De Huidige Politiek Als StraaT-Theater

J.Konstapel Leiden, 10-10-2025.

Dit is een vervolg op Ieder Mens is een Politieke Partij wat laat zien dat een politieke keuze een vorm is van zelfexpressie.

Je kiest iets wat op je lijkt.

de Eindfase

De Ipsos Eindfase-peiling is er. met een aantal interessante inzichten zoals onderstaande grafiek, die een patroon toont wat al heel lang (tot 1960) kan worden geconstateerd en ook weer overal ter wereld zichtbaar is.

Ik noemde het het Matriarchaat vs het Patriarchaat. wat min of meer weer past op Links, Rechts en Midden, wat taalkundig is opgeschoven, omdat er veel stoere mannelijke thema’s worden geïntroduceerd met als toponderwerp de door Mark Rutte slim gepushte dreiging van de Russen.

Links en rechts, vader en moeder houden het gezin van Nederland in evenwicht of blokkeren elkaar waarbij het volwassen kind (henri Bontebal) te hulp moet komen.

Analyse-profiel

Onderstaande plaatje toont het profiel wat de “voorspellers” gebruiken.

Als je politiek als straattoneel gebruikt, wordt het plotseling veel simpeler en blijkt dat Jan Claasen, zoals van ouds, de niet-gewenste waarheid onthult en omringd wordt door alle personages uit de commedia dell’arte.

Partijen zoals Ik

PVV-kiezers hebben geen interesse in inhoudelijke thema’s, maar herkennen iets van zichzelf in de partij en die herkenning wordt belichaamd door Geert Wilders zelf, de underdog, de straatvechter (Jan Claassen).

Als je diepe onderzoek gaat doen blijkt dat vrijwel overal te koppen.

De brenger van de boodschap bepaalt de boodschap grotendeels.

In dat kader heb ik met behulp van de inzichten van Mikhail Bakhtin het toneelstuk van het heden in kaart gebracht.

Het Nederlandse Politieke Carnaval: Een Bakhtiniaanse Analyse

Waarom de straatvechter wint van de technocraat

I. De Carnavaleske Conditie

Volgens Mikhail Bakhtin bevindt de Westerse beschaving zich sinds 1950 in een fundamentele overgangsperiode: de fase van het Carnaval. Na eeuwen van toenemende institutionalisering, rationalisering en wat hij noemt de “magisterial monologue” van experts en elites, breekt de centrifugale kracht van het volkse, het chaotische, het lichamelijke zich opnieuw baan. De Nederlandse politiek anno 2025 is een schoolvoorbeeld van deze dynamiek.

Waar de postoorlogse consensus-politiek nog functioneerde binnen de centripetale logica van verzuiling, overleg en technocratische beheersing, zien we sinds de opkomst van Fortuyn (2002) een onomkeerbare verschuiving naar wat Bakhtin “grotesque realism” noemt: politiek van het lichaam, de emotie, de straat. Niet toevallig valt deze breuk samen met de digitalisering van het publieke domein – het internet als ultieme heteroglossische ruimte waar alle stemmen, hoe dissonant ook, simultaan klinken.

II. Het Theater van de Archetypen

De huidige Nederlandse politieke arena functioneert niet langer als een rationeel deliberatief lichaam, maar als een commedia dell’arte waar herkenbare maskers hun eeuwenoude rollen spelen:

Jan Klaassen (Wilders) personifieert de carnavaleske omkering bij uitstek. De buitenstaander die met grove taal en directe lichamelijkheid (“gevoelens”, “buikgevoel”, “normale mensen”) de verfijnde elite belachelijk maakt. Zijn kracht ligt niet in intellectuele coherentie maar in performatieve authenticiteit – hij zegt wat “niet gezegd mag worden”, hij doorbreekt de codes van politieke correctheid. Dat zijn programma vol innerlijke tegenstrijdigheden zit (libertair én autoritair, anti-elite én deel van de elite) is irrelevant: in het carnaval gaat het om de tijdelijke opheffing van hiërarchieën, niet om consistentie.

De PVV’s structurele succes (ondanks of juist dankzij politieke isolatie) illustreert een Bakhtiniaans principe: in de Carnival-fase verliest de magisterial discourse haar normatieve kracht. Feiten, expertise, beleidscoherentie – de wapens van de technocraat – vinden geen grip op een publiek dat de maskers wil zien vallen.

Colombina (Van der Plas) speelt de slimme dienares die de heren overtroeft met boerenverstand. De BBB’s explosieve groei (van 0 naar 20 zetels in één verkiezing, provinciale dominantie) onthult hetzelfde mechanisme: onderschatte volkse wijsheid verslaat ijdele stedelijke sophisticatie. Haar kracht is dat zij het masker van nederigheid draagt zonder ironie – zij is wat ze voorgeeft, althans performatief. Waar Wilders de clown is die spot met macht, is Van der Plas de dienares die onbedoeld de meester verslaat.

Il Dottore (Omtzigt) representeert de tragische paradox van de technocraat in tijden van carnaval. Zijn obsessieve detaillisme, zijn stapels amendementen, zijn morele verontwaardiging over procedurefouten – dit zijn wapens uit het arsenaal van de magisterial monologue. NSC’s teleurstellende resultaat (20 zetels, intern rumoer, moeizame coalitiedeelname) toont aan dat expertise en integriteit in een carnavaleske context worden gelezen als pedanterie en wereldvreemdheid. De Dottore is de figuur die gelachen wordt, niet die lacht.

Pantalone (VVD) – de koopman die alles reduceert tot transactie – functioneert als conserverende kracht. De VVD probeert het carnaval te temmen door economische rationaliteit als ordenend principe te handhaven. Maar hun dramatische zetelverlies (34→24→24) en continue morele compromissen (gedoogsteun PVV, omtzigt-affaire, toeslagenaffaire) tonen de erosie van hun legitimiteit. De koopman heeft geen antwoord op existentiële vragen – en het carnaval stelt precies die vragen.

Il Capitano (Baudet) is de tragisch-komische opschepper die zijn eigen verhaal gelooft. FvD’s implosie (van 8 naar 3 zetels, intern bloedvergieten, personencultus) demonstreert het verschil tussen authentiek carnaval en narcisstisch theater. Baudet’s fout was dat hij probeerde de intellectuele superieur te zijn van zowel elite als volk – een onmogelijke positie in Bakhtins model, waar carnaval juist alle superioriteit opheft.

III. De Crisis van de Centripetale Kracht

Het dramatische falen van de huidige coalitie (PVV-VVD-NSC-BBB) is geen organisatorisch of persoonlijk falen, maar een structureel symptoom van wat Bakhtin beschrijft als het einde van de magisterial monologue. Je kunt geen stabiele regering vormen uit vier verschillende carnavalsmaskers – zeker niet wanneer drie daarvan (PVV, BBB, NSC) primair oppositie-energie representeren.

De technocratische reflex – meer regels, strakkere procedures, “bestuurlijke vernieuwing” – versterkt het probleem slechts. Elke nieuwe regel wordt gelezen als bewijs van elitaire wereldvreemdheid. Elke compromis als verraad van de “pure” boodschap. Dit is de paradox van centripetale controle in een centrifugale fase: hoe harder je probeert te systematiseren, hoe meer weerstand je oproept.

IV. De Heteroglossische Werkelijkheid

Bakhtin’s concept van heteroglossia – de gelijktijdige aanwezigheid van onverenigbare discoursen – verklaart waarom rationeel debat zo moeizaam verloopt. We leven niet in één gedeelde discursieve ruimte, maar in parallelle betekeniswerkelijkheden:

  • Het technisch-juridische discourse van Omtzigt
  • Het emotioneel-identitaire discourse van Wilders
  • Het praktisch-lokale discourse van Van der Plas
  • Het economisch-rationele discourse van de VVD
  • Het moreel-progressieve discourse van links

Deze discoursen zijn niet zomaar verschillende meningen binnen hetzelfde gesprek – het zijn fundamenteel verschillende chronotopen, verschillende tijd-ruimte configuraties met eigen logica, eigen helden, eigen narratieve structuren. Een toeslagenouder in Omtzigt’s chronotope is een slachtoffer van systeemfalen; in Wilders’ chronotope een bewijs van immigratieproblematiek; in VVD-chronotope een statistisch randgeval; in BBB-chronotope een vergeten provinciaal.

De media en sociale media versterken deze fragmentatie exponentieel. Waar de verzuilde samenleving nog georganiseerde zuilen had met zuil-overstijgende elites, hebben we nu atomistische filter bubbles zonder gemeenschappelijk referentiekader. Dit is heteroglossia in haar meest extreme vorm.

V. Waarom Links Verliest

De dramatische marginalisering van de traditionele sociaal-democratie (PvdA van 38 naar fusie met GroenLinks) en de structurele zwakte van links (GL-PvdA samen 25 zetels, minder dan PVV alleen) is vanuit Bakhtin perfect verklaarbaar.

Links probeert een utopisch-rationeel project te verdedigen (klimaatbeleid, sociale rechtvaardigheid, inclusiviteit) met een magisterial discourse vol “moet”, “hoort”, morele imperatieven en wetenschappelijke consensus. Dit is centripetale energie in een centrifugale tijd. Waar carnaval temporele bevrijding biedt (“nu mag alles”), biedt links temporele verplichting (“we moeten aan de toekomst denken”).

Bovendien heeft links haar verbinding met grotesque realism verloren. Waar de arbeidersbeweging ooit lichamelijk en materieel was (fabrieken, stakingen, vuile handen), is links nu abstract geworden (identiteitspolitiek, institutioneel racisme, intersectionaliteit). Het is discourse geworden dat over het lichaam praat, niet vanuit het lichaam spreekt.

Wilders’ genialiteit is dat hij links’ morele taal kapt (“discriminatie is fout”) en gewoon zegt: “Ik discrimineer en het voelt goed.” Dat is pure carnavaleske omkering.

VI. Het Chronotopische Conflict

De huidige politieke impasse is fundamenteel een chronotopisch conflict – verschillende partijen opereren in onverenigbare tijd-ruimte configuraties:

De Technocraat (Omtzigt, D66) leeft in een chronotope van procedurele toekomst: als we de juiste regels implementeren, komt het goed. Tijd is lineair-vooruitstrevend, ruimte is institutioneel. De knoop in het verhaal zit in het herstel van vertrouwen door correcte procedures.

De Straatvechter (Wilders, FvD-overblijfselen) leeft in mythische circulariteit: er was een verloren gouden tijd (homogeen Nederland), die kunnen we terugveroveren door de vijand te verslaan. Tijd is cyclisch-regressief, ruimte is territorium. De knoop zit in de definitieve confrontatie.

De Pragmaticus (VVD, BBB) leeft in transactionele tegenwoordigheid: wat werkt nu, voor mijn achterban? Tijd is opportunistisch, ruimte is lokaal-praktisch. Er ís geen knoop, alleen een reeks deals.

De Idealist (GL-PvdA) leeft in utopische progressie: we bouwen aan een betere toekomst volgens morele principes. Tijd is lineair-vooruitstrevend (maar moreel geladen), ruimte is universeel. De knoop zit in collectieve morele transformatie.

Deze chronotopen zijn fundamenteel incompatibel. Je kunt geen coalitieakkoord schrijven dat voldoet aan procedurele correctheid (Omtzigt), identitaire zuivering (Wilders), economische transactionaliteit (VVD) én morele progressie (oppositie). Elke formulering die de ene chronotope bevredigt, is verraad in de andere.

VII. De Weg Vooruit: Socratische Dialoog of Menippean Satire?

Bakhtin onderscheidt twee vormen van productieve dialoog:

Socratische dialoog: convergerend, zoekend naar waarheid door gezamenlijk onderzoek. Dit vereist erkenning van gedeelde onwetendheid en bereidheid om eigen posities te herzien. De huidige politieke cultuur maakt dit nagenoeg onmogelijk – elke concessie wordt gelezen als zwakte, elk compromis als verraad.

Menippean satire: divergerend, conflicterend, maar juist door extreme confrontatie nieuwe inzichten genererend. Deze vorm accepteert dat consensus onmogelijk is en zoekt naar creatieve fricties. Mogelijk is dit een realistischer model voor de huidige fase.

De vraag is echter: kan een samenleving bestuurd worden door Menippean satire? Of leidt permanente carnavaleske confrontatie uiteindelijk tot desintegratie?

VIII. Het Alibi van Zijn

Bakhtin’s meest urgente idee is misschien wel: “There is no alibi for being”. Je kunt niet wijzen naar procedures, naar de geschiedenis, naar experts, naar “het systeem” om je eigen verantwoordelijkheid te ontlopen. Elke politieke daad is een existentiële keuze waarvoor je persoonlijk verantwoordelijk bent.

Dit verklaart de bizarre paradox van de huidige coalitie: vier partijen die allemaal beweren “geen andere keuze” te hebben gehad. Wilders “moest” wel regeren na zijn overwinning. De VVD “kon” niet anders dan hem faciliteren. NSC “moest” wel meedoen om invloed te hebben. BBB “had geen alternatief”.

Dit is massale alibi-politiek – iedereen verschuilt zich achter structurele noodzaak terwijl ze persoonlijke macht uitoefenen. Het is het tegenovergestelde van wat Bakhtin bedoelt met authentieke dialoog: het wegduiken achter maskers in plaats van ze af te zetten.

IX. Conclusie: De Onafgeronde Symfonie

De Nederlandse politiek bevindt zich midden in wat Bakhtin beschreef als de chaotische fase van culturele transitie. De oude centripetale orde (verzuiling, consensus, technocratie) heeft haar legitimiteit verloren, maar de nieuwe centrifugale energie (populisme, identiteitspolitiek, directe democratie) heeft nog geen stabiele vorm gevonden.

Wilders’ structurele succes is geen aberratie maar een symptoom: hij speelt het carnavaleske spel beter dan wie ook. Van der Plas’ opkomst is geen toevalligheid maar een variatie op hetzelfde thema. Omtzigt’s frustratie is tragisch maar onvermijdelijk – de technocraat kan het carnaval niet temmen met spreadsheets.

De fundamentele vraag is niet “hoe krijgen we de politiek weer normaal?” maar “welke nieuwe chronotope ontstaat uit dit carnaval?” Bakhtin suggereert dat na het carnaval een nieuwe fase van Greek Romance komt – een tijd van heldenverhalen, van publieke figuren die getest worden door het lot. Misschien is dat wat we onbewust zoeken: niet procedures of beleidsplannen, maar helden met een verhaal.

Tot die tijd blijft de politiek wat zij nu is: een luidruchtig, chaotisch, soms hilarisch en vaak tragisch volkstoneel waar Jan Klaassen met zijn knuppel zwaait, Colombina de heren te slim af is, en Il Dottore met zijn boeken tegen een muur van onverschilligheid aanloopt.

Het carnaval is geen uitzondering. Het carnaval is de regel geworden. En wie dat niet begrijpt, heeft al verloren.