Vacuum.Net Theory: hoe massa, energie en ruimte één net vormen

Spring naar de Wetenschappelijke Publicatie hier.

Dit is een andere manier om naar de huidige natuurkunde te kijken. Daardoor worden mogelijkheden zichtbaar die tot nu toe nauwelijks zijn gezien.

Een voorbeeld daarvan is het idee dat er energie uit het niets kan ontstaan. In de natuurkunde wordt dit in verband gebracht met het vacuüm, dat op het eerste gezicht leeg en extreem koud lijkt.

Maar het vacuüm is overal aanwezig, dus ook hier op aarde. Sterker nog, in zekere zin zijn ook wij zelf een verschijningsvorm van dat vacuüm.

J.Konstapel,28-9-2026.

J.Konstapel,28-9-2026.

Hoe haal ik heel veel gratis energie uit het niets?

© 2026 J. Konstapel, Constable Research, Leiden. All rights reserved. Quotation with attribution is
permitted; reproduction of the whole requires written permission.

De Vacuum.Net Theory begint met een eenvoudig beeld: stel je de werkelijkheid voor als een groot net dat overal aanwezig is. Het net loopt door de ruimte, door materie en door wat wij als vacuüm beschouwen. De draden staan onder spanning. Waar draden om elkaar heen lopen, ontstaan knopen. Tussen de draden zitten openingen, de mazen van het net.

Volgens de theorie kunnen we veel verschijnselen die de natuurkunde nu met verschillende begrippen beschrijft, zien als verschillende vormen van hetzelfde net. Energie, massa en vermogen zijn dan geen volledig losstaande zaken, maar verschillende verschijningsvormen van beweging en spanning in dat net. De theorie probeert daarmee bestaande natuurkundige ideeën in een kortere en eenvoudiger beschrijving onder te brengen. Zij presenteert zichzelf dus niet als een natuurkunde die de bestaande natuurkunde vervangt, maar als een andere manier om dezelfde werkelijkheid te beschrijven.

Een net met draden, knopen en openingen

De theorie vertrekt van vijf eenvoudige uitgangspunten.

Er is één soort draad. Alles wat verschillend lijkt, ontstaat doordat die draad zichzelf op verschillende manieren ontmoet.

Een toestand kan alleen blijven bestaan wanneer hij op zichzelf sluit. Wat niet sluit, blijft niet als zelfstandige toestand bestaan.

Het net onthoudt bovendien de richting waarin het oorspronkelijk is aangelegd. Die richting kan veranderen door een draaiing, maar gaat niet zomaar verloren.

Verder gaat de theorie ervan uit dat de eigenschappen van het net afhankelijk zijn van de plaatselijke toestand. Een natuurconstante hoeft dus niet overal en onder alle omstandigheden precies hetzelfde te functioneren.

Ten slotte verschijnt hetzelfde patroon steeds opnieuw wanneer we verder inzoomen of juist uitzoomen. Een winding op het ene niveau kan daardoor vergelijkbaar zijn met een winding op een ander niveau.

Dit levert vier belangrijke begrippen op.

Een draad is het net zelf.

Een winding ontstaat wanneer een draad terugkeert naar zichzelf en een gesloten beweging vormt.

Een knoop ontstaat wanneer verschillende windingen elkaar in drie richtingen vasthouden. In de taal van de theorie komt dit overeen met wat wij massa noemen.

Een maas is een opening tussen de draden. Daar zit geen materie in, maar de opening zelf heeft wel een bepaalde grootte en richting.

Daarmee ontstaat een eenvoudige opbouw:

draad → winding → knoop → maas

De theorie probeert vervolgens te laten zien dat veel bekende natuurkundige grootheden op deze vier vormen kunnen worden teruggebracht.

Energie is een gesloten beweging

Een van de belangrijkste ideeën is dat energie geen soort voorraad is die ergens in een reservoir ligt opgeslagen. Energie is volgens deze benadering een gesloten beweging: een draad die op zichzelf terugkomt.

Dat is een belangrijk verschil in beeldvorming. In de gewone taal zeggen we bijvoorbeeld dat een batterij energie bevat, dat een brandstof energie bevat of dat een bron energie levert. In de Vacuum.Net Theory wordt eerder gekeken naar de beweging en de sluiting zelf.

Een gesloten winding is daarbij de vorm die overeenkomt met energie.

Wanneer zulke windingen zich in drie richtingen met elkaar verbinden, ontstaat een knoop. Die knoop komt overeen met massa. Massa is dus niet een aparte substantie, maar een ingewikkelder, driedimensionale vorm van dezelfde onderliggende beweging.

Dit sluit aan bij het bewegingsbeeld van Dewey Larson. Daarin bestaat het universum uiteindelijk uit beweging. Snelheid, energie, impuls en massa zijn verschillende vormen of niveaus van die beweging. In de Vacuum.Net Theory worden die niveaus vervolgens gekoppeld aan de draad, de winding en de knoop.

Waarom bestaat massa dan uit energie?

Hier komt Einstein’s beroemde formule in beeld:

E = mc²

In de gebruikelijke natuurkunde wordt deze formule vaak gelezen als: massa kan worden omgezet in energie.

De Vacuum.Net Theory geeft er een andere uitleg aan. Massa en energie liggen op twee opeenvolgende niveaus van hetzelfde schema. Massa is een knoop die in drie richtingen gesloten is. Energie is een winding die in één niveau minder gesloten is.

Wanneer één sluiting van de knoop verdwijnt, blijft een winding over. Massa is dan energie geworden.

In de notatie van Larson wordt dat geschreven als:

T³/S³ → T/S

Het verschil tussen beide niveaus is precies de factor die wij kennen als c². Daarmee wordt E = mc² in deze theorie niet gezien als een afzonderlijke natuurwet, maar als het lezen van één stap lager op dezelfde ladder.

Het beeld is daardoor eenvoudig:

knoop → één sluiting verdwijnt → winding → energie komt vrij

Dat is de tweede manier waarop energie volgens de theorie uit het net kan komen.

De eerste manier: een maas laat iets door

Er is nog een andere mogelijkheid.

Een maas heeft een bepaalde open ruimte. Hoe kleiner die opening, hoe sterker de passage volgens de theorie. De hoeveelheid passage neemt omgekeerd toe met de grootte van de opening.

Eenvoudig gezegd:

kleine opening → meer passage
grote opening → minder passage

Mathematisch wordt dit geschreven als 1/L, waarbij L de grootte van de opening is. De theorie leidt dit af uit haar eigen basisregels.

Daarbij komt een bijzondere schaal naar voren: ongeveer 45,6 nanometer. Dat is volgens de theorie de natuurlijke lengte waarop de werking van zo’n maas een omslagpunt bereikt.

Die lengte wordt afgeleid uit twee bekende grootheden: de lichtsnelheid en de Rydbergfrequentie. Daaruit volgt een natuurlijke tijd van ongeveer 1,52 × 10⁻¹⁶ seconde en vervolgens een natuurlijke lengte van ongeveer 45,6 nanometer.

De theorie noemt dit het kniepunt. Onder deze schaal past volgens het model geen kleinere volledige winding meer. De werking neemt daarom niet onbeperkt toe wanneer de opening nog kleiner wordt.

Een interessant experiment

Hier wordt de theorie concreter.

In 2021 werd door Moddel en collega’s een experiment gepubliceerd met twee oppervlakken die op verschillende afstanden van elkaar konden worden geplaatst. Zij vonden een meetbaar elektrisch vermogen en onderzochten onder meer hoe dit veranderde wanneer de afstand tussen de oppervlakken veranderde.

Volgens de Vacuum.Net Theory zou het effect ongeveer moeten afnemen als het omgekeerde van de afstand. Dat betekent een helling van −1.

Uit de gepubliceerde grafiek wordt in het document een waarde van ongeveer −0,9 ± 0,15 afgelezen. De voorspelde waarde −1 valt daarmee binnen de genoemde meetonzekerheid.

Dit is in het document nadrukkelijk aangemerkt als een vergelijking met een meting, niet als een bewijs dat de gehele theorie daarmee bewezen is.

Ook is belangrijk dat een later onderzoek uit 2024 volgens het document geen volledig gesloten model van het oorspronkelijke experiment opleverde en op sommige punten zelfs een tegengesteld teken vond. Daarom wordt het experiment in de theorie terecht als een meting gebruikt, niet als een definitieve theoretische bevestiging.

De maas bepaalt de toestand van het net

De theorie gaat vervolgens een stap verder.

De toestand van het net kan plaatselijk veranderen. Een kleine verandering in de dichtheid van het medium kan een veel grotere verandering in zijn reactie veroorzaken. Daarvoor gebruikt de theorie het begrip δ, maar inhoudelijk gaat het simpelweg om de vraag:

hoeveel wijkt de plaatselijke toestand af van de normale toestand?

Volgens het model is juist deze afwijking belangrijk. Een andere bekende grootheid, de fijnstructuurconstante, zou veel minder gevoelig zijn. De theorie stelt daarom dat veranderingen in de plaatselijke toestand vooral via de dichtheid lopen en niet via een verandering van die bekende constante.

Daaruit ontstaat ook een verband met de zeer kleine versnelling die in sterrenstelsels een rol speelt. De theorie komt uit op ongeveer

1,08 × 10⁻¹⁰ m/s²

tegenover een gemeten drempelwaarde van ongeveer

1,2 × 10⁻¹⁰ m/s².

Het document noemt dit een overeenkomst binnen ongeveer tien procent. Het wordt daarom niet als een rechtstreeks afgeleid bewijs gepresenteerd, maar als een overeenkomst tussen twee beschrijvingen.

De tweede weg: wanneer een knoop openspringt

De eerste weg draait om een maas. De tweede draait om een knoop.

In het model bestaat een atoom uit bewegingen die elkaar in evenwicht houden. Naarmate een atoom meer energie en beweging krijgt, kan de uitwaartse beweging uiteindelijk zo groot worden dat zij een van de sluitingen van de knoop opheft.

Op dat moment verandert de toestand van het atoom. Een deel van de massa verdwijnt als massa en komt vrij als straling.

Dat is volgens de theorie de onderliggende voorstelling van radioactiviteit.

Het belangrijke idee is niet dat een atoom simpelweg “te zwaar” wordt. Het gaat erom dat de uitwaartse beweging uiteindelijk gelijk wordt aan een van de bewegingen die het atoom gesloten houden. Zodra dat gebeurt, valt een sluiting weg.

Waarom sommige elementen radioactief zijn

Hier gebruikt de theorie vooral het werk van Dewey Larson.

Larson introduceerde een grens van 236 eenheden. Boven die grens kan een atoom volgens zijn model niet blijvend stabiel blijven. Het moet massa afstaan.

Dat levert onder meer een verklaring binnen het model voor het gedrag van uranium. Uranium-238 ligt net boven de grens en vervalt daarom zeer langzaam. De reeks vervalstappen eindigt uiteindelijk bij lood, dat onder de grens ligt.

Bijzonder is de behandeling van bismut.

Volgens de in 1988 beschreven regel kon een klein deel van bismut onder bepaalde omstandigheden toch instabiel zijn. In 2003 werd daadwerkelijk radioactiviteit van bismut-209 gemeten, met een extreem lange halveringstijd van ongeveer 1,9 × 10¹⁹ jaar. De theorie beschouwt dit als een voorbeeld waarbij een eerder beschreven regel later door een meting werd ondersteund.

Planeet en ster

Hetzelfde onderscheid wordt vervolgens gebruikt om planeten en sterren anders te bekijken.

Een planeet blijft volgens de theorie onder de grens waarbij een knoop openspringt. De planeet gedraagt zich daarom vooral als een systeem van mazen.

In een ster kunnen de omstandigheden echter zo extreem worden dat de zwaarste aanwezige atomen hun sluiting verliezen. Daarna kunnen ook lichtere elementen aan de beurt komen wanneer de omstandigheden verder veranderen.

Een ster is in dit beeld dus niet simpelweg een grotere versie van een planeet. Een ster is een plaats waar knopen daadwerkelijk kunnen openspringen.

Twee manieren waarop energie vrijkomt

De hele theorie kan uiteindelijk worden samengevat in twee wegen.

De eerste is:

een maas laat passage door.

De hoeveelheid passage hangt af van de grootte van de opening. De theorie koppelt dit aan een natuurlijke schaal van 45,6 nanometer.

De tweede is:

een knoop verliest een sluiting.

Dan verandert massa in energie. Dit is de weg die in het model ten grondslag ligt aan straling en radioactiviteit.

De twee processen zijn daarmee fundamenteel verschillend. De eerste vindt plaats via een opening in het net. De tweede door het veranderen van een bestaande knoop.

Wat is er al vastgesteld en wat nog niet?

Een belangrijk onderdeel van het document is dat niet alles met dezelfde zekerheid wordt gepresenteerd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen wat uit eerdere bronnen komt, wat uit de theorie zelf wordt afgeleid, wat alleen naast bestaande resultaten wordt gelegd, wat met metingen is vergeleken en wat nog openstaat.

Dat onderscheid is belangrijk.

De koppeling tussen draad, winding en knoop is een afleiding binnen het voorgestelde model. Ook de regel dat passage omgekeerd evenredig is met de grootte van een maas en de afleiding van het 45,6-nanometer-kruispunt behoren daartoe.

De vergelijking met het experiment van Moddel is een controle tegen een bestaande meting.

De koppeling van de galactische drempel aan cH₀/2π wordt in het document als een overeenkomst aangeduid.

Andere onderdelen zijn nog niet opgelost. Zo weet de theorie nog niet hoe vaak een maas precies energie zou moeten afgeven. De genoemde waarde van 6,3 × 10⁻⁵ watt per maas berust op de aanname dat er één passage per natuurlijke tijdseenheid plaatsvindt. Dat is uitdrukkelijk een voorwaardelijke voorspelling.

Ook is nog niet aangetoond dat de twee verschillende manieren waarop de toestand van het net wordt beschreven werkelijk één en dezelfde grootheid zijn.

En voor de tweede weg ontbreekt nog een experiment waarmee de voorgestelde onderliggende verandering gecontroleerd kan worden. Het document noemt daarvoor een concrete test: twee vergelijkbare monsters, waarvan er één gedurende jaren wordt blootgesteld aan een sterke neutrino-bron, waarna wordt gekeken of het middelpunt van de verdeling van isotopen verschuift. Volgens Larson zou zo’n verschuiving moeten optreden; de gangbare beschrijving voorspelt die niet.

Wat is uiteindelijk de kern?

De Vacuum.Net Theory probeert de natuur vanuit één eenvoudig beeld te bekijken.

Niet als een verzameling afzonderlijke dingen, maar als één voortdurend bewegend net.

Een draad is de basis.

Wanneer een draad zichzelf sluit, ontstaat een winding. Dat noemen we energie.

Wanneer windingen zich in drie richtingen sluiten, ontstaat een knoop. Dat noemen we massa.

Waar draden elkaar niet vullen, ontstaat een maas. Die opening bepaalt hoeveel passage mogelijk is.

Daaruit volgen twee fundamenteel verschillende manieren waarop energie zichtbaar kan worden:

de maas laat iets door; de knoop laat iets los.

De eerste mogelijkheid wordt verbonden met de Casimir-achtige experimenten en met een karakteristieke schaal van 45,6 nanometer. De tweede wordt verbonden met massa, radioactiviteit en E = mc².

De kracht van het idee zit daarmee vooral in de vereenvoudiging: verschillende natuurkundige begrippen worden niet langer als afzonderlijke mechanismen behandeld, maar als verschillende toestanden van één onderliggende structuur.

Tegelijkertijd maakt het document duidelijk waar de grens ligt tussen afleiding, meting en verwachting. Vooral de tweede weg en de praktische toepassing van de eerste weg vragen nog om nieuwe metingen.

De theorie is daarmee, zoals het document haar zelf presenteert, niet alleen een nieuwe verzameling formules. Het is vooral een voorstel om de werkelijkheid anders te ordenen: niet vanuit objecten die energie bezitten, maar vanuit een net waarin beweging, sluiting en opening de verschillende verschijnselen voortbrengen.

Wetenschappelijke Publicatie