De Plek van de Mens in het Vacuum

Jump to the Scientific Article and The Personal Bleuprint of the Net here

J.Konstapel,Leiden,4-8-2027.

De mens bevindt zich op de overgangsspanning van het kosmische netwerk: de zonnewindingsrand ligt op 5.350 AE, waar de eigen zwaartekracht van de zon overgaat in die van de Melkweg.

Dit plaatst ons op de ‘maas’ van ons sterrenstelsel, waar het weefsel van strak naar los gaat, wat de dynamica van de Melkweg verklaart zonder donkere materie.

Dit stuk hoort bij het artikel Our Address in the Net.

Trek een visnet strak om een zware knoop. Vlak bij de knoop staan de mazen gespannen. Verderop verslapt het weefsel weer.

De knoop stuurt niets naar die mazen. De knoop is de spanning erin. Eén toestand, tegelijk.

En één regel maakt het net bruikbaar: een knoop op de ene sport is een heel net op de sport eronder. De zon is een knoop. De Melkweg is een knoop. Wij zitten ertussenin.

Een knoop hangt nooit alleen

Eerder heb ik uitgerekend waar het zonnestelsel ophoudt. Ik deed dat alsof de zon in haar eentje in het niets hing. Ik kwam uit op 7.030 astronomische eenheden.

Dat was verkeerd gerekend, en het interessante is waarom.

In een net bestaat geen losse knoop. Elke knoop ligt in het weefsel van een grotere. Zijn spanning loopt niet dood in leegte — hij loopt over in de spanning waarin hij ligt.

Dat is precies wat het contextprincipe zegt: meet je binnen één spanningstoestand, dan meet je die toestand. Alleen paste ik het niet op mezelf toe. Onze spanningstoestand is de Melkweg.

De som

Alle stappen staan er, zodat u ze kunt naschrijven.

De zon draait om het centrum van de Melkweg op 8,2 kiloparsec. Dat is 2,53 × 10²⁰ meter. Haar snelheid daar is gemeten: 229 kilometer per seconde.

De spanning van de Melkweg op onze plek is dan snelheid in het kwadraat gedeeld door afstand:

(2,29 × 10⁵)² ÷ 2,53 × 10²⁰ = 2,07 × 10⁻¹⁰ m/s²

De drempel waar het net van open naar gespannen omslaat is 1,2 × 10⁻¹⁰ m/s². Wij zitten daar dus op ongeveer 1,7 keer.

Nu de rand van de zonneknoop. Die ligt waar de eigen spanning van de zon overgaat in de spanning eromheen:

1,327 × 10²⁰ ÷ 2,07 × 10⁻¹⁰ = 6,41 × 10²⁹, wortel daaruit is 8,01 × 10¹⁴ meter.

Delen door één astronomische eenheid (1,496 × 10¹¹ meter) geeft 5.350 AE.

Geen 7.030 maar 5.350. Het verschil is de wortel uit 1,7, precies zoals het hoort.

Het zonnestelsel heeft dus twee randen, en dat zijn verschillende dingen. De stromingsrand ligt op 120 AE: daar botst de zonnewind op de interstellaire ruimte. Voyager 1 ging er in 2012 doorheen. De windingsrand ligt op 5.350 AE: daar houdt de zon op lokaal te zijn.

Een rivieroever is niet hetzelfde als een stroomgebied.

Waarom het nieuwe getal beter is

Het oude getal lag in de Oortwolk. Die is nooit gefotografeerd. Je kunt er dus van alles over beweren zonder iets te riskeren.

Het nieuwe getal ligt ergens waar wél gemeten wordt.

Wijde dubbelsterren zijn twee zonachtige sterren die op duizenden AE om elkaar heen draaien. Sinds Gaia kunnen we hun bewegingen scherp genoeg zien. En daar gebeurt iets. Twee groepen — Chae in Korea, Hernandez in Mexico — vinden onafhankelijk van elkaar dat de zwaartekracht boven een scheiding van een paar duizend AE sterker is dan Newton toestaat. Twee andere groepen bestrijden dat. De discussie loopt nog, dit jaar nog.

Dat is precies mijn 5.350 AE. Dezelfde afstand, dezelfde reden: daaronder ligt het paar in zijn eigen spanning, daarboven in die van de Melkweg.

Ik doe geen uitspraak over wie er gelijk krijgt. Ik zeg alleen dat mijn getal daar staat waar het beslist wordt.

De voorspelling die Newton niet eens kan doen

Draai de som om. De rand is de wortel uit (massa × afstand tot het centrum), gedeeld door de omloopsnelheid.

Die snelheid is in de hele schijf ongeveer gelijk. Dus schaalt de rand met de wortel uit de afstand tot het galactisch centrum.

Dubbelsterren op 15 kiloparsec moeten hun omslag hebben bij een 1,7 keer grotere scheiding dan dubbelsterren op 5 kiloparsec.

In de gewone zwaartekracht bestaat er helemaal geen omslagafstand. Er valt dus niets te schalen. Deze voorspelling is van tevoren vast te leggen — exponent ½, geen speelruimte — en met de Gaia-gegevens die er al liggen te toetsen.

Eén sport hoger

Doe hetzelfde bij de Melkweg zelf en het klopt opnieuw.

Uit de zichtbare massa alleen — sterren en gas, 7 × 10¹⁰ zonsmassa’s — volgt de omloopsnelheid in één regel: v⁴ = G × M × a₀. Uitgerekend: 183 km/s. Gemeten: 190 tot 230, afhankelijk van waar je kijkt.

Vijftien procent ernaast, zonder één geschatte parameter. Geen halo, geen onzichtbare materie, niets bijgesteld.

En waar ligt de omslag van de Melkweg zelf? Op 9 kiloparsec. Wij draaien op 8,2.

Wij wonen op de maas waar het weefsel van strak naar los gaat. Dat de dynamica van onze eigen sterrenstelsel een eeuw lang dubbelzinnig is gebleven, is geen pech. Het is ons adres.

De ring

Dan de dierenriem. Een band van zo’n acht graden aan weerszijden van de ecliptica, sinds Babylon in twaalven verdeeld.

Die band is de evenaar van onze knoop. De ecliptica is het vlak waarin de zonnewinding zich sloot — het vlak van de schijf, bewaard omdat draaiing bewaard blijft. Naar buiten geprojecteerd wordt dat vlak een ring aan de hemel.

En op die ring staan de hogere sporten aangetekend. Het centrum van de Melkweg ligt in Boogschutter. De Virgocluster, de dichtstbijzijnde grote knoop van het kosmische web, ligt in Maagd. De richting waarin wij met 370 km/s door het achtergrondlicht bewegen wijst net onder de band, bij de grens Leeuw–Beker.

Eén eerlijke kanttekening: dat is een feit van ónze winding, geen wet van het medium. Een andere knoop draagt een andere ring met andere merktekens. Maar dat is nu juist wat een kaart volgens het contextprincipe is.

Wat de astrologie heeft opgeschreven

Nu het deel waar ik het langst over heb nagedacht.

Astrologie is een standenstelsel. Ze noteert hoeken op die ring. En vier van haar structuren zijn hetzelfde rekenwerk als de resonanties in het zonnestelsel.

De aspecten zijn de ring gedeeld door kleine gehele getallen. Conjunctie 0°, oppositie 180°, driehoek 120°, vierkant 90°, zestienhoek 60°. Dat is delen door 1, 2, 3, 4 en 6. Precies dezelfde selectie die Io, Europa en Ganymedes op 1 : 2 : 4 vasthoudt, en die de Kirkwood-gaten in de planetoïdengordel heeft leeggeveegd. Wat past blijft, wat niet past ontwindt.

Kepler doet in één boek de derde wet én de harmonische verdediging van de aspecten. Dat was geen inconsequentie. Hij las één ring twee keer.

De grote conjuncties zijn de sterkste resonantie van het stelsel, duizend jaar bijgehouden. Jupiter en Saturnus ontmoeten elkaar elke 19,86 jaar. In die tijd doet Jupiter 1,675 omloop, dus het ontmoetingspunt schuift 243° op — 3° tekort voor een zuivere driehoek. Drie conjuncties tekenen daarom een bijna-driehoek op de ring, die per keer 2,9° verschuift. Na ongeveer tien conjuncties, dus rond de 200 jaar, is de figuur één teken opgeschoven. Na ongeveer 2.470 jaar is ze rond.

De Perzisch-Arabische astrologie heeft daar haar hele geschiedschrijving op gebouwd: de trigonenleer van Abu Ma’shar. Dat is de 5 : 2-bijnapassing van Jupiter en Saturnus, opgeschreven eeuwen voordat Laplace hem uitrekende.

De twaalfdeling heeft twee passingen. Twaalf maanmaanden in een zonnejaar — dat is de gangbare verklaring. Maar Jupiter doet er 11,86 jaar over, dus schuift hij ongeveer één teken per jaar op. De Chinese astronomie nam die tweede passing en bouwde er de twaalfjarige Jupitercyclus op. Beide zijn passingen op dezelfde ring. Het net hoeft niet te kiezen.

De wereldtijdperken zijn de precessie. De aardas draait in 25.772 jaar rond. Per teken is dat 2.148 jaar. De enige winding die zo traag is dat je er beschavingen voor nodig hebt om hem op te schrijven.

Wat er niet in zit

Er loopt in dit model niets van een planeet naar een mens. Er is geen tweede ding waar een pijl vandaan kan komen. Planeet en lezer zijn windingen van één streng, op verschillende diepte.

De relatie tussen diepten in dit model is correspondentie: dezelfde passing, twee keer gelezen. Niet oorzaak.

Dus: het net erkent de astrologie als een register van de resonantiestructuur van onze knoop, bijgehouden in hoeken. Over voorspellingen aangaande personen zegt het niets. Of een kaart van standen ook, op enige diepte, een meter is — dat is de vraag waar de waarnemer het net binnenkomt. Die staat in het fundamentdocument als open taak, en daar laat ik hem.

Eén plek waar het wél een instrumentenkwestie wordt: als de planeetperioden de zonnecyclus modelleren, raakt Jupiters jaar de vlammenstatistiek van de zon. Abreu vond zo’n modulatie in 2012, Cameron en Schüssler noemden het een artefact in 2013. Dat wordt met data beslist, niet met tradities.


Wat er in dit stuk veranderde was één getal. Maar het veranderde omdat ik mijn eigen regel eindelijk op mijn eigen som toepaste.

Een knoop hangt nooit alleen. En de ring waarop wij dat aflezen was in kaart gebracht lang voordat iemand wist wat erop stond.

Eén streng. Twee toestanden. Eén machine.

Our Address in the Net.

The Personal Bleuprint of the Net