Rik Peels – Redeneerlijnen, argumenten en bronnen

Rik Peels – Redeneerlijnen, argumenten en bronnen


LIJN 1: Kunnen we verantwoordelijk zijn voor wat we geloven?

Kern van Responsible Belief (OUP, 2017)

Het startprobleem (van Alston)

William Alston (1988) stelde: de deontologische epistemologie — het idee dat we plichten hebben over wat we geloven — is onhoudbaar, omdat we geen vrijwillige controle over onze overtuigingen hebben. Je kunt niet besluiten iets te geloven. Dus kun je ook niet verplicht zijn het te geloven. En dus kun je er niet verantwoordelijk voor zijn.

Alston’s referentie: “The Deontological Conception of Epistemic Justification” (1988), Philosophical Perspectives.

Peels’ eerste stap: twee vormen van compatibilisme verwerpen

Anderen probeerden Alston te omzeilen via doxastisch compatibilisme:

Variant 1 – Geen controle nodig: Verantwoordelijkheid vereist helemaal geen controle. Peels verwerpt dit: het verwart doxastische verantwoordelijkheid met andere fenomenen (bijv. causale aansprakelijkheid).

Variant 2 – Reden-responsiviteit volstaat: Je bent verantwoordelijk als je overtuigingen reden-responsief zijn — als je in staat bent om op goede redenen te reageren (Fischer & Ravizza 1998). Peels verwerpt ook dit: reden-responsiviteit is onvoldoende. De voorbeelden die compatibilisten gebruiken werken alleen doordat de proefpersoon eerder invloed heeft gehad op de factoren die zijn overtuiging vormden — niet op de overtuiging zelf.

Referenties: Fischer & Ravizza, Responsibility and Control (Cambridge UP, 1998); Matthias Steup (pro-compatibilisme); Annemarie Kalis & Katrien Schaubroeck (pro-compatibilisme).

Peels’ eigen positie: de Influence View

Verantwoordelijkheid voor een overtuiging vereist dat je invloed hebt (gehad) op die overtuiging — niet directe vrijwillige controle, maar intentionele invloed via tussenstappen: meer bewijs verzamelen, je denkwijze trainen, open-mindedness cultiveren. Dit zijn intellectuele plichten (intellectual obligations).

De structuur:

Als je op een eerder moment intellectuele plichten hebt geschonden (bijv. bewust bewijs vermeden, of onkritisch bronnen geconsumeerd), dan ben je schuldig aan de overtuiging die daaruit voortkwam — ook al heb je die overtuiging nooit direct “gekozen.”

Voorbeeld: Een racist die nooit serieus heeft geprobeerd zijn vooroordelen te toetsen, is blameworthy voor zijn racistische overtuigingen — niet omdat hij ze koos, maar omdat hij zijn invloed op zijn eigen geloofsvormingsproces heeft verzuimd te gebruiken.

Strawsoniaanse achtergrond: Peels fundeert verantwoordelijkheid in de traditie van P.F. Strawson (Freedom and Resentment, 1962): verantwoordelijk zijn = het passende object zijn van reactive attitudes (schuld, lof, verontwaardiging).

De structuur van het boek

  1. Wat is doxastische verantwoordelijkheid? (Strawsoniaans kader)
  2. Waarvoor hebben we controle nodig? (Alston weerleggen)
  3. Welke intellectuele plichten hebben we? (Invloedtheorie)
  4. Wanneer is onwetendheid een excuus? → directe brug naar Lijn 2
  5. Wat is blameworthy belief in de praktijk?

Sleutelconclusie: Verantwoord geloven is niet: de waarheid geloven. Het is: je geloofsvormingsproces zo besturen dat je invloed hebt gehad op de condities die jouw geloof vormden.


LIJN 2: Wat is onwetendheid eigenlijk?

Kern van Ignorance: A Philosophical Study (OUP, 2023)

Het startprobleem: de Standard View

Bijna alle filosofen nemen aan: onwetendheid = het ontbreken van kennis. Als jij niet weet dat p, ben je onwetend van p. Dit is de Standard View (Pierre Le Morvan).

Het probleem: Kennis vereist gerechtvaardigd waar geloof (en meer). Maar onwetendheid lijkt breder. Iemand die een ware overtuiging heeft maar toevallig — zonder rechtvaardiging — lijkt ook niet onwetend. En iemand die geen opinie heeft over een irrelevant feit (bijv. het exacte aantal mieren in Antarctica) lijkt ook niet zinvol “onwetend.”

Peels’ New View

Onwetendheid = het ontbreken van een ware overtuiging (absence of true belief), niet het ontbreken van kennis.

Argument 1 (tegen Standard View): Geluk-gevallen. Stel iemand heeft een ware maar toevalsmatige overtuiging dat de trein om 9.00 vertrekt (hij giste). Hij weet het niet (zijn geloof is niet gerechtvaardigd), maar hij gelooft het wel waar. Is hij onwetend? Nee — hij heeft de ware overtuiging die onwetendheid opheft.

Argument 2 (tegen Normative View van Pritchard): Duncan Pritchard stelt: onwetendheid vereist bovendien een falen van inquiry — je moet iets nagelaten hebben te onderzoeken. Peels verwerpt dit: het maakt onwetendheid afhankelijk van normatieve oordelen die er niet bij horen. Iemand die onwetend is van iets wat hij onmogelijk kon weten, is nog steeds onwetend — ook zonder enig falen.

Pritchard’s referentie: “Ignorance and Inquiry” (2021), American Philosophical Quarterly.

Drie soorten onwetendheid

Peels onderscheidt:

  1. Propositionele onwetendheid — geen ware overtuiging over een feit (het meest bestudeerde type)
  2. Objectuele onwetendheid — onbekendheid met een object, persoon, fenomeen
  3. Praktische onwetendheid — niet weten hoe iets te doen (know-how)

Binnen propositionele onwetendheid: zes subtypen afhankelijk van welk mentaal geval afwezig is.

De vraag naar significantie (2026-debat)

Peels’ recente antwoorden op Pritchard (2026) en Willard-Kyle (2026) in Philosophical Issues gaan over of onwetendheid intrinsiek normatief is. Peels’ positie: de significantie van onwetendheid is contextueel en extern, niet ingebouwd in de definitie van onwetendheid zelf. Onwetendheid is een feitelijke toestand; de normativiteit komt van buiten (ethisch, epistemisch, praktisch).

Sleutelconclusie: Onwetendheid is een reëel, gradueel, meerdimensioneel fenomeen — niet simpelweg “het negatief van kennis.” En het heeft eigen normatieve consequenties die los staan van de definitie ervan.


LIJN 3: Is introspectie betrouwbaar?

“The Empirical Case Against Introspection” (Philosophical Studies, 2016)

Het argument

Peels verzamelt empirisch psychologisch bewijs (Nisbett & Wilson 1977; Schwitzgebel 2011) dat onze introspectieve toegang tot onze eigen mentale toestanden systematisch onbetrouwbaar is. We weten niet goed waarom we iets geloven, voelen of willen.

Implicatie voor de ethiek van geloof: Als introspectie onbetrouwbaar is, ondermijnt dat veel van wat we denken te weten over onze eigen geloofsvormingsprocessen — en dus ook over onze invloed erop. Dit raak direct Lijn 1 aan: hoe kun je verantwoordelijk zijn voor iets wat je niet goed kunt observeren?

Referenties: Eric Schwitzgebel, Perplexities of Consciousness (MIT Press, 2011); Nisbett & Wilson (1977), “Telling More than We Can Know.”


LIJN 4: Scientisme als fundamentalisme

“A Conceptual Map of Scientism” (2018); “Ten Reasons to Embrace Scientism” (2017); “The Fundamental Argument Against Scientism” (2018); “Scientism and Scientific Fundamentalism” (2023)

De strategie: eerst de beste versie van scientisme construeren

Peels is methodisch fair: hij schrijft eerst “Ten Reasons to Embrace Scientism” — tien serieuze verdedigingen van de stelling dat wetenschap de enige betrouwbare kennisbron is. Dan legt hij uit waarom elk van die redenen uiteindelijk tekortschiet.

Scientisme heeft vele vormen. Peels maakt een taxonomie:

  • Epistemologisch scientisme: alleen wetenschap levert rationele overtuiging/kennis
  • Ontologisch scientisme: alleen wat wetenschap beschrijft bestaat
  • Sterke vs. zwakke versies in elk domein

Het zelf-refutatie-argument (Self-Referential Incoherence)

De sterkste versie van epistemologisch scientisme zegt: “Alleen wetenschappelijke bronnen leveren rationele overtuiging.”

Maar: deze claim zelf is geen wetenschappelijke uitspraak. Het is een epistemologische/filosofische claim. Dus voldoet ze niet aan haar eigen criterium. Ze is zelf-refuterend.

Historische lijn: Hetzelfde argument vernietigde het logisch-positivistisch verificatieprincipe (Ayer, Carnap, Schlick). Het verificatiecriterium (“alleen empirisch verifieerbare uitspraken zijn zinvol”) is zelf niet empirisch verifieerbaar. Peels trekt deze lijn door naar scientisme.

Referenties: Plato’s Theaetetus (171a-c); William Alston (2003); Alvin Plantinga, God and Other Minds (1967).

Scientisme als fundamentalisme (2023)

Peels’ meest provocerende stap: hij toont aan dat scientisme voldoet aan vrijwel alle criteria die sociologische en filosofische accounts van fundamentalisme hanteren:

  • Claim op exclusieve autoriteit van één kennisbron
  • Afwijzing van concurrerende kennisbronnen als irrationeel
  • Defensieve reactie op kritiek
  • Hermeneutische geslotenheid: interne criteria voor wat als bewijs telt

Conclusie: Wetenschap kan leren van mainstream religie hoe om te gaan met haar eigen fundamentalistische tendensen — door pluralisme van kennisbronnen te erkennen, door epistemische bescheidenheid te cultiveren.

Referenties: Fundamentalisme-literatuur van Martin Marty & Scott Appleby (The Fundamentalism Project); Gierycz (2020); Hunsberger (schalen voor fundamentalisme).


LIJN 5: Fundamentalisme als epistemisch probleem

“On Defining Fundamentalism” (Religious Studies, 2022); ERC-project 2020–2025

Het definitieprobleem

“Fundamentalisme” is een beladen en diffuus begrip. Peels analyseert de conceptuele ruimte systematisch. Hij verwerpt definitiestrategieën die te breed zijn (elke sterke overtuiging) of te smal (alleen christelijk fundamentalisme).

Zijn definitie-aanpak: family resemblance (Wittgenstein) + empirische verankering. Fundamentalisme is een cluster van kenmerken, geen essentie:

  • Literalistische hermeneutiek (teksten letterlijk nemen)
  • Epistemische geslotenheid (immuniteit voor tegenargumenten)
  • Moreel dualisme (wij/zij)
  • Identitaire verstrengeling van geloof en persoon

Extreme beliefs ≠ extreme gedrag

Een centraal inzicht uit het ERC-project: de relatie tussen extreme overtuigingen en gewelddadig gedrag is niet causaal eenvoudig. Mensen met extreme overtuigingen vertonen niet automatisch extreem gedrag; en extreem gedrag kan zonder extreme overtuigingen ontstaan.

Debat met: Clark McCauley & Sophia Moskalenko (die een sterkere cognitief-gedragslink verdedigen); James Khalil (contextuele factoren).

Referenties: Quassim Cassam, Extremism: A Philosophical Analysis (Routledge, 2022) — bekritiseerd door Peels’ team; Leo Townsend et al., The Philosophy of Fanaticism (Routledge, 2022).


LIJN 6: Atheïsme als cognitief kader

Life without God (Cambridge UP, 2023)

De vraag: waarom geloven mensen niet in God?

Peels’ uitgangspunt: de standaarddiscussie over godsbewijzen gaat over de rationele rechtvaardiging van godsgeloof. Maar onze diepste overtuigingen zijn zelden op formele redenering gebaseerd. Dat geldt voor theïsme en atheïsme.

Drie atheïstische cognitieve kaders:

  1. Evidentialisme — geloof alleen als je voldoende bewijs hebt. Atheïst: er is onvoldoende bewijs voor God. Peels: dit kader is te streng; ook atheïsten leven van overtuigingen zonder strikt bewijs.
  2. Distantionisme — religie hoort bij kinderlijk denken; volwassen rationaliteit distantieert zich ervan. Peels: dit is cultureel, niet epistemisch gefundeerd.
  3. Scientisme — wetenschap verklaart alles; God is overbodig. Peels: dit is zelf een geloofshouding die de criteria van wetenschappelijkheid niet haalt (zie Lijn 4).

Conclusie: Scientistisch atheïsme is een vorm van fundamentalisme — epistemisch gesloten, niet minder dan religieus fundamentalisme. Peels stelt dit niet als aanval maar als uitnodiging: beide partijen kunnen van de analyse leren.

Referenties: Richard Dawkins, The God Delusion; Sam Harris, The End of Faith; Daniel Dennett, Breaking the Spell — allemaal geanalyseerd en gedeeltelijk bekritiseerd.


INTELLECTUELE GENEALOGIE – waar Peels zijn bouwstenen vandaan haalt

BronBijdrage aan Peels
William AlstonHet probleem van doxastische controle; deontologische epistemologie
P.F. StrawsonReactive attitudes als basis voor verantwoordelijkheid
Fischer & RavizzaReden-responsiviteit (door Peels verworpen maar serieus genomen)
Duncan PritchardNormative View of Ignorance (door Peels bestreden)
Alvin PlantingaReformed epistemology; zelf-refutatie-argumenten
William James“The Will to Believe” — liberale ethics of belief (gedeeltelijk verdedigd)
W.K. Clifford“The Ethics of Belief” — evidentialisme (bekritiseerd als te streng)
Eric SchwitzgebelEmpirisch bewijs tegen introspectie
Marty & ApplebyEmpirische fundamentalisme-analyse (The Fundamentalism Project)
WittgensteinFamily resemblance voor conceptdefinities
Logical positivistsZelf-refutatie van het verificatiecriterium als precedent
Pierre Le MorvanStandard View of Ignorance (tegenpartij)

DE DIEPTESTRUCTUUR VAN PEELS’ DENKEN

Alle lijnen hangen samen via één architectonische aanname:

Kennis en overtuiging zijn geen individuele, spontane gebeurtenissen maar processen waarvoor we verantwoordelijkheid dragen — en die verantwoordelijkheid impliceert plichten, niet alleen rechten.

Scientisme mislukt omdat het de epistemische plicht tot zelfkritiek opheft. Fundamentalisme mislukt omdat het de overtuiging isoleert van toetsing. Onwetendheid is moreel relevant omdat ze soms het gevolg is van het verzaken van die plichten. Introspectie is gevaarlijk als ze niet als een vaardigheid wordt behandeld die geoefend en gecorrigeerd kan worden.

Zijn christelijk-filosofische achtergrond (VU-traditie van Plantinga/Wolterstorff: Reformed Epistemology) is onmiskenbaar: religieus geloof kan rationeel zijn zonder klassiek bewijs — maar ook religieus geloof heeft epistemische plichten.