MAZE: TRIT-1<0<+1>AI:

J.Konstapel,18-8-2026

The Maze is a self-addressing knowledge architecture based on balanced ternary coordinates.


Each piece of knowledge receives a stable route of −1, 0, and +1 decisions.


Adding new knowledge extends the route without changing existing addresses.


This turns the structure from a static archive into a navigable computational space.


The remaining challenge is to define rules that allow the system to rewrite and evolve its own knowledge.

Alle kennis in het verleden en de toekst kun je opslaan en classificeren met een trit.

Elk systeem dat kennis ordent, gaat op dezelfde manier kapot.

Dewey moet worden herzien. De Universele Decimale Classificatie wordt onderhouden door een organisatie in Den Haag. Een webadres wijst naar een server die ooit wordt uitgezet. Een DOI werkt zolang de uitgever betaalt. En de nieuwste variant, de vectorruimte waarin taalmodellen kennis plaatsen, verschuift volledig zodra het model opnieuw wordt getraind.

Vier technieken, vier eeuwen, dezelfde fout.

De fout is niet technisch. De fout is dat het adres van buitenaf wordt uitgedeeld. Een commissie, een uitgever, een bedrijf of een trainingsronde bepaalt waar iets staat. Wat is uitgedeeld, kan worden ingetrokken. En zodra er nieuw materiaal bij komt dat de ordening niet had voorzien, moet de ordening worden uitgebreid — en verschuift de betekenis van alles wat er al stond.

Daarom bestaat er geen wereldarchief. Niet omdat het te groot is. Omdat de nummering het niet uithoudt.

De omkering

Er is één manier om dit te ontlopen: het adres niet uitdelen maar uitrekenen.

Dat vraagt een regel die iedereen kan toepassen en die altijd hetzelfde resultaat geeft. Ik gebruik er één:

Ligt dit, ten opzichte van de referentie op deze ring, erboven, erop of eronder?

Boven is +1. Erop is 0. Eronder is −1.

Meer is het niet. De regel wordt herhaald toegepast. Het antwoord op ring 1 bepaalt de referentie voor ring 2, het antwoord op ring 2 die voor ring 3, en zo verder, zo diep als nodig.

Het beeld is het visnet. Mazen binnen mazen. Kennis is geen voorwerp in een la, maar een plaats in het net: een winding op een bepaalde diepte. Coderen betekent die plaats benoemen.

Een reeks antwoorden heet een route. En elke route is precies één geheel getal, in het drietallige stelsel met de cijfers min één, nul en één. De plaatswaarden zijn 1, 3, 9, 27, 81, enzovoort.

Een voorbeeld. De route (+1, −1, −1, −1, +1) is:

81 − 27 − 9 − 3 + 1 = 43.

Rust is adres nul.

Wat er dan gratis bij komt

Vier eigenschappen volgen uit de rekenwijze zelf. Ze zijn niet ontworpen, ze zijn er.

Grover kijken is cijfers weglaten. Laat de laatste zetten weg en je houdt hetzelfde ding over, ruwer beschreven. De afwijking is minder dan de helft van de laatst overgebleven plaatswaarde. Een grove en een fijne beschrijving zijn dus niet twee gegevens die je met elkaar moet verzoenen. Het is één getal.

Het tegendeel is een minteken. Draai elke +1 om in −1 en omgekeerd, en het getal wordt zijn eigen negatief. De tegenpool van iets ligt één bewerking verderop. Geen woordenboek van tegenstellingen nodig.

Afstand is aftrekken. Hoe ver liggen twee dingen uit elkaar? Trek de adressen van elkaar af. Dat is een getal, geen gelijkenisscore tussen nul en één waarvan de betekenis afhangt van het model dat hem produceerde.

Zelfde ding op andere schaal is een voorvoegsel. Voorloopnullen veranderen de waarde niet. Wat op wijkniveau geldt en wat op huishoudniveau geldt, delen het begin van hun adres.

Samen vervangen die vier het hele apparaat van zoeken. Geen index, geen zoektaal, geen rangschikking, geen relevantiemodel. Vier rekenbewerkingen, en de kosten hangen af van het aantal zetten — niet van de omvang van het archief. Een archief met honderd stukken en een archief met een miljard stukken beantwoorden deze vragen even snel.

Hoe diep moet de wereld

Elke zet vermenigvuldigt de capaciteit met drie. Dat maakt de vraag “hoe groot moet dit worden” tot een sommetje.

Negentien zetten geven 1.162.261.467 adressen. Ruim een miljard. Er zijn naar schatting 150 miljoen boeken ooit gedrukt. Negentien zetten dekken dat zeven keer.

Zesentwintig zetten geven 2,54 biljoen adressen. Genoeg voor elk document ooit geschreven, inclusief brieven, kasboeken en inscripties.

Tweeëndertig zetten geven 1,85 biljard. Genoeg voor elke zin in elk document.

Tweeënveertig zetten geven ongeveer 10 tot de macht 20. Neem honderd miljard mensen die ooit geleefd hebben. Geef ieder een miljard onderscheidbare momenten. Tweeënveertig zetten geven elk van die momenten een eigen adres.

Eén zet is één drietallig cijfer en draagt 1,585 bit. Tweeënveertig zetten zijn 66,6 bit. Dat past in negen bytes.

Negen bytes om elk moment uit de geschiedenis van de menselijke ervaring te benoemen.

En die adressen worden niet opgeslagen. Ze worden uitgerekend. Opslag kost alleen iets waar werkelijk iets staat.

Waarom de toekomst er wél in past

Dit is het punt waar alle voorgangers stukliepen, en het is met één zin af te handelen.

Het adres van iets op diepte n is de afkapping van het adres van datzelfde ding op diepte n plus k. Afkappen laat de voorste zetten met rust. Verfijnen wijzigt dus nooit iets. Het verlengt alleen.

Daaruit volgt:

  • Nieuw materiaal op grotere diepte laat elk bestaand adres precies zoals het was.
  • Ruimte tekort kost één cijfer, en de capaciteit verdriedubbelt.
  • Er is nooit een moment waarop het archief opnieuw geïndexeerd moet worden.

Een concreet geval. Stel het archief staat op diepte 26 — elk document ooit geschreven. Er ontstaat een vakgebied dat niet bestond en dat fijnere onderscheidingen vraagt. Voeg zes zetten toe. De capaciteit gaat met een factor 729 omhoog. Elk adres dat op diepte 26 was toegekend, is nog exact het begin van zijn eigen verfijning. Niets wordt gemigreerd. Niets krijgt een versienummer. Niets vervalt.

Dat is wat “alle kennis van de toekomst” hier betekent. Niet dat toekomstige kennis wordt voorspeld. Dat toekomstige kennis erin past zonder iets te breken.

Waarom het verleden er ook in past

De regel gaat niet over taal. Hij gaat over de verhouding tot een referentie. Daarmee bereikt hij materiaal waar geen enkele tekstindex bij komt.

Een mondelinge overlevering die doorgeeft dat dit boven dat staat, dat dit vóór dat komt, dat dit hieronder hoort, produceert al zetten. Ze zijn nooit opgeschreven, maar ze zijn wel gedragen.

Een figuur met een voorwerp in de hand, een labyrintpad, een reeks tekens: elk daarvan legt een verhouding vast. De regel leest die rechtstreeks. De tussenstap — eerst vertalen naar een moderne bewering — vervalt. En juist in die tussenstap gaat vandaag het meeste van dat materiaal verloren.

Ook instrumenten kunnen coderen. Een sedimentlaag, een jaarring, een isotoopverhouding tegen een drempel: erboven, erop, eronder.

De consequentie is er een die nergens anders bestaat. Een mythe, een meting en een modern artikel kunnen adressen krijgen in dezelfde ruimte en met aftrekken worden vergeleken. Niet omdat het dezelfde soort uitspraken zijn. Omdat de code een plaats in het net vastlegt, en een plaats hebben ze alle drie.

Waarom dit op wereldschaal werkt

Hier zit het politieke punt, en het is het scherpst zo te zeggen: er is geen instantie nodig.

Geen register. Geen naamgevende autoriteit. Geen consensusprotocol. Twee mensen komen tot hetzelfde adres omdat ze dezelfde regel toepasten, niet omdat een orgaan hun overeenstemming heeft bekrachtigd.

Wat dat oplevert, blijkt bij het samenvoegen. Twee archieven, onafhankelijk opgebouwd, verschillende talen, verschillende eeuwen aan bronmateriaal. Samenvoegen is het verenigen van twee verzamelingen gehele getallen. Geen schema-vertaling. Geen ontologie-afstemming. Geen koppeltabel.

Die dingen bestaan alleen omdat twee systemen die hun adressen van verschillende autoriteiten kregen geen gemeenschappelijke grond hebben. Twee systemen die hun adressen uit dezelfde regel berekenen, hebben elk adres al gemeen.

Botsingen zijn er precies één soort: hetzelfde adres, met andere inhoud. Dat is geen technische storing. Dat is een inhoudelijk meningsverschil, en het adres wijst het exact aan. Twee lezers zien dezelfde plaats in het net en zetten er iets anders neer. Dan kan het besproken worden, in plaats van weggemiddeld.

Dit systeem hoeft dus niet te wachten tot iedereen meedoet. Het hoeft alleen dat mensen dezelfde regel gebruiken. Dan zijn hun archieven al verbonden.

De poort

Niet alles mag een adres bezetten.

Wat wordt aangeboden voor adres a, wordt opnieuw gecodeerd. Dat geeft adres a′. Is a′ gelijk aan a, dan mag het erin. Is a′ het begin van a, dan mag het erin, met de aantekening dat het grover is. Anders niet.

Dat vervangt de redactieraad. Er is geen bestuur dat bepaalt wat in het wereldarchief thuishoort. Wat sluit, komt erin. Wat niet sluit, niet. Mens en machine gaan door dezelfde poort — en dus kan het archief niet bederven door schaal. Een miljoen machinaal gemaakte voorstellen ondergaan dezelfde toets als één menselijk voorstel.

Een weigering is bovendien bruikbaar. Sluit iets niet op a, dan is −a de eerste kandidaat. Een bewering die niet past waar ze wordt aangeboden, past opvallend vaak op haar tegendeel.

Wat een leeg adres betekent

De meeste adressen zijn leeg. Dat is geen gebrek.

Vraag om een adres. Staat er iets, dan is dat het antwoord. Staat er niets, laat dan één zet weg en vraag opnieuw. Herhaal tot er iets staat. Adres nul is altijd bezet.

Het antwoord dat terugkomt is grover dan de vraag, nooit anders dan de vraag. En de afwijking is vooraf begrensd.

Dat is het verschil met een taalmodel dat iets krijgt voorgelegd wat het niet weet. Dat produceert een vloeiende zin. Dit produceert een ruwere ware zin, en zegt erbij op welke diepte het antwoord vandaan komt.

De lege plekken zijn zelf een uitkomst. Een kaart van onbezette adressen op diepte 5 telt 121 posities. Dat is in een middag te lezen, en het is de werkvoorraad.

De rekening

Twee sommen naast elkaar.

Een huidig taalmodel heeft als werkgeheugen zijn contextvenster. Neem 200.000 woorddelen uit een woordenschat van ongeveer 130.000. Elk woorddeel draagt 17,0 bit. De hele toestand is 3,4 miljoen bit, oftewel 2,15 miljoen drietallige cijfers. Per stap komt er één woorddeel uit: 17,0 bit, oftewel 10,7 cijfers.

Om die 10,7 cijfers te produceren worden de gewichten doorlopen. Bij 400 miljard parameters van 8 bit is dat 3,2 biljoen bit, oftewel 2 biljoen drietallige cijfers. Het parameteraantal is niet gepubliceerd; het gaat om de ordegrootte.

Verhouding tussen wat er beweegt en wat eruit komt: ongeveer honderd miljard op één.

In dit ontwerp is een adres op wereldniveau 42 cijfers, uitgerekend, en zijn de bewerkingen evenredig met die 42.

Maar het verschil zit niet in het aantal. Het zit erin dat deze cijfers gedefinieerd zijn. Van elke zet is te zeggen wat hij betekent: boven, erop, eronder. In een taalmodel draagt een cijfer een onbenoemd deel van een onbenoemd onderscheid. Er is geen zet, alleen een positie.

Twee miljoen ongedefinieerde cijfers leveren geen adres op. Dus ook geen tegenpool, geen schaalvoorvoegsel, geen afstand als getal. Tweeënveertig gedefinieerde cijfers leveren dat alles wel.

Wat er niet is opgelost

Eén ding. De kern kan adresseren, hij kan niet bewegen.

Er is nog geen herschrijfregel die zegt wat er vervolgens gebeurt. Zolang die ontbreekt, is dit een archief met een uitstekende nummering en geen motor.

Er is wel iets nieuws over te zeggen. Afkappen is zelf een herschrijving, en afkappen van iets afgekapts is weer afkappen. Het is dus zijn eigen vaste punt — maar het verliest diepte. Daarmee ligt vast waarin de gezochte herschrijving zich moet onderscheiden: zij moet de diepte behouden en toch sluiten.

Op diepte 5 zijn er 243 routes. Alle kandidaten zijn daar uitputtend na te rekenen.

Wat er nu moet gebeuren

  1. De regel vastleggen. Eén zin, vijf toepassingen.
  2. Tweehonderd stukken door twee onafhankelijke coderers laten coderen. Komen daar verschillende adressen uit, dan deugt de regel niet en moet de referentie scherper — nooit het model groter.
  3. Dezelfde tweehonderd stukken op twee dieptes coderen. Is de grove code niet de afkapping van de fijne, dan is de regel in werkelijkheid niet één regel.
  4. Diepte 5 vullen. 121 adressen. De lege publiceren.
  5. De vier eindpunten bouwen: coderen, ophalen, toetsen, verwoorden.
  6. De herschrijving uitputtend uitrekenen op diepte 5.

Stap 2 en 3 zijn de beslissing. De rest is werk.


Referenties

Donald Knuth, The Art of Computer Programming, deel 2, paragraaf 4.1. Waarom lezen? De standaardbehandeling van het gebalanceerde drietallige stelsel, inclusief de eigenschap waar dit hele ontwerp op leunt: cijfers weglaten ís afronden naar het dichtstbijzijnde, zonder aparte afrondstap. Knuth noemt het het mooiste van alle talstelsels en laat zien waarom. Leesadvies: paragraaf 4.1 volstaat; de rest van het hoofdstuk kan blijven liggen.

Nikolaj Broesentsov en de Setoen-computer, Staatsuniversiteit Moskou, 1958. Waarom lezen? De enige computer ooit in productie genomen op het gebalanceerde drietallige stelsel — er zijn er ongeveer vijftig gebouwd. Het bewijst dat dit een technische optie is en geen curiositeit. Instructief is waaróm de machine verdween: onderdelenvoorziening, niet prestaties.

Gottfried Wilhelm Leibniz, Explication de l’Arithmétique Binaire, 1703. Waarom lezen? De oorsprong van het idee dat een talstelsel geen gemak is maar een uitspraak over hoe onderscheidingen zich stapelen. Leibniz zag het coderen van alle kennis als een serieus programma, niet als beeldspraak.

Paul Otlet en Henri La Fontaine, het Mundaneum en de Universele Decimale Classificatie, vanaf 1895. Waarom lezen? De meest serieuze eerdere poging tot een wereldarchief met een universele codering. Het strandde precies op het punt dat hierboven wordt opgelost: de classificatie moest door een instantie worden onderhouden, dus de codes waren uitgedeeld en konden worden ingetrokken. Leesadvies: lees het als de controlegroep bij dit ontwerp.

S. R. Ranganathan, Colon Classification, 1933. Waarom lezen? Facetclassificatie is het dichtstbijzijnde voorwerk: bouw de code op uit onderdelen in plaats van hem uit een lijst te kiezen. De vergelijking laat scherp zien wat de eis van één enkele regel toevoegt — Ranganathans facetten zijn onverwante assen, en daardoor is zijn code niet af te kappen en niet te spiegelen.

Vannevar Bush, “As We May Think”, The Atlantic, juli 1945. Waarom lezen? Het memex-essay formuleert het probleem dat hier wordt opgelost: terugvinden via verband in plaats van via plank. Vooral leerzaam om wat het niet had — een uitrekenbaar adres.

Ted Nelson, Literary Machines, 1981. Waarom lezen? Xanadu eiste als kern het permanente adres: een verwijzing die nooit breekt. Nelson diagnosticeerde het vergaan van webadressen decennia voordat het gebeurde. Zijn oplossing was een centraal register — precies de aanname die hier vervalt.

Ralph Merkle, boomstructuren op basis van hashwaarden, 1979, en inhoudsgeadresseerde opslag in het algemeen. Waarom lezen? De naaste werkende verwant: een adres dat uit de inhoud wordt berekend in plaats van eraan toegekend. Het leerzame verschil is dat een hashwaarde alle structuur juist vernietigt — er valt niets af te kappen, te spiegelen of af te trekken. Daar is een hash voor gemaakt, en daarom is hij onbruikbaar voor kennis.

Geohash (Gustavo Niemeyer, 2008) en boomstructuren voor ruimtelijke indexering. Waarom lezen? Een werkend, wereldwijd gebruikt systeem met exact de voorvoegsel-eigenschap uit dit stuk: laat tekens weg en het adres benoemt een groter gebied dat het kleinere bevat. Het bewijs dat deze manier van adresseren in productie schaalt. Dit ontwerp veralgemeent het van twee ruimtelijke richtingen naar willekeurige onderscheidingen.

Claude Shannon, “A Mathematical Theory of Communication”, 1948. Waarom lezen? Legt de boekhouding vast die in de dieptesom en de kostenvergelijking wordt gebruikt: hoeveel een onderscheid draagt, en dus wat een plaats kost. De omrekening 1,585 bit per drietallig cijfer komt hiervandaan.

Andrej Kolmogorov (1965), Ray Solomonoff (1964), Gregory Chaitin (1966), over beschrijvingscomplexiteit. Waarom lezen? Zij leggen de bodem. De kortste beschrijving van iets is een eigenschap van dat ding, niet van de beschrijver. Dit ontwerp claimt een adres dat zich netjes gedraagt, niet een adres dat het kortst is — en hier wordt dat verschil precies gemaakt.

Jorge Luis Borges, “De bibliotheek van Babel” (1941) en “Funes, het geheugen” (1942). Waarom lezen? De twee manieren waarop een totaalarchief mislukt, beter opgeschreven dan in enige vakpublicatie. Babel is een volledige adresruimte zonder manier om een adres uit te rekenen. Funes is volledig geheugen zonder vermogen om te vergroven. Leesadvies: beide zijn kort; lees ze achter elkaar.

Charles Sanders Peirce, over drieledige relaties. Waarom lezen? Het argument dat verhouding pas bij drie begint en dat een drieledige relatie niet uiteenvalt in tweetallen. De regel in dit stuk heeft drie uitkomsten. Peirce levert de sterkste bestaande reden om aan te nemen dat dat structureel is en geen smaak.


Het onderliggende artikel is “The Codable World — Design for a World-Scale Intelligence in Which All Knowledge, Past and Future, Becomes Address” (18 augustus 2026), met de volledige afleidingen, het statusgrootboek en de vijf toetsen.