
Het probleem van een Common Lexicon is niet dat definities onvoldoende worden vastgelegd, maar dat betekenis wordt behandeld als een vast object (ℝ), terwijl deze in de praktijk altijd relationeel (ℍ) en narratief (𝕆) van aard is.
Net als bij politieke verwachtingsfalen blijven organisaties daarom steken in een conservatiefase (K) waarin ze oude definities blijven bekrachtigen, terwijl de werkelijkheid allang is verschoven.
Dit leidt onvermijdelijk tot een breukfase (Ω), waarin het lexicon wordt losgelaten omdat de kloof met de praktijk onoverbrugbaar is geworden.
De oplossing is geen betere documentatie, maar een architectuur met twee kanalen: een snel kanaal voor het ontstaan van nieuwe betekenis (α) en een traag kanaal voor behoud van wat breed gedragen is, met een werkende koppeling ertussen.

J.Konstapel,Leiden, 7-7-2027.
Waarom een Common Lexicon Nooit Af Is: Semantische Panarchie als ℝ→𝕆-probleem
1 Organisaties die een Common Lexicon bouwen, stellen zichzelf steevast dezelfde vraag: hoe krijgen we iedereen op één definitie? Dat is een beheersvraag. Ze veronderstelt dat betekenis een object is — iets dat je vastlegt, publiceert en vervolgens onderhoudt zoals je een register onderhoudt.
Die vraag is gesteld vanuit het verkeerde wereldbeeld.
Precies dezelfde diagnose is eerder op dit blog toegepast op zestig jaar D66: een partij die bestuurlijke problemen bleef aanpakken met analytische, procedurele instrumenten (ℝ), terwijl de problemen zelf zich al lang op relationeel (ℍ) of narratief (𝕆) niveau afspeelden. Toeslagenaffaire, woningcrisis, DigiD — geen van drieën was een informatieprobleem dat met een beter dashboard was opgelost. Het waren problemen van een ander algebraïsch type, onzichtbaar voor wie alleen in het reële, commutatieve register denkt.
De Common Lexicon is hetzelfde verschijnsel, één schaalniveau lager. Niet de partij, maar het woordenboek zit vast in ℝ.
2 PEFT toegepast op taal
Political Expectation Failure Theory stelt dat instituties niet primair falen door onwil, maar doordat hun scripts (in de zin van Schank) niet meer overeenkomen met de werkelijkheid die ze moeten verwerken — en dat erkenning van die mismatch politiek te duur is om uit te spreken, dus wordt er doorgewerkt met het oude script.
Semantisch gebeurt exact hetzelfde. Een lexicon is een script voor betekenis: een vaste toewijzing tussen woord en concept. Zolang de praktijk waarin het woord wordt gebruikt zich niet beweegt, werkt het script. Zodra de praktijk zich wél beweegt — nieuwe technologie, nieuwe regelgeving, nieuwe belanghebbenden — ontstaat er een verwachtingsfalen: het woord blijft hetzelfde, de betekenis loopt weg.
De reflex is dan niet het script te herzien, maar het opnieuw te bekrachtigen: een update van het glossarium, een nieuwe versie van de ontologie, een taskforce. Dat is precies de non-resolution-fase uit PEFT — men handelt binnen het oude script in plaats van het script zelf ter discussie te stellen, omdat het ter discussie stellen van het script betekent dat je moet toegeven dat het lexicon nooit een vast punt was.
3. De getalstelsel-hiërarchie op lexiconniveau
McWhinney’s vier wereldbeelden — Unitair, Sensorisch, Sociaal, Mythisch — corresponderen, zoals eerder op dit blog uitgewerkt, met de Cayley-Dickson-hiërarchie van getalstelsels: ℝ, ℂ, ℍ, 𝕆. Elke stap in die hiërarchie kost een algebraïsche eigenschap — orde, commutativiteit, associativiteit — en wint er een uitdrukkingskracht voor terug.
Toegepast op betekenis:
ℝ — de definitie. Eén woord, één betekenis, geordend en vergelijkbaar. Dit is het niveau waarop een glossarium wordt geschreven. Werkt uitstekend zolang niemand het woord in een andere context gebruikt.
ℂ — de context. Een woord krijgt een tweede as: betekenis hangt nu af van de situatie waarin het gebruikt wordt. Orde gaat verloren — je kunt contexten niet meer eenduidig rangschikken van “meer” naar “minder” correct. Een medisch dossier en een verzekeringsdossier gebruiken “risico” allebei correct, en toch niet hetzelfde.
ℍ — de relatie. Betekenis ontstaat nu niet meer uit woord-plus-context, maar uit de interactie tussen stakeholders die het woord gebruiken. Commutativiteit gaat verloren: wie het woord het eerst definieert, bepaalt voor een deel wat de anderen ermee kunnen. Dit is precies het niveau waarop Walravens co-evolutionaire IS-alignment zich afspeelt — alignment die niet ontworpen wordt, maar ontstaat uit voortdurende, niet-omkeerbare interactie tussen heterogene partijen.
𝕆 — het narratief. Betekenis wordt gedragen door een verhaal dat de instelling over zichzelf vertelt: waarom dit woord ertoe doet, welke geschiedenis het meedraagt, welke toekomst het impliceert. Associativiteit gaat verloren — je kunt de volgorde waarin betekenissen zijn opgebouwd niet meer herschikken zonder het verhaal zelf te veranderen. Dit is het niveau waarop “Common Lexicon” verschuift van instrument naar identiteit: het woordenboek van een universiteit is ook een verklaring van wie die universiteit denkt te zijn.
Een governanceproces dat alleen op ℝ-niveau opereert — comités, versiebeheer, goedkeuringsprocedures — is structureel blind voor wat er op ℍ- en 𝕆-niveau gebeurt. Niet uit onwil. Het instrument bevat die laag domweg niet, net zoals een reëel getal geen imaginair deel heeft totdat je naar ℂ overstapt.
4. Panarchische fasen: van ontstaan tot verstarring

Holling’s panarchie beschrijft hoe adaptieve systemen door vier fasen bewegen: exploitatie (α, groei door nieuwe verbindingen), conservatie (K, opbouw van stabiele structuur), release (Ω, plotselinge afbraak wanneer opgebouwde starheid een schok niet meer kan absorberen), en reorganisatie (terug naar α).
Een Common Lexicon doorloopt dezelfde cyclus, en de meeste governance-literatuur beschrijft alleen de K-fase — het comfortabele stuk waarin het lexicon bestaat, gepubliceerd is, en onderhouden wordt. Maar de cyclus heeft twee andere fasen die minstens zo bepalend zijn:
α — het ontstaan. Een nieuwe praktijkgemeenschap (AI-ontwikkelaars, een nieuw specialisme in een ziekenhuis) genereert in korte tijd veel nieuwe onderscheidingen: prompt engineering, hallucinatie, retrieval-augmented generation. Dit is pure creatie, ongefilterd, snel, en per definitie ongoverned — er ís nog geen instituut om het te conserveren.
Ω — de verstarring en breuk. Een lexicon dat te lang alleen conserveert zonder nieuwe distinctie toe te laten, bereikt een punt waarop de kloof tussen officiële definitie en feitelijk gebruik zo groot is geworden dat het lexicon in één keer wordt losgelaten — vervangen, niet herzien. Dit is de semantische analogie van wat in de politieke versie van dit argument de “rigidity trap” heet: een systeem dat zo goed geconserveerd is dat het zijn eigen vernieuwingscyclus niet meer kan verdragen.
De praktische consequentie is dezelfde als in de D66-analyse: het probleem is nooit dat er te weinig discipline was in de K-fase. Het probleem is dat er geen werkend kanaal was tussen de fasen — geen brug tussen de snelle, ongoverned α-laag waar nieuwe betekenis ontstaat, en de trage, geconserveerde K-laag waar oude betekenis wordt vastgehouden.
5. Casus: AI-vocabulaire als versnelde panarchie
Het AI-vocabulaire van de afgelopen jaren is een panarchische cyclus in tijdverdrukking. Termen die twee jaar geleden nog jargon waren binnen een kleine praktijkgemeenschap, staan inmiddels in leverancierscontracten, governance-beleid en concept-wetgeving. Dat is α die in enkele kwartalen doorschiet naar K.
De voorspelling die uit dit raamwerk volgt — en die, in lijn met Gigerenzers en Talebs maatstaf, toetsbaar is en niet alleen plausibel — is dat een deel van deze termen de conservatie-fase niet zal overleven. Sommige zullen over vijf jaar uit officiële documentatie verdwenen zijn, ondanks brede aanvankelijke adoptie. Welke dat zijn, is te achterhalen door te kijken welke termen uitsluitend op ℝ-niveau functioneren (een technisch label zonder relationele of narratieve lading) versus welke termen ook op ℍ- of 𝕆-niveau werk doen (een term die een verandering in wie verantwoordelijk is, of in hoe een organisatie zichzelf begrijpt, benoembaar maakt). De laatste categorie overleeft; de eerste verdampt zodra het label technisch overbodig wordt.
6. Waarom Walraven, Holling en Rowlands elkaar nodig hebben
Geen van de drie bronnen die dit essay samenbrengt, levert dit argument alleen.
Walraven laat empirisch zien dát alignment co-evolutionair is — maar formaliseert niet waarom sommige interpretaties overleven en andere niet. Haar werk bevindt zich vrijwel volledig op ℍ-niveau: interactie tussen heterogene partijen, zonder expliciete uitspraak over de onderliggende algebraïsche structuur.
Holling levert de fasenstructuur — maar panarchie is gebouwd voor ecosystemen en instituties in het algemeen, niet specifiek voor betekenis. Zonder een aanvullend model van wát er precies gecreëerd en geconserveerd wordt, blijft panarchie een lege vorm.
Rowlands en Diaz leveren, via het universal rewrite system, precies dat: een formeel mechanisme waarin creatie en conservatie elkaar voortdurend in evenwicht houden, en waarin het alfabet zelf uitbreidt bij elke toepassing. Hun werk is gebouwd voor de fysica van nilpotente kwantummechanica — de overdracht naar semantiek is een analogie, geen afleiding, en moet ook zo behandeld worden.
Pas in combinatie ontstaat een raamwerk dat (1) empirisch geworteld is (Walraven), (2) multischalig en cyclisch is (Holling), en (3) een concreet create/conserve-mechanisme heeft (Rowlands & Diaz). Dat is precies dezelfde synthesevorm als in de D66-analyse: geen van de brontheorieën volstaat afzonderlijk; de winst zit in de combinatie.
7. De architecturale conclusie
Een Common Lexicon dat faalt, faalt zelden aan discipline. Het faalt omdat het gebouwd is als ℝ-instrument voor een ℍ/𝕆-probleem: het probeert vaste definities te leveren voor betekenis die per constructie relationeel en narratief van aard is zodra meerdere, ongelijksoortige praktijkgemeenschappen hetzelfde woord gebruiken.
De praktische consequentie is niet “beter documenteren.” Het is: expliciet twee kanalen inrichten — een snel, laagdrempelig kanaal waarin nieuwe distincties ongehinderd kunnen ontstaan (de α-functie), en een trager, bewust kanaal dat alleen conserveert wat herhaald en breed genoeg gebruikt is om die status te verdienen (de K-functie) — en tussen die twee een werkende koppeling, in plaats van één commissie die beide functies probeert te vervullen en daardoor geen van beide goed doet.
Dat is geen beheersvraag. Het is een architecturale vraag. En zoals bij D66 geldt: zolang de vraag op het verkeerde niveau gesteld wordt, is geen hoeveelheid extra inzet op dat niveau voldoende om het antwoord te vinden.
Referenties
Bateson, G. (1972). Steps to an Ecology of Mind. Chandler.
Diaz, B. & Rowlands, P. (2005). A computational path to the nilpotent Dirac equation. Vervolgwerk op Rowlands & Diaz (2002); levert het create/conserve-mechanisme dat in §6 wordt overgedragen naar semantiek.
Gunderson, L.H. & Holling, C.S. (eds.) (2002). Panarchy: Understanding Transformations in Human and Natural Systems. Island Press.
Holling, C.S. (2001). Understanding the complexity of economic, ecological, and social systems. Ecosystems, 4(5), 390–405. Bron van de vier-fasen adaptieve cyclus (α/K/Ω/reorganisatie) die in §4 op het lexicon wordt toegepast.
Konstapel, J. (2026a). Political Expectation Failure Theory. Constable Research.
Konstapel, J. (2026b). Waarom Zestig Jaar D66 Niets Opleverde. constable.blog. Bron van de oorspronkelijke ℝ/ℂ/ℍ/𝕆-toepassing en de panarchische driefasenanalyse waarvan dit essay de semantische variant is.
McWhinney, W. (1997). Paths of Change: Strategic Choices for Organizations and Society. Sage.
Rowlands, P. (2007). Zero to Infinity. World Scientific.
Rowlands, P. & Diaz, B. (2002). A universal alphabet and rewrite system.
Schank, R.C. & Abelson, R.P. (1977). Scripts, Plans, Goals, and Understanding. Lawrence Erlbaum. Grondslag voor het scriptbegrip waarmee §2 verwachtingsfalen in taal beschrijft.
Walraven, P. (2023). Aligning through complexity: A co-evolutionary information systems alignment approach to address complex environments in the pursuit of business-IT alignment. Proefschrift, Open Universiteit.
Walraven, P., van de Wetering, R., Helms, R.W., Versendaal, J. & Caniëls, M.C.J. (2018). Co-evolutionary IS-alignment: A complex adaptive systems perspective. Proceedings MCIS 2018.
