de leerling. Men weet niet goed welke informatie men over het gedrag van de leerling moet opslaan en welke reacties de computer moet daarop vertonen. De kans is erg klein, dat de ITS in de toekomst een succes zal worden.
Coaching, de leraar als supporter.
De laatste 20 jaar is de training in het bedrijfsleven geprofessionaliseerd. In eerste instantie probeerde men de medewerker “up-to-date” te krijgen. In de loop der tijd is de hoeveelheid aanpassingen zo groot geworden, dat men moest gaan ingrijpen. De drijvende kracht achter ontwikkelingen is nu kostenbesparing. Iedere dag training kost geld. Naast zichtbare training is er tijdsverlies door inleren (ervaring verkrijgen) en het raadplegen van de collega (z.g. hidden costs). Vooral slecht beheerde PC/LAN-omgevingen voeren de kosten op. Er is een toenemende vraag naar z.g. “quality-time”. Medewerkers zijn steeds minder bereid om hun vrije tijd te besteden aan opleiden. Men probeert zo min mogelijk opleiding te geven en ze op de werkplek of thuis aan te bieden. De opleiding moet plaats- en tijdsonafhankelijk zijn. Dit leidt tot de ontwikkeling van “distant-learning”. De leerstof staat op de “centrale computer”. De leraar is beschikbaar voor vragen. Meestal wordt de directe coaching in de organisatie gelegd bij een geïnteresseerde collega (ELO, Eerste Lijnssupport). Soms is er sprake van coachen op afstand. Er worden dan speciale call-centres of zelfs video-centres ingericht, waar men zijn vragen mondeling kwijt kan. Meestal worden vragen via E-mail afgehandeld.
Support-systemen, Vragen stellen en Diagnose.
Veel producten en diensten worden tegenwoordig ondersteund vanuit een call-centre. De medewerker van een call-centre heeft meestal geen diepgaande kennis van het product dat wordt ondersteund. Een eenvoudige vorm van hulp is een lijst met veelgesteld vragen en antwoorden de z.g. FAQ (Frequent Asked Questions). In complexe situaties (bijv. meerdere talen en producten) worden de medewerkers voorzien van een protocol dat precies aangeeft welke vragen moeten worden gesteld om tot een goede diagnose en oplossing te komen. Indien mogelijk wordt deze software gekoppeld aan bestaande databases met klant- en productgegevens. Naast het protocol maakt men steeds meer gebruik van kennis over de succesvolle behandeling in het verleden (cases). De techniek is gebaseerd op Case-Based-Reasoning-software (CBR, zie Hfdst 4.2). Het is mogelijk om een script rechtstreeks via het netwerk aan de klant aan te bieden.
Help- en Adviessystemen.
De oorzaak van excessief trainen is gelegen in een inadequaat besturen van veranderingen maar vooral in de slechte gebruikersvriendelijkheid van de software. Dit heeft geleid tot het ontwikkelen van geïntegreerde werk- en leeromgevingen. Deze zijn ontstaan door de Helpfunctie (Breuker, 1990) verder door te ontwikkelen. Men noemt dergelijke omgevingen een ALE (Adaptive Learning Environment). Volgens Eklund (1990) is de ALE het alternatief voor het ITS.
Indien er sprake is van een complex dienstenpakket (bijv. financieel advies bij een bank) worden de verkopers (accountmanagers) steeds meer voorzien van adviesprogramma’s, die op basis van klantgegevens, productinformatie en gespreksinformatie hints geven. Deze systemen zijn gebaseerd op regelgebaseerde experttechnologie. Het is in principe mogelijk om deze programma’s rechtstreeks met de klant te laten werken.

Kennis delen tussen mensen en organisaties.
Een opkomend fenomeen is Kennismanagement (zie HYPERLINK http://www.brint.com/km/whatis.htm http://www.brint.com/km/whatis.htm ). Het doel is om experts kennis te laten delen. Veel experts zijn op pad of slecht beschikbaar. Er is veel verloop. Bedrijven in dienstensector zijn volledig afhankelijk van de kennis van deze experts. Hier verkeren leraar en leerling op gelijk niveau. De één weet wat meer van het ene onderwerp en de ander weer wat van een andere.
Men dacht dit probleem te kunnen oplossen door de experts te vragen hun kennis (de z.g. “Best Practises”) in een algemeen toegankelijke database te stoppen. In de automatisering is er al lang sprake van pogingen om kennis te delen. Een voorbeeld zijn de z.g. Methodes (Zie 5.8).
Het kennis delen tussen organisaties kan door in het maken van z.g. Benchmarks. Men maakt een procesmodel en identificeert belangrijke te meten variabelen (de z.g. prestatie-indicatoren). De indicatoren worden bij zoveel mogelijk verschillende bedrijven bemeten en de resultaten (minimum, maximum) beschikbaar gesteld aan de aanleveraars van de data. Het gaat er om uit te vinden hoe de besten in de groep te werk gaan. Een voorbeeld van een dergelijk model is het Capability Maturity Model (CMM). Dit model is bruikbaar om scholen te vergelijken (Zie http://www.sei.cmu.edu/activities/cmm/cmm.sum.html).
In het algemeen moet men de medewerkers dwingen of (met geld) verleiden om hun kennis te delen. Dit geldt naar twee kanten n.l. bij het beschikbaar stellen en het gebruiken van de kennis. Best Practices zijn erg moeilijk over te zetten naar een ander bedrijf. De omgeving van het proces (de cultuur) speelt een erg grote rol. Deze is vrijwel niet te kopiëren.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 22: De drie prioriteiten in het onderwijs versus de groei van de leerling.
Verbeelding.
Volgens Egan (1997) zijn er drie conflicterende uitgangspunten in het onderwijssysteem. Het gaat om het inpasssen in de omgeving, het ontplooien van het talent (Rousseau) en het verkrijgen van (academische, filosofische) kennis (Plato). Hij denkt dat het mogelijk is om deze uitgangspunten te vervangen door het idee van “recapitulatie”. Hij baseert zich hierbij vooral op de denkbeelden van Vigotsky (1986). Op lichamelijk niveau maakt ieder organisme de groei van zijn voorgangers in de evolutie in versnelde vorm mee. Bij de mens gaat de evolutie door met de culturele evolutie. Er zijn een aantal fasen in het begrijpen (understanding). Iedere fase heeft een eigen curriculum en aanpak. Hij onderscheidt de ontwikkelingen van de emoties en zintuigen (Somatic Understanding), de taalwereld (Mythic Understanding), het IK (Romantic Understanding), de kennisontwikkeling in de wereld (Philosophic Understanding) en het zien van de relativiteit van de eigen plaats in de geschiedenis en de maatschappij, theorieën en geloven (Ironic Understanding).

Belangrijk is dat een groot deel van het onderwijs is gericht op onthouden en herinneren. In het verleden Yates (1966), Spence (1884)) waren er zeer geavanceerde technieken om te kunnen onthouden. Deze zijn door de komst van het boek in ongerede geraakt. Het geheugen wordt gestimuleerd door de fantasie. Veel essentiële kennis werd in het verleden daarom verpakt in verhalen. Deze verhalen moeten een sterke emotionele lading hebben. (Egan, 1986). Volgens Egan is “the best hope for keeping educational energy alive is to stimulate imagination”.

Case-based-Learning.
Schank (1995,1997) is de directeur van het Institute for the Learning Sciences (ILS) in Chicago. Het ILS is speciaal voor Schank opgericht door Andersen Consulting. Deze heeft in Chicago zijn centrale trainingscentrum. ILS wordt gesponsord door grote bedrijven als IBM, City-Bank en het Amerikaanse Leger. Schank is de uitvinder van Case Based Reasoning (Zie Hfdst 4.2.6). Hij heeft zijn onderzoek naar de werking van het geheugen doorgezet naar training zowel bij volwassenen als bij kinderen. Zijn werkwijze is gebaseerd op het scheppen van “expectation-failures”. De leerling krijgt een belangrijke opdracht en wordt enigszins onder druk gezet (Goal-Based-Learning). Hij wordt nu binnen een spelomgeving (Story-Telling) op het verkeerde been gezet waardoor het verwachtingspatroon niet wordt nagekomen. Het systeem biedt de leerling de mogelijkheid om echte experts om hulp te vragen en vragen te stellen. Deze functionaliteit is afhankelijk van de context van het spel en de weg die de leerling in het spel heeft doorlopen (Learning By Reflection). De spelomgeving bevat veel impliciete kennis (Incidental Learning). De spelomgeving wordt gebaseerd op de werkelijkheid (simulatie). De inhoud wordt ontwikkeld door experts te interviewen en hun falen in kaart te brengen. Daarna worden de interviews nagespeeld door acteurs.
Suggestie.
In o.m. het taalonderwijs en de sporttraining wordt steeds meer gebruik gemaakt van Suggestopedie (Lozanov, 1978, 1988). Het gebruik kan naar andere domeinen worden uitgebreid. Er zijn toepassingen in het Informaticaonderwijs. Het schoolsysteem van Lichtenstein is grotendeels gebaseerd op de denkbeelden van Lozanov. Lozanov heeft onderzoek gedaan naar de manier waarop suggestie werkt. Men bereikt een enorme verhoging van de opnamesnelheid en retentie. De leerlingen worden in een zeer ontspannen toestand gebracht en krijgen allerlei suggesties aangeboden, die slaan op bevorderen van het onthouden en integreren van de kennis.

Specifieke onderdelen zijn:

Comfortabele, mooie omgeving en Ontspanning: zie Hfdst 4.4 Stress.
Sub-luminale boodschappen: zie Hfdst 4.4. De wil. Dit zijn niet gerichte boodschappen, z.g. Posters.
Visualisatie, Rollenspel. Men beeldt zich in dat men in het land woont waarvan men de taal wil leren of dat men een succesvol sporter is.
Rituelen: Het gebruiken van een voorspelbaar patroon.
Aanspreken van alle zintuigen: zien, horen en bewegen. Mensen bezitten een voorkeurszintuig.
Muziek: Rustgevend, op de achtergrond en middels zingen (Voorzingen van de leraar (een concert) en nazingen van de leerling.
Verhalen vertellen,
Positieve benadering van de leerling (altijd positief formuleren),
Spellen: Interactie met medestudenten.

Er zijn veel stromingen met vele namen (Superlearning, Accelerated Learning). Ze nemen soms de vorm van een geloof aan. Dit deel heeft zich sterk gemengd met stromingen in de New Age. Het blijkt moeilijk te zijn om de methode in het Nederlandse klassesysteem in te passen. Vakken worden bijvoorbeeld sequentieel gegeven, terwijl ze in het bestaande systeem parallel worden behandeld. De aanpak vergt veel van de leraar.

(Erickson, 1989) heeft onderzoek gedaan naar hypnose en suggestie. Zijn taalkundige technieken (indirecte communicatie, verhalen, parabels, anekdotes, metaforen, het z.g. Milton-model) zijn een belangrijk onderdeel van de veranderaanpak NeuroLinquistic Programmeren (NLP). Een metafoor is een afbeelding van een onderwerp naar een ander domein. In dit domein kunnen oplossingen worden gevonden, die naar het probleemgebied kunnen worden terugvertaald (Zie Hfdst 6.3). Volgens Erickson is de mens een verzamelingen metaforen. Sprongen tussen verschillende domeinen vinden permanent plaats veelal zonder medeweten van het individu. Ieder mens heeft een “grensbewaking (censuur)”, die meer of minder gebieden toegankelijk maakt voor associatie en analogie. Metaforen raken naast het talige ook het visuele en het kinetische domein in de mens. Er is veel bekend over welk soort metaforen welk effect hebben. Zo zijn er metaforen, die het geheugen stimuleren, maar ook metaforen, die trance induceren (hypnose). Naast taal heeft de non-verbale communicatie veel invloed. Door mensen op een bepaalde manier aan te kijken of aan te raken (hand geven) kan men ze beïnvloeden. Daarnaast geeft de non-verbale communicatie veel extra informatie (bijv. stand van de ogen). De ideeën binnen NLP komen verder van o.m. Perls, Satir, Cameron, Bateson en Chomsky. Men heeft de succesvolle “modellen” van deze denkers en practici geïntegreerd. Het is een zeer uitgebreid systeem en een invloedrijke stroming in de therapie (Derks, 1997). Zie ook: HYPERLINK http://www.nlp-platform.com/default.asp http://www.nlp-platform.com/default.asp.

Belangrijk uitgangspunten zijn o.m.

Een individu organiseert zijn unieke zintuiglijke weergave middels taal.
Een individu is een samenwerkingsverband van subpersoonlijkheden.
Lichaam en geest zijn een cybernetische eenheid.
Beperkingen en mogelijkheden liggen in het wereldmodel dat men gebruikt.
De mens communiceert vooral ook non-verbaal.
Onderwijskunde en ICT.
(Dool, 1998, HYPERLINK http://projects.edte.utwente.nl/proo/rapport.htm http://projects.edte.utwente.nl/proo/rapport.htm ) heeft een rapport geschreven over de belangrijkste thema’s die spelen in het onderzoek naar de relatie Onderwijs en ICT.

Hij onderscheidt een vijftal thema’s:

Architectuur: Welk educatief concept moet men gebruiken en welke structuur heeft de nieuwe leeromgeving?
De grote vraag is wat de nieuwe ontwikkelingen in de techniek bv. het netwerk (teleleren), informatiedragers (CD, DVD) en media (spellen, multimedia) kunnen bijdragen. Tot op heden zijn er weinig succesverhalen te vinden. Men is op zoek naar de aansluiting tussen techniek en de pedagogische benaderingen. Tot op heden is er net zoals in zoveel gebieden van de samenleving sprake van een “technologiepush”. Het is de vraag of er een specifieke Leerarchitectuur moet komen. Het is waarschijnlijk mogelijk om grote delen uit andere gebieden te halen (Logistiek, Electronic Commerce, Customer Support).

Besturing: Hoe kan men nieuwe ontwikkelingen zonder al te veel kleerscheuren inpassen?
Een groot probleem is het bewaken van de samenhang tussen de onderdelen. Deze samenhang heeft vooral last van de steeds veranderende techniek. Scholen hebben de neiging om alles zelf te regelen.
Het invoeren van ITIL en/of het uitbesteden van een aantal taken zal veel problemen oplossen. Zie Hfdst 5.5.

Competenties: Welke kennis en vaardigheden moeten leerlingen hebben over de ICT?
Het is hierbij de grote vraag of ICT als iets bijzonders moet worden gezien. In het geval van software gaat het om het leren van de “bediening”. Bij het ontwerpen blijkt het analytische vermogen en de taalvaardigheid een grote rol te spelen (Zie 5.3).

Leerprocessen: Hoe zien de door ICT ondersteunde leerprocessen eruit?
Het constructivisme (Zie 6.6) heeft een grote invloed en verkettert de instructie. Er moet meer nadruk komen op groepsprocessen in plaats van individueel werken.

Ontwikkelingen: Welke ontwikkelingen doen zich voor (in het Buitenland)?
Men pleit voor een Observatiepost Educatieve technologie.

De aansluiting bij het socialisatieproces.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 23: De overgang van expliciete kennis naar impliciete kennes.
Als de spiraal zijn ronde heeft gedaan moet de mens de veranderingen verwerken. De meeste veranderingen komen op de mens af. Men heeft er niet omgevraagd. Er komen nieuwe en/of aangepaste gegevens en hulpmiddelen. Sommige eisen zijn ingewilligd en een beperkt aantal contradicties zijn verdwenen. Gegevens kan men negeren. Hulpmiddelen zijn een noodzaak en dwingen tot aanpassen. Sommige veranderingen worden niet opgemerkt. Ze komen niet door het filter. Andere veranderingen worden niet geaccepteerd. Men kan het niet aan. Het talent schiet te kort of men heeft de energie niet meer om opnieuw te beginnen (stress). Om “flow” te krijgen moet de ervaring weer worden opgebouwd. Eerst moet men afleren en daarna weer inleren.
Als de bestaande kennis van de mens bekend is kan men de verandering gericht doorvoeren. De leraar heeft net als alle andere mensen te maken met de toenemende snelheid van de verandering. Om goed te kunnen onderwijzen moet men zijn ervaring kunnen overdragen. Dit betekent dat leraren eerder moeten beginnen met het oppakken van de verandering dan de leerlingen. Dit lukt vaak niet meer. De leerlingen kunnen op hetzelfde moment starten met uitproberen. Vooral in de hoek van de ICT is dit te zien. Het verhaal van de leerling die de leraar inwijdt in de kunst van het “internetten” wordt vaak verteld. In essentie is hier sprake van een niet functionerend systeem van “change-management”. Een aanpassing van expliciet vastlegde kennis (in een database) kan automatisch worden doorgegeven aan de gebruikers van deze kennis. Hier kan een netwerk als KennisNet een prachtige rol vervullen.
Consequenties voor de praktijk van het leren.

Change-management: De veranderingen in de benodigde kennis moeten op tijd worden doorgegeven zodat men ervaring kan gaan opdoen.
Door het vastleggen van de competentie van een trainer moet het mogelijk zijn om hem in vroeg stadium persoonlijk te informeren over de veranderingen in kennis die zijn ervaring kunnen gaan aantasten. Op deze wijze kan de leraar ervaringsdeskundige blijven.

Instructie: Het automatiseren van de instructie heeft geen zin. Het is te complex en te duur.
Het vervangen of ondersteunen van de instructeur door software is een complexe en daardoor kostbare aangelegenheid. Er zijn onnoemelijk veel combinaties tussen leerling, leerstof, leeraanpak en leraar mogelijk. Deze kunnen niet allemaal worden voorzien. Indien men instructie wil toepassen zijn de bestaande aanpakken (boek) nog steeds superieur aan de software die voor een redelijke prijs kan worden gemaakt. Het overzetten van boeken naar hypertext geeft geen toegevoegde waarde. De meeste tekst wordt weer uitgeprint.

Gilde: De beste rol voor de leraar is ervaringsdeskundige.
De rol van supporter in een call-centre wachtend op steeds weer terugkomende (domme) vragen van de klant is geen stimulerend idee voor de leraar. Als alle leraren worden getraind in deze werkwijze zal er een enorm overschot komen. Het is zeer de vraag of leraren goede supporters zijn. Het is van groot belang om leraren een positief toekomstperspectief te geven. Men krijgt nu het gevoel in een fuik te zitten, die richting wachtgeld of WAO gaat.
Uit het voorgaande mag duidelijk zijn, dat een leraar een excellente verhalenverteller moet zijn. Het is ideaal als deze verhalen uit de eigen werkervaring komen. Dit pleit voor parttime leraren, die als een gezel een aantal leerlingen (vanaf 9-10 jaar) met zich meenemen (het gildesysteem). Bij de jongere kinderen begint de school steeds meer een plaats voor kinderopvang te worden. De leraar fungeert hier als plaatsvervangend ouder.

Adviseren: Software neemt complexe taken over van de mens.
In de praktijk ziet men, dat software steeds meer complexe taken van de mens overneemt (Zie ook Hfdst 6.5) of helpt bij het vinden van de juiste functie (Helpsystemen). Het handmatig uitoefenen van de taak is onmogelijk (bijv. Optiehandel, Besturen gevechtsvliegtuig). In veel gevallen wordt de leeromgeving (de simulator), gemaakt om te oefenen, de echte werkomgeving (bv. battle- & commandsystemen, dealingrooms). Men onderzoekt een scenario en kiest voor het beste alternatief.
De gebruiker weet niets van de werking van het te besturen systeem en de wiskundige- en technische achtergronden. Van belang is de manier waarop het werk is georganiseerd. Deze ontwikkeling zet met enige vertraging door naar de consumentmarkt (1-to-1-marketing). De meeste software is “zelftrainend”. Op deze wijze worden complete kennisdomeinen verpakt. Ze verdwijnen uit het zicht van de gebruiker. Het onderwijssysteem kan deze ontwikkeling niet negeren. Het is de vraag welke kennis men preventief (op school) moet leren en welke in de praktijk “just-in-time” moet worden opgehaald. Duidelijk is, dat de laatste categorie beter beklijft.

Ervaring: Ervaringskennis kan worden opgeslagen in cases (verhalen).
Cases zijn een manier om ervaringskennis op te slaan. (Schank, 1995), de uitvinder van Case-Based-Reasoning, heeft een compleet systeem (Case-Based-Learning) gemaakt om cases te ontsluiten. Hij interviewt hiertoe experts en probeert hun “failures” te ontdekken. Deze worden omgezet in een computerspel. Het is zijn ideaal om gedeelde case-archieven te maken, die beschikbaar zijn voor trainers. Er dient te worden onderzocht of de Nederlandse beroepsorganisaties bereid zijn om een archief te maken en te onderhouden. Daarnaast dient er te worden uitgezocht hoe een dergelijk archief via het netwerk kan worden ontsloten.

CRM: Customer-Relationship Management is bruikbaar als concept in het onderwijs.
Er worden complete “open” gedistribueerde architecturen ontwikkeld ter ondersteuning van klanten. Ze zijn vaak geïntegreerd met een Logistiek en Commercieel-systeem. Deze architecturen lijken bruikbaar om als startpunt te fungeren voor een softwarearchitectuur die specifiek voor een school geldt.

Kennisdelen: Leraren en leerlingen kunnen veel nut hebben van een Kennismanagementinfrastructuur.
Het delen van kennis is voor leraren en leerlingen een zinvolle zaak. Vaak is het weten wie wat doet en waar wat te vinden is al voldoende. Deze mogelijkheden zitten grotendeels standaard (en vaak gratis) in software, die gebruik maakt van het world-wide-web (WWW). Het wachten is op bruikbare en betaalbare hulpmiddelen om hogere vormen van kennisdeling te ondersteunen. Het zou nuttig zijn als alle schoolboeken beschikbaar zijn middels een zoekmachine.

Benchmark: Het is zinvol om een nationale of internationale benchmark te bouwen voor educatieve bedrijven.
Benchmarks maken het mogelijk om de eigen activiteiten te vergelijken met collega-bedrijven. Bij mijn weten is er geen uitgebreide benchmark voor onderwijsorganisaties. Met behulp van de benchmark kan ook het positieve of negatieve effect van ICT worden vastgesteld.

Suggestie: Suggestie is de manier om te mensen te helpen met veranderen.
Uit verschillende hoeken (geschiedenis, psychologie, therapie) wordt duidelijk, dat het weloverwogen gebruik van suggestie de manier is om mensen te trainen. Het is aannemelijk, dat ook onbewust (geheugen, versprekingen) processen gaande zijn, die de wereld voor het individu fixeren en beoordelen. Het wereldbeeld van het individu en zijn of haar ambities dienen het uitgangspunt te zijn voor veranderingstrajecten. De zintuigen dienen in voldoende samenhang te worden aangesproken.
Dit alles biedt een fantastische mogelijkheid om multimedia en spelomgevingen te gaan benutten als educatieve omgeving. Dit onderwerp dient de hoogste prioriteit te hebben in een vervolgonderzoek.
Het koppelen van mensen en organisaties.
Inleiding.
De buitenwereld is door de komst van de TV voor iedereen uitgebreid naar alle gebeurtenissen op aarde. Binnen grote bedrijven was het gebruik van een (internationaal) communicatienetwerk al geruime tijd gewoon. Door het beschikbaar komen van een algemeen toegankelijk netwerk (het z.g. Internet) wordt in snel tempo iedereen met iedereen “direct” verbonden. Volgens Kaufmann (1993) is ordening een gevolg van het koppelen van knooppunten (mensen) in een netwerk. Als er teveel wordt gekoppeld raakt het systeem (de cultuur) in wanorde. Het netwerk van mensen is door het Internet in grote wanorde geraakt. Systemen, die zich vrijwel geïsoleerd ontwikkelden worden plotseling direct gekoppeld. Er lijken nieuwe ordeningen te ontstaan (de Kerckhove, 1996), die getypeerd worden met termen als de “Netwerk-organisatie”, “Gekoppelde Intelligentie” of “Communities of Interest”. Ze lijken erg veel op de “organized anarchy” die mensen optimaal betekenis geeft (Zie Hfdst. 4.3.3). Om een groep te laten functioneren zijn een groot aantal hulpmiddelen nodig. Ze worden samengevat onder de noemer “Groupware”. Het blijkt dat de huidige generatie “groupware” nog een aantal zaken mist om mensen op alle communicatieniveaus met elkaar te laten werken. Door de onmogelijkheid om non-verbaal te communiceren verstoren ze de cohesie in groepen.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 24: Groupware: Een middel om samen betekenis te geven.
Onbewuste communicatie.
Net als dieren communiceren mensen met behulp van chemische stoffen (hormonen). Men laat een bepaalde chemische stof achter of geeft hem direct door (aanraken). Het chemische systeem werkt op korte afstand en kortstondig (verdampen, oplossen). De chemische stoffen roepen direct gedrag op of versterken gedrag. Een groot deel van de ordening in complexe (dierlijke) structuren is te verklaren uit chemische signalen en bijbehorende reactiepatronen. Er bestaat op dit vlak geen verschil tussen mens en dier. Een voorbeeld is het communicatiesysteem van de mieren (Wilson, 1990).

Mensen communiceren veel gegevens “non-verbaal” met behulp van handen, ogen etc. Deze vorm van communicatie wordt door de meeste (tele-)communicatiesystemen niet doorgegeven. Die baseren zich nog op tekst. De “onbewuste” communicatie is zo belangrijk, dat veel mensen elkaar regelmatig moeten zien (en ruiken en aanraken) om een verstandhouding te behouden. Als er een langdurige samenwerking moet worden opgezet moet hier rekening mee worden gehouden.

Mensen reageren net zo op apparaten als ze op mensen reageren (Reeves, 1998). De afstand tot het apparaat (“hoe verder hoe meer men op zijn gemak is”), het taalgebruik van de dialoog (“prijzen, oordelen”) de vorm van het apparaat (“mannelijk”) speelt onbewust een rol.

Discours.
Mensen en dieren communiceren (soms over grote afstanden) met tekens. Een deel van de communicatie tussen mensen gaat middels taal. De interpretatie van deze taal is gebonden aan een context. Er zijn zeer uitgebreide stelsels van impliciete aannames geldig (een Discourse). Deze “Discourse” onderhoudt sociale structuren Het gebied van de “discoursanalyse” is ontstaan in de jaren ’70 en nog sterk in beweging. Een discours wordt niet expliciet gestuurd door een bepaalde partij. Ze geeft wel een bepaalde groep meer macht (Foucault 1978). Het gaat om het toekennen en behouden van bepaalde betekenissen. Men gebruikt sommige begrippen (en hun relaties) vaker, maakt begrippen aan elkaar gelijk (Blanke = Baas) en benadrukt een deel in een (schijnbare) tegenstelling (Natuurlijk VS Kunstmatig).
Het Language Action Perspective (LAP).
Austin (1962) beschouwt het communiceren middels taal als “sociaal handelen”. Door de taal worden intenties uitgewisseld (“speech acts”). Op deze wijze worden acties gecoördineerd. Deze theorie is verder uitgewerkt door Searle (1969). Het streven naar consensus is volgens Habermas (1987) de drijfveer achter het ontstaan van een gedeeld begrip van de werkelijkheid en van sociale structuren. Sociale structuren zijn het resultaat van onderhandelingsprocessen over betekenis. Dit geldt alleen als er een gemeenschappelijk belang is.
Door de introductie van nieuwe communicatiemiddelen (bijv. E-mail) worden delen van de communicatiestromen (de workflow) in en buiten organisaties sterk versmald. Men communiceert alleen via tekst of spraak. Er verdwijnen communicatiekanalen compleet uit het gezichtsveld. Ze worden overgenomen door de computer. Er komt minder informatie door dan nodig is. Soms interpreteert men de informatie ook verkeerd (“flashing”). Het effect is, dat verplichtingen tussen mensen wegvallen en de constructieprocessen van de werkelijkheid in de war raken. Groupware heeft een negatieve invloed op de cohesie in organisaties. Vooral bedrijven die medewerkers hebben die niet vaak bij elkaar komen, zoals uitzendbureau’s hebben hier last van. Men doet allerlei moeite om mensen te binden.
Flores (1980) heeft deze problemen onderkend en heeft het z.g. Language Action Perspective (LAP) geformuleerd. LAP begint grote invloed te krijgen in de wereld van AI. Ze domineert de ontwikkeling van z.g. Multi Agent Systemen (Verharen, 1997). Deze software coördineert vele autonome softwarecomponenten (agents). Op basis van LAP zijn nieuwe Workflow-producten (Action Workflow) en analysemethodes (bijv. DEMO, Dietz, 1996) ontwikkeld.
Samenwerken op afstand en in de tijd: Groupware.
Door de komst van het netwerk is samenwerken en coördineren op afstand en in de tijd (direct of indirect) mogelijk geworden. Hiertoe moet een groep bereid zijn om gegevens te delen en deze gegevens ook te onderhouden. Veel applicaties (bijv. centrale agendasystemen) komen niet van de grond, omdat men geen zin of tijd heeft om de data in te voeren.
Het netwerk wordt meestal niet centraal bestuurd. Men koppelt vele locaties aan elkaar. Om de gegevens “up-to-date” te houden worden ze constant gekopieerd (“replicatie”).
De hulpmiddelen die samenwerken op afstand ondersteunen noemt men “Groupware” of CSCW (Computer Supported Collaborative Working). De “moeder” van alle applicaties is Lotus Notes.
Typische toepassingen zijn Communicatie (E-mail, Chat, Nieuwsgroepen, Verzendlijsten), Agendering, Schedulen, Plannen, Ideeëngeneratie (bv. Brainstorm, Gedeeld Whiteboard), Documentverwerking (Delen document, Opslag, Archief, Zoeken), Overleggen (Video-conferencing), Besturing (Workflow) en Spellen.
Groupware kan naar verschillende taakgebieden worden gespecialiseerd. Voorbeelden zijn “afstandsleren”, “afstandwerken” etc. Naast het gebruik van de standaardapplicaties kan men ook zelf applicaties maken.
Steeds meer groupware-toepassingen worden ontwikkeld om op het World-wide-web te kunnen functioneren. Ze zijn soms gratis.
Ondanks diverse pogingen tot centrale coördinatie vindt de implementatie van Groupware meestal decentraal plaats. In de praktijk ontstaan er in korte tijd vele overlappende databases en applicaties, die het netwerk sterk kunnen gaan belasten. De meeste gebruikers hebben weinig tijd voor beheer, zodat er een administratieve chaos ontstaat.

Problemen rondom Groupware zijn (Grudin,1989):

Juiste verdeling van werk: sommige groepsleden steken er meer tijd in dan de anderen.
Verkrijgen kritieke massa: applicaties zijn pas zinvol als veel (soms alle) mensen meedoen.
Verstoring sociale processen: het informele netwerk kan in de war worden gebracht, waardoor de groepscohesie achteruitgaat. Mensen praten niet meer met elkaar, maar mailen.
Verstoring werkprocessen: er wordt veel meer “geritseld” dan men denkt. Het formeel regelen kan processen in de war brengen (bv. budgetteren).
Verstoring management: men vraagt veel meer om toestemming dan men gewend was. Als mensen niet beschikbaar zijn (op vakantie) ligt een proces stil.
Privacy: Er komen gegevens beschikbaar (bijv. wachttijd), die voordien onbekend waren. Medewerkers worden op basis van deze data beoordeeld.
Verdwijnen intuïtie: men wordt deel van een stroom en ziet maar een deel.
Invoering: Mensen moeten anders gaan werken.

Informatie over Groupware en CSCW is te vinden op HYPERLINK http://www.notesdesign.com/ http://www.notesdesign.com/
Consequenties voor de praktijk van het leren.
Discours: Leerlingen moeten een “kritische” taalanalyse kunnen uitvoeren.
Leerlingen moeten bewust worden gemaakt van de mogelijkheden die er zijn om betekenissen te benadrukken (manipuleren). Deze kennis is zinvol om een onderscheid te kunnen maken tussen propaganda, reclame en “onafhankelijke” communicatie.

Constructie: Mensen dragen door te communiceren acties aan elkaar over. Hierdoor vindt coördinatie plaats en ontstaan permanente sociale structuren.
Scholen zijn dragers van samenwerkingsprocessen. Het verwezenlijken van “Groupware” in de vorm van “afstandsleren” dient weloverwogen plaats te vinden. Het ondoordacht gebruik van netwerken (E-mail) en bijbehorende procesbesturing (workflow) kan sociale structuren in de war brengen. Het is aan te bevelen om een analysemethode als DEMO te gebruiken om de communicatiestructuren te onderzoeken en te behouden. Bij het automatiseren van de workflow is het aan te bevelen om prioriteit te geven aan producten als “Action-Workflow”.

Groupware: Groupware biedt de mogelijkheden om samen betekenis te geven.
Een bijeenkomst is de manier om betekenis te geven. Men legt steeds meer de nadruk op collectieve leerprocessen. Groupware kan hier ondersteuning bieden. Naast “samen in de tijd” is er erg veel aandacht voor “op afstand leren”. Hierbij gebruikt men vaak het oude vertrouwde “broadcast”-model. De leraar zendt zijn lessen naar de leerling uit. Met dit model tracht men te besparen (meer leerlingen per leraar). Broadcast kan goedkoop via de Tv-kanalen plaatsvinden. Hier is geen “Groupware” voor nodig. Een combinatie van de twee modellen (het z.g. “two-window”-concept) biedt alle mogelijkheden en is in het bekabelde Nederland goed uitvoerbaar.
Logica en Wiskunde.
Wiskunde.
De wiskunde is het vakgebied dat zich druk maakt over structuren en structureren. In tegenstelling tot de meeste andere wetenschappen is de wiskunde een sterk samenhangend gebied. Via een stringent proces van bewijzen worden onderdelen samengevoegd. De waarschijnlijkheidsrekening en de statistiek (gestuurd door de natuurkunde) hebben in de financiële wereld gezorgd voor enorme productinnovaties (opties, riskmanagement). De Retailsector kan niet zonder het voorspellen en analyseren van klantgedrag. Het is mogelijk om met een aantal parameters het actuele koopgedrag te voorspellen. Statistiek (in combinatie met agenttechnologie) is ook de belangrijkste drijfveer achter ontwikkelingen in zoekmachines (Moukas, 1999).

In het verleden was het ontwikkelen van statistische modellen een aangelegenheid van specialisten. In de loop der tijd zijn er speciale pakketten (bijv. SAS, FOCUS) gemaakt, die de complexiteit van de analyse deels verbergen. In de vorm van z.g. data-mining-software zijn er nu automatische patroon-herkenners in de handel. Ze kunnen trends zoeken, classificaties maken, associaties en clusters zoeken. Men kan ook structuur vinden in tekstverzamelingen (hypes), muziek (genre) en beeldmateriaal. Dit laatste wordt al frequent toegepast bij beveiligingscamera’s.
De meest gebruikte technieken zijn neurale netwerken en genetische algoritmen.
Het grote voordeel van deze technieken is dat ze geen model veronderstellen. Dit in tegenstelling tot de “oude technieken”, die meestal uitgingen van een lineair verband. Niet-lineaire verbanden waren vanwege de enorme rekenpartij meestal niet uit te zoeken.

Evolutionaire algoritmen, ook genetische algoritmen genoemd, zijn berekeningsmethoden die gebaseerd zijn op de evolutieleer (Holland (1992), Goldberg (1989)). Voor een bepaald probleem wordt een populatie van mogelijke oplossingen verwekt, die achtereenvolgens herhaaldelijk wordt veranderd en verbeterd door de evolutionaire concepten selectie, “survival of the fittest”, mutatie en recombinatie. Doel is om goede, optimale oplossingen te creëren. Oplossingen met een hoge kwaliteit (fitness) hebben een grotere kans om in de nieuwe populatie te komen. Bij recombinatie worden van twee oplossingen twee nieuwe gemaakt. Recombinatie maakt het mogelijk om goede deeloplossingen te combineren tot een beter geheel. Het gaat om het overbrengen van een goed idee naar een nieuwe context en dus een vorm van innovatie. Een nadeel van de modellen die deze algoritmen opleveren is dat ze geen verklaring geven. In tegenstelling tot de mens worden de meest “vreemde” combinaties onderzocht. Mensen zijn erg gevoelig voor lineaire causale verbanden. (Zie HYPERLINK http://www.cs.bham.ac.uk/~anp/sites.html#general http://www.cs.bham.ac.uk/~anp/sites.html#general ).
Logica.
Logica (Zie HYPERLINK http://crossroads.freethought.net/logic.html http://crossroads.freethought.net/logic.html ) is de wetenschap van het analyseren van argumenten, in het bijzonder het formuleren van regels waarmee de geldigheid van een redenering gecontroleerd kan worden. De Grieken zagen logica als een waardevol management hulpmiddel voor de intelligente bestuurder. Uit de logica is o.m. door toedoen van Von Neumann de computer en door Turing en Chomsky de computertaal ontstaan. Er zijn vele talen. De meest gebruikte talen zijn Cobol (administratief), Fortran (technisch) en C(PC, varianten zijn C++ en JAVA). Ze worden door een “vertaler” naar “machinecode” vertaald. Men noemt deze talen “imperatief”, omdat men een reeks bevelen uitschrijft, die de computer moet uitvoeren. De vertaler denkt niet na. Dat doet de programmeur. Imperatieve talen scheppen onbegrijpelijke en daardoor slecht te onderhouden software. Met name ervaren programmeurs bezitten een heel repertoire van “kunstjes” die een collega niet snapt. Naast de “imperatieve” stijl bestaat de “declaratieve” stijl. Men vertelt de computer niet “hoe” het moet gebeuren, maar “wat” er moet gebeuren. De vertaler is nu “intelligent”. Een belangrijke ontwikkeling hier zijn de z.g. functionele programmeertalen. Ze zijn gebaseerd op het wiskundige begrip “functie”. De correctheid van de met deze programmeertalen ontwikkelde programma’s is bewijsbaar. Ze lenen zich voor het formuleren van complexe wiskundige berekeningen. Een probleem is de abstractie, waarin men moet werken. Imperatieve programmeurs denken in de taal van de computer. Functionele programmeurs gaan op zoek naar de essentie van het probleem. Het zijn vaak wiskundigen. Alhoewel deze ontwikkeling (net als constraint-programming) erg veel voordelen biedt is het vrijwel zeker, dat ze niet zullen aanslaan. Er komt gewoonweg te weinig “wiskundig talent” beschikbaar. Voorbeelden van dergelijke talen zijn Clean en Haskell. Zie voor meer informatie:
HYPERLINK http://compiler.kaist.ac.kr/~sokim/html/functional.html http://compiler.kaist.ac.kr/~sokim/html/functional.html ).

Er zijn naast de binaire logica (ja & nee) andere logica’s gemaakt. Een voorbeeld is de “fuzzy logica” (Resner, 1969). Hier is het mogelijk om begrippen, die meerwaardig zijn (bijv. haarkleur) of bestaan uit een interval (bijv. temperatuur) in een redenering te betrekken. Een andere ontwikkeling is de niet-monotone logica. In deze logica heeft het toevoegen van een uitspraak mogelijk een effect op de andere uitspraken (Reiter, 1980). Reiter maakt hiertoe gebruik van z.g. “defaults”. Ze zijn waar totdat we “beter weten”. Er is een ook een logica gemaakt om te redeneren met verplichtingen (Deontic Logic). Deze logica wordt gebruikt bij het automatiseren van de rechtspraak (Dignum 1995).
Consequenties voor de praktijk van het leren.
Patronenherkenning: Door Data-mining zal men steeds meer verbanden in de wereld gaan vinden, die compleet ondoorzichtig zijn en toch werken.
Data-mining (ook wel knowledge-discovery) zal een grote hoeveelheid uiterst werkzame patronen gaan vinden. Veel processen (bijv. bij de bevoorrading van winkels) worden er afhankelijk van. De inzichtelijkheid van de verbanden is meestal slecht. Ze hebben daardoor een “magisch karakter”. In het verkopen zullen zij uiterst verleidelijke aanbiedingen doen. Bij de nieuwsgaring zullen ze precies de informatie gaan leveren, die men “nodig heeft” of die de verzender nodig acht. Ze passen zich aan aan de behoefte van de gebruiker. De stappen Analyse en Combinatie in de kennisspiraal kunnen worden vervangen door Patroonherkenning. Als de software kennis heeft van de gebruiker kan het user-interface zich aanpassen aan de mens. Op deze manier wordt de spiraal volledig kortgesloten. Dergelijke ontwikkelingen zijn gaande in de Research (bijv. naar nieuwe geneesmiddelen). Nadeel is dat men geen idee meer heeft hoe de software tot een conclusie is gekomen. Men moet het letterlijk geloven.

Logica: De logica kan helpen om complexe zaken inzichtelijk te maken. Redeneren moet een vak worden, dat iedereen op zijn niveau moet krijgen.
In de huidige wereld vinden zeer complexe discussies plaats en worden uitgebreide wetsystemen gemaakt. De meeste mensen doorzien deze discussies niet meer. De wetsystemen zijn door hun inconsequenties niet te automatiseren. De logica richt zich vooral op de wiskunde en is hiermee voorbehouden aan een kleine groep uiterst analytische mensen. De logica kan erg veel hulp bieden om zaken inzichtelijk te maken. Ze zou hiertoe uit haar “ivoren toren” moeten komen.

Nieuwe begrippen: de meeste mensen denken in een wereldbeeld van honderden jaren geleden. Ze houden hiermee “de oude wereld” in stand en scheppen onnodige problemen.
De afstand tussen de exacte vakken en de wereld van de burger is enorm groot. Met taal onderhouden we de menselijke wereld. De overgrote meerderheid heeft een taalwereld die met moeite het wereldbeeld van Newton kan beschrijven. Mensen willen niet voor niets causale en lineaire modellen. Er moet goed gekeken worden naar het “discours” die de meeste leraren onderhouden. Indien nodig moet deze door training in “nieuwe inzichten” up-to-date worden gemaakt.

De nieuwe leer/werk-omgeving.
Inleiding.
In dit hoofdstuk wordt geprobeerd om een synthese te bereiken. De ontwikkelingen in de maatschappij maken het onmogelijk om zich van tevoren voor te bereiden op een bepaald beroep. Het gaat er om dat men als het nodig is kennis kan vergaren. Deze kennis moet zo snel mogelijk worden omgezet in ervaring. Ervaring is geld waard. Deze kan worden verkregen door belangrijke faalsituaties in versneld tempo te doorlopen in een simulator.
Kennis = Gegevens x Ervaring x Vaardigheden x Attitude.
Gegevens kunnen op afroep worden geleverd mits men de juiste zoekcriteria kan formuleren. Het is niet nodig om veel te onthouden. Als men iets moet onthouden (bijv. bij een taal) zijn er (oude) technieken om data snel en langdurig in het geheugen op te slaan.
Vaardigheden zijn mensgebonden. Sommige vaardigheden zullen worden overgenomen door software. Andere vaardigheden zijn sterk verbonden met een beroep. Ze moeten worden vergaard als het nodig is. Er blijven een aantal generieke vaardigheden over die de jeugd moeten aanleren voor ze aan het werk gaat. Het gaat om samenwerken, informatieanalyse en “kritisch denken”. Men moet voorbereid worden op de maatschappij van de verleiding.
De software zal zich zo goed als mogelijk is richten op zijn gebruiker. Hulpmiddelen zullen zich instellen op de mens en geavanceerde helpfaciliteiten bieden gekoppeld aan een expert op afstand.
De steeds toenemende kennis van verleiding moet worden gebruikt om de jeugd naar de school te lokken. De leeromgeving moet niet afwijken van de meest geavanceerde spelomgevingen. Ze moet aansluiten op de jeugdcultuur. Het aanbod moet integer en compact zijn. Men moet snel alles kunnen vinden. Bij het ontwikkelen van educatieve software moet een concept worden gebruikt dat als richtlijn fungeert voor de ontwikkelaars. Er wordt aangesloten bij de denkbeelden van Case-based-Learning. Als laatste wordt uitgebreid ingegaan op de benodigde software-infrastructuur. Het KennisNet is niet alleen een communicatiemiddel maar vooral een manier om gegevens en software te delen.
Just-in-time leren.
In de dienstensector (80% van de economie) is het verschil tussen huis en kantoor, tussen werken en leren aan het vervagen (“blur”). Davis (1998) heeft een groot aantal “Blurs” verzameld. Het verschil tussen:
Product en Dienst (“geen product zonder service”),
Koper en Verkoper (“bedrijven betalen voor informatie”),
Bedrijf en Individu (de “resourcepool”, de “netwerkorganisatie”) is aan het verdwijnen.

Hierdoor neemt het belang van maatschappelijke instituties af. Er komen veel kortdurende verbanden. De rol van informatie (“intangible”) neemt toe. Economische wetten veranderen. Er wordt weggeven om marktaandeel te kopen. Er worden veel “ventures” gestart, waarvan het grootste deel mislukt (maximaal 20% is succesvol). Er wordt dus veel verspild. Er wordt steeds meer met “verwachtingen” en “portfolio’s” gewerkt. Men neemt de kennis over de toekomst al mee in het heden. Er zijn veel kortdurende hypes. Inzichten veranderen snel. Traditionele beroepsindelingen zijn niet meer van toepassing. Mensen spelen op een dag vele rollen en krijgen meerdere banen en werkgevers. Redenen voor deze ontwikkeling zijn o.m. de toenemende onafhankelijkheid van tijd en plaats, het beschikbare sociale en economische vangnet en de toenemende doorzichtigheid van structuren. Men kan thuis zelf een baan zoeken, een diagnose stellen en prijzen van producten vergelijken. De vervaging en de versnelling maakt een lange termijn perspectief problematisch. In plaats van preventief te leren komt het aan op “just-in-time” reageren. Volwassenen zullen vooral leren door samen te werken met hun werkomgeving. Deze zal zich gaan aanpassen aan zijn gebruiker. Als de aanpassing niet lukt, is er training beschikbaar die in de werkomgeving zit (“geavanceerde HELP”).

Vaardigheden: Samenwerken, Analyseren, Kritisch denken en ….
De aanpak van Taylor in het Onderwijs veronderstelt een duidelijk inzicht in wat er moet worden gemaakt, zodat men de onderdelen kan bepalen, die deel uitmaken van de standaardoutput van de lopende band. In een onzekere situatie is een stochastische aanpak veel effectiever. Met hagel schiet men altijd raak. Men moet veel meer op zijn beloop laten en de mogelijkheid bieden om op het moment dat het nodig is training te verkrijgen.

Het is niet mogelijk om alles op zijn beloop te laten. Er moeten een aantal basisvaardigheden worden aangeleerd. Het is de vraag welke vaardigheden (“skills”) dit zijn. In deze notitie is grote nadruk gelegd op sociale vaardigheden (“collaborate”), taalvaardigheid, analyseren en redeneren (“Critical & Creative thinking”, Hfdst 6.5). De computer is het instrument om het ontwikkelen van deze vaardigheden te ondersteunen (“Mindtools”, Hfdst 6.5). Het is van groot belang om zich te wapenen tegen de steeds krachtiger wordende verleiders.

Daarnaast moet men voor een beroep bepaalde specifieke vaardigheden ontwikkelen. Mensen zijn breed inzetbaar als ze een vaardighedenprofiel hebben wat door veel beroepen wordt gedeeld. Eisen voor een beroep worden vaak geformuleerd in benodigde kennis. Deze is “just-in-time” te vergaren. Vaardigheden verzamelen kost tijd. Vaardigheden zijn verzamelingen van “failures” (miskleunen). Men moet de miskleunen die weinig voorkomen en een grote impact hebben oefenen. Deze aanpak is te zien bij geldhandelaren, piloten (vgl. vliegtuigsimulators) en in het leger (“battle-games”). Opvallend is dat in de praktijk de simulator de werkomgeving wordt. Werken wordt het analyseren van scenario’s.

De vaak voorkomende fouten leert men wel in de praktijk af te handelen. Het is aan te bevelen om een databank op te zetten waarin de relatie beroep, vaardigheid en “faalsituatie” staan opgeslagen. Een case is een goede manier om een faalsituatie in op te slaan.

Een belangrijke vraag is vanaf welke leeftijd een kind zijn of haar eigen weg kan zoeken (>= 11 jaar?). Duidelijk zal zijn, dat er rekening gehouden moet worden met kinderen, die door een sociale of lichamelijke handicap de vrijheid niet aankunnen.
Gebruikersvriendelijke en zelflerende systemen.
In het bedrijfsleven wordt veel kennis in software en databases gestopt. Het is veel goedkoper en meer toekomstvast om kennis over complexe producten als verzekeren en financiële planning in een adviessysteem te stoppen. Als de accountmanager verdwijnt blijft de kennis behouden. Daarnaast weet men zeker, dat redelijk uniform en verantwoord (denk aan aansprakelijkheid) wordt gehandeld.

De hoeveelheid adviessystemen zal toenemen en steeds meer complexe taken overnemen (Zie Hfdst 9.). Hier staat de software net als bij de Mindtools naast de mens. Ook over apparatuur zal de bedienbaarheid en instelbaarheid toenemen. In iedere softwaresysteem zal geavanceerde helpfuncties zitten met doorkoppelingen naar Support-systemen (“Call-centres, Video-centres”). Het preventief trainen voor dit soort software en zijn inhoud is zinloos. In dit kader moet er ook ernstig worden getwijfeld aan het feitelijk nut van Digitale Rijbewijzen en andere methoden om mensen te laten bewijzen, dat ze met de huidige soms zeer gebruikersonvriendelijke software om kunnen gaan.

Verleiden en suggestie.
Marketing is lang gericht geweest op “uniforme” doelgroepen. Door statistisch onderzoek probeerde men de verschuivingen in deze groepen bij te houden. Het aantal groepen en de snelheid van verandering werd in de loop der tijd groter. Deze fragmentatie is typerend voor de ontwikkelingen in de Westerse maatschappij.
Door het netwerk (Internet) is het mogelijk om individueel contact te gaan onderhouden. Door het verzamelen van koopgedrag en andere persoonlijke voorkeuren probeert men de klant volledig in te pakken (” Customer Intimacy”). Verkopers krijgen steeds meer greep op hun klanten. Door het verbreden van de (taal-)context naar een “merk (brand)” worden clusters van producten en diensten voorzien van een bepaalde “emotie”. Men koppelt net als Pavlov een teken aan een (koop)-ervaring.
De pogingen om te manipuleren en te verleiden zijn ook van toepassing op ideologieën. Dragers van “Issues (bv. Greenpeace)” beginnen steeds meer aan macht te winnen en belagen politieke partijen en ondernemingen (bijv. Shell & Brentspar).
Het is opvallend, dat de kennis over het manipuleren en verleiden (Zie Hfdst. 7.8) niet in het onderwijs wordt toegepast. Jongeren zijn sterk gemotiveerd om energie (bijbaantjes, zakgeld) te steken in het verkrijgen van goed gemarkete statussymbolen als Nike. Ze zijn daar tegenover met geen stok naar school te slaan.

De aandacht vasthouden.
De “voorstelling” op school kan de aandacht niet vasthouden. Alhoewel ouderen minder kritisch zijn dan de jeugd, zal men met het aanbod ook hier rekening moeten gaan houden met wat gangbaar is in de media. De Televisie (“lean backwards”) en de Personal-computer (“lean forwards”) zijn twee manieren om vanuit het huis de buitenwereld in te kijken. De TV is nog steeds het massamedium. De gebruiker ondergaat de programmering die in principe eenrichtingverkeer is. Er komen steeds meer kanalen, die het aanbod zodanig vergroten, dat de gebruiker geen zin of tijd heeft om een doordachte keuze te maken. Gegeven het vermoeden, dat er altijd wel ergens iets van zijn of haar gading te vinden is wordt langs de zenders “gezapt”. Om op dit gedrag te anticiperen zijn concepten ontwikkeld, die de aandacht onmiddellijk proberen te vangen en te behouden. De jeugd is gewend, zo niet verslaafd, aan deze manier van TV kijken (Tapscott, 1997). De jeugd wil compacte essentiële informatie en geen uitweiding en gedoe er omheen. De vorm die de meeste aandacht vasthoudt van de jeugd is het computerspel.
Gericht zoeken.
Naast het vasthouden van de aandacht is het ook nodig om ordening en richting te geven. Het aanbod in de vorm van boeken en CD-ROM is reeds enorm. Dit aanbod zal door het gebruik van het netwerk alleen maar toenemen. Er zal een instrument (“Train-O-theker”) moeten worden ontwikkeld, dat de behoefte aan leerstof van de leerling koppelt aan de behoefte (bv via een beroepskeuzetest gekoppeld aan een CV). Hier kan van dezelfde technologie worden gebruik gemaakt als die wordt gebruikt in de commerciële wereld (“Agents, Data-mining”).
Het Educatieve concept.
Leren vindt plaats als het lichaam (“de chemische persoonlijkheid”) in een andere omgeving komt, waardoor de structurele koppeling zich aanpast. Men leert hier door te doen. Deze aanpassing moet aansluiten bij wat er is gaande is en wat er is (“het talent”). Grote veranderingen dienen stap voor stap plaats te vinden anders ontstaat Stress (Zie Hfdst 4.4). Van iedere leerling moet bekend zijn wat de potentie is. Weg te nemen blokkades dienen met toestemming van de leerling te worden weggenomen (Zie NLP, Derks 1997).

Het talige deel van de mens ( “de symbolische persoonlijkheid”) drijft op het geheugen en de fantasie. Positieve suggestie en een ontspannende omgeving werken bevorderend (Zie o.m. Hfdst. 4.2, 4.3 en 7.7 en 7.8). Een mens leert het snelst als hij in een beschermde omgeving faalt. Het spel en de computersimulatie gevoed met praktijkgevallen (Cases (CBR), Verhalen) zijn hier ideaal voor. Ze sluiten ook mooi aan bij de jeugdcultuur. Het verst doorgevoerde concept is Case-Based-Learning (Schank,1995). Het is aan te bevelen om dit concept samen met Schank (VS, Chicago, Institute for the Learning Sciences) verder uit te werken en met commerciële partijen te verwezenlijken. Een belangrijk onderdeel is een collectieve kennis-infrastructuur een z.g.“Case-archief” (Zie Hfdst 7.10 Ervaring)

De Infrastructuur.
In dit hoofdstuk wordt de infrastructuur geschetst, zoals die nodig is om een leerbedrijf te laten functioneren. Er zal vooral worden ingegaan op de noodzaak deze software zelf te ontwikkelen en te beheren en de distributie van deze software en de bijbehorende gegevens.

Kennis zit in de hoofden van mensen en in opslagmedia (boeken, databases). In dit hoofdstuk wordt geen aandacht besteed aan socialisatie (Zie Hfdst. 4).

Software is op de volgende manier in te delen:

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 25: de indeling van de softwarelagen
Ontwikkelen en Projectmanagement
Kopen of maken.
Men kan zelf software maken of deze kopen. In het laatste geval moet men de gekochte componenten zelf aan de bestaande componenten koppelen. Sommige componenten zijn zo gemaakt dat ze uitsluitend met andere componenten van dezelfde leverancier(sgroep) samenwerken. De producten van Microsoft vertonen dit gedrag. Er zijn continu pogingen gaande om via internationale standaards (ISO, ANSI, DAVIC etc.) koppelbaarheid te bewerkstelligen. Deze pogingen mislukken vrijwel altijd. Het is dan ook raadzaam om te streven naar een samenwerkingsverband van leveranciers.
Het maken van software, die door veel gebruikers wordt gebruikt, kost veel tijd, deskundigheid en daardoor geld (Tanenbaum,1998). Men komt pas via een aantal iteraties tot de essentie.
Er zijn maar een paar bedrijven instaat om dergelijke software te maken. Het gaat dan om de bekende “hardwareleveranciers”: Compaq, Sun, IBM, Hewlett Packard etc. Het ontwikkelen van een educatieve infrastructuur moet met deze bedrijven samen plaatsvinden. Om dominantie van één partij uit te sluiten moet men streven naar een combinatie van twee of meer partijen het liefst uit meerdere “kampen”. De Nederlandse overheid moet hier het initiatief nemen.
Het is aan te raden om de systeemontwikkeling in de educatieve sector te beperken tot schoolspecifieke data (“procesinformatie”).

Personeel
Bedrijven als CMG, CAP Gemini etc zijn uitzendbureaus (“body shoppers”), die in de praktijk de verantwoordelijkheid voor het resultaat op het bord van de opdrachtgever schuiven. Men moet dan goed weten wat men wil en goed kunnen besturen. Het ontwikkelen van passende software staat of valt met de aanwezigheid van materiedeskundigheid. Dit is een groot probleem in het onderwijsveld. Men heeft de neiging om binnen een school zelf “amateuristisch” te ontwikkelen. Dit komt vooral door de hoge kosten die inhuur van een gerenommeerd bedrijf opleveren. Grote scholengemeenschappen (bijv. in de HBO-sector) hebben eigen ontwikkelafdelingen. Het is aan te bevelen om deze te laten samenwerken of fuseren.

Visie
Het ontbreekt aan een “educatief concept” en een idee welke processen er in de toekomst moeten gaan komen. Het is aan te bevelen om een collectief proces (bijv. via workshops) van systeemontwikkeling te starten. Op deze wijze kan komen tot het draagvlak voor een educatieve architectuur en een migratiepad.

Content VS Software
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het automatiseren van educatieve processen en het maken van educatieve inhoud. In principe is er echter geen verschil of men gegevens in een generator, een database of een programmabibliotheek stopt. Men zal altijd moeten “ontwerpen”.

Afschermen complexiteit voor materiedeskundigen.
In de onderwijssector is het ontwikkelen van inhoud altijd een gezamenlijke operatie geweest van leraren samen met uitgevers. Door de verandering van de distributiekanaal (het netwerk) en de vorm (multimedia) is dit proces in de war geraakt. De complexiteit van de systeemontwikkeling kan aanmerkelijk worden gereduceerd door hulpmiddelen te maken, die bruikbaar zijn door inhoudsdeskundigen.
Via een generator kan deze inhoud worden overgebracht naar de “educatieve” koppellaag. Het is aan te bevelen om bij de hulpmiddelen uit te gaan van User-Interaction-Design (Zie Hfdst 5.6). Daarnaast kunnen er softwarebouwstenen worden ontwikkeld, die bepaalde (kwaliteits)eisen afdwingen. Een voorbeeld is een standaard voor het User-interface. Standaarden op papier worden altijd aan de “laars gelapt”.

Hergebruik.
Er worden veel losstaande en overlappende componenten ontwikkeld. Ze sluiten niet op elkaar aan. Het is aan te bevelen om deze componenten naar de scholen te distribueren via een tussenstation dat beschikt over mogelijkheden om componenten aan te passen aan de standaard of te splitsen (re-engineering). Ze moeten daartoe worden opgeslagen in een repository. Het wordt op deze manier mogelijk om te hergebruiken. Dit zal de kosten sterk omlaag brengen.

Ondersteunen
Men moet het gebruik van de software ondersteunen. Hier zijn voldoende pakketten voor op de markt, zodat zelf ontwikkelen hier zinloos is. Als men zelf weinig ontwikkeld kan men terugvallen op de ondersteuning van de leverancier (Tweedelijns-support). Het invoeren van een EersteLijnssupport-Organisatie in de school heeft grote voordelen (zie Hfdst 7.3). Men dient zich te houden aan ITIL (zie Hfdst. 5.5). Als men zelf ontwikkelt dienen de gegevens voor de ondersteuning (bijv. helpteksten en scripts) tijdens de ontwikkeling te worden verzameld.
Beheren en exploiteren
De software moet worden onderhouden en functioneren. Deze functies worden uitgeoefend door een computercentrum. Uit onderzoek blijkt, dat kleine computercentra zeer kostbaar zijn. Er is dan ook een ontwikkeling tot concentratie gaande. Hierbij worden ook meerdere kleine servers vervangen door één grote (meestal UNIX of S390). Het is aan te bevelen om te komen tot één Nationaal Educatief Computercentrum. De scholen kunnen via het KennisNet gebruik maken van de services.
Netwerk
Men moet berichten kunnen uitwisselen. Er is een integratie komende van de spraak (telefoon), beeld (TV) en computer (bits)-netwerken via het Internet-Protocol (TCP-IP). Er zijn ook andere protocollen, zoals LU 6.2, X25 en ISO/LAN. Het KennisNet gebruikt TCP-IP en wordt aangelegd om deze mogelijkheden bij de scholen (en thuis?) aan te bieden. De mogelijkheden van Digitale TV dienen in deze ontwikkeling te worden meegenomen.
Het is raadzaam om eisen te formuleren (via standaards, een generator of een koppellaag), zodat de applicaties zonder al te veel aanpassing kunnen meegroeien met de ontwikkeling van dit netwerk en zijn eindpunten (de appliances). Het is aan te bevelen om te onderzoeken in hoeverre applicaties afhankelijk kunnen worden gemaakt in hun gedrag van de beschikbare capaciteit.
Veel ontwikkelingen op het Internet worden getrokken middels het World-Wide-Web-Consortium (W3C). Dit consortium werkt op basis van consensus. Partijen, die lid zijn kunnen op eigen initiatief nieuwe werkgroepen starten. Het is raadzaam om dominant te gaan sturen in het W3C in het gebied educatieve software en bijbehorende softwarelagen (bijv. SMIL).
Koppellaag (Middleware)
De koppellaag ligt op de netwerklaag en heeft als doel om de eigen software(makers) af te schermen van de complexiteit en de veranderlijkheid van de onderlagen. De laag maakt het mogelijk om meerdere protocollen naast elkaar te gebruiken of om van het ene protocol over te schakelen op het andere. De koppellaag is verder de sleutel tot “gedistribueerd werken”. Dit betekent, dat de software en de data over meer dan één computer worden verdeeld. De software van de koppellaag regelt dit zelf.

De meeste distributiemodellen gaan uit van 3-lagen (z.g. 3-tier). Een voorbeeld van een verdeling is: collectieve voorzieningen (Zware computer, zware beveiliging), School, Leraar/Leerling op school of thuis (Lichte computer, lichte beveiliging). Dit is vergelijkbaar met de verdeling Hoofdkantoor, Kantoor, Medewerker/Klant bij een bank. Deze verdeling is vrijwel volledig bepaald door de capaciteit (en kosten) van het netwerk. Door de komst van het Internet komen er steeds meer directe koppelingen (2-tier). De kracht van de centrale computer moet dan wel omhoog (mainframe)

De eerste laag in de koppellaag is de Procesmanager (bijv. HP Change-Engine). Deze koppelt via processen mensen en applicaties aan elkaar. De procesmanager maakt “Workflow” (Zie Hfdst 5.2) en “Groupware” (Zie Hfdst. 8.5) mogelijk. De procesmanager kan van tevoren worden gevuld met de meest voorkomende processen in een onderwijsinstelling en de gerelateerde organisaties. Dit procesmodel kan dan op lokaal niveau naar eigen inzicht worden aangepast. Het is aan te bevelen om Kennisnet te voorzien van een Procesmanager.

Er zijn meerdere soorten “Middleware” n.l.

RPC (Remote Procedure Call)
Vanuit een programma worden berichten naar andere programma’s gestuurd via het aanroepen van een subroutine. Die subroutine kan op een andere computer werken. RPC is ontwikkeld als communicatiemiddel binnen DCE. DCE is een standaard voor de Distributed Computing Environment. DCE bevat veel faciliteiten en is door veel leveranciers geïmplementeerd. Het heeft geen groot marktaandeel.

MOM (Message Oriented Middleware).
Binnen MOM communiceren applicaties via een bericht. Er zijn vele soorten MOM. MQ (Message Queing) van IBM is gebaseerd op het idee van Que (Wachtrij). Berichten worden opgeslagen in een wachtrij die volgens een afgesproken prioriteit wordt verwerkt. Een ander voorbeeld is Publish/Subscribe (TIBCO). Een applicatie “abonneert” zich op de data die het nodig heeft. Op deze wijze is het mogelijk om dynamisch data, processen en computers toe te voegen. Deze methode lijkt erg bruikbaar voor een schoolomgeving waar de vraag naar gegevens niet duidelijk vaststaat en aan verandering onderhevig is.

DTP (Distributed Transaction Processing).
DTP komt voort uit de wereld van de transactieverwerking op grote mainframes bij bijv. banken. Het gaat hier om zeer grote transactievolumes. DTP was bedoeld om de database te isoleren van de programma’s die de data ophaalden. Deze z.g. TP-monitors (bv. CICS van IBM) zijn zeer betrouwbaar.

ORB (Object Request Broker).
Een ORB richt zich speciaal op Object-oriented (OO) software (Zie Hfdst. 5.4). De ORB coördineert verspreide objecten in een netwerk. Er is een standaard CORBA en vele bedrijfsspecifieke implementaties. De implementatie van Microsoft (COM/DCOM) heeft het grootste marktaandeel. De wereld van OO is sterk in beweging en zeker niet stabiel.
De applicatielaag.
De applicatielaag bevat functionaliteit, die herkenbaar is voor de school. We kunnen een school verdelen in ondersteunende processen en het leerproces. De ondersteunende processen zijn weer te verdelen in algemeen bedrijfsmatig (bv. betalen en administreren), schoolspecifiek (roosteren en leerlingvolgsystemen) en implementatiespecifiek (uniek voor de school zelf). Een school is een proces waar leerlingen, inhoud, locaties en leraren op een bepaalde tijd synchroon en a-synchroon aan elkaar worden gekoppeld. De software die hier voor nodig is, is niet uniek en lijkt veel op logistieke software. Het is zeker dat alle ondersteunende software te koop is.

Grote softwareleveranciers als Oracle en IBM (via Lotes Notes) hebben specialisaties van hun algemene pakketten voor het onderwijs ontwikkeld. Ze gaan daarbij uit van de manier waarop hun thuismarkt (het Amerikaanse onderwijssysteem) werkt. Deze thuismarkt is zeer conservatief. De software kan gedistribueerd werken op de meest voorkomende middlewarelagen. Het is aan te raden om deze software gedistribueerd te laten werken vanuit een server op het Kennisnet, die wordt beheerd door het Educatieve Computercentrum.

De belangrijkste keuze is de manier waarop het leerproces gestalte gaat krijgen (Zie Hfdst. 10.3). Het primaire proces bepaalt nog altijd de wijze van ondersteuning. De meeste leveranciers hebben hier geen duidelijk idee over. Men presenteert (hyper)tekst (Boek+) op het scherm.
Persoonlijk.
Deze software gebruikt men om persoonlijke activiteiten te ondersteunen. Het gaat om tekstverwerking, spreadsheet, etc. Er zijn meestal gegevens nodig uit algemene databases. Daarnaast onderhouden de meeste gebruikers eigen bestanden. Het is aan te raden uit oogpunt van beheersbaarheid en beveiliging zo min mogelijk programma’s en data op de PC op te slaan.
Appliances.
Dit zijn gespecialiseerde combinaties van software en hardware (b.v. Monitor, Muis, Joystick, E-book, GSM, Opslag, Kaart). De meeste mensen denken dat een computer bestaat uit een aantal delen, die niet los van elkaar kunnen worden gebruikt. Niets is minder waar. Door het uitwisselen van boodschappen kunnen alle apparaten en onderdelen met elkaar communiceren. De te overbruggen afstand veroorzaakt een lichte vertraging. Deze kan oplopen als tussenliggende computers in het netwerk overbelast raken. Sommige onderdelen (bijv. een printer) zijn zo complex, dat ze eigen processor en software nodig hebben. In een auto zitten tientallen processoren.

De hoeveelheid appliances neemt toe. Ze worden steeds meer voorzien van draadloze communicatiemogelijkheden zodat een netwerk niet meer nodig is. Hier doet zich een nieuwe distributieprobleem voor. Er moet worden uitgezocht welke appliances leraren en leerlingen gaan gebruiken. Het ziet er naar uit, dat het interessant wordt om een fijnmazig netwerk te ontwikkelen waar men via draadloze communicatie appliances op kan aansluiten. Voor de scholen is het raadzaam om zoveel mogelijk losstaande componenten aan te schaffen. Er zijn ontwikkelingen gaande (JINI van SUN) om alle mogelijke apparaten met elkaar te laten communiceren via TCP-IP.

User-interface.
Het uiterlijk van de applicaties dient te worden gestandaardiseerd. Hierbij ontstaat het probleem dat er vele mogelijkheden komen om gegevens op weer te geven (GSM, Monitor, etc.).

Vertaling naar de huidige situatie in de onderwijswereld.
De meeste mensen hebben automatisering ontdekt door een PC-privé-project. Hierdoor is de PC het referentiepunt geworden. De PC heeft de automatisering gedemocratiseerd. Daarnaast is ze de oorzaak van veel problemen. Dit komt omdat we in alles wat we doen niet zonder elkaar kunnen. De Personal Computer staat echter alleen op de wereld. Om aan de vraag naar samenwerken te voldoen moeten we PC’s koppelen. Iedere PC heeft echter zijn eigen instellingen en software-versies. Hoe vaak komt het niet voor dat we iets van een ander niet kunnen lezen of (erger) dat het onze PC in de war brengt. Software, die moet samenwerken met andere software, moet als zodanig worden ontworpen. Veranderingen kunnen niet meer locaal worden doorgevoerd. Alles hangt met alles samen. Plotseling is de democratisering over. Big Brother (het Computercentrum) neemt over en de PC wordt een manier om te bedienen. Het maken van gedistribueerde software is een kunst die weinigen beheersen. In essentie is deze kunst vooral te vinden bij bedrijven die al heel lang (tientallen jaren) met “het bijltje hakken”. Het gaat dan om hardware-leveranciers als IBM, HP en Compaq (voorheen DEC, Tandem) , grote banken en verzekeringsmaatschappijen etc.
Scholen en hun toeleveranciers (de uitgevers) worden of ze het willen of niet de wereld van het netwerk ingeduwd. Als ze niet goed opletten zullen in alle valkuilen van hun voorgangers vallen. Het is waarschijnlijk niet te beseffen hoe kostbaar dit is. De meeste mislukte projecten zijn nooit in krant gekomen. Een succespercentage van 20% is een mooie score. Naast de ramp van het koppelen is het probleem van het vertalen van de mens naar software niet opgelost. Het ondersteunen van een school is “simpel”. Het vervangen van de leraar is ondoenlijk. In deze nota wordt dan ernstig gewaarschuwd voor het zelf ontwikklen en exploiteren van educatieve software. Hier kan het KennisNet hulp bieden. Het is beter om problemen op één plaats te determineren en te verhelpen dan op honderden plaatsen.

De markt.
Inleiding.
Er zijn twee soorten Educatieve software te onderscheiden n.l. ondersteunende software (leerproces) en inhoud (leerstof). De ondersteunende software bevat de inhoud (bijv. een bibliotheek) of regelt dat de inhoud, leerling, leraar en faciliteiten bij elkaar komen op het juiste moment. De leerstof wordt aan de leerling getoond middels een presentatiemiddel. Presentatiemiddelen zijn o.m. boek, PC, TV en E-Book. De leerstof is gericht op een onderwerp of is bedoeld om een hulpmiddel of proces te trainen. Leerstof wordt ontwikkeld en gedistribueerd.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 26: De belangrijke variabelen in de markt van educatieve software.

De markt is te verdelen in de “retail”, “profit” en “non-profit” sector.

De “non-profit” markt.
De “non-profit” markt is ondoorzichtig en heeft weinig geld beschikbaar. In het bedrijfsleven wordt zoveel geld besteed aan allerlei vormen van trainen, dat de overgrote verzameling leveranciers de “non-profit” markt als “tijdverspilling” zien. Het kost teveel marketingcapaciteit in verhouding tot de winstmarges. Hierbij speelt een grote rol, dat de beide segmenten een afwijkende manier van werken hebben. Het klassikale systeem is in het bedrijfsleven aan het verdwijnen.

Er wordt nog erg veel boek gebruikt. Net als in het bedrijfsleven komen in het beroepsonderwijs hulpmiddelen met een trainingsomgeving op de markt.

De uitgevers (bv. Wolters Kluwer) zijn erg afhankelijk van de vraag die vanuit het schoolsysteem opkomt. Hier wordt de leerstof, het presentatiemiddel en de infrastructuur bepaald. In het verleden leverden de leraren een bijdrage en fungeerde de uitgever als distributiekanaal. Door de komst van het netwerk en de PC is het kanaal aan het veranderen. Men moet compleet nieuwe kennis opbouwen. Een voorbeeld om te innoveren en tegelijkertijd marktaandeel te verkrijgen is het Vespucci-project een samenwerkingsverband tussen de uitgever Wolters Noordhoff en de scholengemeenschap Fontys. Beide partijen zijn van oudsher geen softwareontwikkelaars. Ze hebben hiertoe een relatie met Microsoft.

In de “non-profit” sector wordt erg veel inhoud zelf gemaakt.
De retailmarkt
De retailmarkt is zich sterk aan het ontwikkelen. Ouders vervullen hier de rol van leraar. Ze kopen steeds meer educatieve software. Hierbij dient te worden aangetekend, dat het soms erg onduidelijk is wat het “educatieve” in de software behelst. Leuke spelletjes met rekensommen doen het goed.
De ontwikkelfunctie is ondergebracht bij vele kleine gespecialiseerde bedrijfjes in binnen- en buitenland. Deze zetten de software op CD-ROM. DVD is in opkomst. Er wordt heel beperkt voor het netwerk ontwikkeld. Het zijn bijna allemaal “stand-alone” applicaties. Gedistribueerde omgevingen kosten erg veel geld en vergen schaarse specialisten. Men heeft vaak veel verstand van techniek en minder van educatie. Dit is hard nodig, omdat de techniek permanent en soms drastisch aan het veranderen is. Men probeert bibliotheken met softwarecomponenten op te bouwen om de hoeveelheid werk en de kosten te beperken. De distributie en soms de vertaling (lokalisatie) gebeurd door een uitgever. De verkoop vindt plaats via boekhandels, websites en computerwinkels. Ze wordt meestal via een multimedia PC getoond.
Partijen als LOI en Open Universiteit bieden van oudsher afstandsonderwijs aan en zijn druk bezig om deze activiteiten uit te breiden naar het Internet. Bij de LOI wordt de afwikkeling van het huiswerk via E-mail gedaan. Er komt sterke concurrentie van vergelijkbare instellingen in het buitenland (bijv. de Engelse Open Universiteit). Men ontwikkelt, distribueert en verkoopt zelf.
De TV wordt ook als presentatiemedium gebruikt. De gesubsidieerde omroepen (bijv. TELEAC) maken educatieve programma’s. Men is aan het experimenteren met gerelateerde Websites. Men werkt ook voor de non-profitsector (Schooltelevisie). In het buitenland zijn er educatieve themazenders, die ook veel met het Internet werken. PC en TV schuiven in elkaar (WebTV, Digitale TV).
De profit-markt
De grote bedrijven hebben de ondersteuning van hun trainingsprocessen geautomatiseerd met gespecialiseerde HRM-pakketten (bijv. SAP) of eigen software geschreven in bijv. Lotes Notes. In het bedrijfsleven wordt de training meestal uitbesteed of gekocht. Er zijn meer dan 1200 aanbieders (Zie HYPERLINK http://www.opleidingnet.com http://www.opleidingnet.com).

Voor de meest belangrijke hulpmiddelen (bijv. SAP), pakketten genaamd, zijn geïntegreerde trainingsomgeving te koop. Pakketten worden afhankelijk van de prijs gekocht via een Inkoopfunctie of door een project te starten. Zelfgemaakte software wordt voorzien van Helpfuncties, Instructies en Training. De deskundigheid om deze trainingen te maken wordt meestal ingekocht per project Ook hier is de training vaak geïntegreerd in de software. De grote trainingsbedrijven krijgen steeds meer IT-specialisten in dienst. Er wordt aandacht besteed aan bruikbaarheid door de inzet van gespecialiseerde designers. De bruikbaarheid wordt getest in speciale “usability-labs”. Sommige bedrijven (bijv. ABN AMRO) hebben in hun softwarearchitectuur rekening gehouden met trainingsfaciliteiten. Tijdens het ontwikkelen worden de benodigde trainingsgegevens in de daartoe ontwikkelde databases gestopt. De leraar heeft de rol van coach of ondersteuner is meestal een collega’s.

De meest geavanceerde afnemers (en leveranciers) zitten in de IT-sector (CAP Gemini, Origin). Men beschikt over op Internet gebaseerde trainingen (bv Virtual Classroom (VC) van CAP Gemini), die de medewerkers thuis kunnen uitvoeren. CAP beschikt al jaren over een individueel leersysteem. De leerling werkt cases uit en kan zijn coach om hulp vragen. VC automatiseert deze aanpak. De coach kan door de leerling worden besteld. Deze werkt via E-mail of Video-conferencing. De coach kan alles zien wat de leerling heeft gedaan met de computer. De leerstof zelf is nog niet vernieuwd. De leerling krijgt boeken via de post. Sommige delen maken gebruik van Hypertext. Daarnaast worden aangekochte multimediale trainingen gebruikt. Het is een allegaartje van onderdelen. Een probleem is de integratie van de trainingsmiddelen van verschillende leveranciers Er wordt gezocht naar een manier om trainingsbouwstenen te definiëren die aan elkaar kunnen worden gekoppeld. CAP en Origin verkopen hun interne training ook extern (bijv. aan de IT-afdelingen van het bankwezen). In de IT-industrie wordt het werk ondersteund door computers (CASE). De “CASE-tools” beschikken zelf weer over ingebouwde trainingsmiddelen. Op dit ogenblik is Kennismanagement erg in. Men is nog niet veel verder dan het ondersteunen van “Communities”.
Strategie.
Een scenario.
De profit- en de retailmarkt gaan steeds verder afwijken van de “non-profit” markt.

De ouders die hun kinderen niets willen misgunnen scheppen een alternatieve onderwijswereld, de “thuiswereld”. Deze thuiswereld opereert in eerste instantie “stand-alone”. Binnen een aantal jaren krijgt men via breedbandverbindingen (bv @Home) de beschikking hebben over gedistribueerde omgevingen, die via allerlei mobiele “gadgets” benaderd kunnen worden. Men kan de thuiswereld overal gebruiken.

Er komen themazenders, die 7X24 uur gaan uitzenden. Deze zenders worden interactief, integreren met de Internetwereld en bieden E-commerce.

De kinderopvang adopteert de thuiswereld snel. Kinderen hierdoor het grootste deel van hun tijd in de thuiswereld door. Zo sluit het net zich langzaam om het reguliere onderwijs.

Het bedrijfsleven gaat zijn functie-eisen baseren op talent en motivatie in plaats van op vooropleiding. Het gaat er niet om wat je weet maar wat je kunt. Dit is helemaal in lijn met de individualisering. Er komen allerlei on-line diensten om vast te stellen wat je kunt en wat je moet doen om er te komen. Beroepsgroepen maken hun eigen “Communities” waar ervaringen worden uitgewisseld. Leraren worden uitgenodigd om mee te gaan praten en doen. Men gaat proberen om talenten zo vroeg mogelijk te ontdekken en te binden.

Er komen interactieve “Speel- en Leergroepen”, die gekoppeld worden aan geliefde TV-programma’s (Teletubbies) en films. Op deze wijze geeft het bedrijfsleven kinderen en hun ouders de gelegenheid om “Communities” te scheppen. Kinderen worden betaald om andere passende kinderen lid te maken. Sommige groepen (bijv. de Nike-sportacademie) worden een rage.

Er zijn zoveel mogelijkheden dat men door de bomen het bos niet ziet. Er komen dan ook gespecialiseerde winkels, adviseurs en testen waarmee men kan bepalen welk product het beste aansluit bij de behoefte. Daarnaast kan men prijs- en kwaliteit vergelijken. Men kan deze producten met een druk op de knop afnemen en betalen. Door vertaalprogramma’s kan men ook buitenlandse (en vooral Engelse) producten afnemen. Veel kinderen praten trouwens vloeiend Engels.

Het reguliere onderwijs gebruikt “kwaliteit” als argument tegen de thuiswereld. Men haalt geen examens als men TV kijkt, speelt, surft of via E-mail of Video-conferencing deelnemen in “speel- en leergroepen”. Deze komen de school binnen omdat als het even kan rustig doorgaat met wat men thuis aan het doen was. Veel kinderen nemen de draadloze toegang tot hun speelwereld mee naar school. Leveranciers vinden steeds nieuwe mogelijkheden om ze in te bouwen in apparaten die een enorme hoeveelheid functies hebben. Ouders kunnen bijvoorbeeld zien waar hun kinderen zijn. Er komt een discussie over zin en onzin van toetsen op het reproduceren van kennis. De tegenstanders van toetsen laten zien, dat de thuisomgeving binnen enkele seconden alles kan leveren wat men wil weten. Als het nodig is kan men deze kennis s’nachts in het geheugen zetten.

Het geconcentreerd in een klas zitten wordt steeds minder mogelijk omdat iedereen wat anders aan het doen is. De gebouwen worden omgebouwd tot leef- en leeromgevingen. Het ontmoeten van anderen, samen dingen doen, muziek maken dansen etc blijft een leuke tijdsbesteding.

Veel ouders en ouderen hebben hulp nodig om gewend te raken aan de nieuwste ontwikkelingen. Leraren in samenwerking met ouders bieden aan om te helpen. Ze gaan samenwerken met andere wijkdiensten, die inmiddels ook veel gebruik maken van het netwerk dat gratis toegang geeft aan alle mensen die dat willen.
Zo ontwikkelt de school zich langzamerhand van trainingspunt naar ondersteuningspunt.

De leraren schuiven de maatschappij in. Via een speciaal uitzendbureau krijgen ze de gelegenheid om in eerste instantie eens wat rond te kijken. Sommigen blijven bij een netwerk hangen. Er komt steeds meer behoefte aan het overbrengen van ervaring. Ouderen, nog lang niet uitgeput en in steeds ruimere mate aanwezig, bieden scholen en kinderopvang (inmiddels gefuseerd) aan om wat te helpen. Het parttime leraarschap wordt langzamerhand een sociale verplichting.
Belangrijke stuurvariabelen.
In dit hoofdstuk worden de stuurvariabelen behandeld. De belangrijkste trekkende krachten zijn de Individualisering, de Techniek en het Bedrijfsleven. Een remmende, te trekken kracht, is de Leraar. Per variabele wordt een strategie geformuleerd. Deze wordt in het volgende hoofdstuk samengevat.

Leraar.
De leraar levert een deel van zijn autonomie in. Dit gaat ten koste van zijn status die aan het zakken is. De leraar heeft daardoor het idee dat hij vastzit.
De strategie is om het discours rondom het begrip “leraar” aan te passen. De leraar is de ervaringsdeskundige bij uitstek. Hij moet de “content” leveren. Als hij nog geen expert is moet hem een “uitweg” worden geboden door herscholing. Leraar is in principe een bijbaan. Dit betekent dat “experts” hun tijd aan het onderwijs moeten gaan besteden. Een speciaal uitzendbureau kan hier hulp bieden.

Techniek.
De ontwikkelingen in de techniek zijn niet te beïnvloeden en bijna niet te voorspellen.
Een belangrijke ontwikkeling in de techniek wordt “convergence” genoemd. Deze convergentie behelst het in elkaar schuiven van o.m. de consumenten elektronica (TV, Video, DVD, etc), de telecommunicatie (satelliet, kabel en Internet) en de consumenten software (m.n. Microsoft). Ze heeft invloed op alle bedrijfstakken, maar vooral op de media en de uitgeverijen. Dit zijn precies de bedrijfstakken die de meeste invloed hebben uitgeoefend op de school. In de praktijk worden steeds meer materiële, mechanische en elektromagnetische onderdelen vervangen door softwarecomponenten, die met elkaar communiceren (appliances). Door de toenemende standaardisatie van het netwerk wordt de wereld de marktplaats. De belangrijkste krachten zitten in de VS. Amerikanen hebben een sterke pioniersmentaliteit. Gedreven door een potentieel grote markt en een sterk financieringspotentieel probeert men van alles uit. Nederland wordt door veel Amerikanen gezien als het bruggenhoofd naar Europa. Door o.m. de aanwezigheid van de kabelinfrastructuur, de kennis van de Engelse taal en de cultuur (actiegericht) wordt Nederland gezien als een belangrijke testmarkt.
De strategie is om met een aantal internationaal belangrijke partijen (bv. IBM, HP, Sun) een consortium te vormen teneinde “educatieve” infrastructuur en inhoud te maken. Een idee is om samen te werken met partijen in Engeland. De Nederlandse uitgevers Elsevier, Wolters en VNU moeten in dit alles een belangrijke rol spelen.

Educatief concept
De nadruk moet liggen op het verkrijgen van ervaring (“Cases”). De leeromgeving moet kunnen concurreren met geavanceerde commerciële producten. De VS zit vast met zijn educatieve systeem.
De strategie is om Nederland voor de educatieve software als gidsland te laten fungeren voor de VS en de producten exporteren.

Individualisering.
We bewegen ons naar de netwerkmaatschappij. Er wordt erg veel nadruk gelegd op het zelf doen. De politiek loopt sterk achter wat betreft kennis en daadkracht. Ze is terrein aan het verliezen. Er wordt veel aan het bedrijfsleven overgelaten.
De strategie is om het individu (leerling, leraar, ouder etc) als trekker te zien van de nieuwe ontwikkelingen. De retailmarkt is de plaats waar het moet gaan gebeuren.

Figuur SEQ Figuur * ARABIC 27: De belangrijkste variabelen in de strategie.

Ouders & Leerlingen.
Ouders nemen steeds minder verantwoordelijkheid voor hun kinderen. Kinderen bepalen veel zelf (vanaf 10-11 jr.). Ouders zijn consument en zelf afnemer van training. De leerling wil een leeromgeving die aansluit op zijn leefomgeving.
De strategie is om ouders en kinderen dezelfde leeromgeving thuis te geven.

Bedrijfsleven
Het bedrijfsleven is de grote afnemer van training. Een belangrijke reden is “onbruikbaarheid van software”. Dit moet worden aangepakt.
Men is net als de scholen op zoek naar een nieuw educatief concept (Kennismanagement).
Grote structuren vallen uiteen in netwerkstructuren. Leren is een aangelegenheid van de medewerker zelf. De “Communities”, die hier gaan ontstaan moeten worden gemengd met leraren en leerlingen. Ervaring in de dienstensector wordt belangrijker in tegenstelling tot status en diploma’s. Men kiest voor de korte termijn.
Een groot probleem is het vinden van risicokapitaal. Banken en managers gaan voor zekerheid. Veel investeerders snappen de techniek niet en durven het niet aan. Subsidies worden aan partijen gegeven die de echte problemen niet zien of niet willen zien.
In de media wordt het Studio-model de standaard. Men moet 4x verliezen en 1X een kassucces aankunnen.
De strategie is om risico’s te beperken en zelf een zet te geven voor de Infrastructuur. Deze infrastructuur moet zowel voor het bedrijfsleven als voor de scholen zin hebben.

Ontwikkelen.
Er zijn geen grote ervaren draagkrachtige softwareontwikkelaars. De meeste leveren mensen en geen producten. De kleintjes worstelen met de techniek. Als er geen richting wordt gegeven in de zin van een architectuur of een concept blijft het behelpen. Het ontwikkelen van complexe geïntegreerde software is een kunst apart en vergt veel investeringen. Er gaat veel mis.
De strategie is om condities te scheppen om een sterk educatief softwarebedrijf op te richten. Dit kan gebeuren door een clearinghouse richting het onderwijssysteem in te richten en alle transport naar de scholen via dit clearinghouse te laten lopen. Het zelf ontwikkelen van software door scholen moet worden tegen gegaan.

Wetenschap.
Wetenschap moet zich bezig houden met lange termijnproblematiek. Er zijn erg veel specialisaties die niet of nauwelijks met elkaar samen werken. Men is gericht op publiceren en minder op maken. De individuele wetenschapper gaat zijn eigen weg. Hij moet erg veel tijd besteden om aan geld te komen. Het onderwerp “educatieve software” is verdeeld over vele disciplines. De Onderwijskunde is de wetenschap die moet integreren. Er is recent door NWO/ PROO (ProgrammaRaad OnderwijsOnderzoek) een onderzoek gedaan naar de stand van zaken (Dool, 1998, Zie ook Hfdst 7.9). Het centrum van onderzoek is de TU Twente.
Over de software-engineering (Methoden, Technieken, Hulpmiddelen, Architecturen) is er veel kennis. Het centrum van dit onderzoek is het CWI. Samenwerking met het bedrijfsleven moet plaatsvinden via het Telematica TopInstituut (TTI). De dragers van dit instituut (TNO, CWI, TU Twente, TU Delft, TRC) richten zich vooral op het netwerk (Teletraining). Het is nog niet gelukt om innovatieve partijen als CAP Gemini, Origin, of Wolters Kluwer te binden aan een project binnen het TTI.
Strategie is om concrete problemen op de lange termijn van het innovatieve bedrijfsleven als richtsnoer te nemen.

Commercie.
Door de opkomst van de Electronic Commerce worden er totaal nieuwe werkwijzen geïntroduceerd. De markt is niet meer beperkt tot het eigen land. Het is van belang dat men snel een marktstandaard zet. Dit doet men door in eerste instantie de prijs laag te houden. Daarna worden op basis van de standaard diensten verkocht. Het marketen, verkopen en distribueren van digitale leerstof kan volledig via het netwerk plaatsvinden.
De strategie is om een “educatieve standaard” te zetten, die ontwikkelaars dwingt om hun inhoud via de educatieve infrastructuur aan te bieden.
De Strategie.
Definieer een educatief concept dat is gebaseerd op ervaringsleren.
Doe dit samen met de Nederlandse Universiteiten en TopInstituten.
Ontwikkel, gebaseerd op dit concept, een openbare kennis-infrastructuur.
Doe dit samen met een tweetal belangrijke ontwikkelaars van software-infrastructuur (bijv. IBM & Hewlett Packard). Gebruik zoveel mogelijk het openbare netwerk.
Bundel en ondersteun content- en softwareontwikkelaars, die inhoud maken.
Richt een van een Educatieve SoftwareFactory op. Doe dit samen met de Nederlandse Uitgevers. Laat het bedrijfsleven de ervaringsdata leveren.
Verkoop de inhoud wereldwijd.
Vervolgacties
In dit laatste hoofdstuk wordt de aanzet gegeven voor vervolgacties. Deze worden gebaseerd op de vier onderdelen van de strategie. De onderwerpen zijn verbonden maar kunnen voor een groot deel parallel worden uitgevoerd.
Validatie.
In deze nota staan een groot aantal zaken die moeten worden getoetst op inhoud en haalbaarheid. Het voorstel is om een 10-tal experts mondeling commentaar te vragen en de reacties als bijlage bij dit document te stoppen. Als het document fouten of tekortkomingen heeft moet de tekst natuurlijk worden aangepast.
Educatief concept.
Een belangrijk onderdeel van het concept is Case-Based-Learning (Schank, 1995). CBL is ontwikkeld aan het Institute for the Learning Sciences (ILS) in Chicago. Schank is wetenschappelijk directeur van dit instituut. Het ILS is een “super-faculteit” van Northwestern University. Men combineert kennis op het gebied van AI, Psychologie, ICT en Liberal Arts (kunst, design etc.). ILS bestaat 10 jaar en wordt gesponsord door een grote Amerikaanse bedrijven en het leger. Er bestaat een “off-spin” Cognitive Arts, die software en kennis van het ILS verkoopt.

In Nederlands is er geen wetenschappelijke kennis over Case-Based-Reasoning. Daarnaast zijn er geen plaatsen waar kennis van Wiskunde (Datamining), Artificial Intelligence, (Cognitie-)Psychologie, ICT en “Kunst” (Design, Kunsthistorie) samenwerken gericht op educatieve software. Er zijn een tweetal wetenschappelijke opleidingen “Multimedia” in oprichting (Leiden, Utrecht) waar men experimenteert met een deel van de combinatie.

Het ILS is practisch bezig met het “uitproberen” van concepten door het maken van trainingen. Roger Schank heeft zich bereid verklaart om kennis naar Nederland over te brengen. Het overnemen van de kennis van het ILS is cruciaal. Als dit niet lukt moet er erg veel worden uitgezocht. Deze kennis is niet aanwezig in Nederland.

Het idee is om een vergelijkbare constructie in Nederland in het leven te roepen in de vorm van een “Instituut voor Toegepaste Kennistechnologie”. Dit instituut moet prioriteit geven aan de Applicatielaag en de Ontwikkel-omgeving (Zie Hfdst 10.6.1 en 10.6.6) en geen aandacht besteden aan Netwerk en Middleware (Tele-training). Het instituut moet worden betaald door het bedrijfsleven (50%) en de overheid (50%) en net als het ILS geavanceerde trainingen bouwen. De bouwstenen worden doorgeschoven naar de software-factory. Daarnaast moet het Instituut lange termijn onderzoek coordineren bij Universiteiten en Onderzoekinstellingen in Binnen- en Buitenland.

Er belangrijk onderdeel zijn ervaringsprofielen (“skills, failures”) per beroepsgroep. Voor zover bekend is deze kennis niet beschikbaar. De profielen moeten in kaart worden gebracht door experts te interviewen. Het sturen van analisten is erg kostbaar en wellicht niet nodig. Er moet een middel worden ontwikkeld waarin de experts hun kennis zelf kunnen invoeren. Dit gaat in de vorm van praktijkverhalen. De input moet worden veredeld. Het blijkt dat verhalen van experts niet voldoende drama bevatten. Dit is de taak van scenerioschrijvers, acteurs en filmmakers. Het eindproduct is een dynamische spelomgeving.
Educatieve software-factory.
Er zijn veel kleine content-ontwikkelbedrijven in Binnen- en Buitenland. Uitgevers kopen deze content op. De ontwikkel-bedrijven hollen achter de technische mogelijkheden aan. De technische mogelijkheden maken realistische gedistribueerde spellen mogelijk. Het maken van dit soort content is zeer kostbaar, omdat men feitelijk bij iedere nieuwe innovatie opnieuw moet gaan beginnen.
Om te kunnen aanslaan bij de jeugd is het noodzakelijk om een vergelijkbaar niveau te halen als de commerciele wereld. Hier zijn bijvoorbeeld Disney en Sony de top. Zij bundelen TV, Film en Spelomgevingen en hergebruiken succesvolle personages, verhaalstructuren en werelden. De meeste kleine ontwikkelbedrijven ontwikkelen nu nog “stand-alone” applicaties. Om te komen tot uitgebreide spelomgevingen is “agent-technologie” nodig. Hier is in Nederland zowel bij bedrijven als kennisinstellingen vrijwel geen kennis over aanwezig.

Kosten gaan omlaag als er veel kan worden hergebruikt en men is afgeschermd van de meeste veranderingen. Dit kan middels een gedeelde softwarelaag (Zie middleware, Hfdst. 10.6.5) en/of software-componenten en/of een generator. Veel bedrijven hebben nu eigen software-libraries. Er zijn standaardontwikkelomgevingen aan het opkomen (bijv. DirectX van Microsoft).

Het idee is om een tussen-station te bouwen tussen ontwikkelaars en scholen. Dit tussenstation ontwikkeld componenten, bezit een generator die de componenten via het netwerk op de scholen of de werkplek assembleert. Daarnaast zorgt de software-factory voor een testomgeving en release-management. De componenten worden wereldwijd gekocht en indien nodig vermaakt (gere-engineerd). Ontwikkelaars die zich aansluiten bij de factory
Onderzocht moet worden of er interesse is bij de ontwikkelaars, welke vorm (cooperatie?) en welke middelen (tools en geld) nodig zijn. De factory kan de impuls geven voor een bloeiende industrie.

Open Kennis-infrastructuur.
Er is veel nodig om een kennis-infrastructuur 100% beschikbaar en bruikbaar te houden. Grote bedrijven kunnen dit aan. Personen en het MKB zijn hier niet toe instaat. Het gevolg is dat er veel geld wordt verspild omdat iets niet (meer) werkt. De infrastructuur moet het voor bedrijven mogelijk maken om in ieder geval het hele scala aan “groupware-diensten” te benutten (Zie Hfdst 8.5), nieuwe software te installeren en ondersteuning te krijgen. Er moet onderzocht worden welke niveau van functionaliteit nodig is. Als voorbeeld kan Virtual Classroom van CAP Gemini gelden. Partijen als de LOI en de Open Universiteit kunnen aan deze infrastructuur koppelen.

Verkopen kennis en content.
Nederland is het land met het grootste aantal adviseurs op het gebied van onderwijs en training. Een deel van de adviseurs werkt gesubsidieerd een ander deel is commercieel bezig of naar deze positie aan het groeien. Training, therapie en andere veranderkundige vaardigheden worden steeds belangrijker naar mate de technologische verandering versneld. Er moet onderzocht worden in welke vorm en op welke wijze de kennis en content op het gebied van het onderwijs kan worden geexporteerd. Een belangrijk punt is meertaligheid en onafhankelijkheid van de cultuur. Hier moet van het begin af aan mee rekening worden gehouden.

Korte termijn acties richting het onderwijssysteem.
Als de strategie wordt uitgevoerd zal hij pas op termijn van een aantal jaren effect hebben. Op de korte termijn moet vooral aandacht worden gegeven aan het voorkomen van problemen die implementatie in de weg gaan staan. Een enorme diversiteit aan infrastructuur, eigen en gekochte software en databases zal alle al snel alle middelen en aandacht gaan opslurpen om nog enig aandacht te besteden aan de toekomst. Het is dan ook aan te raden om aan de ene kant het management van scholen op dit punt te instrueren en aan de andere kant via KennisNet of andere distributiekanalen zoveel mogelijk middelen aan te bieden.

Litteratuur
Althüller G, (1996), And Suddenly the Inventor Appeared, Technical Innovation Center Inc. Worcester
Anderson, J.A. (1995). Introduction to Neural Networks. Cambridge, MA: MIT Press.
Austin, J.L. (1962), How to do things with words, Oxford, Oxford University Press.
Assagioli R. (1973), The act of will, New york, Viking press.
Breuker,J.A., editor (1990). EUROHELP: Developing Intelligent Help Systems. EC, Copenhagen, 1990. The final report.
Boasson M, (1998), Reactieve computersystemen als model voor complexe organisaties in De onvermijdelijke culture revolutie, SMO-98-3, blz. 119-132.
Brooks F.P, (1995), The Mythical Man Month: Essays on Software Engineering, Anniversary Edition, Addison-Wesley.
Brooks R. (1991), Intelligence without Reason, Artificial Intellgence, 47, 139 -159.
Clark Andy, (1997) Being There: Putting Brain, Body and World Together Again, MIT Press.
Callahan R. (1962) Education and the Cult of Effiency, The University of Chicago Press.
Csikszentmihalyi M, (1993), The Evolving Self, Harper, New York.
Davis S, Meyer C.,(1998), Blur: The speed of change in the connected economy, Addison Wesley
Denett D., (1991), Consciousness explained, Little, Brown.
Derks L, Hollander J, (1997), Essenties van NLP, Servire
Dietz J.L.G, Mulder H.B.F,(1996), Realising strategic management reengineering objectives with DEMO, in [Dignum et al.].
Dignum F. en Weigand H.,(1995), Communication and Deontic Logic, In R. Wieringa and R. Feenstra (eds.) Information Systems, Correctness and Reusability, pages 242-260, World Scientific, Singapore.
Dool van den P.C., Moonen J.C.M.M, Kraan A.G, (1998), Van Didactische Driehoek naar Lerend Veelvlak, Bureau NWO/PROO, Den Haag.
Egan K, (1986), Teaching as story-telling: An Alternative Approach to Teaching and Curriculum in the Elementary School, Althouse Press, Londen.
Zie ook : HYPERLINK http://www.educ.sfu.ca/people/faculty/kegan/default.html http://www.educ.sfu.ca/people/faculty/kegan/default.html.
Egan K. (1997), The Educated Mind, How Cognitive Tools Shape Our Understanding, The Unversity of Chigaco Press, Chicago.
Eklund J. (1995), Adaptive Learning Environments: The future of tutorial software?, Faculty of Education University of Sydney, zie HYPERLINK http://nabil.vuse.vanderbilt.edu/Adaptive_Learning.htm http://nabil.vuse.vanderbilt.edu/Adaptive_Learning.htm
Erickson M, 1989, “Nature of Hypnosis and Suggestion”.
Finke R, 1990, Creative Imagery, Lawrence Erlbaum Associates, Hillsdale, New Yersey
Flores F. , Ludlow J.J., (1980), Doing and Speaking in the Office, in Decision Support Systems, Issues and Challenges, G. Fick H. Spraque (Eds), Pergamonn Press, New York.
Foucault M, (1978), History of Sexuality, part 1: an introduction, New York, Patheon.
Goldberg D.E., (1989), Genetic Algorithms in Search, Optimization, and Machine Learning, Addison-Wesley.
Griethuysen, J.J. (1982) editor, Concepts and terminology for the conceptual schema and the information base, Publ. nr. ISO/TC97/SCS-N695.
Gross R., McIlven R., (1999), Memory, Hodder & Stoughton.
Grudin, J., 1989. Why groupware applications fail: Problems in design and evaluation. Office: Technology and People, 4, 3, 245-264.
Habermas J, (1987), The Theory of Communicative Action: Reason and the Rationalization of Society, Volume One, Beacon Press, Boston, 1987.
Hofstädter D., 1995, Fluid concepts and creative analogies, New York, BasicBooks.
Hoog, R. de, e.a., The CommonKADS model set, Esprit Project P5248 KADS-II/M1/DM1b/UvA/018/6.0, University of Amsterdam, Lloyd’s Register, Touche Ross Management Consultants, Free University of Brussels, June 1994.
Holland J.H., (1992), Adaptation in Natural and Artifical Systems, MIT Press, Cambridge.
IOWA Department of Education, (1989), A guide to developing higher order thinking across the curriculum, Des Moines, IA: Department of Education.
Jonassen, David H. (1996). Computers in the classroom: Mindtools for critical thinking, Englewood Cliffs, NJ. Prentice Hall.
Kaufmann S., (1993), The Origins of Order: Self Organisation and Selection in Evolution, New York.
Kaufmann S., (1995), At home in the Universe, Oxford Press.
Kerckhove D, (1996), Gekoppelde intelligentie, De opkomst van de WEB-maatschappij, SMO-boek nr 96-9+10.
Kuhn, T. (1962), The Structure of Scientific Revolutions. Chicago: University of Chicago Press.
Lozanov G., (1978), Suggestology and Outlines of Suggestopedy, Gordon and Breach Publishers.
Lozanov, G, Gateva, 1988, The foreign language teacher’s suggestopedic manual, Gordon and Breach Science Publishers Inc.
Matarana H., and Varela F. (1987), The Tree of Knowledge: The biological Roots of Human Understanding, Shambala Publications, Boston
Maimon O, Horowitz R. (1998), Sufficient Conditions for Inventive Solutions, Nog niet gepubliceerd (Tel Aviv University)
Mingers John, (1995), Self-Producing Systems, Implications and Applications of Autopoiesis, Plenum Press, New York.
Morssink P.B, Kranendonk A, (1984), De voorkant van het automatiseren, Stenfert Kroese, Leiden.
Moukas A., Maes P.,(1999), Amalthea: An evolving Multi-Agent Information Filtering and Discovery System for the WWW, Kluwer Academic Publishers.
Mumford, E., (1995), Effective Systems Design and Requirements Analysis – the ETHICS approach, MacMillan Press Ltd., Hapshire, 1995.
Nonaka Ikujiro, Takeuchi Hirotaka, (1995), The Knowledge Creating Company, Oxford University Press.
Norman D, (1988), The psychology of Everday Things, Basic Books, New York.
Olle T.W., Sol H.G., Verrijn-Stuart A.A. (eds), (1982), Information Systems Design Methodologies: A Comparative Review, North Holland.
Olle T.W., Sol H.G., Verrijn-Stuart A.A. (eds), (1986), Information Systems Design Methodologies: Improving the Practice, North-Holland.
Olle T.W., (1989), Information Systems Design Methologies: A Framework for Understanding, Addison-Wesley.
Papert, S., (1990), Introduction in I. Harel (ed.), Constructionist Learning. Boston MIT Lab.
Reisbeck, C.K, & Schank, R.C. (1989). Inside Case-Based Reasoning. Lawrence Erlbaum Associates, Hillsdale, NJ, US.
Reeves B., Nass C., (1998), The Media Equation, How people treat computers , …, like real people and places, Cambrigde University Press.
Reiter, R., A Logic for Default Reasoning, Artificial Intelligence 13, 1980, pp.81-132.
Resner N., (1969), Many-valued Logic, McGraw-Hill: New York.
Schank R., (1977), Scripts, Plans, Goals and Understanding: An Inquiry Into Human
Knowledge Structures. With R.Abelson, Lawrence Erlbaum Associates, Hillsdale, NJ
Schank R., Cleary C., (1995), Engines for Education, Lawrence Erlbaum Associates,
NewYersey.
Schank R. (1997), Virtual Learning, McGraw-Hill, New York.
Schank R., (1982), Dynamic Memory: A theory of reminding and learning in computers
and people, Cambridge Universitt Press.
Schank R., (1995), Tell Me A Story. Charles Scribner’s Sons, New York, NY, 1990.
Sinclair, K. E . (1993). The Versatile Computer: Both Tutor and Cognitive Tool. Australian Educational Computing, September, 1993.
Searle J. R. (1969), Speech Acts, Cambridge University Press.
Skinner B.F, (1984), Over gedrag, Boom, Meppel.
Starreveld R.W. , H.B. de Mare en R.W. Joéls, (1994), Bestuurlijke informatieverzorging deel 1: Algemene grondslagen, Samsom, 4e dr.
Spek R. van der, Spijkervet, A.(1997). Kennismanagement, Intelligent omgaan met kennis. Kenniscentrum CIBIT, nr. 1.
Spence Jonathan, (1984), The Memory Palace of Matteo Ricci, Viking Penquin.
Tapscott Don, 1997, Growing Up Digital: The Rise of the Net Generation, Mc Graw-Hill,
Zie HYPERLINK http://www.growingupdigital.com http://www.growingupdigital.com ).
Tanenbaum A.S, Konstapel J.(1998), Keep it simple, In De onvermijdelijke Culturele Revolutie, SMO-boek 98-3.
Varela F. ,(1979), Principles of Biological Autonomy, North Holland, Amsterdam.
Verharen E.M, 1997, A Language action perspective on the design of Cooperative Information Agents. Proefschrift Katholieke Universiteit Brabant, NUGI 855.
Vroon P.,(1989), Tranen van een krokodil, Ambo.
Vroon P, (1992), Wolfsklem, De evolutie van het menselijke gedrag, AMBO Amsterdam.
Vygotsky L., (1986), Thought and Language, MIT Press.
Watson I, (1997), Applying Case-Based Reasoning, Techniques for Enterprise Systems, Morgan Kaufmann Publishers.
Weick, K. E. (1979). The social psychology of organizing (2nd ed.). Reading, MA: Addison-Wesley.
Weick, K. E. (1996). Sensemaking in organizations. Newbury Park, CA: Sage
Wenger W, Poe R, 1996, The Einstein Factor, Prima Publishing, Rocklin.
Winograd, T., & F. Flores, (1986), Understanding Computers and Cognition: A New Foundation for Design, Addison-Wesley
Winograd Terry, (1996), Bringing design to software, ACM Press
Wintraecken J.J.V.R. (1985), Informatie-analyse volgens NIAM, In theorie en praktiek, Academic Service, The Hague
Wilson Edward O, Hölldobler B, (1990), The Ants, Belknap Press
Wilson Edward O, (1998), Consilience, The Unity of Knowlege, Alfred A.Knopf, New York.
Yates Frances, (1966), The Art of Memory, University Press, Chicago.

Hans Konstapel, Scan Kennistechnologie, Hans Konstapel, Versie 2.5 september 1997

PAGE 1

PAGE 2

Intuitie

Analyse

Expert

Geheugen

Leren

Creativiteit

Wetenschap
Uitvinder

Leraar

Programma
Project

Strategie
Planning

Evalueren

InvoeringTraining

Analyse
Verbeteren

Maken

Technische Infrastructuur:
Databases, Software, Netwerk

Analisten
Adviseurs

Gebruikers
Werkers

Bibliotheken
Archieven

Uitvinders
Wetenschappers

Opleiders
Veranderaars

Advies-
systemen

Kennis
Werkers

Zoeksystemen Internet

Patroon-herkenners

Support-
systemen

Structurele
Koppeling

Organisme

Reinforcement

Patronen

Taal
Verbeelding
Fantasie

Reptiel

Zoogdier

Zintuigen
Perceptie

Buitenwereld

Lichaam
Ervaring

Taal
Bekenisgeven

Hulpmiddelen

Componenten

produceren

participeren in

Afval

Productie-
processen

Afscheiding
Binnen/Buiten
Celwand

Chemische
Reacties

Moleculen

Opwinding

Ontspanning

Prettig

Flow

Apathie

Angst

Inactief

Actief

Onprettig

Geheugen

Input Woord & Beeld

Associaties

Output Woordenstroom

Ideeën

Onbewust Bewust

Filter

Standaard-reactiepatronen

Emotionele
Verhalen

Geheugen

Teveel of niet passende signalen

Specifieke
Reacties

Stress versmalt het filter

Het collectieve filter
Cultuur, Traditie, Paradigma’s, Ideologie.

Signalen

Argumenteren

Een gedeelde taalwereld

Verwerken, Algoritme, Proces

Invoer
Gegevens Formulier
Scherm

Uitvoer
Gegevens Lijst
Scherm

Opslag
Gegevens
Kaartenbak
Database
CD-ROM
DVD

Een HUIS wordt-geidentificeerd -door een NUMMER

Een KLANT woont-in een HUIS

Klasse
Mensen

Object
Huis

Method
Verhuizen

Relatie
Wonen

Object
Klant

Gegevens
Huis-nummer

Gegevens
Klant-Naam

Centrale
Verwerkings
Eenheid

Terminal

Terminal

Terminal

Server
UNIX

Beeldscherm

PC

PC

Beeldscherm

Muis

Toetsenbord

Toetsenbord

Server
NT

= Bij elkaar beho-
rende Software

De werkstroom

Bedienings hulpmiddelen

Takenpakket

Logistiek Management
Opslag : Repository
Release-management, Configuratiemanagement, …

Projectmanagement
Scenario’s: Waterval, Iteratief, Klein Onderhoud, Expert, DSS, UID, …

Grafisch
Werkstation

Exploitatie
Support
Beheer

Generator

Bouw
Testen

Logisch &
Technisch
Ontwerp

Strate-
gische
Planning

Netwerk

Tegenstrijdige Eisen
(PROBLEMEN)

Standaard
Oplossingsgebied

De opdeling in onderdelen (DE UITLEG)

Analyse

Analogie

Taak leraar

Instructie

Instructie
Kennis delen

Boek/Hyper-tekst

Kennis Management

Zoeksysteem

Intell. Tutor System

Coaching

Adviseren

Advies
systeem

Support-
Systeem

Helpsysteem

Taak
Software

Ondersteunen

Overnementaak mens

Ondersteunen

Adviseren

Omgeving

De groei van de leerling
Zintuigen
Taalwereld
Ik
Kennis
Ironie/Humor

Kennis

Ontplooiing

Gegevens
Feiten
Cultuur
Ideologie

De mens
Talent
Verwachtingspatroon

Verwachtingen
Eisen
Contradicties

Gegevens
Hulpmiddelen

Hulpmiddel
Onderdelen
Relaties
Processen
Gegevens
Context

Ervaring

Besturen van de veranderingen

Software

Signalen uit de Buitenwereld

Email

Agenda
Nieuwsgroep
Documenten
Whiteboard

Mensen hebben o.m. non-verbale communicatie en verplichtingen naar elkaar nodig om een groep te vormen. Culturen worden bepaald door een discours.

Server

Projectmanagement

Exploi-
ta-
tie

Ondersteuning

Ontwikkelen
Strategie, Ontwerp, Bouw, Testen

Appliances

User
Inter
face

Applicaties

Middleware

Presenta-

middel

Netwerk
Post

Leraar

Ontwikkelen

Praten Email

Leerstof

Distribueren

Hulpmiddel

Verkopen

Leerling

Individualisering

Ouders
Leerling

Commercie

Techniek

Leraar

Ontwikkelen

Educatief
Concept

Wetenschap

Be-
drijfsle-ven

De Bewegende Grens Opnieuw.

Zicht op de Toekonst in 2006. en wat er volgens het SCP nu van is uitgekomen. (4-1-2020).

Hans.Konstapel: Oorspronkelijk Document 8 maart 2006.

Het Model Paths of Change (PoC) van Will Mcwhinney lijkt erg veel op de door Myers en Briggs gemaakte Typologie gebaseerd op de Archetypen van Jung,

1. Inleiding

In dit document worden belangrijke ontwikkelingen in de cultuur in kaart gebracht. De informatie in dit hoofdstuk is overgenomen uit rapporten van het Cultureel Plan Bureau.

De algemene lijn is dat er een einde is gekomen aan het gelijkheidsstreven dat is ontstaan tijdens de Franse Revolutie en de Verlichting.

In deze periode werd de rationaliteit (de objectiviteit) als hoogste goed gezien.

Deze rationaliteit werd geacht de fantasie en de emoties te kunnen besturen. Men verwacht dat men alles kan berekenen en besturen (als een machine).

De bestaande werkwijze in de automatisering (informatisering) komt voort uit dit gelijkheidsstreven (standaardiseren).

In de toekomst wordt het individu en uniekheid veel belangrijker (individualisering).

De mens neemt de verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven en kiest zelf. Creativiteit en (intense) emoties gaan een grote rol spelen (intensivering).

Deze ontwikkeling betekent het einde van de staat en de hiërarchisch bestuurde onderneming en alle andere centraal bestuurde concepten. Ze zullen worden vervangen door internationale netwerken van mensen en applicaties die iets met elkaar willen bewerkstelligen.

Netwerken zijn tijdelijke structuren. De onderdelen van het netwerk hergroeperen zich afhankelijk van ontwikkelingen in de context. Duidelijk mag zijn dat het Internet en vooral het Web 2.0. concept goed aansluit bij deze ontwikkeling.

Betrokkenheidgevoelens hebben een hoge prioriteit (dieren, milieu, mensenrechten). In netwerken zijn formele relaties onbelangrijk (informalisering). Het gaat om wederzijds respect voor de uniekheid van de ander en de uitdaging om iets nieuws te bewerkstelligen.

De wereld wordt het speelveld (internationalisering). De netwerken worden natuurlijk enorm gefaciliteerd door de IT en het Internet (informatisering). Door de ITC zullen vele functies worden geïntegreerd tot utilities. Complexe systemen zullen simpel bedienbaar worden.

Samenvattend kan gesteld worden dat in de komende periode vooral de grens in beweging is. De overheden proberen grenzen te stellen (normen en waarden), die door het egoïstische individu en de grote ondernemingen permanent worden overschreden. Om weer tot een samenhang te komen moeten nieuwe grenzen worden afgebakend. De oude grenzen die door landen en ondernemingen werden bepaald werken niet meer. Uiteindelijk zal de nieuwe grens ontstaan doordat er een sprong wordt gemaakt naar een ander niveau van begrenzing, de aarde (Gaya) die nu onder grote druk staat. Dit niveau zal alleen maar worden bereikt als de individualist zich niet opstelt als egoïst maar als altruïst.

De ontwikkeling wordt samengevat in vijf onderling samenhangende trends:

2. Individualisering

Individualisering is het proces van verminderende afhankelijkheid van het individu van een of enkele personen in zijn directe omgeving en van toenemende vrijheid van keuze met betrekking tot de inrichting van het eigen leven. Directe, persoonlijke en volledige afhankelijkheid maakt plaats voor ketens van tijdelijke, functionele, anonieme en partiële afhankelijkheid. De meest passende vorm voor dergelijke ketens is het project[1]. Het aspect van de individuele vrijheid zal sterker benadrukt worden op een heel breed terrein, in het bijzonder op het terrein van de vrijheid in de keuze van sociale zekerheidsarrangementen en arbeidsvoorwaarden. Deel van de individualiseringstendentie is het willen aanvaarden van meer verantwoordelijkheid voor het eigen leven en het eigen levenslot. Men kiest zijn eigen weg.

3. Informalisering

Grenzen vervagen en veranderen permanent. Begrippen hebben vele betekenissen. Indelingen werken niet meer. Alles is meervoudig verbonden en hangt met alles samen (een kluwen). Organisaties krijgen in de 21e eeuw het karakter van netwerken, die in veel opzichten virtueel van aard zullen zijn. Niet lidmaatschap, fysieke aanwezigheid of de juridische relatie zullen de belangrijke criteria van participatie zijn, maar onderling vertrouwen en communicatie. Persoonlijke kenmerken (sekse, leeftijd, ras, seksuele voorkeur), belangstellingen (en niet meer klasse, stand of godsdienst) en betrokkenheidgevoelens (dieren, milieu, mensenrechten) worden de grondslag van een organisatie. Informalisering doet de scheidslijn tussen privé en openbaar, tussen werk en thuis, tussen vrije tijd en arbeid vervagen. Alles loopt vloeiend in elkaar over. Gezagsproblemen zijn een logisch gevolg van informalisering. De bekleding met gezag en de kleding van het gezag roepen niet meer automatisch respect op; het respect moet verdiend worden en dat kan strijd impliceren.

4. Informatisering

De technologische ontwikkeling zal voor een belangrijk deel een geïnformatiseerd karakter hebben. De betekenis van informatie zal veranderen: het gaat niet meer om de beschikbaarheid op zich, want alles is er. Het gaat nu om het kunnen vinden van de juiste informatie, de selectie en het adequaat combineren van deze informatie (copy & combine). Daarmee verandert ook de rol van leren en de maatschappelijke waarde van kennis. Het is niet meer van belang om veel te weten. De versnelling van de verwerkingsmogelijkheden op informaticagebied zullen zich vooral manifesteren in de vorm van een toenemende integratie van functies. Informatisering staat zelf in het teken van innovatie, maar lokt ook elders weer innovaties uit. Het wordt bijna onmogelijk om het effect van dit alles te voorspellen. ICT zal nog goedkoper worden en vooral gemakkelijker in de bediening. Mensen met lage opleiding zullen complexe systemen kunnen bedienen.

5. Internationalisering

Informatisering heft de betekenis van grenzen, afstanden en tijdsverschillen op. Internationalisering staat zowel voor de toenemende invloed van de Europese Unie en het multinationale bedrijfsleven als voor de groeiende oriëntatie op wat elders gebeurt, de participatie in het internationale aanbod aan cultuur en levensstijl. Vele culturen en levensstijlen zullen permanent door elkaar heen gaan lopen. De wereld is een open boek. Internationalisering is zichtbaar in de processen van toerisme en migratie. Beide zullen het beeld van de samenleving in de komende decennia in hoge mate blijven bepalen. Bij internationalisering past economische liberalisering en globalisering. Het vrijemarkt-denken heeft in toenemende consequenties voor terreinen waar tot nu toe nationale grenzen en regionale identiteiten beeldbepalend waren: cultuur, media, gezondheidszorg, welzijnszorg & onderwijs. Alles wordt onderhevig aan marktwerking.

6. Intensivering

Intensivering verwijst naar de veranderende dynamiek en de toenemende betekenis van de belevingscomponent in het moderne leven. Er moet veel meer in één leven en dat meer moet zowel afwisselend als belonend zijn. De beleving van werk, relaties, het eigen leven en het eigen lichaam, vrije tijd, sport enz. staat steeds sterker in het teken van het verlangen naar een intense en intensieve beleving en ervaring. Ontremming door middelengebruik, agressie als groepsgedrag, muziek als kunstvorm bij uitstek, een hoge waardering van seksualiteit en sport zijn de dominante uitdrukkingsvormen. De massamedia spelen daar op in en versterken deze trend. Bij intensivering van beleving en ervaringen hoort ook een sterkere oriëntatie op het eigen gevoel. Dat is in de plaats gekomen van een oriëntatie op eigen belang en de eigen maatschappelijke positie in relatie tot anderen. Het eigen gevoel wordt zo de toetssteen voor wat het leven biedt (‘is het nog leuk?’), maar ook voor de kwaliteit van de omgang met anderen. Dat leidt enerzijds tot een verhoogde vorm van gevoeligheid voor krenkingen, anderzijds tot een versnelde geneigdheid daar in gedrag uiting aan te geven, bijvoorbeeld in de vorm van fysiek geweld. Bij intensivering past ook collectivisering van ervaring: het gezamenlijk deel hebben aan een collectief evenement, juist uit het verlangen naar gemeenschappelijke beleving. Popconcerten, voetbalwedstrijden, demonstraties e.d. ontlenen daar voor een belangrijk deel hun aantrekkingskracht aan.

7.Grenzen overschrijden, stellen, bepalen en afbakenen

Op dit moment is de intensivering de belangrijkste drijvende kracht. Er wordt op vele fronten gestreefd naar extreme combinaties van extremen. Een prachtig voorbeeld is de chipsindustrie. Chips moeten zich steeds sneller aanpassen aan de markt, sneller werken, kleiner worden, een zeer hoge kwaliteit hebben en steeds goedkoper worden.

Door de intensivering ontstaat er een enorme druk op het planmatige handelen (productiemethoden en research). Men moet permanent de grenzen overschrijden.

De kosten om de noodzakelijke doorbraken te kunnen realiseren worden steeds hoger waardoor steeds minder partijen in de race blijven. De intensivering veroorzaakt extreme omstandigheden waardoor alleen extreme structuren kunnen overleven (bv. monopolies). De grote meerderheid sterft af (rat-race).

De intensivering is de motor achter het (neo-)kapitalisme. De ondernemingen die nu nog deel uitmaken van de rat-race zijn, net als de trill-seekers, op zoek naar mogelijkheden om zich aan wetten en regels te ontrekken. Vandaar de trek naar de lage lonen landen en enorme druk die men uitoefent op de overheden om alle belemmeringen weg te nemen. Aangezien de belangrijke spelers internationaal zijn georiënteerd zijn ze moeilijk te besturen door de lokale overheden.

De overheden hebben grote moeite om aan deze ontwikkeling grenzen te stellen. Bijzonder is dat zij dit wel doen ten aanzien van de burgers (verbod op roken, alcohol, drugs, …). Deze acties werken averechts. De burgers zijn niet meer gediend van een centraal regulerende overheid.

De intensivering wordt in stand gehouden omdat de consument gewend is geraakt aan de voordelen van het kapitalistische systeem. Hij kan steeds zonder al te grote problemen zijn steeds extremere behoeften bevredigen.

De ontwikkelingen van het SCP geprojecteert op het PoC-model.

Er is slechts één macht die deze ontwikkeling kan stoppen en dat is wederom de consument.

In dit geval wordt de consument niet aangesproken op zijn zintuigen maar op zijn verantwoordelijkheidsgevoel (rekening houden met de ander).

Hij bepaalt zijn eigen grenzen. De individualisering is op de lange termijn de remmende kracht van de intensivering.

De roep om verantwoordelijkheid dwingt de ondernemingen om maatschappelijk verantwoord te gaan ondernemen.

Deze trend werd eerst als marketinginstrument gebruikt maar de intelligente consument heeft dit snel door.

Integriteit speelt een steeds grotere rol in de beoordeling van de ander.

Individualisering kan leiden tot egoïsme.

Het kan ook leiden tot het omgekeerde, altruïsme.

De egoïst wil alles alleen doen. De altruïst wil samenwerken. Deze samenwerking vindt echter alleen plaats als de relatie met de ander meerwaarde oplevert (complementariteit).

De individualist gelooft heilig in wat hij zelf heeft uitgevonden. Wat anderen vinden of wat door een autoriteit als de absolute waarheid wordt gebracht wantrouwt hij onmiddellijk.

Een altruïst kan echter zeer gelovig zijn. Zijn geloof is echter een persoonlijk geloof en niet het geloof dat door de instituties wordt opgedrongen.

De altruïst gelooft in grote samenhangen (de kosmos, de aarde, de natuur). Hij is een holist[2] bij uitstek. Zijn streven is er op gericht om deze samenhangen te behouden.

8. Wat is in 2019 van uitgekomen?

1. Snel veranderend mediagebruik.

We dachten destijds dat er in 2020 minder zou worden gelezen. Het televisiekijken (de belangrijkste vrijetijdsbesteding van de Nederlander) zou stabiliseren in aantal uren,

maar ook steeds verder verschuiven naar de commerciële zenders, en het ICT-gebruik zou nog steeds in opmars zijn. Hoe jonger, hoe sterker deze trends zouden zijn. Voor de toekomst werd verwacht dat het mediagebruik zowel door eigen bezit als door betere technische mogelijkheden om zelfstandig thuis te programmeren en muziek en beeld vast te leggen, verder zou individualiseren.

‘Streamen bestond nog niet’
Deze voorspelling is uitgekomen. Het grootste verschil is dat het kijken niet zozeer verschoven is naar commerciële zenders, maar naar andere vormen van kijken (streamen, uitgesteld kijken, maar dat waren termen die in 2004 nog niet uitgevonden waren. De meest recente inzichten in mediagebruik zijn overigens te zien in het recent verschenen rapport Media:Tijd.  

2. Het geslacht van je kind kiezen

De helft van de Nederlanders dacht weliswaar dat dit in 2020 zou kunnen, maar ruim 90% gaf ook aan dit (zeer) onwenselijk te vinden.

En dat klopt ook. Want ja, technisch gezien kan het wel, onze moraal is nog niet veranderd. Uit het maatschappelijk debat komt naar voren dat we genderklinieken voor zwangere vrouwen onwenselijk vinden. Verandering van geslacht op volwassen leeftijd (transgenders) heeft inmiddels wel ingang gevonden.

3. Acceptatie rondom euthanasie

Ook over andere grote levensvragen werden uitspraken gedaan: Zo verwachtte 71% dat in 2020 ‘euthanasie algemeen geaccepteerd’  zou zijn. Bijna evenveel mensen (72%) vonden dat ook (zeer) wenselijk.

Ook deze voorspelling is uitgekomen, wanneer het gaat om euthanasie bij ondraaglijk lijden van de persoon. De huidige discussie over levensbeëindiging bij ondraaglijk leven was toen nog niet in beeld.

4. Vereenzaming

Destijds dacht 80% van de bevolking dat in 2020 meer mensen vereenzaamd en vervuild zouden worden aangetroffen en 90% verwachtte dat er dan meer zieke mensen afhankelijk zouden zijn van hun familie. Bovendien vond vrijwel iedereen dat onwenselijk.

Ook deze voorspelling is uitgekomen hoewel vrijwel iedereen dat dus destijds onwenselijk vond.

Het aantal eenzame mensen is toegenomen. De afhankelijkheid van mantelzorgers is eveneens toegenomen. Zie hierover ook ons magazine Mantelzorg.

5. Bevolking kijkt soms rooskleuriger

Opvallend om te zien is dat de bevolking soms wat rooskleuriger naar de toekomst lijkt te kijken, zoals in het geval van behandeling bij ziekten als dementie of kanker. Medici gaven aan geen grote doorbraken in de behandeling van dementie, kanker, reuma en astma te verwachten, in de periode tot 2020. En dat is ook uitgekomen.  De bevolking had daar een heel andere kijk op: volgens 40%-50% zouden dan de oorzaken van deze ziekten bekend zijn en kon genezing ‘meestal volledig’ zijn.

6. Een elektronisch patiëntendossier

Hetzelfde geldt voor een zorgnummer of patiëntendossier. ‘In 2020 zal er zeker per patiënt een uniek zorgnummer en één elektronisch patiëntendossier zijn’, aldus de bevolking. Er is inmiddels een uniek zorgnummer, maar nog geen algemeen patiëntendossier.

7. Internet anywhere, anytime

Het percentage Nederlanders dat thuis toegang heeft tot internet nam toe van 21% in 1998 tot 74% in 2004. De voorspelling was dat 82% van de bevolking in 2007 online zou zijn.

Volgens de CBS publicatie Digitale economie 2007 had in 2004 77% van de personen van 12-74 jaar in particuliere huishoudens thuis toegang tot internet. In 2007 was dat aandeel al gestegen tot 88%. Nu in 2019 is zelfs 97% van de bevolking online (Statline). De verspreiding van internet is zelfs nog iets sneller gegaan dan gedacht. Destijds spitste de discussie zich toe op het hebben van een breedband aansluiting. De eerste iPhone zou in 2006 op de markt komen. In SCR 2004 schreven we destijds: ‘De snelle verspreiding van de mobiele telefoon biedt echter wel zicht op toekomstige mogelijkheden voor een flexibeler internetgebruik.’ Maar dat internetgebruik zo snel anywhere, anytime zou zijn is in SCR 2004 niet voorzien.

8. Bang voor cybercriminaliteit

Zeer veel mensen (87%) hielden er in 2004 rekening mee dat door de ICT-ontwikkelingen de face-to-face dienstverlening zou verdwijnen. Daarnaast was de helft van de bevolking bang voor een information overload en was 82% bang voor cybercriminaliteit.

Er zijn inderdaad veel bankfilialen, postkantoren, loketten met kaartverkoop (bijv. NS) en dergelijke gesloten. Weinig mensen zijn in behandeling voor information overload, maar wel wordt er geklaagd over sociale druk door het gebruik van sociale media en gameverslaving. Cyber criminaliteit is nog steeds iets om bang voor te zijn.

9. We gaan ouder met pensioen

Maar liefst 66% van de bevolking sprak de verwachting uit dat de pensioenleeftijd in 2020 hoger dan 65 jaar zal zijn. En dat is uitgekomen; de pensioenleeftijd is in 2020 66 jaar en 4 maanden.

10. Minder sociale voorzieningen

Bijna driekwart van de bevolking voorspelde dat de sociale zekerheid ‘minder zou worden’. Maar liefst 70 à 80% verwachtte dat uitkeringsgerechtigden, inclusief AOW’ers, meer problemen zullen hebben om van de uitkering rond te komen. Ook dit klopt, de koopkracht van de uitkeringsgerechtigden is achtergebleven bij die van werkenden (zie CBS 2019, Koopkrachtontwikkeling personen; huishoudenskenmerken).

Hadden we het in 2004 dan alleen maar bij het rechte eind? Nee, en dat is ook onmogelijk. Zo dachten we bijvoorbeeld dat we inmiddels zelf konden beslissen of we pensioen wilde opbouwen of niet, dat gepensioneerden ook AOW zouden moeten betalen en dat er een daling in deelname in vrijwilligerswerk zou zijn.

9. Links.

Wat dachten de Babyboomers van de Toekomst?

[1] Een voorbeeld is enorme opkomst van project-koren in plaats van vaste koren. Men doet mee om een bepaald werk uit te voeren. Daarna wordt de intensieve samenwerking weer beëindigd.

[2]Holisme (Grieks: holon: het geheel) is het idee dat de eigenschappen van een systeem niet kunnen worden verklaard door de som van alleen zijn componenten te nemen. Elk geheel ontleent uiteraard kenmerken aan de samenstellende delen, maar ook (en wellicht meer) aan de samenhang of ordening van die delen en hun interactie zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Holisme

MOVING UP and MOVING DOWN.

Ideas and opinions about the connection between small scale specialized human networks and large scale collaborative IT-technology.

Written: April-193..

Contents

1. Introduction. 3

2. Smart Customer Networks. 5

3. From Mass Production to Smart Customer Networks. 6

4. From General-Purpose Computers to General-Purpose Technology. 8

4.1. Introduction. 8

4.2. The General Purpose Computer 8

4.3. Integration Problems. 8

4.4. Competing Infrastructures. 9

4.5. General-Purpose Collaboration Technology. 10

5. Understanding the Customer 13

5.1. Introduction. 13

5.2. Mental Space. 13

5.3. Understanding the Mental Space of the Customer 15

6. Specialized Cooperating Human Networks. 18

6.1. Introduction. 18

6.2. The Basic Roles in a Network. 18

6.3. Cooperation. 20

6.4. Innovation, Sharing Ideas. 21

6.5. Connecting Patterns. 21

6.6. Quality Management 21

6.7. Competition. 21

7. Human Scale Technology. 23

7.1. Introduction. 23

7.2. The Basic Human Tools. 23

7.3. The Invisible Servant 25

7.4. From the General-Purpose Computer to the Appliance. 26

8. The Collaboration System.. 27

8.1. Introduction. 27

8.2. Systems, Sensors, Servants and Appliances. 27

8.3. Designing for Change. 29

8.4. The Communication System.. 29

8.5. Reusing Sensors and Comparators, The Cyber Warehouse. 29

8.6. Incorporating Legacy Systems. 29

8.7. The Collaboration System.. 30

8.8. Supporting Specialized Human Networks. 30
1. Introduction

For a long time people believed that, the world had entered a period of sustained growth (the long boom) that could eventually double the world’s economy every dozen years. New waves of technology would lead to big productivity increases that would cause high economic growth.

The long boom assumed an evolutionary process where governments, companies and consumers could easily absorb new waves of technologies. In practice, new technologies act as a shockwave.  Every time when companies become aware of the shockwave (a hype), they react quickly. The wave acts as a threat (the competition will beat us if we don’t act) and at the same time as an attractor (it will generate high benefits for us if we win). Therefore, everybody starts to experiment, sometimes on a very large scale. After a long time best practices emerge and the new technology is absorbed.  At that moment it becomes often clear that the technology has a completely different effect than everybody thought it would have. Most of the time there are many losers and a few winners.

Not many technologies keep their promise (e.g. Client/Server, E-Commerce). The frequency of shockwaves is much higher than the absorption time of the new technology. The effect is that companies are in many stages of adoption at the same time. More and more managers are very skeptic and hesitant to start a new absorption wave. They are left with many layers of software. Some of the software-layers are so old that almost nobody knows what is does or how to get rid of it. Most of the companies first want to clean the mess of all the waves that hit their company before they start with something new. The big problem is that the software-industry never stops to launch new shockwaves and nobody knows for sure if the new wave (perhaps for the first time) will keep its promise or his threat.

Behind the scene, something else is happening. Western culture is encountering a paradigm shift. Slowly the era of rationalism is ending.  The rationalists were obsessed by objectivity and perfection. In their view, objectivity and perfection can only be accomplished by controlling the subjective parts, the emotions (detracting the brain) and the imagination (creating illusions) by the logical reasoning of the intelligent calculating machine, the brain. The rationalists created the big corporations (with the brain at the top), the general-purpose computer (with the brain in the operating system) and the standardized mass production systems that eliminated the craftsman and replaced him with the perfect objective human, the robot. The brain is not capable to understand the effects of his interventions in nature and society anymore. His aim to control has the opposite effect. Nature and society are complex systems with many unknown short-term and long-term feedback loops.

The new paradigm takes its metaphors out of biology. The world consists of numerous networks of cooperating and competing human agents. A network is uniquely determined by its human- and technology-patterns. These patterns act as an imaginary boundary. They shield the network from changes in the environment.  New participants have to learn to use the technology and the internal procedures to survive in the network. The behavior of the human participants in a network changes slowly. When they do not like the network, they move to another. Human members come and go but the technology-patterns of the network stay alive.

On a high level, we can see that the opening of a new space of possibilities causes the movement of all the networks. When one of the networks moves into the new space, others have to follow in due time. The movement of a network can be slowed down by physical boundaries (islands, mountains), physical space itself (traveling) and cultural boundaries (languages).

The invention of symbols opened up mental space. It caused a major change in human society by enabling the creation of writing, mathematics and the development of the automatic calculator, the Computer. The Internet is opening a vast new space (Cyberspace) of new opportunities on two levels. It makes new technology-patterns possible and it facilitates the bridging of human networks (communication). The last factor will speed up of the movement of networks heavily. New networks and new patterns of behavior (products, services, cultures) will arise (and fade away) that nobody has ever imagined.

The Internet is enabling a level of collaborative creativity that was not possible before. The corporations try to manage the collaborative creativity by giving the customer a choice (mass customization), speeding up the product development processes by introducing advanced systems of product life cycle management and involve the customer in de product-design (customer-innovation). Outside the corporations, consumers and small flexible specialized companies merge spontaneously into networks that produce unique products that carry the signature of the craftsman again.  In the future big corporations, consumers and small-scale businesses will merge and create a completely new business-ecology.

The Internet and its new general purpose technology-patterns will make it possible to move down to the human scale of cooperation, the network. By connecting the networks, the world will move up to a level of collaboration that was never possible before in history.

2. Smart Customer Networks

When a customer connects his multimedia PC, using a broadband connection (e.g. ADSL), to the Internet an enormous amount of possibilities confront him.  He can download and share software, music and movies, buy almost everything he wants for the lowest price (often for free), arrange his own holiday, learn more about a subject than a specialist, join a specialized community and communicate (without using the telephone-network) with his friends, colleagues and family everywhere in the world by means of text, voice or video.

To make use of all the possibilities of the Internet the customer has to learn new skills. He learns a lot by trial and error. When he is in trouble friends and relatives that are more advanced help him. After some time the customer becomes an experienced user of the Internet. He changes into a smart customer and becomes a trusted expert in his field of interest. Every time when he finds out a new possibility, he communicates it to his network. The people that trust his expertise join him to use the new feature in a very short time.

Smart customers become smart citizens when they want to use political pressure to accomplish something. They join or create pressure groups. When a smart customer gets sick he becomes a smart patient. He searches the Internet to find the cause of his problems, joins a community of people with the same illness, asks an expert for advice and gives all the information he has gathered to his general practitioner or his medical specialist. There he negotiates his treatment. If he does not get the medicine he wants he is able to buy it somewhere on the Internet.

Most of the companies and government agencies cannot capture the smart consumer. He is navigating from vendor to vendor, from one pressure group to another, always looking for the best fit. The needs of this kind of customer are constantly changing and expanding. Smart customers are not only buying services in the network, they are inventing, developing and selling their own products combining components from different vendors.

Smart customers can save a company and governments a lot of money. They take over the activities of high paid specialists. Vendors that understand this issue, cooperate with the customer in every stage of their processes. They let them sell the product (through their personal network), make it possible to assemble their own combinations, give them information about the state of the process, help them to enhance their network and skills and let them even participate in the development of new products.

Not everybody has the time, the money, the facilities, the network or the capabilities to make optimal use of all the opportunities of the Internet. The number of smart consumers and the amount of smart customer networks is growing very rapidly. They are leading a new revolution that will change the marketplace and eventually every aspect of our culture.

3. From Mass Production to Smart Customer Networks

The Industrial age is the age of mass production. The Taylor school of management dominated the organization of business. Taylor believed one should manage people (and customers) in the same way one manages inanimate assets and the machines on which people work. Mechanization and standardization of components and interfaces, careful supervision of quality standards, and minute division of labor characterize the mass production process itself. The division of labor was accomplished by breaking down work into simple, repetitive tasks eliminating unnecessary motion and limiting the handling of different tools and parts. The consequent reduction in production time and the ability to replace craftsmen with lower-paid, unskilled workers or even robots resulted in lower production costs and a less expensive final product.

After the phase of mass production, the industry is now in the phase of mass customization. By carefully standardizing it is possible to make a distinction between components that customers like to vary (mostly visible) and parts that are part of the essential  (invisible) infrastructure. A good example is the production line of Dell computers where customers can choose their own configuration.

A next step is to involve the customer in the design-process of the product (Customer Innovation). Companies like BMW or Audi give customers already access to innovation platforms where average drivers are invited to create the next generation of cars.

The move from Mass Production to Smart Customer Networks is the move from one united production and sales model aimed at the customer, to a network-model involving the customer in all stages. The challenge is to combine large-scale mass-production with small-scale user-involvement.  It will be impossible to coordinate all the processes from one single point of control. Many coordinators have to synchronize their activities.

Manufacturers, retailers and customers have to act together in a collaboration network. Retailers and suppliers have to maintain customer relationships by sharing customers, margins, and intangibles like brand, as well as jointly planning marketing, merchandising, and sales activities and becoming more like companions (in a good marriage) than master and servant.

Mass Customization and Customer Innovation puts a high strain on the customer. The amount of choices a customer has to make is constantly increasing. The number of possible combinations of components that relate to a product and to a combination of components of different products will soon surpass the complexity a human being can handle. People simply do not have the time and the cognitive capacity to make all the choices that are needed. This problem can only be resolved when product-developers take the capabilities of the complete human cognition system into account.

Mass Customization and Customer Innovation give the customer a small stake in the business cycle. The customer is treated as a consumer and not as a co-producer. All the major design-decisions are still made by the executives in the corporation. In the future customers want to be treated on an even footing.

If customers really get frustrated, they can generate an enormous collective power. With this power, they can change the policies of a corporation (e.g. the Brent Spar affair of Shell) or even take over the complete business cycle. An example is the Open Source Movement where a network of programmers wanted to destroy the monopoly of the big software corporations on operating systems. They developed a new free-ware operating system called Linux. The corporations are now trying to stop this fatal development by taking over the commercializing of the product (Red Hat) and by fighting the developers in court because they have infringed their patents.

A war between consumers united in Smart Customer Networks and the Big Corporations is not in the benefit of both the competitors. They have to cooperate and combine their expertise. The big problem is that organizations, supply chains and their supporting systems were never designed to be demand driven. The challenge is to find an evolutionary path where a new fully collaborative infrastructure cooperates with the existing legacy-systems and business-processes.

4. From General-Purpose Computers to General-Purpose Technology

4.1. Introduction

The IT-Industry has evolved in nearly 50 years. In that timeframe, it became the most influential business in the Industry. Everybody is completely dependent on the computer and its software. The IT-Industry has gone through various technology waves. The waves generated integration problems that were solved by the construction of abstraction layers. The layers not only solved problems. They also created new problems that were solved by other layers. The effect of all intertwining layers is an almost incomprehensible, not manageable, software-complex. The main reason behind this development is the architecture of the general-purpose computer. It was developed to control and not to collaborate. The Internet makes it possible to leave the prison of the general-purpose computer and to move to a new collaborative infrastructure that supports general-purpose IT-Technology.

4.2. The General Purpose Computer

Charles Babbage invented the first computer (the Difference Engine) in 1833. Babbage wanted to automate the calculation of mathematical tables. His engine consisted of four parts called the mill (the Central Processing Unit, the Operating System), the Store (the database), the Reader, and the Printer. The machine was steam-driven and run by one attendant. The Reader used punched cards. Babbage invented a programming-language and a compiler to translate symbols into numbers. He worked together with the first programmer, Lady Lovelace who invented the term bug (a defect in a program). The project of Babbage stopped because nobody wanted to finance him anymore.

It was not until 1954 that a real (business-) market for computers began to emerge by the creation of the IBM 650. The machines of the early 1950s were not much more capable than Charles Babbage’s Analytical Engine of the 1830s. Around 1964 IBM gave birth to the general-purpose computer, the mainframe, in its 360-architecture (360 means all-round). The 360/370-architecture is one of the most durable artifacts of the computer age. It was so successful that it almost created a monopoly for IBM. Just one company, Microsoft, has succeeded to beat IBM by creating the general-purpose computer for the consumer (the PC).

IBM and Microsoft are both protecting their markets by developing technology that is difficult to connect. Both are moving to the same area, the connection-point between the PC and the Mainframe (the Server), creating tremendous integration problems.

4.3. Integration Problems

Programming a computer in machine code is very difficult. To hide the complexity a higher level of abstraction  (a programming language) was created that shielded the complexity of the lower layer (the machine code). A compiler translated the program back to the machine code.  Three languages (Fortran, Algol and COBOL) were constructed. They covered the major problem-area’s (Industry, Science and Banking) of that time.

When the problem-domains interfered, companies were confronted with integration problems. IBM tried to unify all the major programming-languages (COBOL, Algol and Fortran) by introducing a new standard language, PL1. This approach failed. Companies did not want to convert all their existing programs to the new standard and programmers got accustomed to a language. They did not want to loose the experience they had acquired. Integration by standardizing on one language has been tried many times  (Java, C-Sharp). It will always fail for the same reasons. All the efforts to unify produce the opposite effect, an enormous diversity of languages.

To cope with this problem a new abstraction layer was invented. The processes and data-structures of a company were analyzed and stored in a repository (an abstraction of a database). The program-generator made it possible to generate programs in all the major languages. It was not possible to re-engineer all the legacy-systems to this abstraction-level. To solve this problem a compensating integration-layer, Enterprise Architecture Integration, was designed

The PC democratized IT. Millions of consumers bought their own PC and started to develop applications using the tools available. They were not capable to connect their PC’s to the mainframe and to acquire the data they needed out of the central databases of the company. New integration layers (Client-Server Computing and Data-Warehouses) were added.

Employees connected their personal PC to the Internet and found out that they could communicate and share software with friends and colleagues all over the world. To prohibit the entrance of unwanted intruders, companies shielded their private environment by the implementation of firewalls. Employees were unable to connect their personal environment with their corporate environment. A new integration problem, security, became visible and has to be solved.

It looks like every solution of an integration problem creates a new integration problem in the future.

4.4. Competing Infrastructures

The process of creating bridges to connect disconnect layers of software is going on and on. The big problem is that the bridges were not created out of a long time perspective. They were created bottom up, to solve an urgent problem.

IT-technology shows all the stages of a growing child. At this moment, companies have to manage and to connect many highly intermingled layers related to almost every step in the maturing process of the computer and its software. Nobody understands the functionality of the whole and can predict the combined behavior of all the different parts. The effort to maintain and change a complex software-infrastructure is increasing exponentially.

The IT Industry has changed his tools and infrastructure so often that the software-developer had to become an inventor. He is constantly exploring new technical possibilities not able to stabilize his craft. When a developer is used to a tool he does not want to replace it with another. Most developers do not get the time to gain experience in the new tools and technologies. They have to work in high priority projects. Often the skills that are needed to make use of the new developments are hired outside. The effect is that the internal developers are focused on maintaining the installed base and get further behind. In the end, the only solution that is left is to outsource the IT-department creating communication problems.

After more than 40 years of software-development, the complexity of the current IT-environment has become overwhelming. The related management costs are beginning to consume any productivity gain that they may be achieving from new technologies. It is almost impossible to use new technology because 70 to 90% of the IT budget is spent on keeping existing systems running. If new functionality is developed, only 30% of the projects are successful. If the complexity to develop software is not reduced, it will take 200 million highly specialized workers to support the billion people and businesses that will be connected via the Internet.

4.5. General-Purpose Collaboration Technology

In the manufacturing industry, the principles of generalization and specialization are visible. Collaboration makes it possible to create flexible standards and a general-purpose infrastructure to support the standards. When the infrastructure is established, competition and specialization starts. Cars use a standardized essential infrastructure that makes it possible to use standardized components from different vendors. Car vendors are not competing on the level of the essential infrastructure. The big problem is that IT-Industry is still fighting on the level of the essential infrastructure, blocking specialization. To keep their market share the software has to stay in the abstraction framework (the general purpose architecture) they are selling and controlling.

A new collaborative IT-infrastructure is arising that is able to solve the current integration problems. The new infrastructure makes it possible to specialize and simplify programs (now called services). Specialized messages (comparable to the components in the car industry), transported over the Internet, connect the services. This approach makes it much easier to change the connections between the services.

The World Wide Web Consortium (W3C), founded in October 1994, is leading the development of this new collaborative infrastructure. W3C has a commitment to look after the interest of the community instead of business. The influence of W3C is remarkable.   The big competitive IT-companies in the market were more or less forced to use the standards created by the consortium. They were unable to create their own interpretation because the standards are produced as open source software.

The basis of the new collaborative foundation is XML (eXtensible Markup Language). XML is a flexible way to create “self-describing data” and to share both the format (the syntax) and the data on the World Wide Web. XML describes the syntax of information.

XML has enabled a new general-purpose technology-concept, called Web-Services. The concept is comparable to the use of containers in intermodal shipping. A container enables the transport a diversity of goods (data, programs, content) from one point to another point. At the destination, the container can be opened. The receiver can rearrange the goods and send them to another place. He can also put the goods in his warehouse and add value by assembling a new product. When the product is ready it can be send with a container to other assembly lines or to retailers to sell the product to consumers.

Web-Services use the following standards:

  • SOAP

SOAP is the container. It standardizes the exchange of envelopes containing data, programs and content. 

  • WSDL

WSDL (Web Services Definition Language) enables a flexible software-assembly-process. It does this by standardizing the Application Program Interface (API’s).  API’s are used to connect software-components (now called Services).

  • UDDI

UDDI (Universal Description, Discovery and Integration) identifies the appropriate warehouse, where Services are stored.  

  • URI

URI (Uniform Resource Locator) identifies the computer where a resource can be located. A resource can be a page of text, a video or sound clip, a still or animated image, or a program.

Web-Services facilitate the flow of complex data-structures (services, data, content) through the Internet. Services, can rearrange data-structures, ad value by combining them with other data-structures and can send the result to other services. 

All kinds of specialized data-structures are defined that are meant to let specialized services act on them. An example is taxation (XML TC). XML TC (a part of the Oasis standards organization) focuses on the development of a common vocabulary that will allow participants to unambiguously identify the tax related information exchanged within a particular business context. The benefits envisioned will include dramatic reductions in development of jurisdictionally specific applications, interchange standards for software vendors, and tax agencies alike. In addition, tax-paying constituents will benefit from increased services from tax agencies. Service providers will benefit due to more flexible interchange formats and reduced development efforts. Lastly, CRM, payroll, financial and other system developers will enjoy reduced development costs and schedules when integrating their systems with tax reporting and compliance systems.

Web-Services are the next shockwave that is bringing the IT-community into a state of fear and attraction. Their promise is lower development cost, and a much simpler architecture. Their threat is that the competition will make a better use of all the new possibilities. The same pattern emerges. Their installed base of software slows most of the companies down. They will react by first creating an isolated software-environment and will have big problems in the future to connect the old part with the new part. 

Web-Services will generate a worldwide marketplace for services. They are now a threat to all the current vendors of big software-packages. In essence, they have to rewrite all their legacy-software and make a split in generic components (most of them will be available for free) and essential services users really want to pay for. Big software-vendors will transform themselves into specialized market places (service-portals) where users can find and make use of high quality services. Other vendors will create advanced routing-centers where messages will be translated and send to the appropriate processor.

It will be difficult for small service-providers to get the attention and the trust of companies and consumers to make use of their services.  They will join in collaborative networks that are able to promote and secure their business. It is impossible to see if they will survive in the still competitive environment where big giants still have an enormous power to influence and a lot of money to create new services. If the big giants succeed, history will repeat itself. The new emerging software-ecology will slowly loose its diversity.

Web-services are an example of the principles of mass-customization and customer innovation. All the software-vendors are restructuring their big chunks of software into components that can be assembled to create a system. Small competitors and even customers will also create components. In due time the number of possible combinations of components that are able to create the same functionality will surpass the complexity a human (or a collective of human beings) can handle. We are faced with the same problem we encountered in Chapter 3. To solve this problem we have to find out what differs humans from machines.

5. Understanding the Customer

5.1. Introduction

Until now, this paper was focused on new developments in IT-technology. The last decade the rational approach has dominated the human being. In the next chapters, we will show what can be done to create technology that considers the human scale.   In the approach of Taylor and Ford, the employees and customers are treated as programmable machines.  The focus was on a perfect coordination of the senses, the muscles and the production system (the assembly line).  The emotions and the imagination were neglected. In mass customization, the emotions are involved. In customer innovation, the imagination is imperative. In a demand oriented system all the parts of the human cognitive system have to play a role in a coherent and balanced way. In this chapter a model of the individual human cognitive system (Mental Space) is presented that will be expanded to the group and the collective level in the next chapters.

5.2. Mental Space

The human body acts on its environment with messages and action-patterns. The incoming and outgoing messages are observed by the senses and transformed to an internal format. The internal communication system sends the messages to the appropriate place in the body. The emotions are always looking for danger. They want to control the priority of the actions to make it possible for the body to react immediately. The imagination creates an image of the outside world and helps the body to generate scenario’s to improve its action-patterns. 

  • The Senses

The senses are the connection to the physical outside world. They shield the human being from the enormous amount of signals that are trying to enter the body. They filter incoming data and transform the data in a standard internal format. When the senses detect an event, it is evaluated by the emotions. If the event is not important, nothing happens. It the event is unusual it becomes aware in the conscious. Events that are highly repeating are not noticed after some time. An internal program (an action-pattern) automates the handling of the event.

The muscles act in physical space. They acquire an enormous amount of reaction-patterns by repeated practicing. Humans learn from their failures. When the senses detect an event, many appropriate patterns are located and enabled. 

When the patterns enter mental space, they change into models. Complicated patterns are compressed into models. Humans use all kinds of compression techniques to make the world compact and therefore more understandable. Static models (e.g. an organization contains employees) compress the world in wholes (nouns) and parts (attributes). They create identities. Dynamic models (the employee sells a product) compress causal chains (event, actor, result). They make it possible to reason.

Models behave the same way as sensors do in physical space. They shield the mental space of the human being from the enormous amount of ideas that the imagination is producing.

The emotions act on hostile and friendly forces. They shield the body from physical injuries (avoiding pain) and take care of the self re-production process of the body (looking for food and a sexual partner).

The emotional system determines the amount of resources that is allocated to the evaluation and the search for adequate action patterns. If an event is dangerous, all resources in the body are used. The body reacts without thinking and uses a biological inherited and fast pattern (fight, flight, freeze, the primary emotions). If there is enough time to react, the emotional system evaluates its preferences and enables the preferred actions-patterns.

If the preferences are related to a long-term perspective, they enter mental space and the human has a choice to make. In the evaluation of long-term preferences, the other plays an important role. People want to take care of the other (family, friends, children), are afraid to get in to a conflict (dominance, status) and want to be praised by the other for what they are accomplishing.

Humans imagine (by creating pictures connected with feelings) what events they like to happen (a wish). When they are pessimistic, they imagine what events they do not want to happen (a fear).  The imagination is the innovative part of the human mental space that generates all kinds of new connections (ideas). The imagination is also the most free to play with new ideas. People can simulate and practice in their imagination without getting into trouble. The imagination produces the idea of the identity.

The imagination uses visual metaphors to create an understandable world. On the lowest level the metaphors are connect to the action patterns. The image of a cup is connected to picking up the cup, holding the cup and moving the cup. New structures are blended with old familiar structures. Many metaphors make use of the human understanding of technology.  Freud based his theory of the unconsciousness on his understanding of the steam-machine (“I am steamed up with emotions”). Many theories of the mind are based on the metaphor of the computer. People always relate new phenomena to something they already understand. They sometimes do this (in the eyes of others) in very strange ways.  A skilful teacher knows this and tries to find the bridge (the right metaphor, a story) between his world and the world of the student.

The way the human collaboration system works is comparable to the way web-services are communicating using the SOAP-standard.  In the human body, all the sub-systems (e.g. the services, the organs) are connected by shared communication-channels. There are fast (the nervous system) and slow reacting shared channels (the endocrine system). All the sub-systems use specific messenger-molecules to communicate their actions and act on incoming messengers.  Messengers materialize with every thought we create and with every emotion we feel. When a messenger enters the boundary of a sub-system, (e.g. a cell) it triggers messengers that are specific for that sub-system.

The action patterns make the muscles move according to a movements-plan that is stored in memory. The movement-plans of the muscles enable people to walk, to work (using tools) and to talk. In this last case, people communicate their intentions. The human communication contains a complicated mix of signals that are related to the emotions (e.g. visual expressions, gestures), the patterns (assertions) and the imagination (visual images, ideas).

5.3. Understanding the Mental Space of the Customer

People resist change. The patterns they have acquired control their behavior and determine their potential. People do not want to change their patterns dramatically. They want to acquire new patterns (by doing) without noticing the change. Only a major event (a critical moment), mostly with negative impact, can have a radical effect. If this event happens it takes a very long time to recover and get into harmony again. When people have to adjust their patterns too often, they experience stress and on the long run get sick.

If people cannot adjust their patterns, they have to involve the other parts of the cognitive system. When they involve the emotions, they have to set priorities and make a choice. People do not like making choices. They are incapable of evaluating all the possibilities. They can also make use of the senses and look at the real opportunities in the outside world. People are almost incapable of doing this because their imagination produces the images it wants to see. If the imagination really faces the facts, the identity is attacked. It feels powerless and unable to control his path of destiny. The last possibility a human has is to adjust the imagination. He has to realize that the possibilities he imagined were just illusions.

If everything stays the same, people get bored. They hope that an event will occur that relates to their wishes. People are the most satisfied if their environment produces just enough change (a challenge) they can cope with. They want a balance between the will (what they want, the imagination, variation) and their capabilities (what they are able to do, predictability, the patterns, their skills).

In a perfect demand oriented economy, a supplier has to provide a challenge to the customer. To provide this challenge the supplier has to understand the wishes and the fears (the imagination) of the customer, his behavior (the patterns) and the balance between the two parts. If the customer is out of balance the supplier has to help the customer to acquire new patterns (learning), help him to make a choice (advice) or show him the real opportunities (scenario’s) taking care of the customers identity.  

It is very difficult for a supplier to get accurate information. Most people are unable to make their behavioral patterns conscious. When people are asked about their opinion (an aspect of the emotions), they often do not want to offend the other and give proper answers. People only want to share their most secret wishes with people they trust (partner, family, friends). Correct information about the customer can only be acquired by carefully observing and analyzing the activities of the customer (what he is doing).  It is completely impossible for a company to observe the activities of all their customers. The only one who can do this is the customer himself.

Customers can observe their activities if they were able to gather personal activity-patterns, get the opportunity to analyze their behavior, and share their activity-patterns with others to get an advice. Most of the needed data is somewhere already available (patient records, buying behavior, payments etc) or can be made available by making connections to the tools the consumer is using in his personal- and work-environment (Emails, Content). The only thing that has to happen is that companies and government agencies make these patterns, which are most of the time privately owned by the customer, available.

It can be envisioned that in the far future all personal data is kept in a private space. Only the customer (the owner) can make the data available to others. This approach would prevent many problems in the current situation (e.g. spam). The last step in a perfect rational demand oriented system is reached when the personal activity-patterns are automatically transformed in standardized need-messages that are sent out to appropriate providers. It will be clear that the full realization of this concept will take a very long time.

Smart Customer Networks make it possible to use the group and not the individual as the level of communication and interaction. An open dialogue in a group gives the individual the opportunity to look in the mirror of the other and make his challenges more conscious. Others are able to observe every aspect of a person. Shared challenges give a group a common goal.

6. Specialized Cooperating Human Networks

6.1. Introduction

People have to cooperate to survive. Children need their parents to nurture and teach them. Parents need the help of their children when they are old. The basic principle behind cooperation is long-term reciprocity. People give something voluntary and sometimes for free to others or help the other trusting they get something of the same value back in the future. To survive people have to have a long-term perspective. They have to sustain their environment and the supporting infrastructures to make sure that there are enough people and tools to help them when they are old.

The need to survive created the basic level concept of cooperation (the tribe). The tribe transformed into higher and more complex levels of cooperation (town, guild, state, corporation) when human society evolved.

To coordinate the complex structures the mental concept of the many leveled hierarchy was formed. This concept fails when the environment of the organizational structure becomes turbulent. Hierarchies adapt too slowly to their environment. At this moment, hierarchies are falling apart in cooperating self-sustaining specialized network. The networks are gaining control over many activities that are now taking place at the level of the big corporation and the state.

This chapter contains a description of the basic roles in a specialized network. It describes the way networks can be connected and formulates the ways the members in the network have to cooperate to sustain the network.

6.2. The Basic Roles in a Network

A specialized network produces activities and products that are consumed by other specialized networks. To realize the output people have to play complementary roles. The basic roles can be constructed by a combination of two of the components in the human mental space described in Chapter 5.

When we use the four components of the mental space, we can distinguish six basic roles:

  • Craftsmen (Senses, Patterns)

A craftsman has acquired experience by practicing. Craftsmen do not like too much change. Change requires new practicing and keeps him from producing.  A craftsman loves to make what he sees. He learns by copying. Examples are carpenters, painters, musicians, technicians and programmers. The craftsmen are the producers in the network. In many cases, programmable machines can replace their activities. Craftsmen use specialized tools. If their processes are standardized a process-model can be used to coordinated their activities.

  • Entrepreneur (Senses, Emotions)

An entrepreneur feels what preferences people have. Examples are retailers and brokers. Entrepreneurs sell the products the network is producing and buy products the network needs. They also are the people that negotiate contracts and make connections to other specialized networks. Entrepreneurs use technologies like relationship-management-tools and procurement-systems.

  • Politicians (Emotions, Patterns)

A politician structures collective emotions by creating consensus. He feels the opinions of the collective, has the gift to influence opinions, and gets people into collaborative action.   A politician looks after the social cohesion in the network. He uses opinion polls and media.

  • Creators (Imagination, Patterns)

A creator visualizes the whole of a structure. A creator can balance variety (his imagination) and predictability (the patterns). Examples are composers, architects and designers. A creator designs the machines and the products the network is producing.

  • Motivator (Emotions, Imagination)

A motivator visualizes what makes people move forward. Motivators develop concepts.  Many of them operate in the media (actors, writers, poets and movie-directors). Motivators cannot live without variety. Other examples are coaches and psychiatrist. A motivator looks after the long-term perspective of the network by creating and implementing a shared vision.

  • Inventors (Senses, Imagination)

An inventor makes sense of his imagination. Inventors generate ideas and create prototypes (R&D). They use brainstorming tools and analyze trends.

The roles are not evenly distributed in the network. The majority of the people play the role of the producer, the craftsman. In the current situation, the basic roles are concentrated in specialized corporations (e.g. media, retail, production-plants) or   staff-department of big corporations. Many high talented people are already leaving the big corporations and take part of specialized networks. The amount of one-person-companies is increasing.

6.3. Cooperation

People can cooperate with persons that share with them one of their basic cognitive components. An entrepreneur can convince a craftsman what products people he has to sell. They are both practical people (the senses). A creator (e.g. an architect) can show a craftsman what to make. They share a focus on structure (patterns). When complementary roles are working in a cooperative environment, they join their forces in an open dialogue. This dialogue has many stages ranging from brainstorming (inventors take the lead) to realizing material structures (craftsman work together with creators).

Politicians, entrepreneurs and motivators can only perform if they are able to observe and express emotions (visual expressions, gestures). To ensure a successful cooperation they have to meet. New technologies like video-conferencing make it possible to cooperate anytime, any-place and anywhere. 

6.4. Innovation, Sharing Ideas

To collaborate people have to communicate face to face. In a competition patents (legal actions) and secrecy (rules and walls) shield ideas to prevent the competitor to take the lead.  In cooperation, ideas are shared to sustain the network.

The most used model in communication is the sender/receiver-model.  People send and receive content (e.g. email, documents, pictures, plans, designs) Specialized networks need advanced content-management systems to support this model of communication.

The sender/receiver-model supposes that the brain converts ideas directly into words and that another person can easily draw out the meaning of the ideas from the words. It assumes little effort to understand or interpret what is being conveyed. The sender/receiver-model only works if there is a high level of common conceptual understanding (a shared model) between all the people involved in the communication process. In reality, this is mostly not the case especially when experts (inventors, craftsman and creators) are communicating with laymen (entrepreneurs, motivators and politicians). The dialogue between an expert and a layman is often a monologue. The expert confuses the layman with all his knowledge and the layman is not capable of asking the right questions. In the end, the layman stops asking questions and accepts the situation. 

The sender/receiver-model reduces a specialized network to a production-process. The model lowers the social cohesion (politicians), reduces the external cooperation (entrepreneurs) and removes the long-term perspective of the network (motivators).

People have to invest time to understand (ask unsophisticated questions) and explain their ideas (inventions) in many ways. It also takes time to generate trust. Ideas of others have to be tried out (in the imagination or in the real world) to understand them. People have to have the opportunity to fail and learn from their mistakes. Sometimes they generate personal inventions that can be given back to the others to create reciprocity. Eventually ideas create new personal patterns that can be shown and praised by others.  Collaboration does not take place instantly but evolves in a cycle where the pleasure of finding things out is the motivator.

6.5. Connecting Patterns

Specialized networks can connect their production- and design-process by exchanging content, products, data-structures and transactions using the Internet.

6.6. Quality Management

Specialized networks can share experience and improve their behavior.

6.7. Competition

When people are pessimistic and afraid the other becomes the enemy. They shield themselves from the outside world by creating fixed boundaries (walls). To make sure that they get something in return they use a threat (e.g. physical force, the legal system). Before they start, they have to spend time to prevent a possible conflict (making contracts, detailed specifications). When people trust each other, they cannot wait to start.

The fear of losing something (possessions, status, existence) changes a collaborative relationship into a battle. In a competition, the focus is on winning and selfishness. Fear has a negative impact on the senses (tunnel view), the emotions (stress) and the imagination (creativity block). In a competition, priority is given to stay in front and to prohibited possible actions of the enemies. To win one has to predict and control by defining strict rules and make sure that people obey the rules. Internal and external competition finally kills a cooperative relationship. To prevent the move from cooperation to competition people have to sustain a free and open communicate-process.

7. Human Scale Technology

7.1. Introduction

Humans are the most advanced toolmakers in nature. The main reason is that they are the less specialized organisms. They need tools to survive. People are also the most complex organisms in nature. This complexity makes it possible to invent new possibilities and to work with specialized tools and animals (horse, cow, hammer, car, computer).

All the time people have tried to make a better living by inventing new tools. If the basic needs were met (food, housing, health, safety), people got the time to get their emotional system into balance (love, self-esteem) and satisfy their imagination (play, explore, self-actualization).

At this moment, the amount of leisure-time to enjoy family life, relax, play and explore is going down. The number of people with heavy levels of stress is growing. The pressure on the emotions is increased by the current state of technology. The tools have overlapping functionality, take too much of the attention, do not communicate with each other and dominate the human being.  

Tools have to be integrated completely in the cognitive system of the human being. If a tool takes over a part of the sensory-motor system (glasses, hammer, car) the imagination has to learn a new way to create the outside world. In the end, after practicing, people become united with their hammer or their car. They are not aware that they are carrying their glasses. If people have to practice too long or the tool is constantly intervening in their workflow the emotions get involved. They get frustrated and angry.  

7.2. The Basic Human Tools

When we use cognitive model of chapter 5, we can distinguish the basic human tools. In this document, they are called mover, memory, sensor, comparator, advisor and simulator. The tools were first invented to support basic human activities like talking, moving, looking and hearing, remembering and learning. In a later stage of development, the use of the tools generated a new space of exploration. In this space, new tools emerged. The invention of symbols started the exploration of Mental Space. Program Languages, Telecommunication and especially the Internet has opened up a new space to explore, called Cyberspace. 

  • Advisor or Master

Advisors and masters involve the emotions. An advisor helps to make a choice or to set priorities. A master (e.g. a physician, teacher, manager) makes a choice for a person. The Cyberspace version of the master and the advisor is the Expert System. It uses advanced ways of pattern-recognition (e.g. Neural Networks).

  • Simulator

Simulators stimulate the imagination. Theaters and movies are examples of passive simulators.  Games are actively involving many people. The Cyberspace version of the active simulator is the Collaborative Computer Game. The passive form can be seen in the Movie and the Television-program.

  • Memory

A memory archives the results of an internal or external dialogue. In the beginning, human communication was only verbal. Important issues to remember were incorporated in stories that were told from one generation to the other. When people specialized their activities, they needed a method (bookkeeping) to keep track of all the transfers. People invented symbols and the external memory to do this.  The writing-symbols made it possible to share and exchange memories (letters, books) without talking. Writing enabled the movement of memories. The library was invented to store the external memories and protect them from fading away. Cyberspace is filled with the versions of static and moving memory called the Electronic Message (Email, Transaction) and the Database. 

  • Mover

Movers were the first tools used in human society. A mover is an extension of the muscles. The first generation was invented to help the human move in physical space. Examples are hammers, cows, horses, steam-machines, cars, bicycles and robots. The next generation supported the movement of symbols (e.g. moving numbers) in mental space. The Difference Engine of Charles Babbage was invented to automate the calculation of mathematical tables. The most advance version of the mover, the telecommunication network, enables the movement of external memory’s in cyberspace.

  • Sensor 

Sensors transform and filter data. Glasses and hearing aids were invented to support people when they get old.  Humans looked at the stars and invented the telescope. In a later stage very advanced sensors were developed (Radio-telescope, MRI). They use complex statistical calculations to filter and transform the sampled data into pictures or sounds.

  • Comparator

Human survival and learning is based on comparing data and acting on the result. A comparator acts on an exception. To compare data a measurement instrument is needed and a agreement about the object of measure.

Human beings started to measure time and space a long time ago. It was needed to navigate and to predict the movement of the stars. In the first phase, the human body was used as a measure-instrument of space and the cycle of the sun and the moon as a measurement for time. The big problem with this approach was that every person and every place on earth came up with a different measurement and a different time. When the human networks started to connect, standardization on a global level became necessary.  The process of standardization of time and space took many ages. It needed numerous inventions in technology to support the process. The measure-instruments changed from mechanical devices (the clock) to software-devices.   

7.3. The Invisible Servant

A servant coordinates the activities of sensors, comparators and movers. Servants take over repetitive patterns.  Humans find these activities boring (not imaginative). A servant has to act invisible (a black box). When the use of a servant is prohibited, humans get frustrated. It has to be there all the time and do its job inconspicuous. With the help of the comparator and the sensor, the servant has to detect events and take appropriate action (coordinated movements, action patterns).

The big problem at this moment is the visibility and the interference of the servant in the human activity. People have to fill in the same form all the time. Processes stop in the middle of a company. The customer has to handover the data to the other processes. 

Humans do not like to be emotional involved in boring activities.  Therefore, the needs (their wishes) have to be defined in a very simple way. It must be possible to imagine the behavior of the complete system without knowing how the system is operating. 

A good example of a perfect servant is the central heating system. People define their needs (a temperature) and everything works. The temperature is a control variable that represents the performance of the total heating system. People are able to imagine the effect of adjusting the thermostat (a comparator) on the environment they live in. They do not need to know how the servant works. His behavior is hidden. The central heating system is a black box, loosely coupled with another invisible servant-system, the utility-system (gas, electricity).

7.4. From the General-Purpose Computer to the Appliance

The servant and its associates were in the first era of IT locked into the physical space of the general-purpose computer. They had to stay close together because of the speed of communication. The speed and the capacity of the telecommunication network is going up fast.  This makes it possible to specialize and connect computers (called Appliances). In the next chapter we will show how all the parts of the basic human tools will work together in the new exploration space, Cyberspace. 

8. The Collaboration System

8.1. Introduction

Collaboration of humans takes part at the level of the network. Participants create a network, share a common goal, exchange ideas, communicate intensively, specialize and create stable patterns of behavior. The specialization of the network takes place at the level of the creators and the craftsmen. They design and produce unique products.

The repetitive patterns of the craftsmen are automated and are transformed into invisible servants. The servants work together and exchange data. If the networks and the participants are not located on one physical place, they have to communicate using the Internet.

A network is uniquely determined by its human-and technology patterns. These patterns act as an imaginary boundary. They shield the network from changes in the environment.  New participants have to learn to handle the machines, the tools and the internal procedures. The have to accustom themselves to the patterns to survive in the network.

The internal patterns (the behavior) of the human participants in a network change. They learn new behavior by cooperating with other people outside the network. If the technology of the network is not adaptable, the most innovative participants get bored. They need a new challenge, leave the network and move forwards to another network. When the technology is not adapted, the networks dies and the most conservative participants (mostly the craftsmen) are suddenly out of work. To keep the network alive the technology has to adapt itself to the learning process of the participants in the network.

This chapter contains an abstract general IT-technology framework that supports connected specialized human networks working in cyberspace.

8.2. Systems, Sensors, Servants and Appliances

A system (a context, an ecology, a network, a collaboration system, a software-package, a legacy-system, a back-end, a client) is anything with a boundary. A system contains sub-systems and servants. 

When the system is a software-system, it needs an appliance (a specialized computer resource identified by an URI) to perform its activities. The appliance uses an operating system (now called a virtual machine) to calculate and to move objects internally and externally. It uses an internal and external memory (a database) to store its objects.

The activities of a system can be distributed over the Internet. Sub-systems can make use of other appliances to work with. The appliances can be localized by their URI. The objects that are needed to coordinate the activities of the appliances flow over the Internet from one appliance to another.

The boundary (A Sensor, an Interface) protects and sustains the identity of the system. It shields the system from unwanted intruders (filtering) and transforms input it wants to handle into an appropriate internal format.

A sensor can act in physical space  (a wall, a door, eyes, ears), in mental space (a model) and in cyberspace (a program). A sensor mirrors the patterns of the servants and the sub-systems in the system. A sensor connects external data that flows through the system with the internal patterns of the servant. Such a connection is called an Application Program Interface (API). API’s are defined with the XML/SOAP/WSDL-standard. The sensor has the same functionality inside out. It blocks output and transforms output into a format that the outside cyber-world can handle. Messages are send out to other systems.

A system consists of a dynamic assembly of many parts and relations. To manage the complexity of such a system the parts and their relations have to be bundled in independent servants (Services, Application Programs) that communicate with each other. 

In a well-defined system, it must be possible to remove and replace a servant without destroying the complete system. On the contrary, it must be impossible to divide a servant into different parts without destroying the component. A servant has to be invisible, rigid (undividable) and highly predictable.

8.3. Designing for Change

The environment of a system generates major and minor changes. Changes (events) take the form of structured data-objects, unstructured objects (e.g. documents) and assignments (e.g. change A to B). To realize a stable system, the system has to be designed to process the majority of the changes by its servants.  To accomplish this the famous 80-20 rule has to be applied (20% of the exceptions take 80% of the code). The exceptions are handled by comparators.  Comparators make it possible for the system to be adaptive.

An adaptive system has to contain just enough servants and comparators to articulate the expected behavior. When a system contains not enough comparators, his behavior is rigid. A legacy-system is an example. When a system contains too much comparators its behavior is too flexible. The system has grown out of its essential functionality. Vendors create over-articulated systems when they add new functionality without a real need of their customers.

It is merely impossible to design a well-articulated system in one step. Well-articulated systems have a long history of internal transformation. The transformation process has to have no effect on the environment of the system.

8.4. The Communication System

The servants have to communicate freely within the boundaries of the system. This is done by exchanging specialized data-structures (based on XML/SOAP-messages). When the messages pass their boundary, they have to travel to the appropriate system. The servants must be able to recognize the messages. This is accomplished by incorporating a matching instrument in the servant.

8.5. Reusing Sensors and Comparators, The Cyber Warehouse

The sensors and comparators are shared by other systems. They are stored in a specialized Cyber-Warehouse (based on the UDDI-standard). The systems are filed with the sensors and comparators they need when their appliances are activated.

8.6. Incorporating Legacy Systems

Most of the servants that have been developed are not well-articulated. In these legacy-systems, the data is fragmented. It travels around in the system in an obscure way. The system contains many entrances (Interfaces). Some of the interfaces give an entrance to a highway. Other interfaces lead to loops or dead-ends.  It will be very difficult to connect such a system to the collaborative infrastructure.

To connect a legacy-system it has to be divided into sub-systems, servants and comparators. After this is done the sub-systems, have to be enclosed (wrapped) by a boundary that is capable of transforming the external events in appropriate messages. It will be easier to connect modern systems (e.g. packages like SAP).  Most of them already have well-defined interfaces. 

8.7. The Collaboration System

The collaboration system emerges out of the behavior of the sub-systems and the servants connected by the communication-system. The collaboration-system acts on changes (events, signals) outside its environment. When a change enters the collaboration system, the communication system propagates the changes to the appropriate sub-systems or servants. The servants do their job. They combine the inputs they receive and produce output they send out to the system. Human beings can observe the behavior of the collaborative system using the Human Interaction Level.

8.8. Supporting Specialized Human Networks

The specialized human networks can be connected by incorporating their Process-Managers, their Commercial Systems (Buy, Sell) and their Quality-Management Systems into the Collaboration System.

Cooperation and Innovation needs Face-to-Face-Interaction. The results of the Interaction (Content) can be handled by the Collaboration System. When the messages have to reach the Human Interaction Level (now called a Client), they have to be transformed and incorporated in the appropriate tools (e.g. the Advisor, the Simulator).