J.Konstapel, Leiden, 5-7-2027.
1 Aanleiding
Vaandaag kreeg ik het rappport “KUNSTZINNIG BOVEN KUNSTMATIG” van de Raad voor Cultuur in handen.
Het koste al een nieuw rapport om te ontdekken wat ze onder AI verstaan:
2 Wat is “AI” volgens de Raad voor Cultuur?
Een conceptuele inventarisatie van Kunstzinnig boven kunstmatig (2026)
1. Inleiding: de afwezigheid van één definitie
Het ongevraagde advies van de Raad voor Cultuur, Kunstzinnig boven kunstmatig (juni 2026), is gebouwd op de stelling dat generatieve AI geen neutraal instrument is maar een “sociale en culturele technologie” (Raad voor Cultuur, 2026, p. 4, p. 13). Toch legt het rapport zich nergens vast op één definitie van AI. In plaats daarvan wordt “AI” gebruikt als paraplubegrip dat minstens acht te onderscheiden registers omvat — technisch-regulatoir, architecturaal, functioneel, procesmatig, politiek-economisch, cultuurtheoretisch, infrastructureel en juridisch-regulatoir. Dit is geen unieke tekortkoming van dit document; het weerspiegelt een bredere terminologische losheid in het Nederlandse en Europese AI-beleidsdiscours. Maar voor een tekst die zichzelf positioneert als basis voor concrete wetgevende en financiële interventie (een content-heffing, een Regeringscommissaris-AI, een Europees AI-cultuurprogramma) verdient de instabiliteit van het kernobject expliciet gemaakt te worden voordat de aanbevelingen goed beoordeeld kunnen worden.
Deze tekst reconstrueert, register voor register, hoe de Raad over AI spreekt, met gebruikmaking van de eigen formuleringen en verwijzingen van het rapport.
2. Het formeel-regulatoire register: AI als een op een machine gebaseerd systeem
De enige formele definitie die het rapport aanhaalt, is niet zelf geformuleerd — ze komt via de OESO, is overgenomen in het Nederlandse regeringsbeleid en vormt de basis onder de Europese AI Act:
“AI-systeem: een op een machine gebaseerd systeem dat is ontworpen om met verschillende niveaus van autonomie te werken en dat na het inzetten ervan aanpassingsvermogen kan vertonen, en dat, voor expliciete of impliciete doelstellingen, uit de ontvangen input afleidt hoe output te genereren zoals voorspellingen, inhoud, aanbevelingen of beslissingen die van invloed kunnen zijn op fysieke of virtuele omgevingen.” (OESO 2023, geciteerd in Raad voor Cultuur, 2026, p. 15)
De Raad erkent expliciet de wankelheid van deze definitorische grond, en citeert de WRR die “al [constateerde] dat het niet eenvoudig is om AI te definiëren. Er is geen eenduidige definitie van te geven, en definities worden ook constant aangepast” (p. 15). Dit is een zeldzaam moment van epistemische bescheidenheid in het rapport: de regulatoire categorie die de hele AI Act onderbouwt — en daarmee het hele Europese juridische apparaat dat de Raad wil inzetten ten behoeve van de culturele sector — wordt erkend als voorlopig en voortdurend in herziening.
Dit register is functioneel, niet architecturaal: het definieert AI naar wat een systeem doet (input omzetten in output die omgevingen beïnvloedt, onder enige autonomie) in plaats van naar hoe het gebouwd is. Het is daarmee bewust breed genoeg om zowel een thermostaat-achtig regelsysteem als een groot taalmodel te omvatten — de Raad adresseert deze breedte niet direct, maar versmalt haar impliciet in de volgende paragraaf.
3. Het architecturale register: twee modelfamilies
Na de brede functionele definitie te hebben aangehaald, versmalt de Raad de praktische reikwijdte tot twee modelarchitecturen:
“Voor generatieve AI-toepassingen worden twee type modellen het meest gebruikt. Large Language Models (LLM’s) zijn getraind op enorme hoeveelheden tekst en vormen de basis van toepassingen als ChatGPT en Copilot. Diffusiemodellen leren door stapsgewijs ruis uit beelden te verwijderen en liggen vaak ten grondslag aan beeldgeneratoren en videogeneratoren.” (p. 16)
Dit is een betekenisvolle versmalling, omdat LLM’s en diffusiemodellen verschillende juridische en technische eigenschappen hebben die verderop in het rapport van belang zijn — met name de Duitse uitspraak GEMA v. OpenAI over “memorisatie” (par. 3.2, p. 32) is een fenomeen dat primair gedocumenteerd is bij tekstgenererende LLM’s, en de toepasbaarheid ervan op diffusiegebaseerde beeldmodellen wordt door de Raad niet geadresseerd, ook al worden beide behandeld als instanties van dezelfde generieke “AI.”
4. Het taakspecificiteitsregister: generatieve vs. taakspecifieke AI
De Raad trekt een tweede, expliciete grens — tussen AI-systemen gebouwd voor één afgebakende taak (spamfilters, gezichtsherkenning, aanbevelingsalgoritmen van Netflix/Spotify) en generatieve AI:
“Taakspecifieke AI is ontworpen voor één afgebakende toepassing… In tegenstelling tot taakspecifieke AI is generatieve AI in staat om op basis van simpele opdrachten (prompts) content te produceren, zoals tekst, beeld, audio en video, en kan het tevens ‘code schrijven’ en analyses uitvoeren.” (p. 15)
Het rapport is expliciet dat deze afbakening bewust is: de focus ligt op generatieve AI omdat dit type “de meest directe en urgente vragen op[roept] voor de sector” (p. 15). Dit is methodologisch belangrijk, omdat het betekent dat het gehele adviesapparaat — de zes intrinsieke waarden, de tien aanbevelingen, het heffingsvoorstel — gekalibreerd is op generatieve systemen specifiek, terwijl de openingsformulering (“AI is inherent een culturele technologie”) in maximaal algemene termen gesteld wordt en ogenschijnlijk ook op taakspecifieke systemen zou slaan (aanbevelingsalgoritmen sturen culturele blootstelling minstens zo sterk, wellicht sterker gezien hun schaal van inzet, dan generatieve tools).
5. Het procesmatige register: de rol van AI binnen het creatieve proces
Hoofdstuk 2 van het rapport ordent zijn voorbeelden impliciet niet naar architectuur maar naar de functie die AI inneemt in een creatief werkproces — een register dat de Raad nooit expliciet benoemt, maar waarrond het voorbeeldmateriaal consequent gestructureerd is. Drie posities komen naar voren:
5.1 AI als instrument. De dominante zelfbeschrijving onder geïnterviewden: een gereedschap dat versnelt of ondersteunt zonder auteurschap te verdringen. Het rapport citeert schrijver Walter van den Berg die Claude gebruikte als redactionele sparringpartner: “Claude kwam met verrassend goede literaire inzichten, en kon echt als een motiverende redacteur werken” (p. 23).
5.2 AI als medemaker/artistiek materiaal. Hier wordt de aanwezigheid van AI juist voorgrond gebracht en onderzocht binnen het werk zelf, in plaats van verborgen in het productieproces. Voorbeelden: Theatergroep Urlands Formerly known as, geschreven door AI en opgevoerd met AI-gedubde stemmen, en Brodbeck & De Barbuats Une Histoire Parallèle, dat historische foto’s opnieuw genereert met AI, specifiek om de vooringenomenheden van het model bloot te leggen (p. 25).
5.3 AI als autonome generator. Complete werken geproduceerd met minimale menselijke tussenkomst, soms verkocht alsof ze door mensen gemaakt zijn. De Raad noteert: “In 2024 was al één op de 25 boeken die bol.com verkocht door AI gegenereerd” (p. 24), en beschrijft het model van de Dead End Gallery van AI-“virtuele kunstenaars” wier output gecureerd wordt door een tweede AI, waarbij de menselijke galeriehouder gereduceerd is tot een promptende rol (p. 26).
Deze drieledige indeling is belangrijker dan het eigen vocabulaire van het rapport suggereert, omdat het normatieve kader van de Raad (hoofdstuk 4) “AI” behandelt als een ongedifferentieerde bedreiging voor menselijke creativiteit, zonder te erkennen dat categorieën 5.1 en 5.2 mogelijk fundamenteel andere — zelfs tegengestelde — risico’s voor die waarde vormen dan categorie 5.3.
6. Het politiek-economische register: AI als extractie en machtsconcentratie
Dit is wellicht het dominante emotionele register van het rapport, al in de samenvatting gevestigd:
“Onze waardevolle, menselijke cultuur en kunst worden als brandstof gebruikt. De bedrijven achter de ontwikkeling van generatieve AI gebruiken onze cultuur zodoende voor het eigen disruptieve productieproces en verdienmodel.” (p. 4)
De metafoor van cultuur als brandstof keert terug in de inleiding: culturele data dreigen “opgebrand” te worden en te verworden tot “AI-slop” (p. 13). Dit register culmineert in een expliciete benoeming van het fenomeen als data-kolonialisme:
“Niet voor niets valt steeds vaker de term ‘data-kolonialisme’: een kleine groep bedrijven eigent zich de culturele productie van de wereld toe als grondstof voor eigen winstgevende infrastructuur, terwijl de makers en de samenlevingen waaruit die cultuur voortkomt er vrijwel niets voor terugkrijgen.” (p. 36)
Hier is “AI” geen technologie in de technische zin — het is een naam voor een economische relatie: een klein aantal “hoofdzakelijk Amerikaanse bedrijven” (p. 13) die waarde onttrekken aan cultuur als onbetaalde grondstof. De VN-rapporteur voor culturele rechten, Alexandra Xanthaki, wordt aangehaald ter ondersteuning van deze framing, met de waarschuwing dat AI-ontwikkeling grotendeels de rechten van de creatieve sector heeft genegeerd (p. 38).
7. Het cultuurtheoretische register: AI als cultureel doordrenkt artefact
In productieve spanning met register 6 loopt een register waarin AI niet slechts een consument van cultuur is, maar zelf geconstitueerd wordt door cultuur — geen neutrale infrastructuur maar een artefact dat specifieke, gesitueerde keuzes belichaamt:
“AI-technologie zelf [is] doordrenkt van cultuur. Het is geen neutrale technologie, maar een systeem dat van meet af aan culturele keuzes belichaamt: welke talen worden gebruikt, welke content wordt zichtbaar gemaakt, wat zijn ‘normale’ beelden, welke morele grenzen worden getrokken.” (p. 40)
Het rapport illustreert dit met de ChatGPT-spraakmodus die naar verluidt geïnspireerd was op de film Her (2013), inclusief “een zonder toestemming gekloonde stem van actrice Scarlett Johansson” (p. 40), en met de bevinding dat het gereconstrueerde Annie Leibovitz-portret van Lennon en Ono via AI een naakt onderwerp aankleedde — “het gevolg van het wegfilteren van mannelijk naakt waarmee deze AI is geprogrammeerd” (p. 26).
Dit register genereert de conceptueel interessantste beweging van het rapport: het onderscheid, ontleend aan de Nederlandse AI Coalitie (2021), tussen “AI for culture” en “Culture for AI”:
“om duidelijk te maken dat AI niet alleen zorgt voor allerlei toepassingen binnen de culturele sector, maar dat de culturele sector juist mede moet bepalen hoe de samenleving omgaat met AI.” (p. 39–40)
Dit onderscheid verdient analytische aandacht: register 6 (extractie) en register 7 (culturele belichaming) zijn niet zonder meer verenigbaar. Als AI-systemen fundamenteel gevormd worden door de (grotendeels Amerikaanse) cultuur waarin ze gebouwd zijn — een claim over culturele specificiteit — dan verhoudt zich dat moeizaam tot de claim dat AI een generiek extractief mechanisme is, onverschillig voor de inhoud die het consumeert, alles reducerend tot een gemiddelde “AI-slop” (p. 13). Het rapport verzoent deze twee beelden niet; het gebruikt naar believen welk beeld retorisch past bij de alinea in kwestie.
8. Het infrastructureel-materiële register: AI als hardware en energie
Een register dat grotendeels losstaat van vragen over modellen, prompts of output behandelt AI als een fysiek-industrieel complex:
“Generatieve AI-modellen hebben enorme hoeveelheden energie nodig voor training en gebruik. In 2024 werd naar schatting 15 tot 20 procent van het wereldwijde stroomverbruik van datacenters gebruikt voor AI-toepassingen.” (p. 38–39)
Hier is AI noch een model noch een cultureel artefact, maar een aanspraak op fysieke hulpbronnen — elektriciteit, water, chipfabricage, ruimte — met bijbehorend “verdringingseffect” op andere maatschappelijke behoeften (p. 39). Dit register is analytisch scheidbaar van alle andere: de ecologische voetafdruk van een systeem is een functie van training-/inferentierekenkracht, onafhankelijk van of dat systeem taakspecifiek of generatief is, of het gebruikt wordt als instrument of autonome generator, of welke culturele waarden het belichaamt.
9. Het juridisch-regulatoire register: AI als risicoclassificatie
Ten slotte erft het rapport van de EU AI Act een classificerend register waarin “AI” niet wordt onderverdeeld naar functie of architectuur, maar naar risiconiveau:
“De verordening deelt AI-systemen in op verschillende risiconiveaus. AI-systemen die een duidelijke bedreiging vormen voor de veiligheid, rechten en vrijheden van mensen worden volledig verboden. Aan AI-systemen met hoge risico’s worden strenge eisen gesteld.” (p. 33, kader “AI Act”)
Dit register is procedureel en administratief eerder dan beschrijvend: het vraagt niet wat een systeem is, maar welke verplichtingen eraan verbonden zijn, en het is het register waarop de aanbeveling van de Raad voor strengere handhaving (aanbeveling 4) direct steunt.
10. Synthese: de instabiliteit onder de retorische eenheid van het rapport
Tabel 1 vat de acht hierboven geïdentificeerde registers samen.
| # | Register | Wat AI is, in dit register | Vindplaats in rapport |
|---|---|---|---|
| 1 | Formeel-regulatoir | Een machinesysteem dat input omzet in output, onder enige autonomie | p. 15 (OESO-def.) |
| 2 | Architecturaal | LLM of diffusiemodel | p. 16 |
| 3 | Taakspecificiteit | Generatief vs. afgebakend-taak systeem | p. 15 |
| 4 | Procesmatig/rol | Instrument, medemaker, of autonome generator | pp. 22–27 |
| 5 | Politiek-economisch | Een extractief mechanisme / data-kolonialisme | pp. 4, 13, 36 |
| 6 | Cultuurtheoretisch | Een cultureel doordrenkt, niet-neutraal artefact | pp. 40–41 |
| 7 | Infrastructureel | Energie-/hardware-/waterverbruik | pp. 38–39 |
| 8 | Juridisch-regulatoir | Een risiconiveau-classificatie | p. 33 |
Drie observaties volgen uit het naast elkaar leggen van deze registers, die het rapport zelf nergens expliciteert:
Ten eerste staan registers 5 en 6 in latente spanning (zie §7 hierboven): het ene behandelt AI als cultureel onverschillige extractie, het andere als culturele specificiteit en belichaming. Een rigoureuze analyse zou moeten specificeren in welke fase — dataverzameling, training, fine-tuning/RLHF, inzet — welke dynamiek domineert, in plaats van beide gelijktijdig aan te roepen alsof het dezelfde claim betreft.
Ten tweede vermengt het rapport systematisch het proces-register (training — waar het auteursrecht- en extractiedebat leeft, §6) met het product-register (output — waar het “AI-slop”- en authenticiteitsdebat leeft, §5–§7). Dit zijn verschillende empirische vragen (Is toestemming verkregen voor trainingsdata? versus Is deze output niet te onderscheiden van menselijk werk?) die om verschillende bewijsstandaarden vragen, terwijl de zes “intrinsieke waarden” van de Raad (hoofdstuk 4) uniform op beide worden toegepast zonder onderscheid welke waarde door welke fase bedreigd wordt.
Ten derde staat de eigen afbakeningskeuze van het rapport (§4: focus uitsluitend op generatieve AI) op gespannen voet met de universele openingsstelling (§1: “AI is inherent een culturele technologie,” zonder voorbehoud). Taakspecifieke aanbevelingsalgoritmen — die het rapport expliciet buiten haakjes plaatst — sturen al “welke musea in Amsterdam je het beste kunt bezoeken” op basis van welke instellingen actief zijn op sociale media (p. 27), een curatorieel/cultuurvormend effect dat het rapport zelf documenteert maar niet meeneemt in de hoofdanalyse vanwege de generatieve-AI-afbakening uit §1.2.
11. Afsluitende opmerking
Het advies van de Raad is retorisch verenigd rond één zin — “AI is inherent een culturele technologie” (p. 15) — maar analytisch functioneert “AI” als een verschuivend teken over minstens acht registers die niet altijd onderling consistent zijn. Dit wordt hier niet gepresenteerd als weerlegging van de aanbevelingen van het rapport, waarvan verscheidene (het ontwerp van de content-heffing, de Regeringscommissaris-AI, de nadruk op Europese modelalternatieven) op eigen empirische en institutionele merites staan, ongeacht definitorische precisie. Maar elke poging om verdere wetenschappelijke analyse op dit rapport te bouwen — bijvoorbeeld het toepassen van een expectation-failure- of predictie-foutkader op hoe de categorie “AI” zich gedraagt in het Nederlandse cultuurbeleidsdiscours — zou eerst expliciet moeten maken welk van deze acht registers operatief is in een gegeven claim, aangezien het rapport dat zelf niet doet.
Referenties
Raad voor Cultuur (2026). Kunstzinnig boven kunstmatig. Naar een waardengedreven toepassing van AI in de culturele en creatieve sector. Den Haag: Raad voor Cultuur.
OESO (2023). Updates to the OECD’s definition of an AI system explained. Parijs: OECD. oecd.ai/en/wonk/ai-system-definition-update
Nederlandse AI Coalitie (NL4AI) (2021). De kunst van AI voor iedereen. De verbindende kracht van cultuur en media. Den Haag.
Xanthaki, A. — geciteerd in Raad voor Cultuur (2026), p. 38, verwijzend naar het rapport van de VN-Speciaal Rapporteur inzake kunstmatige intelligentie en creativiteit.
