Waarom een VriendSchap een Vierkant is

Een Projectie Van Bol naar een Vierkant

verliest veel informatie.

IMAGE: Leonardo's perspectograph
de Perspectograaf van Leonardo Da Vinci.
Het Perspectief heeft de Wis-en Natuurkunde en de Dilosofie enorm beinvloedt.

Deze blog gaat voor de twede keer over het werk van de onbegrijpelijke filosoof Kent Palmer.

Bestaat er echte Nieuwheid?

De griekse filosoof Cornelius Castoriadis noemt het Magma

Over het Leven

De bioloog Robert Rosen ontdekte dat Aristoteles, de leerling van Plato had gerommeld met de lering van zijn meester, die uit Heliopolis in Egypte kwam.

Hij ontdekte dat het leven geen Doel heeft, het Anticipeert.

Boven en In de Wereld Zijn

De fenomenologen waren tegen de Verdonkering van de Verlichting.

Je kunt in de wereld en boven de wereld zijn vindt de filosoof Martin Heidegger.

Hij bestede zijn hele leven aan het bestuderen van het werkwoord Zijn.

Land-Schap

Als je het landschap kunt overzien het je geen kaart nodig als je in de wereld bent.(The Map is not the territory”, Alfred Korzybski).
Het Wiel, de Spiraal, draait voor-en achteruit waarbij samen- en uit elkaar, de Adem, het wiel Omhoog en Omlaag laat gaan.
Soms zijn we één en soms ben je Alléén.
Hoe hoger in abstractie hoe minder je ziet en weet.
Uiteindelijk wordt alles een Punt.
De mens kijkt via beeldschermen naar de wereld. Het is het Device Paradigm van Albert Borgmann 

Wat weet Kent Palmer nog niet?

De vier universele relatietypen van Alan Fiske passen op de meetschalen, op vier geometrieen, de vierarchetypen van Jung en de vier wereldbeelden van Will McWhinney waardoor je vrijwel alles kunt verklaren als je dat wilt.

The four Geometries of Paths of Change

Wat is een Scape?

Een Friend-Ship (Scape) (vriendschap) is geen schip maar een conceptuele horizon waarin systemen en contexten samenkomen en waarin nieuwe mogelijkheden kunnen worden verkend.

Een schap is een plank, een 2 dimensionele wereld het rojectievlak waarop we een beperkte versie van de werkelijkheid waarnemen.

Het schap vertegenwoordigt de Euclidische ruimte, waarin licht en schaduw (projecties) de realiteit vormen zoals wij die begrijpen.

De Grot van Plato

Net als de muur in de grot van Plato is het schap slechts een afgeleide en beperkte weergave van een rijkere werkelijkheid, die buiten dit vlak ligt.

het Frame van Heidegger

Heidegger’s concept Gestell omkaderen) ) beschrijft hoe de moderne technologie de werkelijkheid reduceert tot een verzameling middelen.

Alles wat in deze reductieve kijk past, wordt gezien als bruikbaar en exploiteerbaar, terwijl de intrinsieke waarde van de dingen wordt genegeerd.

Kent D. Palmer, Ph.D.

is net als ik op zoek naar de alles verklarende theorie en zoekt onder ieder tegeltje.

Regelmatig krijg ik PDF’s opgestuurd van https://www.academia.edu/ omdat ik zelf ook mijn PD?F’s deel.

Dit keer was hij weer van Kent Palmer. Zie hiertoe de Bijlage.

De theorie van Kent Palmer is maximaal onbegrijpelijk maar daarom ook erg interessant.

Len Tronscale

Zijn opening begint met Len Troncale, die achter de eerste video zit met als titel “the unbroken sequence of Origins die weer past op onderstaand plaatje van Tyler Volk.

Het gaat om een eindeloos herhalend patroon wat volgens mij nog simpeler is namelijk <-.->, de Delta Pulse., een lijn met oppervak 1.

Een vergelijkbaar patroon is de driehoek van Pascal die het resultaat is van de coefficienten van (X+Y) tot de macht N. of de E8 symmetrie, die achter de natuurkunde zit waarin je met gemak het Hart Chakra herkent.

De driehoek van Pascal is heel oud en kun je vinden in de Indiase beg Meru en de Chinese Yang Hui, bevat alle mogelijke wiskundige patronen.

E8
Yang Hui, de Chinese versie van de Driehoek van Pascal.
?de driehoek van Pascal is ook de berg Meru Prastaara.zichtbaar in de Borobudor.

Bijlage

Getting Off To NoWhere

Samenvatting van Kent Palmer’s “Search for a Deeper Theory of Everything”

1. Het probleem van de beperkingen in traditionele systemen

Palmer begint met de stelling dat onze traditionele wetenschappelijke en filosofische systemen vaak te beperkt zijn om de volle complexiteit van de werkelijkheid te vatten. Deze beperkingen ontstaan door:

Een te sterke nadruk op discrete systemen en logische structuren.

Het negeren van bredere contexten, zoals de omgeving of meta-structuren waarin deze systemen bestaan.

Het vasthouden aan reductionistische modellen die complexiteit en emergentie onvoldoende erkennen.


2. De rol van dualiteiten en inverse dualen

Palmer introduceert het idee van inverse dualen, waarbij elk concept een structurele tegenhanger heeft die vaak wordt genegeerd. Deze dualiteiten benadrukken aspecten die buiten traditionele modellen vallen:

Verzamelingen vs. Massa’s: Verzamelingen zijn discrete en goed gedefinieerde structuren, terwijl massa’s diffuus en continu zijn.

Systemen vs. Meta-systemen: Een systeem is een afgebakend geheel, terwijl een meta-systeem de bredere context vormt waarin het systeem opereert.


3. Schema’s als organiserende principes

Om de relatie tussen systemen, meta-systemen en emergentie te begrijpen, introduceert Palmer het concept van schema’s. Deze dienen als templates om structuren en processen te beschrijven op verschillende niveaus:

Voorbeelden van schema’s zijn facetten, monaden, patronen, systemen, meta-systemen, en pluriversa.

Elk schema representeert een ander niveau van organisatie of emergentie, en samen vormen ze een hiërarchie.


4. Emergentie en speciale systemen

Palmer legt een sterke nadruk op emergentie, het proces waarbij nieuwe eigenschappen of structuren ontstaan uit interacties tussen eenvoudigere componenten. Hij beschrijft specifieke soorten emergente systemen die hij speciale systemen noemt:

Dissipatieve structuren: Open systemen die orde scheppen uit chaos door energie-uitwisseling (zoals bij Prigogine).

Autopoietische systemen: Zelf-organiserende en zelf-reproducerende systemen (zoals levende organismen).

Reflexieve systemen: Systemen die zichzelf kunnen waarnemen en aanpassen (zoals sociale netwerken).


5. Ontologische modaliteiten van Zijn

Palmer introduceert verschillende manieren waarop “Zijn” (Being) zich manifesteert, afhankelijk van de context of het niveau van complexiteit:

Pure Zijn: Statische, onveranderlijke objecten of structuren.

Proces Zijn: Dynamische interacties en veranderingen.

Hyper Zijn: Emergentie en paradoxen die traditionele logica overstijgen.

Wild Zijn: Chaos en creatieve processen die onvoorspelbaar zijn.

Ultra Zijn: Het grensgebied waar Zijn overgaat in existentie.


6. Het gebruik van hypercomplexe systemen

Palmer leunt sterk op wiskundige modellen, zoals hypercomplexe algebras (quaternions, octonions, enz.), om complexe dynamieken te beschrijven. Deze systemen:

Introduceren orthogonale dimensies en niet-lineaire relaties.

Modelleren emergentie en zelforganisatie op manieren die traditionele wiskunde niet kan.


7. Taal, betekenis en de rol van de waarnemer

Hoewel Palmer zich voornamelijk richt op objectieve systemen, impliceert zijn werk ook een rol voor de menselijke waarnemer, vooral wanneer hij modaliteiten zoals Ultra Zijn en existentiële ervaring bespreekt. Dit roept vragen op over:

De beperkingen van taal bij het beschrijven van complexe fenomenen.

De onvermijdelijke betrokkenheid van de waarnemer bij het toekennen van betekenis aan systemen.


8. Toepassing via Linkage Propositions

Palmer stelt voor om zijn ideeën te operationaliseren door middel van Linkage Propositions:

Dit zijn stellingen die verbanden beschrijven tussen processen op verschillende niveaus van schema’s.


Bijlage bij de Bijlage

Elaborating Linkage Propositions with Linkage Hypotheses based on General Schemas Theory, Special Systems Theory, and Emergent Meta-systems Theory.

Diepere Theorie van Alles: Het Samenbrengen van Systemen, Processen en Schema’s


De Redenering van Palmer

1. Schema’s als Bouwstenen voor Begrip

Schema’s zijn fundamentele structuren die onze waarneming en organisatie van de werkelijkheid bepalen.

Elk schema is gekoppeld aan specifieke dimensies en biedt een lens om verschillende aspecten van systemen te begrijpen.

Zo vormen facetten de bouwstenen van monaden, die op hun beurt patronen en systemen structureren.

2. Systemische Processen en Interactie

Processen zoals feedback, grensvoorwaarden en cycli spelen een centrale rol in het functioneren van systemen.

Positieve feedback stimuleert groei en ontwikkeling, terwijl negatieve feedback stabiliteit en evenwicht bewaakt. Deze processen zijn met elkaar verbonden door middel van zogeheten “linkage propositions” die de onderlinge interactie beschrijven.

3. Entropie, Negentropie en Emergentie

Systemen gebruiken energie om negentropie (lokale orde) te genereren en entropie (wanorde) tegen te gaan.

Meta-systemen fungeren hierbij als de context die deze energiestromen faciliteert.

Nieuwe niveaus van complexiteit, zoals autopoietische systemen, ontstaan door interactie tussen systemen en hun meta-systemische omgeving.

4. Dualiteiten en Complementariteiten

Het begrip van systemen en meta-systemen vereist een focus op hun dualiteiten.

Systemen worden begrensd door discrete grenzen, terwijl meta-systemen werken met vloeiende horizonnen.

Deze dualiteit vormt de basis voor hun interactie en complementariteit.

5. Speciale Systemen als Overgangsstructuren

Speciale systemen, zoals dissipatieve structuren en autopoietische systemen, vormen unieke overgangspunten tussen systemen en meta-systemen.

Deze systemen zijn hyper-efficiënt en vertonen bijzondere organisatorische eigenschappen.

6. De Rol van Meta-Systemen

Meta-systemen bieden de hulpbronnen en protocollen die nodig zijn om systemen te ondersteunen.

Ze fungeren als marktplaatsen voor interacties tussen systemen en bepalen hun grenzen door filtering en cycli.

Bijlage: Concepten en Definities

Schema’s

Facetten: Bouwstenen van monaden. Verbonden met -1 tot 0 dimensie.

Monaden: Individuele eenheden met specifieke eigenschappen. Dimensie: 0 tot 1.

Patronen: Structuren van monaden. Dimensie: 1 tot 2.

Systemen: Dynamische structuren die door processen worden gereguleerd. Dimensie: 3 tot 4.

Meta-systemen: Contexten en omgevingen van systemen. Dimensie: 4 tot 5.

Systemische Processen

Feedback: Mechanismen die groei (positieve feedback) of stabiliteit (negatieve feedback) bevorderen.

Cycli: Periodieke processen die stabiliteit en evolutie mogelijk maken.

Grenzen: Definiëren wat binnen en buiten een systeem valt.

Entropie en Negentropie

Entropie: De neiging tot wanorde binnen gesloten systemen.

Negentropie: Lokale organisatie die ontstaat door energie-invoer.

Dualiteiten en Complementariteiten

Systeem vs. Meta-systeem: Systemen hebben discrete grenzen; meta-systemen werken met open horizonnen.

Complementariteiten: Samenwerking tussen systemen en hun context.

Speciale Systemen

Dissipatieve Structuren: Systemen die energie gebruiken om orde te behouden.

Autopoietische Systemen: Zelforganiserende en zelfproducerende systemen.

Reflexieve Sociale Systemen: Complexe structuren met zelfbewustzijn.