Een essay over morele, politieke en symbolische verantwoordelijkheid in het slavernijdebat.
Introductie
J.Konstapel, Leiden, 3-12-2025.
: De Staat biedt spijt aan voor historisch onrecht, terwijl juridische schuld verjaard is en veel burgers zich niet herkennen in het collectieve “wij”.
Deze blog laat zien hoe het Nederlandse calvinisme + koopmanschap uitmondt in een schijnheilige gedoogcultuur:
- Historische slavernij en hedendaagse uitbuiting (arbeidsmigranten, flexwerk) zijn één lijn: vormen veranderen, de economische onvrijheid blijft, zolang het geld oplevert.
- De Staat en bestuurders spreken zware, calvinistisch-moralistische taal (“excuses”, “schuldbesef”), maar ondertussen worden moderne vormen van uitbuiting gewoon gedoogd.
- Dat creëert een kloof tussen morele pose (wij zijn volwassen, verantwoordelijk, rechtvaardig) en praktijk (we accepteren onrecht als het economisch handig is).
- De kernvraag van de blog: hoe geloofwaardig zijn excuses en morele taal, als een land structureel kiest voor verdienen boven handelen naar zijn eigen normen?
Kort: het stuk ontmaskert Nederlandse calvinistische cultuur als een systeem dat morele strengheid predikt, maar onrecht tolereert zodra het financieel loont.
Wie Verdiende het Meest aan de Slavernij?
Wie Verdienden het Meest aan de Slavernij?
Top-10
De Oranjes
| Rang | Profiteur (Winstconcentratie) | Aard van de Winst | Geschatte Hedendaagse Waarde (Opmerkingen) |
| 1 | West-Indische Compagnie (WIC) | Monopolie op de Atlantische slavenhandel (circa 600.000 slaven verhandeld), veroveringen en koloniale heffingen. | Niet te kwantificeren. De totale winst was de ruggengraat van de nationale kapitaalaccumulatie gedurende 150 jaar. |
| 2 | De Sociëteit van Suriname | Beheerder en exploitant van de meest winstgevende plantagekolonie, met winsten uit de export van suiker, koffie en cacao. | Niet te kwantificeren. De winst vloeide direct naar de aandeelhouders (o.a. WIC en de stad Amsterdam). |
| 3 | De Oranjes (Koninklijke Familie) | Winsten en inkomsten uit beleggingen in en koloniaal beheer van 1675 tot 1950. | € 545 miljoen (Meest concrete schatting voor inkomsten uit de koloniale collecties en betrokkenheid bij koloniale handel, 1675-1950). |
| 4 | Hope & Co. (Voorganger ABN AMRO) | Grootbankiers en plantagebeheerders. Verstrekking van hypothecaire leningen op plantages waarbij slaafgemaakten als onderpand dienden. | In steekjaren 1770-1790 kwam 25% tot 33% van de omzet uit slavernij-gerelateerde activiteiten. |
| 5 | Middelburgsche Commercie Compagnie (MCC) | Grootste private slavenhandelsrederij buiten de WIC. Voerde honderden slavenreizen uit. | Niet gekwantificeerd. De winsten waren immens voor de Zeeuwse investeerders, maar niet om te rekenen naar één huidig bedrag. |
| 6 | De Nederlandsche Bank (DNB) | Deels opgericht met kapitaal afkomstig van grote investeerders wier fortuin direct uit plantageslavernij stamde (bijv. via de familie Borski). | — (Betrokkenheid bij kapitaalbasis en compensaties na 1863 vastgesteld.) |
| 7 | Grote Amsterdamse Regenten/Beleggers | Individuele en familiale investeringen in obligaties van de Sociëteit van Suriname en WIC-aandelen. | — (Concentratie van winst bij families als de Six en Van Loon door investeringen.) |
| 8 | R. Mees & Zoonen (Voorganger ABN AMRO) | Betrokken bij scheepsfinanciering, verzekeringen op slavenschepen en de handel in koloniale waren. | — (Betrokkenheid vastgesteld over meerdere generaties.) |
| 9 | Familie Borski | Plantage-eigenaar (circa 565 slaafgemaakten in bezit) en invloedrijke investeerder in de vroege Nederlandse industrie en financiële sector. | — (Winst was de basis voor de investeringen in de DNB.) |
| 10 | Diverse Suikerraffinaderijen | Profiteerden van de verwerking en het monopolie op de handel in ruwe suiker uit de koloniën. | — (Winst geconcentreerd in de verwerkende industrie in Nederland zelf.) |
Moderne Slavenhandel In Nederland.
De erfenis van onvrijheid: een actuele parallel
In de Gouden Eeuw werden in Leiden en omgeving arme jongeren en weeskinderen geronseld voor koloniale arbeid, vaak onder dwang en met dodelijke risico’s. Hun maatschappelijke positie, vastgelegd in een sociale logica van economische noodzaak, vertoont een sterke parallel met die van hedendaagse arbeidsmigranten in de Bollenstreek – juridisch vrij, maar economisch gevangen.
Deze hardnekkige continuïteit van onvrijheid in de marge van de samenleving suggereert dat er, ondanks de recente uitgebreide verontschuldigingen over het slavernijverleden, fundamenteel niets is veranderd in de structurele uitbuiting. Dit leidt tot de centrale paradox van dit essay: de legitimiteit en de reikwijdte van het politieke excuus.
1. Inleiding: de paradox van het politieke excuus
Wanneer een regering, koning of burgemeester excuses aanbiedt voor het slavernijverleden, klinkt onvermijdelijk de vraag: wie spreekt hier eigenlijk namens wie?
Premier Mark Rutte sprak in december 2022 namens “de Nederlandse Staat”; koning Willem-Alexander deed dat in juli 2023 “namens mijzelf en namens de regering”. Ook burgemeesters, waaronder die van Leiden, sloten zich daarbij aan. Maar de individuele burger heeft deze woorden niet uitgesproken, en velen herkennen zich niet in het morele mandaat dat wordt verondersteld.
Dit spanningsveld – tussen de juridische structuur van de staat, het individuele morele geweten en politieke representatie – vormt de kern van het huidige Nederlandse debat. Het draait niet enkel om schuld, maar om de legitimiteit van spreken namens een collectief over daden uit een ander tijdperk.
2. Juridische context: de staat als rechtsopvolger, niet als dader
Volgens het recht bestaat de Staat der Nederlanden als een doorlopende rechtspersoon. Dit is het uitgangspunt van rapporten als Staat en slavernij. Het Nederlandse koloniale slavernijverleden en zijn doorwerkingen (Eerste Kamer, 2023).
Hierin wordt helder gesteld: hoewel de mensen die destijds handelden overleden zijn, bestaat de rechtspersoon Staat juridisch voort. De Staat kan zodoende erkennen dat vroegere staatsorganen — zoals de Staten-Generaal die de WIC en VOC octrooieerden — structureel bijdroegen aan slavernij en slavenhandel.
Toch is dit een beperkte verantwoordelijkheid. De juridische aansprakelijkheid voor de concrete, strafbare daden (moord, mishandeling, mensenhandel) lag destijds bij de inmiddels niet meer bestaande compagnieën zelf. Dit verschuift het debat naar een ander, abstracter niveau: de morele en politieke verantwoordelijkheid.
3. Morele verantwoordelijkheid: schuld voorbij het recht
In het adviesrapport Ketenen van het Verleden (Adviescollege Dialooggroep Slavernijverleden, 2021) wordt gesteld dat het niet gaat om individuele schuld, maar om collectieve morele verantwoordelijkheid.
De staat wordt niet beschuldigd van misdrijven in juridische zin, maar gevraagd te erkennen dat haar rijkdom, instituties en identiteit mede gebouwd zijn op onvrijheid en uitbuiting.
Diverse filosofen hebben zich over dit dilemma gebogen, onder wie Paul van Tongeren en Huib Visser.
Van Tongeren stelt (Trouw, 2020; 2022) dat een excuus pas betekenis krijgt als het gepaard gaat met erkenning van morele schuld — een diep besef van onrecht, en niet slechts politieke spijt.
Visser werpt daartegen op dat een excuus normaliter veronderstelt dat de spreker zelf schuldig is, of op zijn minst rechtstreeks verbonden met de schuldige. Als dat niet het geval is, dreigt een excuus “toneelspel” te worden.
Het filosofisch antwoord van Arjen Venema (RUG, 2024, Excuses voor het slavernijverleden) is subtieler. Hij stelt dat de morele geldigheid van een excuus afhangt van de erfenis van voordeel en continuïteit: als een gemeenschap vandaag nog profiteert van structuren die door slavernij zijn ontstaan, dan kan zij moreel spreken over dat verleden — niet als dader, maar als erfgenaam van verantwoordelijkheid.
4. Politieke verantwoordelijkheid: wie heeft het mandaat?
De kern van de politieke spanning ligt in de vraag: wie mag collectief spreken?
Volgens de Gemeentewet (art. 171) vertegenwoordigt de burgemeester de gemeente als rechtspersoon, niet de individuele inwoners.
Als de burgemeester van Leiden excuses aanbiedt, doet hij dat juridisch namens het bestuur van de gemeente Leiden als rechtsopvolger van het stadsbestuur dat in slavernijbelangen verwikkeld was (zie: Gemeente Leiden, 2025).
Dit onderscheid is essentieel:
- De staat of gemeente kan als institutie excuses aanbieden.
- De burgers behouden hun eigen morele autonomie.
Deze spanning wordt in het Kamerdebat van 25 januari 2023 expliciet verwoord. Partijen als de SGP en PVV benadrukken dat “de regering niet namens iedere Nederlander kan spreken”. Andere partijen (D66, BIJ1) vinden juist dat de overheid de enige actor is die kan spreken namens een doorlopende gemeenschap.
De taal van de excuses — het voortdurende wisselen tussen “ik”, “wij” en “de Staat” — verraadt de moeite om deze representatie geloofwaardig te maken.
5. Het sociale landschap: wie hoort zich aangesproken?
Onderzoek van Ipsos/I&O Research (2022) laat zien dat slechts rond 38% van de Nederlanders excuses “terecht” vindt. Veel respondenten zeggen expliciet: “de regering spreekt niet namens mij.”
Anderen zien de excuses juist als noodzakelijke erkenning van structureel racisme en ongelijkheid.
De podcast De plantage van onze voorouders (VPRO, afl. 8 “Wat nu?”) illustreert de uiteenlopende ontvangst: Peggy Bouva (nazaat van tot slaaf gemaakten) ervaart de excuses als een stap richting herstel, terwijl Maartje Duin (nazaat van plantage-eigenaren) worstelt met de representatievraag: “Ik voel mij niet schuldig, maar wel betrokken — hoe spreek ik daar eerlijk over?”
Deze dialoog illustreert wat de excuses politiek doen: ze verschaffen geen afsluiting, maar openen een nieuw gesprek over identiteit, continuïteit en ongelijkheid.
6. Van juridisch verleden naar moreel heden
Een goed excuus vereist, volgens Van Tongeren, vier elementen: erkenning van het onrecht, spijt en berouw, de belofte tot verandering en de mogelijkheid voor de ander om het te aanvaarden of te weigeren. In de politieke praktijk zien we vaak slechts de eerste stap.
Zonder vervolg in herstelbeleid, educatie of machtsverschuiving blijven excuses symbolisch, wat Thaler (2012, Just Pretending) beschrijft als een “performative apology”.
In dat licht wordt het verschil tussen juridische en morele verantwoordelijkheid zichtbaar:
- Juridisch is de schuld verjaard.
- Moreel is de erfenis actueel.
- Politiek is de vraag: wat doen we ermee nu?
7. Conclusie: verantwoordelijkheid zonder toe-eigening
De vraag “wie verontschuldigt zich nu voor wie?” is uiteindelijk geen juridisch, maar een democratisch vraagstuk.
De staat, de koning of de burgemeester spreken niet namens elke individuele burger, maar namens de doorlopende gemeenschap van instellingen en waarden waarin dat verleden doorwerkt.
Erkenning van die continuïteit is geen schuldbekentenis van huidige individuen, maar een poging tot historische volwassenheid: erkennen dat vrijheid, rijkdom en instituties ook gebouwd zijn op onvrijheid.
Tegelijkertijd is de kritiek dat deze symbolische excuses nauwelijks tot concreet herstelbeleid of structurele verandering hebben geleid, volkomen terecht en essentieel. Zoals in de inleiding gesteld, zolang de sociale logica van economische gevangenschap blijft bestaan, blijven excuses hol.
Daarom is het legitiem voor critici om te eisen dat het taalgebruik nauwkeurig is: “namens de Staat der Nederlanden” is iets anders dan “namens alle Nederlanders.”
Echte vooruitgang begint bij die nuance én de belofte tot actie: erkenning van onrecht zonder de morele kolonisatie van het geweten van burgers.
https://www.vpro.nl/de-plantage-van-onze-voorouders
