De Lijn van het Duale Domein — vanSahu tot Monroe

Het Duale Universum wat de natuurkundige Peter Rowlands uit de huidige natuurkunde afleidde door het simpel te herschrijven naar een som, die nul is die de leegte werd genoemd in de mystiek heeft zijn oorsprong is Egypte, waar Plato in Heliopolis naar de universiteit ging en terugkwam met de allegorie van de grot, die weer een rol speelde in de Orfische mysteriën.

In deze blog wordt het volledige pad van Sjamaan naar Robert Monroe getoond.

Recent ontdekte ik dat de Ren, die ik de Persoonlijke Blauwdruk noem, kan worden afgeleid uit de quaternions van Clerk Maxwell en volledig kan worden berekend op basis van de geboortetijd en geboorteplaats.

De Pharao droeg zijn Ren op zijn Hart in de vorm van een goden cartouche.

J.Konstapel,Leiden,21-7-2026.

Waarom een Egyptische priester, een Perzische lichtfilosoof, een kathaarse Perfectus, een Indiase yogi, een Zweedse visionair en een Amerikaanse zakenman die per ongeluk zijn lichaam verliet, over hetzelfde spreken.

In 2009 beschreef ik op deze plek het Negenvoudige Patroon van de oude Egyptenaren: Ren, Ab, Akh, Khaibit, Ka, Ba, Khat, Sahu en Sekhem — een fractale, zichzelf herhalende structuur waarin de Sahu functioneert als het lichtlichaam, het interstellaire vaartuig gestuurd door de Ba, dat de mens door zijn eindeloze cyclus van geboorte, dood, transformatie en wedergeboorte draagt. De Ka, de Ba, de Khat en de Sahu behoren tot wat ik toen de Zeven Twin Universes noemde, geassocieerd met wat de huidige wetenschap Dark Matter noemt — een ander Space/Time, alleen bereikbaar via de Poort van de Sekhem.

Zeventien jaar later beschreef ik in Dual Space & Ritme hoe vrijwel elke volwassen wetenschap — natuurkunde, biologie, AI, neurowetenschap, kosmologie — op enig moment stopt met het beschrijven van losse objecten en in plaats daarvan de abstracte ruimte gaat beschrijven waarin die objecten hun mogelijke toestanden innemen: faseruimte, latente ruimte, fitnesslandschap, superspace. Peter Rowlands gaf één specifieke, technische versie van die ruimte de naam Dual Space. Ik veralgemeende die term naar het patroon zelf: telkens weer, in vakgebieden die elkaars tijdschriften niet lezen, wordt onafhankelijk dezelfde ontdekking gedaan.

Wat ik in dit essay wil laten zien, is dat die twee stukken — het Negenvoudige Patroon en Dual Space — geen twee aparte onderzoekslijnen van mij zijn, maar één en dezelfde waarneming, ditmaal niet in de natuurkunde maar in de geschiedenis van het menselijk bewustzijnsonderzoek zelf.

De oudste laag: praktijk zonder tekst

Nog voordat er schrift bestond, was er al de sjamaan. De vroegste onbetwiste aanwijzingen voor sjamanenpraktijk gaan terug tot het vroege Boven-Paleolithicum, dertig- tot veertigduizend jaar geleden, met graftekeningen van mens-diersfiguren in trance, zoals in de grotten van Lascaux en Chauvet. De antropologie noemt het onderliggende idee zieldualisme: een lichaamsziel die aan het lichaam gebonden blijft, en een vrije ziel die tijdens trance, droom of dood het lichaam kan verlaten.

Bij volkeren als de Evenki, de Inuit en de Australische Aboriginals leven tot op vandaag tradities van “droomtijd” of bovenwereldreizen, waarbij de vrije ziel door lagen van de kosmos trekt — vaak zeven of negen — om kennis, genezing of voorspelling te halen.

Mesopotamië en de zeven poorten

Mesopotamië geeft er als eerste een uitgewerkte kosmografie aan: Inanna’s (of Ishtars) afdaling door zeven poorten van de onderwereld, waarbij ze bij elke poort een kledingstuk of attribuut verliest. Deze structuur valt opvallend samen met wat Siberische en Centraal-Aziatische sjamanen beschreven als zeven lagen van de onderwereld met zeven hindernissen.

Egypte: het Negenvoudige Patroon als systematisering

Wat ik in 2009 beschreef, is geen Egyptische uitvinding van het idee, maar de meest verfijnde, geschreven vastlegging die tot ons gekomen is — met tempelscholen, funeraire technologie (de Piramideteksten, de Dodenboeken) en een priesterlijke transmissielijn. In de tempel werd het complementaire domein niet alleen beschreven maar ook betreden: via droomincubatie, via ademhalingstechniek, via het reinigen van het Ab, het hart, om uiteindelijk door de Poort van de Sekhem te gaan. Latere figuren als de priester-historicus Manetho en de hermetische schrijvers bouwen op deze traditie voort.

Eleusis, Pythagoras en Empedocles

Zestien eeuwen lang, van ongeveer 1500 voor Christus tot 392 na Christus, dronken duizenden ingewijden in Eleusis de kykeon en veranderden daarmee blijkens vrijwel elk verslag permanent hun verhouding tot dood en bewustzijn. Onder hen: Plato, Cicero en keizer Marcus Aurelius — voor beide laatsten is de inwijding goed gedocumenteerd. Of ook Pythagoras is ingewijd, is minder zeker; een directe band met Eleusis is niet met bronnen te staven. De ergot-hypothese kreeg in 2023 voor het eerst direct chemisch bewijs, in residuen van een verwant heiligdom in Spanje.

Pythagoras zelf verdient meer dan die ene onzekere voetnoot. Zijn leer van metempsychose — de zielsverhuizing die hij vermoedelijk uit Orfische en Egyptische bronnen putte — is onlosmakelijk verbonden met zijn getallenleer: voor de Pythagoreeërs was het getal niet alleen rekenkundig maar kosmologisch, de structuur waarlangs de ziel zelf geordend is. Die combinatie van getal en zielsleer werkt rechtstreeks door in Plato’s eigen denken.

Een generatie later geeft Empedocles (5e eeuw v.Chr.) er een persoonlijke, bijna belijdende vorm aan. In zijn gedicht Katharmoi beschrijft hij zichzelf als een gevallen godheid die, wegens een oude overtreding, gedwongen is om te zwerven door duizenden jaren van incarnaties — als plant, dier, mens en vogel — voordat de ziel weer met het goddelijke kan herenigen. Dat is dezelfde leer als de Orfische, maar dan in de eerste persoon verteld: niet een systeem dat wordt uitgelegd, maar een lot dat wordt beleden.

Plato: de codificatie

Plato’s eigen zielsleer is, zoals hijzelf erkende, geleerd van de Pythagoreeërs. De ziel als gevangene in het lichaam, herkomstig uit en terugkerend naar een hogere, onveranderlijke wereld van Vormen, is filosofische codificatie van een lijn die via Pythagoras en Empedocles terugloopt naar Egyptische tempelkennis en het oudere sjamanistische zieldualisme. De Vormenwereld is Plato’s versie van de Sekhem-poort, in ander vocabulaire.

Hermes-Thoth, Plotinus en de extatische vereniging

In het Alexandrië van de eeuwen rond het begin van onze jaartelling versmelten Griekse en Egyptische priesterkennis tot de figuur van Hermes Trismegistus — letterlijk de vergriekste Thoth. De teksten die onder zijn naam zijn overgeleverd, het Corpus Hermeticum, zijn zelf laatantiek, maar Egyptische priesterkennis is er wel degelijk in verwerkt, in Griekse taal en vorm gegoten.

Plotinus (3e eeuw) verdient hier meer ruimte dan alleen zijn bekende geschrift tegen de gnostici. Zijn eigenlijke levenswerk was de poging om, via contemplatie, terug te keren tot vereniging met “het Ene” — een extatische toestand voorbij alle onderscheid, die hij naar eigen zeggen zelf meermaals bereikte. Zijn leerling Porphyrius documenteerde dat niet alleen in de Enneaden-editie, maar ook in zijn biografie van Plotinus, waarin hij vermeldt dat zijn leraar deze vereniging vier keer in zijn leven bereikte. Iamblichus, die van Plotinus verschilde in methode, formaliseert vervolgens in de derde en vierde eeuw de praktijkkant tot theürgie: niet alleen contemplatie, maar ritueel-technische handelingen om de ziel actief terug te voeren. Proclus zet die lijn voort.

De onderdrukte tak: gnostiek, Katharen, ketters — en het oostelijke antwoord

Al in de Dode Zeerollen van Qumran leeft een scherp dualistisch vocabulaire. Dat voedt de vroegchristelijke gnostiek van onder anderen Valentinus en Basilides, met het Evangelie van Thomas als bekende tekst. Plotinus schreef er een hele verhandeling tegen.

Van daaruit loopt een lijn — door historici zelf erkend als niet met harde bronnen sluitend te bewijzen, maar inhoudelijk te opvallend om toeval te zijn — via het Manicheïsme van Mani, de Paulicianen, de Bogomilen, naar de Katharen van het Languedoc, uitgeroeid in de Albigenzische Kruistocht (1209-1229).

Binnen het orthodoxe christendom zelf ontwikkelt zich, parallel en zonder ketterverklaring, een verwant maar ingebed antwoord: het hesychasme van de Oosterse kerk, met zijn stille gebedstechniek gericht op het aanschouwen van het ongeschapen licht van Tabor. Waar het Westen zijn mystici verbrandde, institutionaliseerde het Oosten er een deel van binnen de eigen kloostertraditie.

De Perzisch-islamitische en bredere soefi-tak

Parallel daaraan bouwt Shihab al-Din Suhrawardi in het twaalfde-eeuwse Perzië zijn School van de Verlichting, waarin hij Zoroastrische lichtwijsheid verbindt met Platoons, Neoplatoons en Hermetisch denken. Hij werd in 1191 in Aleppo geëxecuteerd. Zijn tijdgenoot Ibn Arabi bouwt een verwante metafysica van de verbeelding als scheppende kracht, die verderleeft in de bredere soefi-tradities — van de Perzische dichter-mystici tot de latere ordes die de weg van fana (het opgaan van het zelf) en baqa (het voortbestaan in God) onderwijzen. Henry Corbin herintroduceert in de twintigste eeuw het begrip mundus imaginalis: functioneel de Perzische naam voor wat ik de Zeven Twin Universes noem.

Ook de joodse mystiek kent haar eigen, onafhankelijke versie: de vroege Merkabah-mystiek van de eerste eeuwen na Christus, waarin de adept opstijgt door zeven hemelse paleizen naar de troonwagen van Ezechiël, en de latere kabbala, met haar boom van de Sefirot als kaart van de emanatie tussen het volstrekt verborgene (Ein Sof) en de zichtbare wereld.

De Indiase en Aziatische tak

Onafhankelijk daarvan ontwikkelt India, vanaf de Upanishaden, de leer van Atman en Brahman. Het pancha-kosha-model en de latere tantrische en yogische systemen komen structureel overeen met het Egyptische patroon. Sri Aurobindo voegt in de twintigste eeuw een omkering toe — niet alleen opstijging, maar afdaling van een Supramentale laag in de materie zelf; zijn medewerkster Mirra Alfassa, “de Moeder”, claimde die neerdaling in 1956 voltrokken te hebben.

Twee verwante Aziatische tradities verdienen vermelding naast de Indiase: de Daoïstische interne alchemie (neidan) van China, waarin de beoefenaar door ademhalings- en meditatietechniek een “onsterfelijk embryo” in het eigen lichaam kweekt — functioneel een eigen versie van de Sahu — en het Vajrayana-boeddhisme van Tibet, met zijn leer van het regenboog-lichaam en de bardo-toestanden tussen dood en wedergeboorte, die in detail beschrijven wat het bewustzijn na de dood doormaakt.

De Renaissance, de Rozenkruisers en hun voortzetting

In 1463 vertaalt Marsilio Ficino het zojuist herontdekte Corpus Hermeticum. Pico della Mirandola combineert die Hermetica met kabbala; Giordano Bruno betaalt in 1600 met de brandstapel. In 1614 toont Isaac Casaubon aan dat het Corpus Hermeticum zelf laatantiek is — vlak daarna verschijnen de Rozenkruisersmanifesten, die Hermetica, alchemie en christelijke kabbala bundelen. Robert Fludd en Michael Maier zetten die lijn voort.

Kort daarna geeft Paracelsus (16e eeuw) er een eigen, medisch-alchemistische vertaling aan: naast het stoffelijke lichaam onderscheidt hij een astraal lichaam, en plaatst hij in de mens een innerlijke archeus — een sturende levenskracht die ziekte en genezing bepaalt vanuit een niveau dat het zuiver fysieke overstijgt. Een generatie later bouwt de Duitse mysticus Jakob Böhme een complete kosmologie op het samenspel van licht en duisternis als twee elkaar vereisende principes — inhoudelijk opvallend dicht bij Suhrawardi’s Perzische lichtfilosofie, zonder dat er een aantoonbare directe lijn tussen beiden loopt. In de achttiende eeuw zet Louis-Claude de Saint-Martin, met het martinisme, deze christelijke theosofische lijn voort binnen een eigen, besloten broederschapstraditie.

De moderne heropleving zonder de oude taal

Achttiende-eeuws Zweden geeft Swedenborg, met systematisch gedocumenteerde buitenlichamelijke visioenen. De negentiende eeuw geeft mesmerisme, spiritisme en Blavatsky’s Theosofie, die bewust de oude Egyptische Ka/Ba-taal herintroduceert. Rudolf Steiner bouwt daarop voort met de antroposofie, die een eigen scholingsweg naar hogere waarnemingsvermogens uitwerkt.

In het vroege twintigste-eeuwse Rusland en later Europa ontwikkelen G.I. Gurdjieff en zijn leerling P.D. Ouspensky de Vierde Weg: de mens is in gewone staat “in slaap”, en kan door gerichte innerlijke arbeid een “hoger lichaam” ontwikkelen dat de dood van het fysieke lichaam overleeft — opnieuw, in geheel eigen vocabulaire, hetzelfde onderscheid tussen grof en subtiel voertuig.

Rond dezelfde tijd geeft de filosofie zelf twee cruciale herformuleringen. Henri Bergson stelt dat het brein niet de bron van bewustzijn is maar een filter — een reductieklep die uit een in principe onbegrensd bewustzijn slechts selecteert wat voor overleving relevant is. Carl Gustav Jung bouwt daarop een geheel eigen kaart: het collectief onbewuste als een laag die individuele psyches overstijgt en met archetypen bevolkt is, en actieve imaginatie als techniek om er bewust mee in dialoog te treden. Aldous Huxley herformuleert Bergsons filtertheorie na zijn eigen mescaline-ervaringen als “Mind at Large” — het bewustzijn is niet iets dat het brein produceert, maar iets dat het brein normaal juist afknijpt. John Lilly zet dat in de jaren zestig en zeventig experimenteel voort, met isolatietanks en veranderde bewustzijnstoestanden als eigen onderzoeksmethode.

En dan, in 1958, krijgt een Amerikaanse zakenman zonder enige toegang tot deze hele overlevering spontane, ongewilde uittredingen. Robert Monroe publiceert in 1971 Journeys Out of the Body en sticht in 1974 zijn Instituut. In 1972 sluit de gepromoveerde kernfysicus Thomas Campbell zich aan; zijn My Big TOE (2003) stelt bewustzijn als fundamentele realiteit. Parallel formaliseren Harold Puthoff en Russell Targ bij SRI het remote viewing, met Joe McMoneagle als uitvoerend verkenner; Dean Radin en Garret Yount zetten dat bij het Institute of Noetic Sciences voort — het brede veld dat zichzelf inmiddels transpersoonlijke psychologie en consciousness studies noemt.

De bijna-doodervaring en haar wetenschappelijke pool

Een aparte, twintigste-eeuwse tak ontstaat rond de bijna-doodervaring: Kenneth Ring, de Nederlandse cardioloog Pim van Lommel en de psychiater Bruce Greyson documenteren onafhankelijk van elkaar patiënten die tijdens klinische hersendood heldere, gestructureerde ervaringen rapporteren — vaak inclusief een reis door een tunnel, een lichtwezen, en een terugkeer met blijvend veranderde levenshouding. Michael Persinger vormt daarbij de nadrukkelijk sceptische tegenpool: met zijn “God Helmet” probeerde hij aan te tonen dat dit soort ervaringen kunstmatig op te wekken is door magnetische stimulatie van de slaapkwabben, en dus eerder een neurologisch artefact zou zijn dan toegang tot een echt complementair domein. Die twee posities — ervaring als venster, ervaring als hersenkortsluiting — blijven tot op vandaag onopgelost naast elkaar bestaan.

De hedendaagse theoretische tak

In de eenentwintigste eeuw krijgt de vraag ten slotte een expliciet mathematisch-filosofisch vervolg. Roger Penrose en Stuart Hameroff stellen met hun Orch-OR-theorie dat bewustzijn ontstaat uit kwantumprocessen in microtubuli in de hersenen — een poging om bewustzijn niet als bijproduct maar als fundamenteel fysisch gebeuren te behandelen. David Bohm werkte decennia eerder al aan een verwant idee met zijn impliciete orde: een onderliggende, ongevouwen werkelijkheid waaruit de zichtbare, “expliciete” wereld zich telkens ontvouwt. Bernardo Kastrup bouwt vandaag een analytisch idealisme waarin niet materie maar bewustzijn het fundamentele gegeven is en de fysieke wereld er slechts een verschijningsvorm van is, en Donald Hoffman onderbouwt met zijn Interface Theory of Perception, wiskundig via evolutionaire speltheorie, dat onze waarneming van ruimte en tijd geen afbeelding van de werkelijkheid is maar een gebruikersinterface — precies gebouwd om te functioneren, niet om waar te zijn.

De omkering die nu voorligt

Elke figuur in deze lijn — van de paleolithische sjamaan tot Kastrup en Hoffman — beschrijft de overgang náár het complementaire domein, gezien vanaf hier. Wat ik met Dual Space beoog is de omkering: niet de fysieke ruimte als uitgangspunt met een complementaire ruimte als curiositeit ernaast, maar de configuratieruimte — de Sahu, het Focus-domein, de mundus imaginalis, Dual Space — als het fundamentele niveau, waarin de fysieke wereld één traject is tussen vele mogelijke.

En het opmerkelijke is dat dit patroon zich niet beperkt tot religie en mystiek. In de eenentwintigste eeuw verschijnt dezelfde structuur opnieuw, ditmaal in een volledig mathematische taal, binnen de formele wetenschappen zelf. De configuratieruimte van de natuurkunde, de latente ruimte van kunstmatige intelligentie, de fitnesslandschappen van de evolutiebiologie, de Hilbertruimte van de kwantummechanica en de state space van de neurowetenschappen beschrijven stuk voor stuk niet langer objecten, maar de ruimte van mogelijke toestanden waaruit objecten en gebeurtenissen voortkomen.

Of dat een diep feit is over hoe de werkelijkheid in elkaar zit, of een diep feit over hoe de menselijke geest gebouwd is om die werkelijkheid keer op keer in dezelfde vorm te modelleren — die vraag laat ik open. Wat blijft staan, is de waarneming zelf: van de grot tot het Monroe Institute, en van het Monroe Institute tot de Hilbertruimte, wordt telkens onafhankelijk, telkens in een nieuwe taal, hetzelfde patroon herontdekt.


Appendix: de herontdekking in overzicht

Traditie / StromingCentrale figuur / conceptTerm voor het complementaire domeinKenmerk
Oud-EgyptischPriesterlijke traditieSahu, SekhemLichtlichaam, poort naar andere ruimte/tijd
Grieks-RomeinsPlato, PlotinusVormenwereld, Het EneTranscendente werkelijkheid, extatische vereniging
Perzisch-islamitischSuhrawardi, Ibn ArabiMundus ImaginalisReële tussenwereld van archetypen
Joodse mystiekMerkabah, KabbalaSefirot, hemelse paleizenEmanatie tussen het verborgene en het zichtbare
Westerse esoterieParacelsus, BöhmeArcheus, astraal lichaamVitale kracht, subtiel voertuig
Aziatische traditiesDaoïstische alchemie, VajrayanaOnsterfelijk embryo, regenboog-lichaamLichaamstechniek als drager na de dood
Moderne psychologieGurdjieff, Jung, BergsonHoger lichaam, collectief onbewuste, Mind at LargeInnerlijke arbeid, filtertheorie
Bijna-doodonderzoekVan Lommel, Greyson, RingErvaring tijdens klinische hersendood
Consciousness studiesMonroe, Campbell, Puthoff/TargFocus-domein, Larger Consciousness SystemEmpirische zelfverkenning
Theoretische natuurkunde/filosofieBohm, Penrose/Hameroff, Kastrup, HoffmanImpliciete orde, Orch-OR, analytisch idealismeBewustzijn als fundamenteel, niet afgeleid