Onhaalbare Beloften: De Diagnose van Bontenbal’s Lezing

Politiek gaat vaak van belofte naar verwachting, teleurstelling en vervolgens naar een nieuwe belofte.


Daarmee wordt het probleem meestal niet echt opgelost, maar begint dezelfde cyclus opnieuw.
Veerkracht betekent daarom niet simpelweg terugveren naar de oude situatie.


Een samenleving moet juist kunnen leren, loslaten wat niet meer werkt en zich opnieuw organiseren.


Vertrouwen ontstaat dan niet doordat politici nieuwe beloften doen, maar doordat mensen zien dat fouten tot verandering leiden.


De echte uitdaging voor Bontenbal is dus niet meer beloven, maar het politieke systeem daadwerkelijk laten leren.

Aanleiding

Bontenbal Schoo Lezing

H.J. Schoo-lezing “Veerkracht, Vertrouwen, Vooruitgang”, Henri Bontenbal, 31 augustus 2026. Lens: Political Expectation Failure Theory (PEFT), constable.blog, 28-3-2026.

Gebruikte Blogs

Waarom het CDA-programma gebakken lucht is

Political Expectation Failure Theory: A New Lens on Democracy

Bontenbal en het CDA: Tussen Herstel en Opportunisme

Het Heimwee van de Wereld — Waarom de Tijdgeest Verklaart wat de Politiek Niet Begrijpt

het Netwerk van het CDA

Van Incident naar Infrastructuur: Hoe Talpa Network Het CDA Via Alle Kanalen Onderuit Haalt


Wie de lezing naast de theorie legt, ziet eerst iets opvallends: Bontenbal beschrijft de vier fasen van de PEF-cyclus zelf, zonder ze zo te noemen.

Hij noemt de prestatiefalens bij naam: een verwaarloosde asielketen, zeven jaar stikstofimpasse, een vol stroomnet, een onvoorbereide defensie, een woningtekort dat iedereen zag aankomen. Dat is fase 2, prestatieafwijking, en hij plaatst die correct bij de gevestigde partijen: “de partijen die zichzelf redelijk en constructief noemen, moeten in de spiegel kijken.”

Hij beschrijft de exploitatie van die falens door uitdagers: radicale partijen geven onvrede “een tijdelijke megafoon” en laten “altijd een puinhoop achter”. Dat is fase 3, met de politieke ondernemer van De Vries en Hobolt in de hoofdrol. Hij voegt er een precies PEFT-inzicht aan toe: de kiezer is niet radicaler gaan denken, de verschuiving in opvattingen is klein; wat verandert is de bereidheid om radicaal te stemmen. In de termen van de theorie: preferenties zijn niet verschoven, de verwachtingskloof is groter geworden en wordt bespeeld.

Hij beschrijft de niet-afronding: de slingerbeweging van Tom van der Meer, middenkabinetten afgewisseld door groei van radicale partijen, “die slinger is nog niet zomaar tot stilstand gekomen.” Dat is fase 4 en tegelijk de panarchie-val: release zonder reorganisatie.

En hij noemt drie van de vier structurele oorzaken uit de theorie. De temporele mismatch: “snel opeenvolgende verkiezingen en steeds wisselend beleid zijn fnuikend”, problemen moeten worden aangepakt “lang voordat ze echt nodig zijn”. De prikkelverkeerde uitlijning: “het is veel eenvoudiger om angst, boosheid en wanhoop aan te spreken dan hoop, solidariteit en verantwoordelijkheidsbesef. Elke politicus komt in de verleiding.” De institutionele rigiditeit: versnippering, onbestuurbaarheid, de minderheidscoalitie als noodverband.

De diagnose van de lezing is dus de diagnose van PEFT. De vraag is wat de lezing vervolgens doet.

Wat de lezing doet: fase 1

De lezing is, structureel gezien, een oefening in verwachtingenconstructie. Ze bevat een lange reeks beloften: een leeftijdsgrens van 15 jaar voor sociale media, een smartphoneverbod op alle scholen, ruimer verlof voor beide partners, betaald mantelzorgverlof, wettelijk rouwverlof, honderd wijkdeals van een miljoen per jaar voor tien jaar, een cursus “Nederland Voorbereid”, de Oss-aanpak als landelijke blauwdruk, een Nationale Investeringsinstelling, een Agentschap voor Disruptieve Innovatie, een vakkrachtenregeling, aanpak van Box 2, aanpassing van schenkconstructies, afschaffing van de hypotheekrenteaftrek, een motiequotum, minder spoeddebatten.

Bontenbal weet dat dit verwachtingen zijn die hij niet kan waarmaken en zegt dat ook: “met 18 zetels en een minderheidskabinet is het niet vanzelfsprekend dat al die plannen er ook komen.” Dat is de eerlijkheid over eigen beperkingen die PEFT van politici vraagt. Maar de tweede helft van dezelfde aanbeveling, stoppen met onhaalbare beloften, wordt in dezelfde lezing niet opgevolgd. De lezing construeert verwachtingen en ontkracht ze tegelijk. In PEFT-termen is dat geen tegenstrijdigheid maar het normale gedrag van een zittende actor: de constructie is de kerntechnologie van de electorale competitie, en niemand geeft die op omdat hij haar heeft doorzien.

Wat de lezing niet doet: afronding

Afronding in Schanks zin is de sequentie: falen, verklaring, herinnering, generalisatie, herzien script. De lezing benoemt de falens, maar verklaart ze niet. Welk script faalde bij stikstof? Welke aanname bleek onjuist bij het stroomnet? Welke verwachting lag onder de asielketen en waarom werd die niet bijgesteld? Daarover zegt de lezing niets. De verklaring die wordt aangeboden is cultureel en moreel: hijgerigheid, versnippering, gebrek aan moed en gematigdheid. Dat is geen scriptrevisie, dat is een oproep tot deugd.

Precies hier wordt de vierde structurele oorzaak zichtbaar die de lezing niet noemt: de cognitieve asymmetrie. De burger heeft impliciete scripts en geen instrument om ze te toetsen; de politicus is bedreven in het bespelen van die ondoorzichtigheid. Het beroep op de vier kardinale deugden in het stadhuis van Maastricht is een vraag aan de actoren om vrijwillig af te zien van het gedrag waar het systeem hen voor beloont. PEFT voorspelt dat dit niet gebeurt, niet omdat politici slecht zijn, maar omdat herziening het erkennen van falen vereist en dat in een adversair systeem kostbaar is.

De verschuiving van het referentiekader

Het kernbegrip van de lezing, veerkracht, doet in PEFT-termen iets specifieks. De theorie stelt dat verwachtingen comparatief zijn en dat wie het referentiekader kan verschuiven, de ervaring van falen kan opwekken of onderdrukken zonder de prestatie te veranderen.

De lezing verschuift het referentiekader op twee manieren. Ten eerste omlaag: “niet alles is maakbaar”, “de overheid kan niet elke wens mogelijk maken”, “verwachten we niet te vaak dat de politiek elk probleem oplost?” Ten tweede opzij: van de staat naar de burger. “De overheid kan een veerkrachtige samenleving niet voor ons maken. Dat doen we uiteindelijk zelf.” “Niet alleen vragen wat Nederland voor ons doet, maar ook wat wij voor Nederland kunnen doen.” “Veerkracht heb je niet alleen. Veerkrachtig zijn we alleen samen.”

Dit is een herschrijving van het relationele script, het diepste en meest emotioneel geladen niveau: het contract tussen burger en staat. Waar het oude script luidde “de politiek lost op”, luidt het nieuwe “wij lossen samen op, en de politiek is één van de wij.” Als dat script wordt aanvaard, verdwijnt een deel van de ervaren kloof zonder dat de asielketen, het stroomnet of de stikstofimpasse zijn opgelost.

PEFT velt hierover geen moreel oordeel. De verschuiving kan realistisch zijn: de theorie zelf stelt dat rust pas terugkeert als verwachtingen in lijn komen met wat de politiek werkelijk kan. Maar de theorie eist wel dat de verschuiving expliciet wordt gemaakt en getoetst, en niet in de lezing wordt ingesmokkeld als deugd. Zolang de burger geen instrument heeft om te zien dat zijn referentiekader is verplaatst, is de verschuiving verwachtingsmanagement, geen afronding.

De film als Schank-case

Bontenbal opent met I Swear: John Davidson, wiens wereld kleiner wordt tot anderen zich voor hem openstellen. Dat is een zuivere Schank-case: een script (keeper, gescout worden) faalt, de herziening komt niet uit het individu maar via de cases van anderen, Dottie en Tommy, en het herziene script wordt vervolgens zelf een case voor anderen (voorlichting aan werkgevers, hulp aan andere kinderen met Tourette).

De lezing gebruikt dus het leermechanisme dat PEFT op democratische schaal mist, maar alleen op persoonlijk niveau. De stap die niet wordt gezet is de vraag: waar is de Dottie van de stikstofcrisis? Wie brengt de case binnen die het politieke script herziet? Het antwoord van PEFT is: niemand, tenzij er een instrument is dat cases van verwachtingsfalen verzamelt, expliciet maakt en terugkoppelt. De film laat zien dat afronding via anderen loopt; de lezing laat de politiek buiten dat mechanisme.

Het ene voorstel dat wél past: de wijkdeals

Eén voorstel in de lezing sluit aan bij wat PEFT als de weg vooruit ziet. Honderd wijken, tien jaar, een miljoen per jaar, bewoners beslissen zelf, “zonder administratieve rompslomp”.

Dit is geen inhoudelijke keuze maar een structurele: het verkort de afstand tussen verwachting en levering tot een schaal waarop Schanks leercyclus wél werkt. Verwachting en resultaat liggen dicht bij elkaar in tijd en plaats, de verantwoording is direct, en wie het script construeert is dezelfde als wie het falen ervaart. De temporele mismatch verdwijnt, de prikkel om falen te exploiteren verdwijnt, want er is geen electorale markt voor het falen van je eigen buurthuis. Het Britse Big Local-voorbeeld is om die reden overtuigend: niet omdat het geld is, maar omdat het een afgesloten leerlus is.

De lezing ziet dit niet als het antwoord op haar eigen diagnose. Het voorstel staat als een van de vele beloften in de rij. PEFT zou het eruit lichten en zeggen: dit is het enige voorstel dat de cyclus onderbreekt in plaats van hem te voeden. Maar ook hier ontbreekt het instrument. Zonder registratie van wat een wijk verwachtte, wat werd geleverd en hoe de verwachting daarna werd bijgesteld, blijft het een subsidieregeling, geen reflectie-instrument.

De toets

PEFT levert een concreet criterium om de lezing over een jaar te beoordelen, en dat criterium is niet of de voorstellen zijn uitgevoerd. Het criterium is of er ergens afronding heeft plaatsgevonden.

Voor elk van de zestien beloften kan worden vastgesteld: is de verwachting geleverd, is ze verlaten, of is ze stilzwijgend vervangen door een nieuwe verwachting? Alleen het tweede en derde geval zijn interessant. Bij verlating: is de verlating erkend en verklaard, of weggeframed? Bij vervanging: is het nieuwe script kleiner en accurater dan het oude, of groter en vager?

Als de balans na een jaar bestaat uit stilzwijgende vervangingen, heeft de lezing gedaan wat PEFT voorspelt: falens benoemd, een nieuw referentiekader geplaatst, verwachtingen geconstrueerd, en de cyclus een omwenteling verder gebracht. Als er ten minste één expliciete, verklaarde herziening is, heeft de lezing iets gedaan dat de theorie zeldzaam noemt.

Het woord veerkracht helpt daar niet bij. Terugveren is per definitie terugkeren naar de oude vorm. Wat PEFT vraagt is geen terugveren maar een andere vorm.