A free book exploring where illness comes from, written for researchers, doctors, patients, and policymakers, with the aim of reducing the costs and burden of illness in both mind and body, from early childhood to old age, while showing how the universe works from the lowest level possible.
J.Konstapel,1Leiden, 6-9-2026.
Over het gratis boek “Where Illness Comes From” — van eerste scheikunde tot de mens, in gewone taal
Twee feiten staan naast elkaar en de geneeskunde kan ze niet samen uitleggen.
Een vrouw van zesennegentig werkt dinsdag in haar tuin en sterft donderdag in haar slaap. Nooit ernstig ziek geweest. Een kind van drie sterft aan kanker. Nooit gerookt, nooit gedronken, nooit in de zon gelegen.
Als ziekte slijtage is, kan het kind niet ziek zijn. Als ziekte toeval is, kan de vrouw niet bestaan. De gangbare uitleg haalt zijn schouders op: pech en geluk. Dat is geen antwoord. Dat is de bekentenis dat het verhaal niet klopt.
Het nieuwe boek “Where Illness Comes From” vertelt het verhaal opnieuw, van onderaf. Van de eerste scheikunde tot de mens, met één beeld: een visnet. Geen vaktaal. Alleen draad, winding, maas, spanning, en de vraag of iets past. Dit blog vat de kern samen.
Eén net, één toets
Het lichaam is een weefsel dat zichzelf voortdurend leest. Elke cel toont zijn signatuur op zijn rand. Een leeslaag — de afweer — loopt de cellen langs en toetst: past dit hier? Drie uitkomsten. Past: blijft. Past niet: wordt ontladen en opgeruimd, meestal binnen het uur. Geen lezing: er gebeurt niets.
Die derde uitkomst is de sleutel van het hele boek. Wat nooit gelezen wordt, wordt niet goedgekeurd en niet verwijderd. Het blijft gewoon staan. Gezondheid is geen afwezigheid van fouten. Fouten ontstaan elke dag, bij iedereen, per duizenden. Gezondheid is een toets die snel genoeg leest.
Kanker zonder schuldige
De gangbare taal maakt van kanker een oorlog. De tumor “ontsnapt”, “bedriegt”, “verstopt zich”. Dat is dadertaal voor iets zonder dader.
Wat er werkelijk gebeurt is rekenwerk. Kopiëren maakt altijd foutjes. De toets ruimt op wat leesbaar afwijkt. Wat na jaren overblijft is dus per definitie: wat de toets níet kon lezen. Een tumor is geen indringer. Een tumor is een restant — het complement van wat de afweer leest. De toets zelf heeft hem in die vorm geslepen.
Deze omkering is geen woordenspel. Ze verklaart in één keer wat de kliniek al gevonden had zonder te weten waarom. Het nieuwste kankermedicijn raakt de tumor niet aan; het herstelt alleen de lezing, waarna het lichaam zelf opruimt. Daarom werkt één middel op twintig kankersoorten: de toets is overal dezelfde. Daarom werkt het alleen als de afwijking leesbaar is én de lezers erbij kunnen. En daarom vinden pathologen bij overledenen die aan iets anders stierven massaal kleine, stille tumoren die nooit ziekte werden. De afwijkende cel was er. De toets eromheen hield hem. Kanker is geen eigenschap van een cel. Het is een verhouding tussen een cel en zijn toets.
Het kind
Nu het kind. Kinderen krijgen niet de kankers van lang gebruik — long, darm, borst. Kinderen krijgen kankers van ongereed weefsel: bloedvorming, zenuwnet, nier, kleine hersenen. En hun tumoren bevatten juist wéinig fouten. Dit is geen slijtage. Dit is iets anders.
Een kind is een weefsel dat op volle snelheid geweven wordt. Dat vergt drie dingen tegelijk. Sneller kopiëren dan ooit later — dus één fout in een stichterscel wordt door een heel orgaan geërfd. Groeipatronen die wijd open móeten staan — hetzelfde patroon dat in een jaar de kleine hersenen bouwt, is, op het verkeerde moment niet gesloten, de tumor van de kleine hersenen. En een afweer die zelf nog gebouwd wordt en mild móet zijn — een streng toetsend kind zou zijn eigen razendsnel veranderende weefsel opruimen.
Kinderkanker is dus bouwrisico, geen slijtagerisico. Geen schuld, geen leefstijl, geen zestig jaar van wat dan ook. Het is zeldzaam — ongeveer één op de vierhonderd kinderen — omdat het weven verbluffend goed gecontroleerd is voor die snelheid. En het is genezelijker dan volwassen kanker — ruim tachtig procent — omdat een jong weefsel zichzelf afweeft zodra het open patroon gesloten is. Het preventievenster ligt vroeg: vóór en rond de geboorte. Dat is wat een samenleving haar kinderen verschuldigd is: een schone, kalme, goed gevoede weeftijd.
De vrouw van zesennegentig
Verouderen is niet dat het weefsel verandert. Het patroon blijft. Wat wegzakt is de spanning en de maat. Ritmes die in elkaar grepen — slaap en licht, hart en adem, maaltijd en stofwisseling — lopen uit de pas. En de leeslaag zelf vertraagt. Daarom stijgen kanker en infecties na het zeventigste: niet omdat er meer fouten ontstaan, maar omdat er langzamer wordt opgeruimd.
De vrouw van zesennegentig is dus geen wonder. Zij is onderhoud. Vier vormen, allemaal gemeten, meestal gepresenteerd als leefstijllijstje zonder theorie. Beweging houdt de spanning in het weefsel — vandaar dat knijpkracht en loopsnelheid betere voorspellers zijn dan bloeddruk. Voedsel dat nog heel is, gegeten in ritme, levert de draad en zet de klok. Niet roken en weinig drinken is simpelweg: stoppen met draad knippen. En mensen — het zwaarste van de vier. Menselijke weefsels stemmen op elkaar af: adem, slaap, maaltijden, het hele hormonale uurwerk. Chronische eenzaamheid weegt in de sterftecijfers ongeveer even zwaar als stevig roken. Dat is geen troostpraatje. Dat is het grootste onderzoek in het veld, over ruim driehonderdduizend mensen.
In de streken waar de zesennegentigjarige gewoon is, vind je precies deze vier. En je vindt er iets opmerkelijks: de zeer ouden waren meestal nooit ernstig ziek. De ziekte zit samengeperst in de laatste maanden. Het weefsel hield de maat tot bijna het einde, en verloor hem toen overal tegelijk. Dinsdag de tuin, donderdag de slaap.
Voedsel, omgeving, geest
Het boek trekt dezelfde lijn door drie lagen die de geneeskunde als bijzaak behandelt.
Voedsel is geen brandstof maar draad en ritme. De moderne afwijking is niet vet of koolhydraat — de grote studies krijgen geen van beide veroordeeld. De afwijking is het industriële ontrafelen: hele structuren afgebroken tot raffinaat en teruggebouwd voor houdbaarheid. Daarbij verdwijnt het trage, de mineralen, en het materiaal waar de darmbewoners van leven — de biljoenen die de afweer dagelijks trainen. In meerdere landen is meer dan de helft van alle calorieën inmiddels ontrafeld voedsel. Dat is de meetbaarste voedselvoorspeller van moderne ziekte.
De omgeving is geen decor maar een laag van het lichaam. Elfduizend liter lucht per dag door het fijnste vlies dat we bezitten. Miljoenen doden per jaar door verbrandingsstof, wereldwijd geteld. En de geschiedenis laat zien wat er gebeurt als een gedeelde last wordt weggenomen — lood uit de benzine, jodium in het zout, rook uit de publieke ruimte: hele bevolkingen schuiven binnen jaren op, tegen kosten die elke therapie beschamen. Deze preventie kan geen individu doen. Ze wordt samen besloten of niet.
En de geest volgt dezelfde regels. Stress is spanning zonder ontladingsweg — alarm zonder handeling, de moderne standaardtoestand. Trauma is een gebeurtenis die in de wereld voorbij is en in het weefsel niet; de behandelingen die aantoonbaar werken zijn zonder uitzondering sluitingsprocedures. Depressie in zijn uitgeputte vorm is maatverlies — en de sterkst bewezen behandelingen zijn dan ook maatbehandelingen: licht, vaste slaap, geplande handeling, terugkeer in het menselijk weefsel. En zin is passing, gevoeld: iemand om voor te zorgen, werk dat ergens landt. Zin-in-het-leven voorspelt sterfte en dementie even sterk als de klassieke risicofactoren. Dat cijfer bestaat al jaren en haalt geen spreekkamer.
Wat dit betekent
De geneeskunde is gebouwd rond het weefsel: vind het afwijkende stuk, snij het weg, los het op. Haar triomfen zijn weefseltriomfen. Haar vastgelopen fronten zijn allemaal lees- en maatfronten: kanker, auto-immuunziekte, ouderdomsziekte, psychische ziekte. En haar doorbraken van het laatste decennium zijn — zonder dat het zo benoemd wordt — allemaal lees- en maatdoorbraken. De verschuiving is al gaande. Wat ontbreekt is de kaart.
De kaart is eenvoudig. Diagnosticeer de toets, niet alleen het weefsel: is er leesbaar signaal, kunnen de lezers erbij, wat toont het register. Drie vragen, drie bestaande metingen, nu verspreid over afdelingen die elkaar niet spreken. En leg het gewicht van de zorg waar de lagen het leggen: bij de stille vloeren. Schone lucht. Heel voedsel. Een vuile, levende kindertijd voor de afweer. Levens met ontlading, ritme en mensen erin. Dertig tot vijftig procent van alle kanker is volgens de Wereldgezondheidsorganisatie te voorkomen — dat is geen slogan maar de optelsom van deze vloeren.
Het kind en de vrouw van zesennegentig delen geen loterij. Ze delen een weefsel. De een stond waar alles wat geweven wordt even moet staan: aan het snelle, open, mild getoetste begin. De ander stond waar alles wat geweven is kán staan, als het onderhouden wordt: in de maat, tot het einde. Het eerste risico is te versmallen, nooit af te schaffen. Het tweede hebben we — meer dan enig ander gegeven in de geneeskunde — zelf in de hand. Samen.
Referenties
1. Konstapel, J., “Where Illness Comes From — The Net from First Chemistry to the Human” (2026), constable.blog. Waarom lezen? Het boek waar dit blog de samenvatting van is. Twaalf hoofdstukken, van de ladder van de elementen tot de psyche, met per hoofdstuk de afwijking en de preventie. Leesadvies: begin bij hoofdstuk 5 en 6 als kanker de ingang is; begin vooraan als het kader zelf de ingang is.
2. Folkman, J. & Kalluri, R., “Cancer without disease,” Nature 427 (2004): 787. Waarom lezen? Eén pagina. Het obductiebewijs dat stille tumoren gewoon zijn en ziekte een verhouding is, geen ding. De kortste weerlegging van het oorlogsverhaal.
3. Le, D.T. e.a., “Mismatch repair deficiency predicts response of solid tumors to PD-1 blockade,” Science 357 (2017): 409–413. Waarom lezen? De studie achter de eerste tumor-onafhankelijke goedkeuring ooit: niet wáár de kanker zit telt, maar hoe leesbaar hij afwijkt. De toets-lezing, als klinische proef uitgevoerd voordat ze als principe was uitgesproken.
4. Gröbner, S.N. e.a., “The landscape of genomic alterations across childhood cancers,” Nature 555 (2018): 321–327. Waarom lezen? De feitelijke bodem onder het kinderhoofdstuk: weinig fouten, ongereed weefsel, stichterscellen. Kinderkanker is aantoonbaar iets anders dan volwassen kanker.
5. Holt-Lunstad, J., Smith, T.B. & Layton, J.B., “Social Relationships and Mortality Risk,” PLoS Medicine 7 (2010): e1000316. Waarom lezen? 308.849 mensen: sterke sociale banden, ongeveer vijftig procent hogere overleving. Het cijfer dat eenzaamheid naast roken zet en dat elk gezondheidsdebat zou moeten openen.
6. Fries, J.F., “Aging, Natural Death, and the Compression of Morbidity,” NEJM 303 (1980): 130–135. Waarom lezen? De oorspronkelijke formulering van het samengeperste ziek-zijn aan het levenseinde. De vrouw van zesennegentig, zesenveertig jaar vóór dit blog beschreven.
7. Monteiro, C.A. e.a., “Ultra-processed foods: what they are and how to identify them,” Public Health Nutrition 22 (2019): 936–941. Waarom lezen? De definitie en meting van “ontrafeld voedsel”. Wie wil weten wat er werkelijk in het voedseldebat op het spel staat, begint hier — niet bij vet of koolhydraat.
8. Landrigan, P.J. e.a., “The Lancet Commission on pollution and health,” The Lancet 391 (2018): 462–512. Waarom lezen? De wereldwijde boekhouding van vervuiling en gezondheid, inclusief het bewijs dat het wegnemen van gedeelde lasten hele bevolkingen verschuift tegen lage kosten. Het omgevingshoofdstuk in cijfers.
9. Strachan, D.P., “Hay fever, hygiene, and household size,” BMJ 299 (1989): 1259–1260. Waarom lezen? Twee pagina’s die het kalibratieverhaal begonnen: broers, zussen, vuil, en de halvering van allergie. Waarom een afweer een gewone, levende wereld nodig heeft om te leren lezen.
10. Cohen, R., Bavishi, C. & Rozanski, A., “Purpose in Life and Its Relationship to All-Cause Mortality,” Psychosomatic Medicine 78 (2016): 122–133. Waarom lezen? Zin als gemeten overlevingsfactor, even sterk als de klassieke risicofactoren. Het minst geadverteerde grote cijfer van de epidemiologie.
