
J. Konstapel, Leiden, 27 september 2026
Het beeld door dit hele werk is een visnet in water. De strengen lopen overal en staan onder spanning. Waar strengen om elkaar winden, ontstaan knopen: materie. Tussen de strengen liggen mazen. Een winding blijft alleen als ze in fase terugkomt in haar maas.
Er zijn twee manieren om iets uit het net te halen. Een maas laat door; hoeveel, hangt af van haar maat. Een knoop gaat open; één van zijn sluitingen geeft mee en de winding gaat weg. De bouwers uit deel één zetten mazen. De zon opent knopen. Deel twee en drie gaven de variabelen en de machine voor de maas, maar niet de regel die een maasmaat in watt omzet. De 70 watt per vierkante meter in deel drie was Moddels meting, nagerekend. Dit deel geeft die regel, toetst haar, en geeft daarna de regel voor de knoop, en die is van Larson.
Beide regels zijn vertalingen, geen nieuwe wetten. De theorie is de bestaande natuurkunde korter opgeschreven, en elke herschrijving is terug te draaien. Voor de maas kom je bij het terugdraaien uit op Casimirs telling uit 1948 en Moddels meting uit 2021. Vooruit geschreven is dat één regel.
De ene regel
Dewey Larson schreef in 1959 alle natuurkunde als machten van één verhouding: ruimte gedeeld door tijd. Snelheid is S/T. Energie is het omgekeerde, T/S. Massa is T³/S³. Hermann Grassmann had in 1844 dezelfde ladder als graden geschreven: lijnstuk, vlakstuk, ruimtestuk. Het net schrijft haar als streng, winding, knoop.
Energie is een winding: een streng die op zichzelf terugkeert. Er zit niets in. Vermogen is energie per tijd: (T/S) gedeeld door T. Dat is 1/S. Eén gedeeld door de open ruimte.
Voor een maas met één open maat L betekent dat: doorgang is één gedeeld door L. Kleinere maas, meer doorgang. De helling van de curve is −1. Dat is geen aanname; het is de verhouding van twee sporten op de ladder.
De toets
Garret Moddel bouwde in 2021 een maas met één instelbare maat. Twee wanden, de ene spiegelend, de andere open, van 1100 tot 33 nanometer uit elkaar. Hij mat de stroom bij elke maat.
De helling van zijn curve, afgelezen uit de gepubliceerde figuur, is −0,9 met een onzekerheid van 0,15. Dat interval bevat −1. De ladder raakt de meting, niet alleen de richting maar de helling. Wat het materiaal nog aan de vorm toevoegt is bijna niets.
De getallen: bij 33 nanometer 1,4 picowatt per element van 0,02 vierkante micrometer, dus 70 watt per vierkante meter per laag. Bij 1100 nanometer 2 watt. De aflezing staat op het MAZE-platform geboekt als aflezing; de ladder zelf is daar met elf controles machinaal nagerekend.
Wat dit met de machine van deel drie doet
De lus van deel drie zocht een top in de curve. Er is geen top. De curve stijgt tot de wand geen kortere windingen meer terugkeert, en vlakt dan af. Een knie, geen piek.
De lus krijgt dus ander werk. Niet zoeken maar vasthouden: de kleinste stabiele maas, en veroudering bijregelen. Dat is eenvoudiger dan wat er stond. En de spiegel uit deel drie, met een rustspleet van 300 nanometer, haalt het gebied van 33 tot 50 nanometer niet; hij komt tot 200. Een rustspleet van 60 tot 75 nanometer wel. De curve zelf meet je op vaste stapels van verschillende dikte, zoals Moddel deed.
Plaatsonafhankelijkheid, de titel van deel drie, volgt nu uit de formule. In 1/L komt geen plaats voor.
Wat de ladder weglaat
Lees de ladder op wat er niet in staat. Geen bron: een winding komt nergens vandaan. Geen voorraad: een verhouding houdt niets vast. Geen behoudswet: wat sluit blijft, wat niet sluit niet. Geen stroom per vierkante meter: mazen worden geteld.
Daarom komt het verbod op het perpetuum mobile niet op. Een maas laat door; ze maakt niet. De bouwers van deel één overtraden geen regel over gesloten systemen. Ze zetten mazen in een net dat overal onder spanning staat en geen gesloten systeem kent.
De tweede weg: een knoop gaat open
Een maas heeft een maat. Een ster heeft geen maas, en straalt toch vele ordes meer dan een planeet. Op de ladder zit dat verschil één sport hoger. Niet een maas die doorlaat, maar een knoop die opengaat.
Larson schreef de regel in 1959 en opnieuw in 1988. Een atoom is rotatie naar binnen. Warmte en ionisatie zijn verplaatsingen naar buiten. Wordt de som daarvan gelijk aan één volle eenheid van de tweedimensionale rotatie van het atoom, dan heffen ze elkaar op. Die rotatie-eenheid valt weg, massa wordt energie, en die gaat weg als straling. Zware elementen halen dat punt bij lagere temperatuur.
Op de ladder: T³/S³ wordt T/S. Van knoop naar winding, één sport omlaag. De factor ertussen is T²/S², en dat is wat men c² noemt. E = mc² is de ladder één sport afgelezen.
Een planeet: geen knoop haalt het punt. Hij leest. Een ster: in het centrum halen de zwaarste knopen het, en bij meer massa steeds lichtere. Hij opent. Dat is het verschil, en het ligt per element vast, niet per plaats.
De tweede weg in getallen
Larson geeft twee grenzen, en beide zijn getallen.
De massa van een element is rotatiemassa plus vibratiemassa. De vibratiemassa hangt af van het magnetisch ionisatieniveau I van het milieu: m_v = I · m_r² / 156,444. Lood: 82² / 156,444 = 43; totaal 207, gemeten 207,2.
De grens ligt op 236. Daarboven moet een element massa afstoten: alpha-verval. Bij I = 0 zijn alle 117 mogelijke elementen stabiel. De aarde staat op I = 1; daar wordt de grens 92, uranium. Bij I = 2 wordt het 79, goud. Bij I = 3 wordt het 71.
Thorium en bismut vervallen onder de grens. Larson had dat in 1988 al: sommige atomen dragen twee ladingen, en dan verdubbelt de vibratiemassa. Thorium met twee ladingen: 284, over de grens. Bismut: 254. Larson noemde het verval onder bismut verwaarloosbaar, dus bij bismut zelf klein maar niet nul. In 2003 werd bismut-209 alpha-actief gemeten, halveringstijd 1,9 × 10¹⁹ jaar. Vijftien jaar na het boek.
Radioactiviteit op aarde is dus geen uitzondering op de ladder. Het is de tweede weg, bij I = 1, voor alles boven 236.
Waarom de tweede weg niet te bouwen is
Om een lichter atoom open te krijgen moet I omhoog. Twee dingen ontbreken, in beide handschriften.
Er is geen bron. I is de concentratie magnetisch geladen neutrino’s die materie in de loop van de tijd opneemt. Larson noemt waar ze ontstaan; hij noemt geen kraan. In de oude notatie bestaat “een neutrino met magnetische lading dat in materie blijft zitten” niet als gemeten ding. Bij de maas kon je terugdraaien naar Casimir. Hier is er niets om naar terug te draaien.
Er is geen instrument. I heeft één meetplek, het midden van de isotopenverdeling, en dat verschuift op geologische tijd. Geen meter leest I = 1,02 na een jaar. Zonder meter valt er niet naar een hefboom te zoeken.
En de aarde laat zien dat I overal 1 is. De isotopensamenstelling van de elementen is over de hele aarde uniform. De bekende afwijkingen hebben een andere oorzaak: fractionering, radiogene aangroei, één gelopen kettingreactie in Gabon.
Dus de tweede weg wacht niet op een afleiding. Ze wacht op een meting. De enige die er in beginsel is: een materiaal dat geen neutronen vangt, jaren naast een sterke neutrinobron, tegen een tweelingmonster dat ergens anders lag, en dan het isotopenmidden van beide. Larsons formule voorspelt een verschuiving, de oude notatie voorspelt nul.
Wat er dus te bouwen is
De maas. Wanden op 33 tot 50 nanometer. Eerst vaste stapels om de curve te meten. Dan honderd elementen in serie voor spanning. Dan twee lagen op elkaar, om te zien of het optelt. Eén laag van twintig vierkante meter is een huis, inclusief warmte. Honderd lagen van 232 nanometer, samen 23 micrometer dik, zijn 45 bij 45 centimeter, als lagen optellen. Dat is de eerste meting die iets beslist.
En wat het betekent als het werkt: doorgang is continu en plaatsonafhankelijk. Geen net, geen opslag, geen centrale. Een plaat in de woning ís de voorziening. Energie hoort dan bij het huis, niet bij een leverancier.
De knoop blijft lezen. De zon en uranium lopen die weg; wij nog niet. De ene vraag die overblijft is hoe I omhoog kan, en het antwoord daarop begint bij een meting, niet bij een tekening.
Geannoteerde referenties
Konstapel, J. (2026). Applied Vacuum Theory, Part Four: Energy as Passage — The Step from Mesh to Output, derde editie. Constable Research, Leiden, 27 september 2026. Waarom lezen? Het artikel bij deze blog: de ladder, de regel van maas naar watt, de toets op Moddel met helling, Larsons tweede weg in getallen, de meetvolgorde en de statuslijst. Leesadvies: sectie 3 (de toets) en sectie 7 (de tweede weg) eerst.
Konstapel, J. (2026). Applied Vacuum Theory, Part Three: The Self-Tuning Mesh, derde editie. Constable Research, Leiden, 25 september 2026. Waarom lezen? De lus en de actuator die deel vier herschrijft. Leesadvies: sectie 3 en 4, en dan de correcties in deel vier ernaast.
Konstapel, J. (2026). Motion, Extension and the Net: Larson, Grassmann and the Vacuum.Net Theory, derde editie. Constable Research, Leiden, 27 september 2026. Waarom lezen? De hele ladder rij voor rij; deze blog gebruikt er twee rijen van. Leesadvies: sectie 5.
Konstapel, J. (2026). The Vacuum.Net Theory: Foundational Paper, zesde editie. Constable Research, Leiden. Waarom lezen? De vijf axioma’s en de vijf statussen waarmee het artikel zijn eigen uitspraken labelt.
Larson, D. B. (1959). The Structure of the Physical Universe. Portland: North Pacific Publishers. Hoofdstuk 31, “Radioactive Decay”, en 32, “The Destructive Limits”. Waarom lezen? De grens 236, de 117 elementen, de uraniumketen in rotatie-vibratienotatie, en de regel dat een knoop opengaat als rek gelijk wordt aan sluiting, met elektron en positron als kleinste geval. Leesadvies: eerst 32, dan de uraniumketen in 31. Een ingenieur die schrijft; dat leest anders dan een hoogleraar.
Larson, D. B. (1984). The Universe of Motion. Portland: North Pacific Publishers. Hoofdstuk 4, “The Giant Star Cycle”. Waarom lezen? De ster: zwaarste elementen eerst, dan lichtere bij stijgende centrale temperatuur; de Wolf-Rayet-sterren bij de nikkelgrens, de type I-supernova bij de ijzergrens. Leesadvies: de eerste zes bladzijden.
Larson, D. B. (1988). Basic Properties of Matter. Salt Lake City: ISUS. Hoofdstuk 17, “Ionization”, 24, “Isotopes”, en 25, “Radioactivity”. Waarom lezen? Hoofdstuk 24 is de kern: vergelijking 24-1, tabel 35, de magnetische temperatuur, de aarde op niveau 1, en de alinea over dubbele lading die thorium en bismut draagt. Leesadvies: 24 integraal.
Grassmann, H. (1844). Die lineale Ausdehnungslehre. Leipzig: Wigand; herwerkt 1862. Waarom lezen? De graden en de oriëntatie. Leesadvies: de editie van 1862; de definities, dan stoppen.
Moddel, G., Weerakkody, A., Doroski, D., en Bartusiak, D. (2021). “Optical-Cavity-Induced Current.” Symmetry 13, 517. Waarom lezen? De enige gepubliceerde maas met één instelbare maat en een gemeten curve. Figuur 4b is de toets van deze blog; tabel 1 geeft elke laagdikte. Helemaal lezen; het is de empirische vloer van de serie.
Casimir, H. B. G. (1948). “On the attraction between two perfectly conducting plates.” Proceedings KNAW 51, 793. Waarom lezen? De oude-notatievorm van de stap van holtemaat naar verwijderde energie: het stuk dat bij het terugdraaien van de maasregel tevoorschijn komt.
Williamson, J. G., en van der Mark, M. B. (1997). “Is the electron a photon with toroidal topology?” Annales de la Fondation Louis de Broglie 22, 133–160. Waarom lezen? De winding en de knoop als foton op een lus en een dubbele lus. Leesadvies: de meetkundige eerste helft.
Milgrom, M. (1983). “A modification of the Newtonian dynamics.” Astrophysical Journal 270, 365. Waarom lezen? De drempel a₀ waarop deel twee de hefboom kalibreert. Leesadvies: de eerste sectie.
Rowlands, P. (2007). Zero to Infinity: The Foundations of Physics. Singapore: World Scientific. Waarom lezen? Dezelfde ladder op de vectorlijn; zijn 64 is de echo van de zesdimensionale algebra in het ladder-essay. Leesadvies: de hoofdstukken over de nilpotente structuur.

