J.Konstapel,Leiden,28-7-2026.
Ongeveer eens in de vier jaar warmt het zeewater van de Grote Oceaan langs de kust van Zuid-Amerika enkele graden op. Peruaanse vissers noemden dit verschijnsel El Niño, omdat het meestal rond Kerstmis zijn hoogtepunt bereikt.
Dit natuurverschijnsel bevat, naar mijn mening, alle essentiële informatie over het natuurkundige vacuüm. Dat komt doordat het vacuüm zich gedraagt als een fractaal systeem waarin dezelfde patronen zich op verschillende schaalniveaus herhalen.
Wanneer we de structuur van de aarde steeds verder ontleden, tot op het kleinste denkbare schaalniveau, blijft uiteindelijk een systeem over dat voortdurend met zichzelf resoneert.
Om dit onderliggende patroon zichtbaar te maken, heb ik eerst een aantal afbeeldingen en video’s verzameld.
Wil je deze overslaan, klik dan hier.
Aan het einde van dit essay vind je Engelstalige wetenschappelijke artikelen, waaronder het vandaag gepubliceerde artikel over mijn onderzoek.
Wil je die direct lezen, klik dan hier.

Essay
Wat heeft El Niño met het vacuüm te maken?
J. Konstapel · Constable Research B.V., Leiden
28 juli 2026
Ongeveer eens in de vier jaar wordt de Grote Oceaan bij Zuid-Amerika een paar graden warmer dan normaal. Peruaanse vissers noemden het El Niño, het Christuskind, omdat het rond Kerstmis op zijn hoogtepunt is.
Ik houd me al een tijd bezig met de vraag hoe het vacuüm in elkaar zit — de lege ruimte, dat wat overblijft als je alles weghaalt. En ik kwam er via een omweg achter dat het meest bruikbare voorbeeld dat ik ken niet in een laboratorium ligt maar in de Stille Oceaan.
Deze blog gaat over waarom, en over waar die vergelijking ophoudt. Dat tweede is belangrijker dan het eerste.
Een machine zonder monteur
Eerst wat er in die oceaan gebeurt, want dat is verrassender dan het lijkt.
Warm water bij Zuid-Amerika verzwakt de passaatwinden. Zwakkere wind laat het warme water zich verder ophopen in het oosten, waardoor het daar nog warmer wordt. De oorzaak vergroot dus zichzelf.
Maar naarmate de warmte toeneemt, verplaatst de oceaan warmte weg van de evenaar. De bodem onder het verschijnsel valt weg, het dooft, en het systeem kantelt naar zijn tegendeel: koud water, andere winden, warmte die terugstroomt. Het laadt zich weer op. En dan begint het opnieuw.
Sta hier even bij stil.
Er is niets dat dit regelt. Geen thermostaat, geen streefwaarde, geen klok die vier jaar aftelt. De periode ontstaat uit hoe lang golven erover doen om de oceaan over te steken en hoe snel warmte zich ophoopt.
De regelmaat is een gevólg van de koppeling. Niet van een regel die van bovenaf is opgelegd.
Dat is de eerste reden dat het me interesseert: het is een machine, en hij heeft geen monteur.
Eén knop, en de wet verandert
Het beste model van dit alles komt uit 1987, van Zebiak en Cane. Het heeft één instelbare grootheid: hoe sterk de oceaan en de atmosfeer aan elkaar vastzitten.
Draai die knop laag, en het systeem dempt uit. Verstoor het en het keert terug naar rust.
Draai hem iets hoger, voorbij een drempel, en hetzelfde systeem gaat uit zichzelf oscilleren. Eindeloos, met een piek rond de vier jaar.
Er verandert verder helemaal niets. Niet de natuurkunde, niet de vergelijkingen, niet de constanten. Alleen de koppeling.
Wat betekent dat? Dat de Grote Oceaan niet “de wet van uitdempen” heeft, en ook niet “de wet van oscilleren”. Hij heeft de wet waar zijn koppeling hem op dat moment in de buurt van brengt.
Ik denk dat dat een grotere gedachte is dan hij op het eerste gezicht lijkt. We zijn geneigd wetten te zien als iets dat onder de dingen ligt, als een fundament. Hier is de wet een uitkomst van de omstandigheden. Verander de omstandigheden en er geldt een andere wet, zonder dat er iets aan de natuur is veranderd.
En er is nog iets. Onder de drempel, waar het systeem eigenlijk zou moeten uitdempen, gebeurt er iets aardigs: voeg willekeurige ruis toe — een paar dagen onvoorspelbare wind — en het verschijnsel treedt tóch op. De oscillatie zat er al latent in. De ruis maakt hem niet, de ruis wekt hem.
Dat draait de gewone volgorde om. Wij denken meestal dat orde uit wanorde moet worden opgebouwd. Hier bevat de losse, ontspannen toestand alle mogelijkheden, en is structuur de gespannen uitzondering die eruit wordt getrokken.
En het vacuüm?
Nu de sprong waar het om gaat.
Als je het vacuüm opvat als een medium — niet als lege doos maar als iets dat een stijfheid heeft, golven doorlaat, spanning kan dragen — dan hoort het in dezelfde familie. Er is spanning die zich opbouwt, een drempel, een ontlading, een herstel.
En hier komt de verleiding, en die moet ik meteen aanwijzen, want dit is waar dit soort redeneringen doorgaans stukloopt.
Dezelfde wiskunde beschrijft een laser die aanslaat, een hart dat klopt, een breuklijn die schuift en een radiobuis die gaat zwaaien. Dat is geen wonder maar wiskunde: vlak bij een omslagpunt vallen bijna alle details van het materiaal weg. Wat overblijft is een minimale vorm, bepaald door de symmetrie van de overgang en verder door niets.
Dus als het vacuüm en de Grote Oceaan dezelfde vorm delen, zegt die overeenkomst op zichzelf bijna niets over het vacuüm. Ze zegt alleen dat allebei dicht bij een omslagpunt zitten.
Juist de algemeenheid die de gelijkenis oplevert, is de reden dat de gelijkenis weinig draagt.
Dat is het eerlijke antwoord op de titel van dit stuk. El Niño heeft met het vacuüm te maken zoals een hart met een laser te maken heeft: ze delen een vorm, en die vorm is zo algemeen dat je er niets uit kunt afleiden.
Wat er dan wél uit komt
Toch heb ik er iets aan gehad, en niet weinig.
Want als je de vergelijking serieus neemt, kom je bij de vraag hoeveel knoppen elk van beide heeft.
De Grote Oceaan heeft er duizenden. Temperatuur, saliniteit, windveld, thermoklinediepte, bodemtopografie — je kunt er van alles aan meten en van alles aan draaien.
Het vacuüm heeft er één.
Dat is geen retoriek. De lege ruimte wordt elektromagnetisch beschreven door twee grootheden, en daaruit kun je twee combinaties maken: een snelheid en een weerstand. De snelheid is de lichtsnelheid, en die is sinds 2019 per definitie vastgelegd — het is een omrekening tussen de meter en de seconde geworden, geen meting meer. En de weerstand ligt exact vast aan de fijnstructuurconstante, het getal 1/137,036 dat zegt hoe sterk licht en lading koppelen.
Alles wat een waarnemer die zelf uit licht en lading bestaat van binnenuit aan het vacuüm kan aflezen, komt dus neer op één getal.
Dat verklaart in één klap waarom het vacuüm leeg lijkt. Een medium waarvan je alleen de verhouding kunt meten en nooit de twee delen apart, is voor zijn bewoners niet van niets te onderscheiden — behalve via de waarde van die ene verhouding.
De structuur is niet afwezig. Ze is onderbepaald voor wie erin zit.
Wij zijn de vis die het water niet ziet. Maar niet omdat het water klein is — omdat het overal hetzelfde is. Wat iets onzichtbaar maakt is niet afmeting maar het ontbreken van contrast.
Meten
Dat is allemaal redeneren. Het aardige is dat er ook iets te meten valt, en dat heb ik gedaan.
Als het klopt dat verschillende lagen van de natuur dezelfde machine draaien, dan moeten hun schommelingen dezelfde vorm hebben. Ik heb twee reeksen genomen: de El Niño-metingen van 1870 tot nu, en het zonnevlekgetal van 1700 tot 2008. Twee verschillende verdiepingen — een planeet en een ster.
De uitkomst is dubbel, en dat is precies wat het interessant maakt.
De architectuur is identiek. Beide reeksen vertonen sterke samenhang binnen hun eigen cyclus, en een scherpe knik precies op de cyclusduur. Daarbuiten is er niets meer — de schommelingen zijn dan niet van willekeur te onderscheiden. Voorbij zijn eigen cyclus heeft geen van beide systemen geheugen. De machine laadt op, ontlaadt, en vergeet.
Maar de klokken verschillen. Drie jaar voor de oceaan, elf voor de zon. En de twee lagen liggen in grootte een factor dertigduizend uit elkaar, terwijl hun tijden maar een factor vier schelen.
Tijd schaalt dus niet mee met grootte.
Dat is geen kleinigheid. Het sluit de gemakkelijke lezing uit waarin elke laag een vergrote kopie van de vorige is — want dan zou de klok moeten meegroeien. De vórm herhaalt zich. De maat niet.
Waar het op uitkomt
Ik ben aan deze dag begonnen met de gedachte dat het vacuüm een weersysteem is, op een andere schaal. Ik eindig met iets bescheideners en bruikbaarders.
De overeenkomst is echt maar goedkoop: elk gekoppeld systeem bij een drempel ziet er zo uit. Wat het vacuüm ónderscheidt is niet dat het op het weer lijkt, maar dat het maar één afleesbaar getal heeft waar het weer er duizenden heeft.
En dat maakt van een grote vraag een kleine. Als het vacuüm structuur heeft, kan die zich maar op één manier tonen: als een plaatselijke afwijking van die ene constante. Er is geen tweede kanaal.
Dat is meetbaar. Er staan al netwerken van atoomklokken die er precies naar zoeken — niet naar een blijvende afwijking, want die zou onzichtbaar zijn, maar naar een voorbijtrekkende. De vis die de rand van een stroming passeert.
Wat er niet is, is een idee van wat er dan zou moeten passeren.
Daar zit de ruimte. En het is minder dan ik hoopte, maar het is scherper.
A ‘blob’ in a tank is helping scientists tease out the secrets of turbulence
A novel experiment at UChicago reveals fundamental laws governing swirling fluidsApr 13, 2026


