De Aannames die Nooit zijn Aangenomen

J.Konstapel,Leiden,26-7-2026.

Stel u een natuurkundecollege voor. De docent begint met een heldere opsomming van de postulaten: de lichtsnelheid is constant, trage en zware massa zijn equivalent, de kwantummechanica is unitair. Deze basisregels worden besproken, verdedigd, en men begrijpt dat ze, in theorie, ter discussie kunnen staan.

Dit essay handelt over een geheel andere categorie van overtuigingen. Het zijn geen postulaten, want ze worden nooit uitgesproken. Het zijn geen hypothesen, want ze worden niet getoetst. Het zijn de stille aannames die in de taal, de grammatica en de keuze van wat als een ‘resultaat’ telt, zijn ingebakken. Ze zijn invloedrijker dan de officiële postulaten, want een postulaat kan men testen; een onuitgesproken aanname kan men pas toetsen wanneer die een naam heeft gekregen.

Dit is precies wat, The Assumptions Nobody Declares, bevat, een inventarisatie van achtenvijftig stille overtuigingen – uiteenlopend van de aard van de werkelijkheid tot de essentie van de mens – laat zien dat de hedendaagse wetenschap drijft op een archipel van onuitgesproken erfstukken. Deze aannames zijn zo fundamenteel dat ze ons begrip van de werkelijkheid vormen, nog voordat we ook maar één meting hebben verricht.

De Wereld in een Keurslijf

De eerste reeks aannames betreft de wereld om ons heen. We gaan er bijvoorbeeld vanuit dat de wereld bestaat uit dingen met eigenschappen (Aristoteles’ substantie-accident-model), dat het kleine het grote verklaart (reductionisme), en dat de natuurwetten overal en altijd gelijk zijn (universalisme). Dit zijn geen neutrale beschrijvingen, maar keuzes die de werkelijkheid modelleren.

Neem de aanname dat een geheel niets meer is dan de som van zijn delen plus hun interacties. Descartes’ beroemde methode van analyse, om elk probleem in zo veel mogelijk deelproblemen te splitsen, is hier de hoeksteen van. Maar wat als er systemen bestaan, zoals levende organismen, die zich niet tot een som van delen laten reduceren? De bioloog Ludwig von Bertalanffy wees hier al op met zijn algemene systeemtheorie, maar zijn bezwaar wordt zelden in de praktijk gebracht.

De fysicus Robert Rosen formuleert het scherpst: door ons te beperken tot slechts twee van Aristoteles’ vier oorzaken – de materiële en de efficiënte – hebben we onszelf de mogelijkheid ontnomen om het leven te begrijpen. Het leven is geen machine; het is een systeem dat in zichzelf gesloten is wat betreft de efficiënte oorzaak. Het heeft geen externe aandrijver nodig. Deze aanname van een externe motor, die van Aristoteles’ ‘onbewogen beweger’ doorloopt naar de zoektocht naar een ‘theorie van alles’, is volgens Rosen de meest ingrijpende van allemaal. Ze plaatst een externe oorzaak buiten het systeem, een schepper, een wetgever, een eerste term, die het universum in beweging zet.

De Observator die Zichzelf Vergat

Een tweede, even cruciale, laag van aannames betreft het beschrijven zelf. De heilige graal van de moderne wetenschap is de objectiviteit: een beschrijving onafhankelijk van de waarnemer. Dit ideaal, dat we doorgaans aan Einstein toeschrijven, is echter veel ouder. Zoals de literatuurwetenschapper Michail Bachtin aantoont, verschijnt de neutrale, allesziende maar niets beïnvloedende waarnemer al veel eerder: in de Europese fictie van 1450 tot 1700, als een dienaar, een spion of een zwerver. De wetenschap heeft een literaire techniek overgenomen en deze tot epistemologische ontdekking verheven.

De prijs van deze objectiviteit is hoog. We beschouwen een theorie als onafhankelijk van de wiskundige notatie die haar draagt, een aanname die fraai wordt weerlegd door Oliver Heaviside. Toen hij Maxwells oorspronkelijke, logge quaternionen herschreef tot de beknopte vectorformules die we nu kennen, viel er een schat aan natuurkundige informatie uit de notatie – en bleef er een eeuw lang uit de fysica verdwenen. De representatie, zo blijkt, bepaalt wat zichtbaar wordt.

De Mens als Spanningsveld

De meest weerbarstige en oudste aannames stapelen zich echter op in het vijfde en laatste hoofdstuk: dat over de mens als subject. Hier vinden we de échte erfenis, die niet uit de fysica is afgeleid maar eraan voorafging.

De lijst is ontluisterend. We meten de mens aan een externe standaard, een idee dat teruggaat op Pythagoras en zijn getallenmystiek, en dat zich tot op de dag van vandaag in ons ideaal van een ‘objectieve’ maatstaf handhaaft. De grammatica dwingt ons een subject toe te kennen aan elke gebeurtenis (het regent, de cel deelt zich, het gen doet…), waardoor we blijven zoeken naar een ‘doener’ achter de daad – of het nu God, de natuurwet of het brein is. We beschouwen de mens als een afgewerkt soort, een vaststaand gegeven dat elders is vastgelegd (in de schepping, in het genoom), in plaats van als een proces in wording. We veronderstellen dat het bewustzijn stopt wanneer de hersenen stoppen, een stelling die als empirisch feit wordt gepresenteerd maar in feite als vooronderstelling fungeert.

Deze aannames zijn niet het resultaat van een rationele afweging. Ze zijn een doctrine, overgeleverd via een priesterkaste, van de tempels in Mesopotamië en Egypte, via Plato en Aristoteles, naar de moderne wetenschap. En ze worden met een heel ander geweld verdedigd dan de aannames over de wereld.

De Twee Gezichten van de Weerlegging

Hier openbaart zich een cruciaal patroon. In de hoofdstukken over de wereld en het beschrijven worden weerleggingen behandeld als normale academische meningsverschillen. Einstein versus Bohr, Anderson versus Weinberg: het zijn collega’s die publiceren.

In het hoofdstuk over de mens is dit patroon radicaal anders. Protagoras, die stelde dat de mens de maat van alle dingen is, wordt herinnerd als een relativist die weerlegd moet worden. Pelagius, die betoogde dat de menselijke wil niet fundamenteel gebrekkig is, werd veroordeeld. Giordano Bruno, die de verbeelding als een kennisfaculteit verdedigde, werd in 1600 op de brandstapel gezet. De sterkste bezwaren tegen de aannames over de mens zijn niet weerlegd; ze zijn onderdrukt. Een samenleving toont hierdoor aan welke aannames zij werkelijk als fundamenteel beschouwt.

De Verborgen Architectuur

Door alle aannames in een afhankelijkheidsmatrix te plaatsen, ontstaat een opmerkelijk beeld. De meest fundamentele, de stille dragers van alle andere aannames, zijn niet fysiek van aard. Vijf terminale aannames komen bovendrijven: dat de mens wordt gemeten aan een externe standaard, dat iedere gebeurtenis een subject heeft, dat een ding door de tijd heen identiek blijft, dat de natuur ondergaat (in plaats van handelt), en dat wat de mens is elders is vastgelegd.

De eerste, de externe maatstaf, is het meest beladen. Maar liefst tweeëndertig van de achtenvijftig aannames, waaronder die over de wiskunde als de taal van de natuur, leiden uiteindelijk terug naar dit Pythagoreïsche idee. De hedendaagse natuurkunde, in haar zoektocht naar de ultieme, wiskundige beschrijving van de werkelijkheid, blijkt onbewust een erfgenaam te zijn van een religieus-filosofische stelling over de mens.

Conclusie: Wat is de volgende stap?

Deze inventarisatie is niet compleet, en dat is precies de bedoeling. Het is een uitnodiging om verder te kijken, om de volgende onuitgesproken aanname te vinden. De waarde ligt niet in de lijst zelf, maar in de methode: het tegen elkaar laten aanlopen van denkkaders om de breuklijnen zichtbaar te maken.

De twee meest krachtige bezwaren tegen het huidige systeem komen van twee kanten. Rosen toont aan dat het sluiten van de causale keten de externe aandrijver overbodig maakt. En het weer toelaten van de fysieke situatie van de waarnemer in de beschrijving ondermijnt het ideaal van een objectieve, standplaatsgebonden waarneming. Maar, zo waarschuwt Konstapel, deze correcties raken de fysica, niet de erfenis van het vijfde hoofdstuk. Ze maken de machine transparanter, maar ze herstellen nog niet de waardigheid van de droom, de verbeelding of de gewijzigde bewustzijnstoestand.

De echte uitdaging ligt niet in het herzien van de fysica, maar in het erkennen van een diepere laag. Een laag die niet uit postulaten bestaat, maar uit praktijken. Een laag waarin kennis niet werd onderwezen, maar werd beoefend; waarin de sjamaan, de geheugenkunstenaar en de mysticus een epistemologische status hadden die wij zijn kwijtgeraakt. De aannames die ons beperken zijn geen wetten van de natuur, maar keuzes uit het verleden. En wat ooit een keuze was, kan opnieuw ter discussie worden gesteld. De weg vooruit is niet het verbeteren van de theorie, maar het herontdekken van de praktijk.