J.Konstapel,Leiden,12-9-2026.
Aanleiding
Artikel in de Volkskrant van vandaag “Francis ‘End of History’ Fukuyama geldt sinds 9/11 als naïeve wensdenker. Maar had hij niet juist gelijk?” geschreven door Joost de Vries.
Francis Fukuyama publiceerde deze maand zijn memoires. De kranten openden het oude dossier. Sinds 9/11 geldt hij als naïeve wensdenker. Nu vragen de recensenten: had hij niet juist gelijk?
Die vraag is niet te beantwoorden. Niet omdat ze moeilijk is. Maar omdat beide kampen op dezelfde vloer staan. Fukuyama en zijn critici delen één aanname: de mens wordt gedreven door een behoefte aan erkenning. Hij bouwde er zijn einde van de geschiedenis op. Zijn critici beschieten het gebouw en bekijken nooit de vloer.
Dit stuk bekijkt de vloer. Waar komt die aanname vandaan? Wie gaf haar aan wie door? En wat gebeurt er als je haar dateert?
De regel
Eén regel vooraf. Een schakel telt alleen als de overdracht aantoonbaar is. Iemand citeert, vertaalt, correspondeert, of staat voor de klas. Geen “tijdgeest”, geen “invloed in de lucht”. En het oudste zelfbeeld van de mens staat niet op schrift. Het is mondeling, en delen ervan leven nog. Een eerlijke keten begint dáár.
Zestigduizend jaar zonder de aanname
De San in zuidelijk Afrika dragen de oudste doorlopende afstammingslijn van de mensheid. Meer dan honderdduizend jaar. Hun overlevering is geen fossiel. Ze loopt door tot vandaag.
Australië levert de controleproef. Mensen wonen daar zo’n 65.000 jaar. In 2016 documenteerden twee onderzoekers, Nunn en Reid, kustverhalen op eenentwintig plekken rond het continent. Die verhalen beschrijven kustlijnen die na de ijstijd verdronken. De beschrijvingen kloppen. Dat is minstens zevenduizend jaar mondelinge overdracht, met behoud van feiten. Zonder schrift. Orale lijnen kunnen dragen.
En wat dragen die oudste lijnen? Geen tekort. Geen zondeval, geen verloren paradijs, geen oerschuld. De San verstonden de taal van dieren. Wie met dieren spreekt, staat niet buiten de wereld te zoeken naar een weg terug. Ook geen drift als motor. De mens is in deze tradities een knoop in één weefsel — verbonden met dieren, land, voorouders, weer. Denk aan een visnet. Een knoop mist het net niet. Een knoop concurreert niet met de andere knopen om aandacht. Een knoop houdt zijn kruising vast, en daardoor houdt het net.
Zestigduizend jaar menselijk zelfbeeld. En de twee ideeën die later het Westen gaan besturen — de mens als tekort, streven als motor — ontbreken. Ze zijn niet oer. Ze hebben een geboortedatum.
Streng één: het tekort
Het tekort-motief duikt voor het eerst op in Mesopotamië. Het Adapa-verhaal: een mens krijgt het voedsel van onsterfelijkheid aangeboden, eet niet op advies van een god, en verspeelt zo het eeuwige leven. Gilgamesj vindt de plant van het leven en raakt hem kwijt aan een slang. Voedsel, slang, verspeelde onsterfelijkheid. De onderdelen liggen klaar in Babylon.
Genesis zet ze in elkaar. De schrijvers kenden Babylon; delen van de tekst zijn tijdens of na de ballingschap geredigeerd. En hier verschuift de betekenis. Wat in Babylon een ongeluk was — een list, een slecht advies, een slang op het verkeerde moment — wordt een oordeel over de menselijke natuur. De mens ís voortaan wat hij verloor. Mens = tekort.
Paulus radicaliseert het. “Het goede dat ik wil, doe ik niet.” De val is geen gebeurtenis meer in het verleden. Ze is de toestand van ieder mens, van binnenuit.
Streng twee: het streven
De tweede streng is ouder dan Griekenland en reist mee met een taalfamilie. Taalvergelijking heeft een geërfde formule teruggevonden: het Griekse kleos aphthiton en het Vedische śravas akṣitam zijn woord voor woord dezelfde uitdrukking — “onvergankelijke roem”. Een erecultuur zat in de taal zelf.
Homerus geeft de streng zijn monument. Thymos is de zetel van drift en eergevoel. De woede van Achilles om geschonden eer drijft het hele epos. Let op wat thymos hier is: een vermogen. Een kracht die helden maakt. Geen symptoom van iets dat ontbreekt.
Plato geeft thymos een vaste plek in de ziel. Aristoteles brengt de eerdrift de politiek in. En één ding deed Plato niet: Genesis lezen. Dat kon niet — de Griekse vertaling kwam een eeuw na zijn dood. Twee onafhankelijke lijnen dus. Streven als vermogen. En, elders, onbekend bij de Grieken: de mens als tekort.
India bewijst die onafhankelijkheid. Het erfde dezelfde ereformule en bouwde er nooit een gevallen mens op; het kernprobleem werd onwetendheid, niet schuld. China heeft helemaal geen zondeval; bij Confucius is de mens onaf — te vormen, niet te herstellen. Er bestaan beschavingen die zonder deze aannamen denken. Dat is het bewijs dat het aannamen zíjn.
De las: Augustinus, rond het jaar 400
Augustinus is waar de twee strengen één ding worden.
Hij nam streng twee op via de Griekse filosofie, in Latijnse vertaling. Hij nam streng één op via Paulus. En toen laste hij ze aan elkaar, in één beroemde zin: “onrustig is ons hart tot het rust vindt in U.”
Kijk goed wat er in die zin gebeurt. Het Griekse streven — het vermogen, de kracht van helden — wordt omgeduid tot symptoom van het Paulinische tekort. Onrust is geen kracht meer. Onrust is heimwee. De motor van streng twee wordt vastgelast op het gat van streng één.
En in De stad van God voegt hij het tweede onderdeel toe dat Fukuyama later nodig heeft: de geschiedenis krijgt een richting en een eindpunt. De tijd gaat ergens heen. Het tekort wordt gevuld, aan het einde.
Vanaf hier geeft het Westen één gelast object door: een mens die bestaat uit een tekort, gedreven door een streven dat eigenlijk het tekort in beweging is, binnen een geschiedenis die naar de vulling van het tekort toeloopt. Elke latere schakel erft de las zonder de naad te zien.
De lijn omlaag
Hobbes (1651) knipt het eindpunt eraf. God verdwijnt, de onrust blijft: “verlangen na verlangen, dat pas eindigt in de dood.” Rusteloosheid wordt de permanente toestand van de mens.
Rousseau (1755) verplaatst de vulling. Niet God vult het tekort, maar de blik van anderen. Eigenwaarde bestaat voortaan alleen via de ogen van een ander.
Fichte (1796) munt het woord: Anerkennung, erkenning. En hij scherpt aan: die blik van de ander is niet alleen waar je je waarde haalt. Ze is de voorwaarde om überhaupt een zelf te hebben.
Hegel (1807) bouwt de machine. Hij neemt het woord van Fichte, het doodsgevecht van Hobbes, de blik van Rousseau, en giet er de heer-knecht-strijd van: zelfbewustzijnen vechten om erkenning. In zijn colleges keert het eindpunt van Augustinus terug, nu zonder God: de geschiedenis loopt naar een voltooiing.
Dan wordt de lijn smal. Een Parijse collegezaal, jaren dertig. Alexandre Kojève leest daar heel Hegel door de erkenningsbril: “de mens begeert de begeerte van de ander.” Hij verklaart het einde van de geschiedenis al bereikt. In de zaal zitten Lacan, Bataille, Merleau-Ponty. Kojève correspondeert met Leo Strauss. Strauss stuurt zijn beste student, Allan Bloom, naar Parijs. Bloom vertaalt Plato in het Engels — daar komt thymos vandaan — én bezorgt de Engelse Kojève. En Bloom krijgt begin jaren zeventig een student op Cornell: Francis Fukuyama.
Vier mannen, zestig jaar. Een Parijs seminar wordt Amerikaanse doctrine. In 1989 schrijft Fukuyama zijn essay, in 1992 het boek. Kojève is zijn hoofdbron, Blooms Plato levert thymos, Hegels voltooiing wordt op de liberale democratie gezet. Datzelfde jaar 1992 verschijnen, uit dezelfde Hegel-hoofdstukken, ook de boeken van Taylor en Honneth die de identiteitspolitiek voeden. Drie boeken, één bron, één jaar. Geen van drieën toetst de aanname.
En vandaag? Elke kop over kiezers die “zich niet gezien voelen”, elk pleidooi voor “respect” voor deze of gene groep, staat aan het eind van deze lijn. De woorden verkleedden zich acht keer — eer, onrust, glory, amour-propre, Anerkennung, begeerte van de begeerte, erkenning, respect. Het lichaam eronder is nooit onderzocht.
Wat dit met de Fukuyama-vraag doet
Herlees nu het debat.
Had hij gelijk? Binnen het kader meer dan zijn spotters toegeven. Er is in 37 jaar geen ideologisch alternatief opgestaan. China, Rusland en Silicon Valley concurreren met de liberale democratie, maar geen van drieën draagt een idee aan van gelijke waarde voor iedereen. Ze dragen macht aan.
Maar het kader zelf is het interessante deel. Fukuyama ontdekte geen wet van de menselijke natuur. Hij staat op schakel zestien van een keten van drieduizend jaar, op een menselijke overlevering van zestigduizend. Een jonge, regionale, gelaste constructie, op geen enkele schakel getoetst. De “geschiedenis” in zijn titel is geen tijd. Het is de pijl van Augustinus, doorgegeven via Hegel. Haal de pijl eruit en er valt niets te eindigen.
Zijn sterkste bladzijden gaan over de laatste mens: de burger aan het eind van de geschiedenis, welvarend, passief, ontevreden. Fukuyama presenteert dat als verontrustende paradox — het tekort is gevuld en toch blijft het streven, en het slaat om in afbraak. Het is geen paradox. Het is de las die scheurt. Streven was nooit echt een symptoom van tekort. Augustinus heeft ze in het jaar 400 aan elkaar gezet. Vul het tekort, en het vermogen is er nog steeds — zonder bestemming. De laatste mens is geen raadsel van de menselijke natuur. Hij is een zestienhonderd jaar oude lasfout die zichtbaar wordt.
En het populisme? Fukuyama verklaart het als terugkeer van de wil om superieur te zijn. Dat is het kader dat zijn eigen restje uitlegt in zijn eigen woorden. Stap buiten het kader en er ligt een eenvoudiger beschrijving. Terug naar het visnet: een knoop wil geen aanzien ontvangen. Een knoop wil een kruising vasthouden — een plek zijn waar lijnen samenkomen die zonder hem niet samenkomen. Rechten, welvaart en formeel respect geven een mens een status. Maar een status is geen kruising. Een samenleving kan iedereen keurig gelijk bejegenen en toch knopen overhouden die niets dragen. Spanning zonder kruising verdwijnt niet. Ze ontlaadt — tegen instituties, tegen de bezorgers van het respect, tegen de eigen welvaart.
De diepe laag wist dit zonder theorie. In het weefsel van de San wordt een mens niet op zijn plek geëerd. Een mens ís een plek — in de uitwisseling met dieren, land en de groep. Het oudste zelfbeeld van de mens bevat al wat de nieuwste politicologie moeizaam nadert: het menselijke probleem is geen erkenning. Het is deelname. Niet gezien worden. Nodig zijn.
De recensenten schrijven dat we steeds opnieuw de boodschapper van de gebroken belofte neerschieten. Waar, en één stap te vroeg gestopt. De belofte kón breken omdat ze op de las was gebouwd. Elk volgend debat dat binnen het kader blijft — vóór Fukuyama, tegen Fukuyama — reproduceert dezelfde blinde vlek. De vruchtbare zet is niet de vraag beantwoorden. De vruchtbare zet is de vraag dateren.
Verder lezen
Nunn & Reid, “Aboriginal Memories of Inundation of the Australian Coast” (Australian Geographer, 2016). Waarom lezen? Het methodische hart van dit stuk: mondelinge overlevering, getoetst aan de geologie, blijkt zevenduizend jaar feiten te kunnen dragen. Wie dit gelezen heeft, kijkt anders naar “prehistorie”. Leesadvies: begin bij de tabel met de eenentwintig locaties.
Konstapel, “Homo Futures” (constable.blog). Waarom lezen? Het San-onderzoek achter dit stuk: dierentaal, klik-communicatie, en overlevering uit de eerste hand.
Andrew George, “The Epic of Gilgamesh” (Penguin, 1999). Waarom lezen? Tablet XI: de plant van het leven en de slang. De losse onderdelen van Genesis, een half millennium eerder, nog zonder oordeel over de mens. Leesadvies: lees tablet XI en daarna direct Genesis 3 — de verschuiving is dan niet meer te missen.
Genesis 2–3 en Paulus’ Romeinenbrief 7. Waarom lezen? Twee korte teksten waarin het tekort eerst een oordeel wordt en daarna naar binnen verhuist. “Het goede dat ik wil, doe ik niet” is de geboorteakte van de verdeelde mens.
Homerus, “Ilias”. Waarom lezen? Thymos op volle kracht, vóór iemand het een symptoom noemde. De woede van Achilles is geen gebrek maar een vermogen. Leesadvies: boek 1 en boek 9 volstaan voor dit punt.
Calvert Watkins, “How to Kill a Dragon” (Oxford, 1995). Waarom lezen? Het bewijs dat “onvergankelijke roem” een geërfde formule is, ouder dan Griekenland. De erestreng zat in de taal. Voor wie van hard bewijs houdt.
Augustinus, “Belijdenissen”. Waarom lezen? De las, gedocumenteerd door de lasser zelf. Boek I geeft de beroemde zin, boek VII de Griekse filosofie, boek VIII Paulus. Leesadvies: lees die drie boeken in die volgorde en zie de twee strengen samenkomen.
Hobbes, “Leviathan”, hoofdstuk 11 en 13. Waarom lezen? Twee korte hoofdstukken waarin het eindpunt wordt afgeknipt en de onrust permanent wordt. De secularisatie van Augustinus, in twintig bladzijden.
Rousseau, “Vertoog over de ongelijkheid” (1755). Waarom lezen? Hier verhuist de vulling van het tekort naar de blik van de ander. De directe voorouder van het woord “erkenning”.
Hegel, “Fenomenologie van de geest”, hoofdstuk IV. Waarom lezen? De tien bladzijden over heer en knecht die de twintigste eeuw las in plaats van de rest van het boek. De machine, in elkaar gezet.
Kojève, “Introduction to the Reading of Hegel” (red. Bloom, 1969). Waarom lezen? De flessenhals zelf. Leesadvies: zoek de voetnoot uit 1962 over Amerika — het einde van de geschiedenis, dertig jaar vóór Fukuyama al verplaatst naar het heden.
Fukuyama, “The End of History and the Last Man” (1992). Waarom lezen? Niet voor de triomf, want die staat er niet in. Leesadvies: begin bij deel V, de hoofdstukken over de laatste mens. Daar voelt de auteur de las trekken en schrijft hij het eerlijk op.
Fukuyama, “In the Realm of the Last Man” (2026). Waarom lezen? De memoires. Het meest zeggende zit niet in de politieke hoofdstukken maar in het meubelmaken: een omgewaaide walnotenboom, planken die twee jaar drogen, twee tafeltjes. Een man die voor zichzelf een kruising bouwde.
Joost de Vries, “Francis ‘End of History’ Fukuyama geldt sinds 9/11 als naïeve wensdenker. Maar had hij niet juist gelijk?” (de Volkskrant, 10-9-2026). Waarom lezen? De aanleiding voor dit stuk, en een goed exemplaar van het genre: een scherpe herlezing die elke muur van het gebouw inspecteert, en nooit de vloer.
De Upanishaden (vert. Olivelle, Oxford, 1996) en Confucius, “Gesprekken”. Waarom lezen? De twee controlegevallen. India erfde de ereformule en bouwde er geen gevallen mens op; China kent geen val en ziet de mens als onaf, te vormen. Samen het bewijs dat de westerse vloer een keuze was.
