AI als Instrument

J.Konstapel, Leiden, 5-7-2027

Aanleiding

Vaandaag kreeg ik het rapport “KUNST ZINNIG BOVEN KUNST-MATIG” van de Raad voor Cultuur in handen in handen.

Het rapport is warrig.

Wat vindt de Raad voor Cultuur van AI —

. Alle citaten letterlijk, met paginaverwijzing.


Openingsoordeel (Samenvatting)

“AI heeft bovendien grote invloed op de creatieve en culturele sector.” (p. 4)

“Onze waardevolle, menselijke cultuur en kunst worden als brandstof gebruikt.” (p. 4)

“De bedrijven achter de ontwikkeling van generatieve AI gebruiken onze cultuur zodoende voor het eigen disruptieve productieproces en verdienmodel, ten koste van wat onze samenleving mooi, sterk en bijzonder maakt, namelijk onze cultuur.” (p. 4)

“De raad is van oordeel dat de impact van AI op de creatieve sector zó groot is, dat hij nu dit ongevraagde advies uitbrengt. De urgentie is groot.” (p. 4)

“Enerzijds zien makers kansen – in iedere fase van het creatieve proces wordt veelvuldig van AI gebruik gemaakt.” (p. 4)

“Anderzijds zijn er grote zorgen. AI-technologie is in handen van een kleine groep – hoofdzakelijk – Amerikaanse bedrijven met veel kapitaal, waarvan de waarden op gespannen voet staan met Europese waarden en die op niets anders uit zijn dan vergroting van eigen macht en eigen vermogen.” (p. 4)

“Voor hen is AI een motor van ongebreidelde vermogensgroei en absolute dominantie, waarvoor cultuur en kunst een prettige en onbeschermde bron van data vormen.” (p. 4)

“De raad is van oordeel dat de overheid, de culturele en creatieve sector en de samenleving ervoor moeten zorgen dat AI op een verantwoorde manier wordt ingezet.” (p. 4)


Inleiding (Hoofdstuk 1)

“Generatieve AI is inherent een culturele technologie.” (p. 13)

“Hoewel AI veelal wordt benaderd vanuit technologisch of economisch perspectief is het bij uitstek een culturele en sociale technologie.” (p. 13)

“Onze waardevolle cultuur wordt zodoende als brandstof gebruikt, en zij dreigt door AI op te branden.” (p. 13)

“AI bedreigt zodoende de basis van onze samenleving, onze cultuur.” (p. 13)

“Wat nog meer zorgen baart dan de snelheid is het feit dat deze technologie ontwikkeld wordt door slechts een handvol spelers, veelal uit de Verenigde Staten. Zij staan voor ongebreidelde machtsvorming en voor niets meer dan eigen gewin en versterking van de eigen positie.” (p. 13)

“De Raad voor Cultuur vindt dit een bedreigende ontwikkeling en acht de tijd rijp om in te grijpen en bij te sturen.” (p. 13)

“Volgens de raad zou AI ten dienste moeten staan van onze kunsten, onze creativiteit, maar ook van de democratie, de journalistiek, het onderwijs en de andere pijlers die onze samenleving dragen.” (p. 13)

“De raad ziet veel kansen om de toegankelijkheid van cultuur te bevorderen en te experimenteren met allerlei nieuwe mogelijkheden. Maar de huidige manier waarop de AI-industrie georganiseerd is houdt geen rekening met de belangen van creatieve makers, noch met de samenleving als geheel.” (p. 14)

“We staan daarom voor een belangrijke keuze: willen we de ontwikkelingen als overheid en als sector passief ondergaan of willen we deze ontwikkeling actief mee vormgeven? De raad kiest onomwonden voor het laatste.” (p. 14)

“De richting van die actie is wat de raad betreft een waardengedreven omgang met generatieve AI. Dus niet winstgedreven, maar waardengedreven.” (p. 14)


Over creativiteit en demystificatie (Hoofdstuk 2)

“Tegelijkertijd is de vraag of AI creatief kan zijn wellicht niet de meest interessante.” (p. 20)

“De meeste geïnterviewden zien de meerwaarde van AI bij de ondersteuning van het creatieve proces, maar vinden wel dat een computer de menselijke creativiteit nooit mag vervangen.” (p. 21)

“Geïnterviewden benadrukken dat de creatieve bijdrage van AI niet overschat mag worden.” (p. 22)

“De sector bevindt zich volgens hen nu in het dal van de desillusie van AI: de resultaten die met AI bereikt kunnen worden zijn voor professionele kunstenaars niet zo zaligmakend.” (p. 22)

“Om die hype tot de juiste proporties terug te brengen, is het volgens een aantal geïnterviewden van belang om AI te demystificeren.” (p. 22)


Over auteursrecht en machtsconcentratie (Hoofdstuk 3)

“In veel gevallen zijn AI-modellen getraind zonder toestemming van makers.” (p. 32)

“De raad vindt het een positieve ontwikkeling dat AI-bedrijven en rechthebbenden licentieafspraken maken, maar ziet dat dit vaak beperkt blijft tot rechthebbenden met grote werkrepertoires.” (p. 32)

“De AI-markt wordt gedomineerd door een klein aantal voornamelijk Amerikaanse bedrijven.” (p. 36)

“Er leven grote zorgen over deze concentratie; over de invloed van big tech op democratieën, onderwijs, media en de publieke sector.” (p. 36)

“Niet voor niets valt steeds vaker de term ‘data-kolonialisme’.” (p. 36)

“Toch is het beeld in potentie minder eenduidig somber dan bij andere dominante technologieën.” (p. 36)

“De culturele sector kan hier direct van profiteren: open modellen zijn te trainen op eigen collecties… zonder afhankelijkheid van Amerikaanse platforms of andere instituties.” (p. 37)

“Het probleem is dat de meeste makers en het overgrote deel van het publiek deze alternatieven nauwelijks kent.” (p. 37)


Over de rol van de sector en demystificatie (Hoofdstuk 3, vervolg)

“Hier heeft de culturele en creatieve sector een belangrijke rol te spelen.” (p. 39)

“AI-technologie is cultuurpolitiek waarin Europa vooralsnog niet mee aan het stuur zit en meepraat maar tot consumeren is veroordeeld.” (p. 40)


Conclusies (Hoofdstuk 5)

“Generatieve AI is een sociale en culturele technologie.” (p. 49)

“De manier waarop deze fundamentele technologie momenteel ontworpen en ontwikkeld wordt, baart de raad ernstige zorgen.” (p. 49)

“De ontwikkeling van AI is in handen van een klein aantal Amerikaanse bedrijven en/of autoritaire staten met veel kapitaal, wier waarden op gespannen voet staan met Europese waarden en de democratische rechtsstaat. Dat is een bedreiging voor de hele samenleving.” (p. 49)

“Het levert nieuwe inspiratie op, maar gaat ook gepaard met grote zorgen, vooral over de manier waarop AI is ontworpen, hoe de industrie is georganiseerd en de wijze waarop AI-bedrijven te werk gaan.” (p. 49)

“Daarnaast hebben cultuur en creativiteit de kracht om AI op een positieve manier te beïnvloeden.” (p. 49)

“We staan op een belangrijk kruispunt. De ontwikkelingen rond AI gaan razendsnel en gaan gepaard met enorme onzekerheden, maar vragen om real time bijsturing.” (p. 50)

“Kiezen we, kortom, voor passief volgen of gaan we actief mee-maken? De raad kiest onomwonden voor het mee-maken van deze ontwikkeling.” (p. 50)

“Het goede nieuws is dat dat ook kan, want er zijn wel degelijk beïnvloedingsmogelijkheden en concrete interventies om onze waarden te beschermen en de kansen te benutten.” (p. 50)

“AI kan op een betekenisvolle manier voor cultuur en creativiteit worden gebruikt, maar daarbij moeten altijd de essentiële waarden uit het vorige hoofdstuk worden gewaarborgd. AI zou ten dienste moeten staan van de samenleving en de cultuur die wij met elkaar tot stand willen brengen.” (p. 50)

“Dat betekent enerzijds geen blinde omarming van de technologie. De raad ziet namelijk hoe AI waarden als creativiteit, eigenaarschap van makers en pluriformiteit onder druk zet. Anderzijds kan de sector de ogen niet sluiten voor de transformerende kracht van AI en de kansen die het te bieden heeft.” (p. 50)

“Daarom staat de raad voor een waardengedreven omgang met generatieve AI, waarbij technologie bijdraagt aan een sterke culturele en creatieve sector in plaats van die te ondermijnen, en waarbij creatieve makers de toekomst met AI mee vormgeven.” (p. 50)

Het koste al een nieuw rapport om te ontdekken wat ze onder AI verstaan:

2 Wat is “AI” volgens de Raad voor Cultuur?

Een conceptuele inventarisatie van Kunstzinnig boven kunstmatig (2026)

1. Inleiding: de afwezigheid van één definitie

Het ongevraagde advies van de Raad voor Cultuur, Kunstzinnig boven kunstmatig (juni 2026), is gebouwd op de stelling dat generatieve AI geen neutraal instrument is maar een “sociale en culturele technologie” (Raad voor Cultuur, 2026, p. 4, p. 13). Toch legt het rapport zich nergens vast op één definitie van AI. In plaats daarvan wordt “AI” gebruikt als paraplubegrip dat minstens acht te onderscheiden registers omvat — technisch-regulatoir, architecturaal, functioneel, procesmatig, politiek-economisch, cultuurtheoretisch, infrastructureel en juridisch-regulatoir. Dit is geen unieke tekortkoming van dit document; het weerspiegelt een bredere terminologische losheid in het Nederlandse en Europese AI-beleidsdiscours. Maar voor een tekst die zichzelf positioneert als basis voor concrete wetgevende en financiële interventie (een content-heffing, een Regeringscommissaris-AI, een Europees AI-cultuurprogramma) verdient de instabiliteit van het kernobject expliciet gemaakt te worden voordat de aanbevelingen goed beoordeeld kunnen worden.

Deze tekst reconstrueert, register voor register, hoe de Raad over AI spreekt, met gebruikmaking van de eigen formuleringen en verwijzingen van het rapport.


2. Het formeel-regulatoire register: AI als een op een machine gebaseerd systeem

De enige formele definitie die het rapport aanhaalt, is niet zelf geformuleerd — ze komt via de OESO, is overgenomen in het Nederlandse regeringsbeleid en vormt de basis onder de Europese AI Act:

“AI-systeem: een op een machine gebaseerd systeem dat is ontworpen om met verschillende niveaus van autonomie te werken en dat na het inzetten ervan aanpassingsvermogen kan vertonen, en dat, voor expliciete of impliciete doelstellingen, uit de ontvangen input afleidt hoe output te genereren zoals voorspellingen, inhoud, aanbevelingen of beslissingen die van invloed kunnen zijn op fysieke of virtuele omgevingen.” (OESO 2023, geciteerd in Raad voor Cultuur, 2026, p. 15)

De Raad erkent expliciet de wankelheid van deze definitorische grond, en citeert de WRR die “al [constateerde] dat het niet eenvoudig is om AI te definiëren. Er is geen eenduidige definitie van te geven, en definities worden ook constant aangepast” (p. 15). Dit is een zeldzaam moment van epistemische bescheidenheid in het rapport: de regulatoire categorie die de hele AI Act onderbouwt — en daarmee het hele Europese juridische apparaat dat de Raad wil inzetten ten behoeve van de culturele sector — wordt erkend als voorlopig en voortdurend in herziening.

Dit register is functioneel, niet architecturaal: het definieert AI naar wat een systeem doet (input omzetten in output die omgevingen beïnvloedt, onder enige autonomie) in plaats van naar hoe het gebouwd is. Het is daarmee bewust breed genoeg om zowel een thermostaat-achtig regelsysteem als een groot taalmodel te omvatten — de Raad adresseert deze breedte niet direct, maar versmalt haar impliciet in de volgende paragraaf.


3. Het architecturale register: twee modelfamilies

Na de brede functionele definitie te hebben aangehaald, versmalt de Raad de praktische reikwijdte tot twee modelarchitecturen:

“Voor generatieve AI-toepassingen worden twee type modellen het meest gebruikt. Large Language Models (LLM’s) zijn getraind op enorme hoeveelheden tekst en vormen de basis van toepassingen als ChatGPT en Copilot. Diffusiemodellen leren door stapsgewijs ruis uit beelden te verwijderen en liggen vaak ten grondslag aan beeldgeneratoren en videogeneratoren.” (p. 16)

Dit is een betekenisvolle versmalling, omdat LLM’s en diffusiemodellen verschillende juridische en technische eigenschappen hebben die verderop in het rapport van belang zijn — met name de Duitse uitspraak GEMA v. OpenAI over “memorisatie” (par. 3.2, p. 32) is een fenomeen dat primair gedocumenteerd is bij tekstgenererende LLM’s, en de toepasbaarheid ervan op diffusiegebaseerde beeldmodellen wordt door de Raad niet geadresseerd, ook al worden beide behandeld als instanties van dezelfde generieke “AI.”


4. Het taakspecificiteitsregister: generatieve vs. taakspecifieke AI

De Raad trekt een tweede, expliciete grens — tussen AI-systemen gebouwd voor één afgebakende taak (spamfilters, gezichtsherkenning, aanbevelingsalgoritmen van Netflix/Spotify) en generatieve AI:

“Taakspecifieke AI is ontworpen voor één afgebakende toepassing… In tegenstelling tot taakspecifieke AI is generatieve AI in staat om op basis van simpele opdrachten (prompts) content te produceren, zoals tekst, beeld, audio en video, en kan het tevens ‘code schrijven’ en analyses uitvoeren.” (p. 15)

Het rapport is expliciet dat deze afbakening bewust is: de focus ligt op generatieve AI omdat dit type “de meest directe en urgente vragen op[roept] voor de sector” (p. 15). Dit is methodologisch belangrijk, omdat het betekent dat het gehele adviesapparaat — de zes intrinsieke waarden, de tien aanbevelingen, het heffingsvoorstel — gekalibreerd is op generatieve systemen specifiek, terwijl de openingsformulering (“AI is inherent een culturele technologie”) in maximaal algemene termen gesteld wordt en ogenschijnlijk ook op taakspecifieke systemen zou slaan (aanbevelingsalgoritmen sturen culturele blootstelling minstens zo sterk, wellicht sterker gezien hun schaal van inzet, dan generatieve tools).


5. Het procesmatige register: de rol van AI binnen het creatieve proces

Hoofdstuk 2 van het rapport ordent zijn voorbeelden impliciet niet naar architectuur maar naar de functie die AI inneemt in een creatief werkproces — een register dat de Raad nooit expliciet benoemt, maar waarrond het voorbeeldmateriaal consequent gestructureerd is. Drie posities komen naar voren:

5.1 AI als instrument. De dominante zelfbeschrijving onder geïnterviewden: een gereedschap dat versnelt of ondersteunt zonder auteurschap te verdringen. Het rapport citeert schrijver Walter van den Berg die Claude gebruikte als redactionele sparringpartner: “Claude kwam met verrassend goede literaire inzichten, en kon echt als een motiverende redacteur werken” (p. 23).

5.2 AI als medemaker/artistiek materiaal. Hier wordt de aanwezigheid van AI juist voorgrond gebracht en onderzocht binnen het werk zelf, in plaats van verborgen in het productieproces. Voorbeelden: Theatergroep Urlands Formerly known as, geschreven door AI en opgevoerd met AI-gedubde stemmen, en Brodbeck & De Barbuats Une Histoire Parallèle, dat historische foto’s opnieuw genereert met AI, specifiek om de vooringenomenheden van het model bloot te leggen (p. 25).

5.3 AI als autonome generator. Complete werken geproduceerd met minimale menselijke tussenkomst, soms verkocht alsof ze door mensen gemaakt zijn. De Raad noteert: “In 2024 was al één op de 25 boeken die bol.com verkocht door AI gegenereerd” (p. 24), en beschrijft het model van de Dead End Gallery van AI-“virtuele kunstenaars” wier output gecureerd wordt door een tweede AI, waarbij de menselijke galeriehouder gereduceerd is tot een promptende rol (p. 26).

Deze drieledige indeling is belangrijker dan het eigen vocabulaire van het rapport suggereert, omdat het normatieve kader van de Raad (hoofdstuk 4) “AI” behandelt als een ongedifferentieerde bedreiging voor menselijke creativiteit, zonder te erkennen dat categorieën 5.1 en 5.2 mogelijk fundamenteel andere — zelfs tegengestelde — risico’s voor die waarde vormen dan categorie 5.3.


6. Het politiek-economische register: AI als extractie en machtsconcentratie

Dit is wellicht het dominante emotionele register van het rapport, al in de samenvatting gevestigd:

“Onze waardevolle, menselijke cultuur en kunst worden als brandstof gebruikt. De bedrijven achter de ontwikkeling van generatieve AI gebruiken onze cultuur zodoende voor het eigen disruptieve productieproces en verdienmodel.” (p. 4)

De metafoor van cultuur als brandstof keert terug in de inleiding: culturele data dreigen “opgebrand” te worden en te verworden tot “AI-slop” (p. 13). Dit register culmineert in een expliciete benoeming van het fenomeen als data-kolonialisme:

“Niet voor niets valt steeds vaker de term ‘data-kolonialisme’: een kleine groep bedrijven eigent zich de culturele productie van de wereld toe als grondstof voor eigen winstgevende infrastructuur, terwijl de makers en de samenlevingen waaruit die cultuur voortkomt er vrijwel niets voor terugkrijgen.” (p. 36)

Hier is “AI” geen technologie in de technische zin — het is een naam voor een economische relatie: een klein aantal “hoofdzakelijk Amerikaanse bedrijven” (p. 13) die waarde onttrekken aan cultuur als onbetaalde grondstof. De VN-rapporteur voor culturele rechten, Alexandra Xanthaki, wordt aangehaald ter ondersteuning van deze framing, met de waarschuwing dat AI-ontwikkeling grotendeels de rechten van de creatieve sector heeft genegeerd (p. 38).


7. Het cultuurtheoretische register: AI als cultureel doordrenkt artefact

In productieve spanning met register 6 loopt een register waarin AI niet slechts een consument van cultuur is, maar zelf geconstitueerd wordt door cultuur — geen neutrale infrastructuur maar een artefact dat specifieke, gesitueerde keuzes belichaamt:

“AI-technologie zelf [is] doordrenkt van cultuur. Het is geen neutrale technologie, maar een systeem dat van meet af aan culturele keuzes belichaamt: welke talen worden gebruikt, welke content wordt zichtbaar gemaakt, wat zijn ‘normale’ beelden, welke morele grenzen worden getrokken.” (p. 40)

Het rapport illustreert dit met de ChatGPT-spraakmodus die naar verluidt geïnspireerd was op de film Her (2013), inclusief “een zonder toestemming gekloonde stem van actrice Scarlett Johansson” (p. 40), en met de bevinding dat het gereconstrueerde Annie Leibovitz-portret van Lennon en Ono via AI een naakt onderwerp aankleedde — “het gevolg van het wegfilteren van mannelijk naakt waarmee deze AI is geprogrammeerd” (p. 26).

Dit register genereert de conceptueel interessantste beweging van het rapport: het onderscheid, ontleend aan de Nederlandse AI Coalitie (2021), tussen “AI for culture” en “Culture for AI”:

“om duidelijk te maken dat AI niet alleen zorgt voor allerlei toepassingen binnen de culturele sector, maar dat de culturele sector juist mede moet bepalen hoe de samenleving omgaat met AI.” (p. 39–40)

Dit onderscheid verdient analytische aandacht: register 6 (extractie) en register 7 (culturele belichaming) zijn niet zonder meer verenigbaar. Als AI-systemen fundamenteel gevormd worden door de (grotendeels Amerikaanse) cultuur waarin ze gebouwd zijn — een claim over culturele specificiteit — dan verhoudt zich dat moeizaam tot de claim dat AI een generiek extractief mechanisme is, onverschillig voor de inhoud die het consumeert, alles reducerend tot een gemiddelde “AI-slop” (p. 13). Het rapport verzoent deze twee beelden niet; het gebruikt naar believen welk beeld retorisch past bij de alinea in kwestie.


8. Het infrastructureel-materiële register: AI als hardware en energie

Een register dat grotendeels losstaat van vragen over modellen, prompts of output behandelt AI als een fysiek-industrieel complex:

“Generatieve AI-modellen hebben enorme hoeveelheden energie nodig voor training en gebruik. In 2024 werd naar schatting 15 tot 20 procent van het wereldwijde stroomverbruik van datacenters gebruikt voor AI-toepassingen.” (p. 38–39)

Hier is AI noch een model noch een cultureel artefact, maar een aanspraak op fysieke hulpbronnen — elektriciteit, water, chipfabricage, ruimte — met bijbehorend “verdringingseffect” op andere maatschappelijke behoeften (p. 39). Dit register is analytisch scheidbaar van alle andere: de ecologische voetafdruk van een systeem is een functie van training-/inferentierekenkracht, onafhankelijk van of dat systeem taakspecifiek of generatief is, of het gebruikt wordt als instrument of autonome generator, of welke culturele waarden het belichaamt.


9. Het juridisch-regulatoire register: AI als risicoclassificatie

Ten slotte erft het rapport van de EU AI Act een classificerend register waarin “AI” niet wordt onderverdeeld naar functie of architectuur, maar naar risiconiveau:

“De verordening deelt AI-systemen in op verschillende risiconiveaus. AI-systemen die een duidelijke bedreiging vormen voor de veiligheid, rechten en vrijheden van mensen worden volledig verboden. Aan AI-systemen met hoge risico’s worden strenge eisen gesteld.” (p. 33, kader “AI Act”)

Dit register is procedureel en administratief eerder dan beschrijvend: het vraagt niet wat een systeem is, maar welke verplichtingen eraan verbonden zijn, en het is het register waarop de aanbeveling van de Raad voor strengere handhaving (aanbeveling 4) direct steunt.


10. Synthese: de instabiliteit onder de retorische eenheid van het rapport

Tabel 1 vat de acht hierboven geïdentificeerde registers samen.

#RegisterWat AI is, in dit registerVindplaats in rapport
1Formeel-regulatoirEen machinesysteem dat input omzet in output, onder enige autonomiep. 15 (OESO-def.)
2ArchitecturaalLLM of diffusiemodelp. 16
3TaakspecificiteitGeneratief vs. afgebakend-taak systeemp. 15
4Procesmatig/rolInstrument, medemaker, of autonome generatorpp. 22–27
5Politiek-economischEen extractief mechanisme / data-kolonialismepp. 4, 13, 36
6CultuurtheoretischEen cultureel doordrenkt, niet-neutraal artefactpp. 40–41
7InfrastructureelEnergie-/hardware-/waterverbruikpp. 38–39
8Juridisch-regulatoirEen risiconiveau-classificatiep. 33

Drie observaties volgen uit het naast elkaar leggen van deze registers, die het rapport zelf nergens expliciteert:

Ten eerste staan registers 5 en 6 in latente spanning (zie §7 hierboven): het ene behandelt AI als cultureel onverschillige extractie, het andere als culturele specificiteit en belichaming. Een rigoureuze analyse zou moeten specificeren in welke fase — dataverzameling, training, fine-tuning/RLHF, inzet — welke dynamiek domineert, in plaats van beide gelijktijdig aan te roepen alsof het dezelfde claim betreft.

Ten tweede vermengt het rapport systematisch het proces-register (training — waar het auteursrecht- en extractiedebat leeft, §6) met het product-register (output — waar het “AI-slop”- en authenticiteitsdebat leeft, §5–§7). Dit zijn verschillende empirische vragen (Is toestemming verkregen voor trainingsdata? versus Is deze output niet te onderscheiden van menselijk werk?) die om verschillende bewijsstandaarden vragen, terwijl de zes “intrinsieke waarden” van de Raad (hoofdstuk 4) uniform op beide worden toegepast zonder onderscheid welke waarde door welke fase bedreigd wordt.

Ten derde staat de eigen afbakeningskeuze van het rapport (§4: focus uitsluitend op generatieve AI) op gespannen voet met de universele openingsstelling (§1: “AI is inherent een culturele technologie,” zonder voorbehoud). Taakspecifieke aanbevelingsalgoritmen — die het rapport expliciet buiten haakjes plaatst — sturen al “welke musea in Amsterdam je het beste kunt bezoeken” op basis van welke instellingen actief zijn op sociale media (p. 27), een curatorieel/cultuurvormend effect dat het rapport zelf documenteert maar niet meeneemt in de hoofdanalyse vanwege de generatieve-AI-afbakening uit §1.2.


11. Afsluitende opmerking

Het advies van de Raad is retorisch verenigd rond één zin — “AI is inherent een culturele technologie” (p. 15) — maar analytisch functioneert “AI” als een verschuivend teken over minstens acht registers die niet altijd onderling consistent zijn. Dit wordt hier niet gepresenteerd als weerlegging van de aanbevelingen van het rapport, waarvan verscheidene (het ontwerp van de content-heffing, de Regeringscommissaris-AI, de nadruk op Europese modelalternatieven) op eigen empirische en institutionele merites staan, ongeacht definitorische precisie. Maar elke poging om verdere wetenschappelijke analyse op dit rapport te bouwen — bijvoorbeeld het toepassen van een expectation-failure- of predictie-foutkader op hoe de categorie “AI” zich gedraagt in het Nederlandse cultuurbeleidsdiscours — zou eerst expliciet moeten maken welk van deze acht registers operatief is in een gegeven claim, aangezien het rapport dat zelf niet doet.


Referenties

Raad voor Cultuur (2026). Kunstzinnig boven kunstmatig. Naar een waardengedreven toepassing van AI in de culturele en creatieve sector. Den Haag: Raad voor Cultuur.

OESO (2023). Updates to the OECD’s definition of an AI system explained. Parijs: OECD. oecd.ai/en/wonk/ai-system-definition-update

Nederlandse AI Coalitie (NL4AI) (2021). De kunst van AI voor iedereen. De verbindende kracht van cultuur en media. Den Haag.

Xanthaki, A. — geciteerd in Raad voor Cultuur (2026), p. 38, verwijzend naar het rapport van de VN-Speciaal Rapporteur inzake kunstmatige intelligentie en creativiteit.

2. Het waardemodel van de Raad voor Cultuur

2.1 De zes waarden: volledige tekst

Het rapport formuleert zes waarden die het beoordelingskader vormen voor AI in de culturele en creatieve sector (p. 5, uitgewerkt p. 45–47). Hieronder de volledige, letterlijke formulering van elke waarde:

  1. Menselijke creativiteit: “AI respecteert, waarborgt en stimuleert de menselijke creativiteit.”
  2. Creatief auteurschap: “AI respecteert, waarborgt en beschermt het creatief auteurschap van kunstenaars.”
  3. Kwaliteit van de creatieve arbeidsmarkt: “AI respecteert, beschermt en stimuleert een rechtvaardige arbeidsmarkt voor kunstenaars.”
  4. Pluriformiteit: “AI stimuleert, beschermt en draagt bij aan artistieke pluriformiteit.”
  5. Toegankelijkheid: “AI respecteert, waarborgt en stimuleert de vrije, brede en laagdrempelige toegang tot kunst en cultuur.”
  6. Artistieke vrijheid: “AI respecteert en draagt bij aan het bestaan van volledige artistieke vrijheid.”

2.2 Herkomst

Het rapport noemt de herkomst van deze zes waarden expliciet:

“Deze waarden zijn een uitwerking van de vier doelstellingen voor het cultuurbeleid die de raad eerder heeft geformuleerd, toegespitst op de wijze waarop AI inwerkt op de culturele en creatieve praktijk.” (p. 14, noot 2, verwijzend naar Raad voor Cultuur 2017 en Raad voor Cultuur 2024)

De vier onderliggende doelstellingen uit 2017 luiden:

“1. Creatief en kunstzinnig talent in alle genres en disciplines krijgt voldoende kansen en mogelijkheden om zich artistiek te ontplooien; 2. Iedereen in Nederland heeft, ongeacht leeftijd, culturele achtergrond, inkomen en woonplaats, toegang tot cultuur; 3. De overheid waarborgt een pluriform aanbod van cultuur, waarin het bestaande wordt gekoesterd en het nieuwe wordt omarmd; 4. Er is een wederkerige relatie tussen cultuur en samenleving…” (p. 44)

De genoemde bron voor de zes waarden is dus uitsluitend de Raad zelf (adviezen uit 2017 en 2024). Het rapport citeert bij deze specifieke waarden geen externe theoretische of empirische bron.

Daarnaast plaatst het rapport de zes waarden expliciet als aanvulling op een breder waardenkader dat al bestaat in het Nederlandse en Europese AI-beleid: de vier uitgangspunten van de Overheidsbrede visie Generatieve AI (veiligheid, rechtvaardigheid, menselijk welzijn, duurzaamheid; p. 43) en waarden geformuleerd door andere organisaties zoals het Commissariaat voor de Media, het Rathenau Instituut, de Autoriteit Persoonsgegevens en UNESCO (p. 44). De zes waarden worden gepresenteerd niet als vervanging, maar als sectorspecifieke toespitsing van dit bredere geheel.


2.3 Grammaticale/structurele opbouw

Elke waarde is geformuleerd volgens hetzelfde patroon: “AI [werkwoord(en)] [waarde].” AI is grammaticaal het onderwerp, de waarde het lijdend voorwerp. Dit maakt het model een reeks normatieve verwachtingen ten aanzien van AI (wat AI zou moeten doen), niet een beschrijving van de waarden zelf als autonome grootheden.

Onderstaande tabel telt de gebruikte werkwoorden per waarde:

WaardeWerkwoordenAantal
Menselijke creativiteitrespecteert, waarborgt, stimuleert3
Creatief auteurschaprespecteert, waarborgt, beschermt3
Kwaliteit arbeidsmarktrespecteert, beschermt, stimuleert3
Pluriformiteitstimuleert, beschermt, draagt bij aan3
Toegankelijkheidrespecteert, waarborgt, stimuleert3
Artistieke vrijheidrespecteert, draagt bij aan2

Vijf van de zes waarden krijgen drie werkwoorden toegewezen; artistieke vrijheid krijgt er twee. Het terugkerende werkwoord “respecteert” komt bij vijf van de zes waarden voor (alle behalve pluriformiteit); “stimuleert” bij vier; “waarborgt” bij drie; “beschermt” bij drie; “draagt bij aan” bij twee.


2.4 Verhouding tot de aanbevelingen

Het rapport koppelt de zes waarden niet één-op-één aan de tien aanbevelingen uit hoofdstuk 5; de koppeling loopt via de drie pijlers (A: creativiteit versterken, B: weerbare sector, C: arbeidsmarkt verstevigen). Onderstaand een feitelijke inventarisatie van welke waarde met welke pijler/aanbeveling het meest direct correspondeert.

WaardeMeest direct corresponderende pijler/aanbeveling
Menselijke creativiteitPijler A, aanbeveling 1 (“Sta voor de kracht van menselijke creativiteit”)
Creatief auteurschapPijler B, aanbeveling 3 (content-heffing) en 4 (implementatie AI Act)
Kwaliteit arbeidsmarktPijler C, aanbevelingen 8, 9, 10 (arbeidsmarktinfrastructuur, scholingsfonds, loopbaanpaden)
PluriformiteitDeels aanbeveling 2 (publieke AI-alternatieven, datasets met Europese focus)
ToegankelijkheidGeen specifieke, op deze waarde toegesneden aanbeveling; komt terug als algemene overweging bij aanbeveling 2
Artistieke vrijheidGeen specifieke, op deze waarde toegesneden aanbeveling; komt terug als algemene overweging in de toelichting op p. 47

Drie van de zes waarden (menselijke creativiteit, creatief auteurschap, kwaliteit arbeidsmarkt) corresponderen met een pijler die het grootste deel van de tien genummerde aanbevelingen bevat. De overige drie (pluriformiteit, toegankelijkheid, artistieke vrijheid) worden in hoofdstuk 4 op dezelfde manier gepresenteerd als de eerste drie, maar krijgen in hoofdstuk 5 geen eigen pijler of dedicated aanbeveling; ze worden genoemd als nevenoverweging binnen aanbevelingen die primair aan een andere waarde gekoppeld zijn (met name aanbeveling 2).


2.5 Onderlinge verhouding tussen de waarden

Het rapport specificeert niet of de zes waarden een vaste rangorde kennen, of ze onderling kunnen conflicteren, en zo ja, hoe zulke conflicten opgelost moeten worden. Een voorbeeld waar dat aan de orde zou kunnen zijn: toegankelijkheid (“vrije, brede en laagdrempelige toegang tot kunst en cultuur,” p. 47) en creatief auteurschap (“het gebruik ervan door derden moet worden vergoed,” p. 46) kunnen in de praktijk tegengestelde beleidsrichtingen impliceren (lagere drempels voor gebruik vs. vergoedingsplicht voor gebruik), maar het rapport benoemt deze mogelijke spanning niet expliciet en biedt geen afwegingskader voor situaties waarin de zes waarden niet gelijktijdig maximaal te realiseren zijn.


2.6 Samenvatting

Het waardemodel bestaat uit zes gelijkwaardig gepresenteerde, maar niet gelijk uitgewerkte waarden. Ze zijn genealogisch te herleiden tot eerdere eigen adviezen van de Raad (2017, 2024), grammaticaal opgebouwd als normatieve verwachtingen aan het adres van AI, en ongelijk vertaald naar concrete aanbevelingen: de helft van de waarden (creativiteit, auteurschap, arbeidsmarkt) krijgt een eigen pijler met meerdere dedicated aanbevelingen, de andere helft (pluriformiteit, toegankelijkheid, artistieke vrijheid) blijft op het niveau van algemene principeverklaring.


Referenties

Raad voor Cultuur (2026). Kunstzinnig boven kunstmatig. Naar een waardengedreven toepassing van AI in de culturele en creatieve sector. Den Haag: Raad voor Cultuur.

Raad voor Cultuur (2017). Cultuur voor stad, land en regio. De rol van de stedelijke regio’s in het cultuurbestel. Den Haag.

Raad voor Cultuur (2024). Toegang tot cultuur. Op weg naar een nieuw bestel in 2029. Den Haag.

3. Wat verstaat de Raad voor Cultuur onder “cultuur”?

In het advies Toegang tot cultuur; op weg naar een nieuw bestel in 2029 (Raad voor Cultuur, 2024) werkt de Raad een expliciet drieledig waardekader uit voor cultuur:

“Cultuur vertegenwoordigt in de eerste plaats een wezenlijke, intrinsieke waarde. Daarmee verrijkt cultuur het leven van mensen en de samenleving als geheel.

Tegelijkertijd heeft cultuur een maatschappelijke waarde dankzij haar positieve invloed op de mentale en fysieke gezondheid (Gielen et al. 2020, Berkers et al. 2021). En cultuur genereert ook een economische waarde.” <cite index=”15-1″>Cultuur heeft een wezenlijke, intrinsieke waarde en een maatschappelijk waarde. En cultuur heeft een economische waarde.</cite>

Dit drieledige kader — intrinsieke waarde, maatschappelijke waarde, economische waarde — komt ook terug in provinciale cultuurmonitoren die zich baseren op vergelijkbare indelingen: <cite index=”18-1″>”De waarde van cultuur in Brabant wordt in beeld gebracht langs drie kapitalen: cultureel (intrinsieke, eigenwaarde van cultuur), sociaal (maatschappelijke waarde) en economisch (bedrijvigheid en financiële stromen).”</cite> Dit wijst erop dat de driedeling niet uniek is aan één advies, maar een gangbaar analysekader is binnen het Nederlandse cultuurbeleidsveld.

In het advies Toegang tot cultuur wordt bovendien expliciet aangegeven dat de raad niet kiest voor een inhoudelijke afbakening van wat cultuur is, maar voor een bewust brede benadering:

<cite index=”25-1″>”Hanteer brede begrippen van kunst en kwaliteit waarbij het bestaande aanbod wordt gekoesterd en het nieuwe wordt omarmd.”</cite>

Dit is een beleidskeuze voor reikwijdte (welke kunstvormen en makers tellen mee), niet een definitie van het begrip cultuur zelf.


3.3 Cultuur als ecosysteem en “vrije ruimte”

Naast het waardekader hanteert de Raad in Toegang tot cultuur (2024) ook een meer relationele, procesmatige omschrijving van cultuur, als een systeem van onderlinge afhankelijkheden tussen makers, organisaties en publiek:

<cite index=”24-1″>”In het advies Toegang tot Cultuur heeft de Raad voor Cultuur (2024) het over ecosystemen van mensen en organisaties in de cultuursector die elkaar nodig hebben en op verschillende niveaus samenwerken.”</cite>

Hierbij hoort ook het begrip “vrije ruimten” of “culturele derde plekken”: <cite index=”24-1″>”tussenruimtes en vrijplaatsen (zijn) nodig waar mensen en werelden samenkomen en waar experimenten kunnen plaatsvinden. Zij vormen het informele weefsel van de sector”</cite> (RvC, 2024, geciteerd in Waarde van Cultuur, 2024). Dit register beschrijft cultuur niet als inhoud (werken, artefacten) maar als proces en sociale infrastructuur — informele ontmoetingsplekken die niet door overheid of markt zijn bedacht, maar van onderop ontstaan.


3.4 De academische bron die het AI-rapport zelf aanhaalt

Het rapport Kunstzinnig boven kunstmatig (2026) citeert, bij de toelichting op de waarde “menselijke creativiteit,” het onderzoek van Gielen, Elkhuizen, Van den Hoogen e.a. (2014), De waarde van cultuur, specifiek voor de claim dat kunstbeoefening bijdraagt aan mentale en fysieke gezondheid (2026-rapport, p. 45). Diezelfde bron bevat, in haar eigen hoofdstukindeling, een onderscheid tussen twee andere typen waarden dan alleen de gezondheidsclaim:

<cite index=”21-1″>”in het tweede hoofdstuk hoofdzakelijk wordt gefocust op de instrumentele waarden van kunst en cultuur die tegenwoordig in meer of mindere mate in evidence-based onderzoek kunnen worden afgevinkt, richten we ons hier op de breed maatschappelijke waarden van kunst en cultuur.”</cite>

Deze bron bespreekt ook expliciet de vraag hoe cultuur zich verhoudt tot economie en politiek, en citeert Merlin Donald (2006) voor de opvatting dat <cite index=”21-1″>”Cultuur… als een cognitieve activiteit van de mens beschouwd”</cite> kan worden. Het 2026-rapport gebruikt deze bron dus voor één specifieke deelclaim (gezondheidseffecten), zonder de bredere waardetypologie (instrumenteel versus maatschappelijk versus intrinsiek/ervaringswaarde) die in de bron zelf wordt uitgewerkt, over te nemen of te vermelden.


3.5 Cultuur in bredere beleidscontext: het brede/smalle-cultuurbegrip-debat

Buiten de Raad voor Cultuur zelf bestaat er een langlopend, expliciet debat in het Nederlandse cultuurbeleidsveld over de reikwijdte van het begrip cultuur. Dit debat onderscheidt doorgaans twee posities:

<cite index=”26-1″>”Vaak wordt hierbij de smalle definitie van cultuur gebruikt, waar het alleen gaat om de ‘kunsten’, dus denk aan musea, theater, opera, enz. In deze definitie moet cultuur verfijnd en intellectueel uitdagend zijn, ongeacht wie de cultuur waardeert.”</cite>

tegenover:

<cite index=”26-1″>”cultuur in de brede versie, waarbij we op zoek zijn naar alle makers en gebruikers van cultuur”</cite> — een opvatting die ook alledaagse en amateurpraktijken omvat.

Dit smal/breed-onderscheid is dus geen ad-hoc kwestie van één rapport, maar een terugkerend thema in het veld. De reacties op een eerder advies van de Raad, Digitaliseren als kans (2022), laten zien dat maatschappelijke partijen (PublicSpaces, NL AI Coalitie Cultuur en Media, Netwerk Digitaal Erfgoed) expliciet pleitten voor <cite index=”13-1″>”een digitaal en participatief cultuurbegrip”</cite> als reactie op dat advies — wat aangeeft dat ook bij eerdere AI-gerelateerde adviezen van de Raad de precieze reikwijdte van “cultuur” onderwerp van discussie was.


3.6 Vergelijking met het gebruik van “cultuur” in het AI-rapport (2026)

Onderstaande tabel zet de in Hoofdstuk 2 gevonden registers van “cultuur” in het AI-rapport (2026) naast de elementen die in eerdere publicaties van de Raad zijn aangetroffen.

ElementAanwezig in AI-rapport (2026)?Aanwezig in eerdere publicaties?
Sectorale/statistische afbakening (CBS)Ja (p. 16)
Cultuur als maatschappelijke functie/spiegelJa (via 2017-doelstelling, p. 44)Ja (2017-doelstelling zelf)
Cultuur als brede, alledaagse praktijk (“hoe we denken, spreken, werken”)Ja (p. 13)Impliciet, via “breed cultuurbegrip” (2024)
Cultuur als nationaal/Europees erfgoed onder dreigingJa (p. 13, 36)Niet expliciet aangetroffen in geraadpleegde bronnen
Cultuur als individueel welzijnJa (p. 45–46)Ja, als onderdeel van “maatschappelijke waarde” (2024)
Expliciet drieledig waardekader (intrinsiek/maatschappelijk/economisch)Nee — alleen “intrinsieke waarde” wordt genoemd, zonder de andere twee categorieën te benoemen als zodanigJa, expliciet uitgewerkt (2024)
Cultuur als ecosysteem/proces/vrije ruimteNeeJa, expliciet uitgewerkt (2024)
Cultuur als extraheerbaar corpus (trainingsdata)Ja (p. 13)Niet aangetroffen — dit register is specifiek aan de AI-context

3.7 Samenvatting

De Raad voor Cultuur heeft in een eerder advies (Toegang tot cultuur, 2024) een explicieter waardekader voor cultuur uitgewerkt dan in Kunstzinnig boven kunstmatig (2026) wordt gebruikt: een driedeling in intrinsieke, maatschappelijke en economische waarde, plus een aanvullende omschrijving van cultuur als ecosysteem van vrije ruimten en onderlinge samenwerking. Het 2026-rapport neemt uit dit eerdere kader alleen het label “intrinsieke waarde” over voor zijn zes AI-waarden, zonder de bredere driedeling of het ecosysteem-perspectief te vermelden. De academische bron die het 2026-rapport zelf citeert (Gielen e.a., 2014) bevat een vergelijkbare drieledige waardetypologie (instrumenteel/breed maatschappelijk/overig), waarvan het rapport alleen de gezondheidsclaim overneemt. Het smal/breed-onderscheid in de definitie van cultuur is daarnaast een bekend, terugkerend thema in het bredere Nederlandse cultuurbeleidsveld, niet uniek voor dit ene rapport.


Referenties

Raad voor Cultuur (2026). Kunstzinnig boven kunstmatig. Naar een waardengedreven toepassing van AI in de culturele en creatieve sector. Den Haag: Raad voor Cultuur.

Raad voor Cultuur (2024). Toegang tot cultuur. Op weg naar een nieuw bestel in 2029. Den Haag.

Raad voor Cultuur (2022). Digitaliseren als kans. Den Haag.

Gielen, P., Elkhuizen, S., Van den Hoogen, Q. e.a. (2014). De waarde van cultuur. Groningen.

Cultuurmonitor (Boekmanstichting). “Cultuur en participatie” en “Cultuur en geldstromen.” Geraadpleegd 2026, http://www.cultuurmonitor.nl

Waarde van Cultuur (Provincie Noord-Brabant / Het PON & Telos). “Over de Waarde van Cultuur” en “Vrije ruimten, cultuur en brede welvaart.” Geraadpleegd 2026, http://www.waardevancultuur.nl

Sociaal Planbureau Groningen (2023). “Wat is de rol van cultuur binnen de Monitor Brede Welvaart?”

Netwerk Digitaal Erfgoed (2022). “Reactie advies Raad voor Cultuur: pleidooi voor digitaal en participatief cultuurbegrip.”

Rapport