De Dynamiek van Het Drietallig Adresseringssysteem

J.Konstapel,Leiden,18-8-2026.

The Step Map verbindt een drietallig adressysteem (-1, 0, +1) met de dynamische stapregel (x \mapsto 3x+s).


Daarmee worden adressering, geheugenverlies, sluiting en netwerkdynamiek als één formeel systeem beschreven.


Historische voorbeelden zoals Splice en late binding worden opgevat als structurele correspondenties, niet als wiskundige identiteiten.

In 1984 bouwde Maarten Boasson bij Hollandse Signaalapparaten in Hengelo een architectuur voor commandovoering op marineschepen. Die architectuur heette Splice. Het beslissende idee was wat er werd weggelaten: de geadresseerde.

In een gewoon gedistribueerd systeem stuurt A een bericht aan B. In Splice bestaat B niet. Een proces schrijft een gegeven in een gedeelde ruimte. Andere processen abonneren zich op het soort gegeven dat ze nodig hebben. Wie iets geschreven heeft, en of iemand het ooit leest, hoort niet bij de transactie. Coördinatie loopt via de inhoud, niet via het adres.

Bijna twintig jaar later schreef ik voor Cordys een architectuur op met dezelfde vorm. Daar heette het late binding. Niets ligt vooraf vast. Een knooppunt zoekt een adres op, verbindt, en laadt dán pas de beschrijving van wat het kan. Wat iets is, wordt bepaald op het moment van verbinden.

Nu, in 2026, wordt het opnieuw gebouwd. Voor AI-agenten bestaat een protocol dat een register bijhoudt, waar een model een gereedschap opzoekt, verbinding maakt, en daarna pas verneemt wat dat gereedschap doet. Het heet anders. Het is hetzelfde.

Drie keer dezelfde architectuur, in veertig jaar, en elke keer gepresenteerd als nieuw. Dat is geen toeval en het is ook geen verwijt aan de ontwerpers. Het is een structureel kenmerk van een vak dat zijn eigen archief niet leest en daardoor geen theorie opbouwt, alleen producten.

Dit stuk gaat over wat er gebeurt als je die architectuur wél als theorie neemt en gaat rekenen.


Het net

Neem een visnet. Er is één streng, en er is wat die streng met zichzelf doet.

Plaatselijk doet de streng precies één ding: hij kruist zichzelf. Zo’n kruising heeft drie standen. De streng gaat erover, hij gaat eronder, of er is geen kruising. Meer is er niet.

Schrijf die drie standen als +1, −1 en 0.

Een stuk net is dus een rij wendingen. Een rij van vijf wendingen is een route van diepte vijf. Bij drie standen per plaats zijn er op diepte n precies 3 tot de macht n routes.

Lees die rij als een getal. De wending op de diepste plaats telt het zwaarst. De route (+1, −1, −1, −1, +1) leest als 81 − 27 − 9 − 3 + 1, en dat is 43.

Dat is geen codering die ik erop leg. Het is een telstelsel dat in 1544 al in druk stond, bij Michael Stifel in Neurenberg. Twee dingen maken het bijzonder. Er zijn geen twee routes met hetzelfde getal, en er is geen getal zonder route. De afbeelding sluit aan beide kanten.

En drie is niet willekeurig. Een alfabet van r tekens kost, per eenheid informatie, r gedeeld door de natuurlijke logaritme van r. Voor twee tekens is dat 2,885. Voor drie is het 2,731. Voor vier is het weer 2,885. Het echte minimum ligt bij 2,718. Drie is het enige hele getal aan de goedkope kant.


De regel

Er ontbrak tot nu toe iets. Elk adres had een nummer, maar er was geen regel voor beweging. De kaart lag er; het lopen niet.

Die regel is één zin lang.

Een wending erbij doet twee dingen tegelijk. Alles wat er al stond schuift één plaats dieper. De nieuwe wending komt op de ondiepste plaats te staan. In rekenkunde is dat: maal drie, plus de wending.

Dat is geen aanname die ik toevoeg. Het is wat plaatswaarde betekent, opgeschreven als een regel.

Zo’n regel verdiept oneindig. Sluiting komt erbij door te lezen tot een gekozen diepte en de rest weg te laten. In dit talstelsel is afkappen hetzelfde als afronden, dus dat kost niets.

Nu is de ruimte eindig. Op diepte n zijn er 3 tot de macht n adressen, symmetrisch rond nul.


Wat er uit volgt

Diepte is geheugen. Pas de regel n keer toe, vanaf welk adres dan ook. Het beginadres is weg. Niet vervaagd, niet verzwakt: weg. Wat er staat hangt alleen af van de laatste n wendingen.

De reden is dat de regel drie-op-één is. Elk bereikbaar adres heeft precies drie voorgangers. Per stap verdwijnt één wending geschiedenis. Dat verlies is geen gebrek. Het is de voorwaarde. Een regel die alles bewaart draagt het hele verleden voor altijd mee, en dan kan er nooit iets tot rust komen.

Een herhalend patroon heeft precies één adres. Laat een rij wendingen zich herhalen. Er is dan één adres waarop het patroon terugkomt op zichzelf, en er is er niet meer dan één. Dat volgt in twee regels uit de rekenkunde en er is geen speling in.

Dat adres is een breuk. Dit is het punt waar het interessant wordt. Het sluitingsadres blijkt geen willekeurig getal maar een rationaal getal, met een noemer die niet door drie deelbaar is.

Een paar concrete gevallen:

patroonsluit op
altijd +1−1/2
altijd −1+1/2
altijd 00
+1, −1−1/4
+1, +1, −1−11/26

De grootste route op diepte n was altijd al (3 tot de macht n, min 1) gedeeld door 2. Dat is precies de breuk −1/2, gelezen tot diepte n. Het plafond had al die tijd een naam.

En dan de omkering, die het scherpst is: een patroon sluit dan en slechts dan als zijn adres een breuk is.

Bijna niets sluit. Breuken zijn aftelbaar. Alle routes samen zijn dat niet. Onder de gewone kansverdeling — elke wending onafhankelijk, elke stand even waarschijnlijk — is de kans dat een route sluit gelijk aan nul.

Dat klinkt somberder dan het is. Het betekent dat bestaan uitzondering is. Bijna alles loopt door en gaat voorbij. Wat blijft, blijft omdat het terugkomt.

Eén nuance hoort erbij, en die is niet triviaal. Op een vaste diepte sluit alles. Elk woord van lengte n is immers een patroon met periode n. Sluiting is dus geen eigenschap die iets op een diepte heeft, maar over diepten heen: blijft het adres staan als je dieper leest? Een patroon dat op diepte vier sluit en op diepte vijf niet meer, was geen ding maar een toevalligheid van de resolutie.


De aansluiting

Terug naar 2003. Die architectuur kende twee soorten afhandeling, en de scheiding tussen de twee was het hele ontwerp.

Een servant neemt herhalend werk over. De eisen waren streng: onzichtbaar, ondeelbaar, en vervangbaar zonder het systeem te slopen. Een centrale verwarming is het voorbeeld. Je stelt een temperatuur in en de rest is verborgen.

Een comparator handelt de uitzondering af. Daarbij hoorde een verhoudingsregel. Te weinig comparators en een systeem is star; dat is de toestand van elk legacy-systeem. Te veel en het is doorgeslagen in eigen uitzonderingen. In de praktijk kwam het neer op de bekende verhouding: een vijfde van de gevallen kost vier vijfde van de code.

Die twee zijn nu berekenbaar. Een servant is een herhalend patroon met zijn ene sluitingsadres. Een comparator is wat niet sluit. Wat in 2003 een ontwerpbeslissing was, is nu een uitkomst.

Dat is de winst van de hele exercitie. De architectuur van 1984 en die van 2003 hadden dynamiek zonder rekenkunde: ze beschreven hoe toestand door een net zonder centrum beweegt, maar er viel niets mee uit te rekenen. De nummering had rekenkunde zonder dynamiek: elk adres een getal, geen regel voor beweging. De regel verbindt ze.

Ik houd het onderscheid tussen die drie beschrijvingen wel scherp. Het is een correspondentie, geen wiskundige gelijkheid. Ik beweer niet dat Splice een model is van deze rekenkunde. Ik constateer dat hetzelfde onderscheid drie keer is getrokken, twee keer in werkende systemen en één keer in een bewijs, en dat de drie tekeningen op elkaar passen.


Een fout, en wat die opleverde

Het artikel dat hieronder staat is een tweede versie. In de eerste stond een verkorting die niet klopte.

Ik had geschreven dat je een herhalend patroon mag uitschrijven tot precies de diepte waarop je leest. Dat gaat alleen goed als de lengte van het patroon een deler is van die diepte. Bij patroon (+1, −1) op diepte drie geeft mijn verkorting 7, terwijl het antwoord −7 is. Tegengesteld teken.

De reparatie is dat je moet uitschrijven in hele perioden, tot je diep genoeg zit, en pas dán afkappen. Bij (+1, −1) op diepte drie schrijf je dus vier wendingen uit: 27 − 9 + 3 − 1 = 20, en 20 min 27 is −7.

Het narekenen van die correctie leverde de breukstelling op, en daarmee ook de uitspraak dat bijna niets sluit. Beide stonden niet in de eerste versie. De fout heeft het stuk sterker gemaakt dan het was.

De fout is gevonden door GPT. Dat vermeld ik niet uit beleefdheid maar omdat het relevant is voor het onderwerp: het narekenen is het werk, niet het formuleren.


Wat open blijft

De verhouding tussen wat sluit en wat niet sluit is nog niet afgeleid.

De naïeve vraag heeft een leeg antwoord: over alle routes is de fractie nul. De echte vraag is begrensd. Beperk je tot patronen tot een zekere lengte, lees tot een zekere diepte, en tel dan. Levert een natuurlijke koppeling van die twee een verhouding op in de buurt van vier op één?

Als dat lukt, is de tachtig-twintigregel uit de praktijk geen vuistregel meer maar een gevolg. Op dat punt loopt het materiaal uit 2003 nog steeds voor.


Referenties

Konstapel, J. (2026). The Step Map. Leiden. Het artikel bij deze blog. Bevat de volledige afleiding, de bewijzen, de gecorrigeerde sectie over sluitingsadressen, en vijf figuren.

Waarom lezen? Alles wat hierboven beweerd wordt, staat daar uitgerekend. Het stuk is zelfbevattend: het telstelsel, de nummering en de twee architecturen worden vanaf nul uitgelegd, dus er is geen voorkennis nodig. Leesadvies: wie alleen de wiskunde wil, leest secties 5 tot en met 11. Wie alleen de architecturen wil, leest 12 tot en met 14.

Konstapel, J. (2003). Moving Up and Moving Down. Geschreven voor Cordys, Leiden. De architectuur met systemen, grenzen, servants, comparators en late binding. Bevat ook de afleiding van zes netwerkrollen uit vier menselijke componenten, door ze twee aan twee te nemen.

Waarom lezen? Het is dezelfde structuur op een andere diepte, drieëntwintig jaar voor de rekenkunde. Hoofdstuk vier bevat bovendien een diagnose van gestapelde softwarelagen die op dit moment één op één wordt overgedaan met AI. Leesadvies: hoofdstuk acht draagt de architectuur; vijf en zes geven dezelfde figuur op menselijke schaal. Let op: de kop dateert de tekst op 1993, maar de inhoud plaatst hem in 2003.

Boasson, M. en de Jong, E. (1997). A Software Architecture for Distributed Control Systems and Its Transition System Semantics. Hollandse Signaalapparaten B.V. Splice in twee stappen: eerst de gedeelde dataruimte met haar basisbewerkingen, dan de uitwerking waarin de gegevens verdeeld en gekopieerd over een netwerk worden bijgehouden via een abonnementsprotocol.

Waarom lezen? Dit is de radicaalste van de drie architecturen, omdat hij de geadresseerde volledig weghaalt. Wie maar één technisch stuk uit deze lijst leest, leest dit.

Boasson, M. (1998). Software Architecture for Distributed Reactive Systems. Lecture Notes in Computer Science. Het ontwerpprobleem achter Splice: grote ingebedde systemen in voortdurende wisselwerking met een veranderende omgeving, onder harde eisen aan tijd, robuustheid en onderhoudbaarheid.

Waarom lezen? Voor de motivatie in plaats van het mechanisme. Het legt uit waarom een centrum weg moest — dezelfde conclusie waar ik hierboven via rekenkunde uitkom. Leesadvies: kort stuk, in één zitting te lezen.

Stifel, M. (1544). Arithmetica Integra. Neurenberg. De eerste gedrukte vermelding van het talstelsel met −1, 0 en +1.

Waarom lezen? Om te zien dat het alfabet vijf eeuwen ouder is dan de theorie die erop gebouwd wordt, en er niet voor ontworpen is.

Hayes, B. (2001). Third Base. American Scientist 89(6), 490–494. Toegankelijk overzicht van drietallige stelsels, het kostenargument, en de Setun-computer die vanaf 1958 in Moskou heeft gewerkt.

Waarom lezen? De kortste route naar het argument waarom drie goedkoper is dan twee, en een herinnering dat er ooit een werkende drietallige machine heeft bestaan.

Chaitin, G. (2006). The Limits of Reason. Scientific American 294(3), 74–81. Leibniz gelezen als informatietheorie. Een wet is een samenvatting; begrijpelijk betekent samen te vatten.

Waarom lezen? Hier komt de kostenmaat vandaan die drie als optimum aanwijst. Leesadvies: het tijdschriftartikel is genoeg; het boek Meta Math! alleen bij belangstelling voor de onvolledigheidskant.

Leibniz, G. W. (1686). Discours de métaphysique, secties 5 en 6. Maximale rijkdom uit minimale middelen, en de eis dat elk begrip zijn eigen getal krijgt zodat redeneren rekenen wordt.

Waarom lezen? Het is de ontwerpeis waaraan dit stelsel toevallig voldoet. Het verschil is dat Leibniz een instantie buiten de wereld nodig heeft die het minimum kiest, en het net niet: hier wordt niets gekozen, er blijft iets over.

Gouvêa, F. Q. (2020). p-adic Numbers: An Introduction, derde druk. Springer. Rekenen waarbij alleen de laatste n plaatsen meetellen, en waarbij vermenigvuldigen met drie een samentrekking is.

Waarom lezen? De uitspraak dat diepte geheugen is, en dat er per stap één wending verdwijnt, zijn in dit vakgebied standaardfeiten. Wie ze in algemene vorm wil hebben, vindt ze daar. Leesadvies: hoofdstukken één en drie volstaan.

Spinadel, V. W. de (1999). The family of metallic means. Visual Mathematics 1(3). De familie waartoe het bronzen getal (3 + √13) / 2 = 3,3028 behoort.

Waarom lezen? In het artikel laat ik zien dat die reeks geen telling van routes kan zijn, omdat hij vanaf diepte elf meer dingen telt dan er routes bestaan. Deze referentie laat zien wat het dan wél is: een verhouding binnen een familie van verhoudingen.