MAZE:Afleiding Sociale Wetenschappen uit de Vacuum.Net-theorie

In deze blog warden de sociale wetenschappen volledig afgeleid uit de Vacuum.net-theorie.

J.Konstapel,Leiden,17-8-2026.

Jump to the scientic article here

Alles Heeft een Getal (Pythagoras)

“A Translation of the Throughflow-Closure Model into the Language of the Human Sciences,Medicine, Biochemistry, Field Theory, and Sociology”

Het getal dat niemand heeft uitgerekend

In de sociale wetenschappen is gemeten hoe snel een vriendschap wegzakt als er geen contact meer is. Er is ook gemeten hoe snel een band zich herstelt zodra er weer contact komt. Twee tempo’s, beide in de literatuur, beide met gegevens eronder.

Hun verhouding is nooit genomen.

Dat is geen slordigheid van één onderzoeksgroep. Het is een structureel gevolg van hoe vakgebieden zijn ingedeeld. Verval hoort bij de ene onderzoekslijn, herstel bij de andere, en niemand deelt het ene getal door het andere omdat er geen reden bestond om dat te doen.

Er is nu wel een reden. Uit die ene verhouding volgen drie dingen tegelijk die de sociale wetenschappen los van elkaar meten.

Wat één getal vastlegt

Eerst de aanname waaronder die verhouding betekenis krijgt, in vier zinnen.

Alles wat blijft bestaan is een patroon dat zichzelf herstelt. Het materiaal wordt vervangen, het patroon niet — dat geldt voor een cel, voor een mens en voor een instelling. Verbindingen vervallen zodra er niets meer doorheen loopt, en herstel kan alleen in de tijd dat er even niets gebeurt. Voor alles wat blijft bestaan telt daarom één getal: hoeveel keer sneller het herstelt dan het vervalt.

Noem dat het onderhoudsgetal. Het is dimensieloos. Er volgen drie grootheden uit.

De grootste hoeveelheid verbindingen die iemand kan onderhouden, is gelijk aan het onderhoudsgetal. Wie meer probeert vast te houden dan dat, verliest sneller dan hij herstelt.

De kleinste rustfractie die iemand moet nemen, is het aantal onderhouden verbindingen gedeeld door het onderhoudsgetal. Rust is dan geen herstel van inspanning maar de tijd die het herstel nodig heeft om het hele patroon rond te gaan.

En het aantal niveaus waaruit iemand kan bestaan volgt uit dezelfde grootheid, langs een logaritme.

Drie metingen, één getal. Meet er twee, en de derde ligt vast. Dat is de reden om het te berekenen: het maakt drie afzonderlijke onderzoekslijnen onderling controleerbaar.

Meting één: het onderhoudsgetal van een mens

De bouwstenen liggen er.

Aan de vervalkant: Roberts en Dunbar onderzochten de sociale netwerken van 251 vrouwen en lieten zien dat communicatie relaties tegen verval beschermt, en dat de tijd tot het laatste contact nauw samenhangt met emotionele nabijheid. In een vervolgstudie werkten zij het verval zelf uit. Daarnaast bestaan er gemeten vervalcurven voor conditie, voor vaardigheden en voor kennis.

Aan de herstelkant: wondgenezing, consolidatie tijdens slaap, en het herstel van een band zodra het contact hervat wordt.

Wat ontbreekt is de deling. Twee getallen uit twee vakliteraturen, in dezelfde eenheid gebracht, door elkaar gedeeld. Dat is een dag werk met bestaande gegevens.

En de uitkomst is niet vrijblijvend. Levert die deling een getal op dat lager ligt dan het aantal verbindingen dat mensen aantoonbaar onderhouden, dan klopt het model niet. Levert het een getal op dat er ruim boven ligt, dan zou een mens meer moeten kunnen dragen dan hij draagt, en ontbreekt er iets. Alleen als het er dicht bij ligt, staat de betrekking.

Meting twee: de tempoverhouding tussen sociale kringen

De omvang van sociale kringen is goed vastgelegd. Sutcliffe, Dunbar, Binder en Arrow stellen het zo: <cite index=”31-1″>elke laag vermenigvuldigt het aantal relaties met ongeveer 3 — 5, 15, 50, 150 — bij afnemende intimiteit en afnemende interactiefrequentie.</cite> De verhouding tussen de lagen is dus 3, en dat getal is stevig.

De interactiefrequentie neemt af, staat er. Met hoeveel per laag staat er niet. In de gangbare weergave van het model wordt de steunkring wekelijks gesproken, de sympathiegroep maandelijks en het actieve netwerk jaarlijks. Dat zijn vuistregels uit toelichtingen, geen gemeten reeks.

En juist dat getal — hoeveel trager elke volgende laag draait — bepaalt de rest. Uit het model volgt dat de tempoverhouding gelijk is aan het aantal open kanalen dat iemand aanhoudt, gedeeld door dat aantal min tweemaal het aantal banden dat een laag legt. Dat betekent dat de tempoverhouding een breuk van twee kleine hele getallen moet zijn, en dat die twee getallen eruit volgen zodra de verhouding gemeten is:

TempoverhoudingOpen kanalenBanden per lid
3/261
5/351
241
331
483
552
773

De wekelijks-tot-jaarlijkse vuistregel geeft over drie stappen ongeveer 3,7, en wijst dus naar 3 of 4. Maar dat is een schatting op een schatting.

Twee uitkomsten zijn bijzonder. Bij een tempoverhouding van 3 is die gelijk aan de laagverhouding, en dan is de retentietijd recht evenredig met de patroongrootte — het eenvoudigste geval dat het model toelaat, waarin drie het enige getal is. Bij 4 volgen acht open kanalen en drie banden per lid.

Wie de frequentiegegevens uitleest en er één verhouding uit haalt, sluit daarmee twee andere getallen af die niemand nu kent. Dat is de tweede meting die ontbreekt, en ze is goedkoper dan de eerste.

Meting drie: fase of sterkte

De derde ontbrekende meting ligt in een discussie die al decennia vastzit.

Als twee mensen samen iets vormen, loopt dat via hun grenzen. Wat blijft bestaan is wat in fase terugkomt. Sterkte doet daarbij niet mee.

Dat maakt beide gangbare posities onbruikbaar. Wie zulke koppeling afwijst omdat gemeten velden te zwak zijn, mikt op de verkeerde grootheid. Wie haar bevestigt op grond van gemeten veldsterkte, mikt op dezelfde verkeerde grootheid.

De methode om fase en amplitude uit elkaar te trekken bestaat sinds 1999 en is routine. Er is ook al met twee mensen tegelijk gemeten tijdens omgang. De meting die beslist is dus voorhanden: volg de fasekoppeling tussen twee mensen over de tijd, en kijk of ze losstaat van de sterkte.

Wat er van deze drie getallen afhangt

Niet weinig. Vier uitspraken, alle met getallen, alle wachtend op dezelfde deling.

De vereiste rustfractie. Wie meer verbindingen onderhoudt, heeft evenredig meer onbelaste tijd nodig — niet omdat het werk zwaarder is, maar omdat het herstel een groter patroon moet rondgaan. Dat geldt voor een mens en op dezelfde manier voor een samenleving.

De drempel waaronder twee mensen geen gezamenlijk geheel vormen. Uit de betrekkingen volgt dat twee mensen pas samen iets vormen als hun gezamenlijke onderhoudscapaciteit ongeveer tweederde haalt van die van één van hen. Daaronder is er contact zonder sluiting. Dat is een drempel, geen glijdende schaal.

De onderhoudscapaciteit die een groep nodig heeft. Die loopt lineair op met het ledental: een groep van vijftien vraagt vijf keer de capaciteit van één mens, een groep van honderdvijftig vijftig keer. Daarom hebben grote groepen vergaderingen, administratie en rituelen. Niet als cultuur, maar als de enige manier om die capaciteit op peil te houden.

En de volgorde waarin instellingen omvallen. Daalt de onderhoudscapaciteit, dan valt eerst weg wat het grootste patroon draagt. De grootste en traagste instellingen dus vóór de kleinste. Die volgorde is historisch te toetsen, en de omgekeerde volgorde is uitgesloten.

Alle vier hangen aan hetzelfde onderhoudsgetal, en dat is voor een mens nooit berekend.

Waarom dit anders is dan gebruikelijk

Het gewone patroon in de menswetenschappen is dat een theorie zich aanpast aan wat er gemeten wordt. Er is altijd wel een variant die past.

Dit model doet dat niet. Het verbiedt dingen. De tempoverhouding moet een breuk van kleine gehele getallen zijn. Het aantal niveaus is eindig en berekenbaar. De rustfractie schaalt met de patroongrootte en niet met de inspanning.

Dat betekent dat een dag rekenwerk met bestaande gegevens het kan doden. Dat is de reden om het op te schrijven, en het is ook de reden om de openstaande getallen als openstaand te benoemen in plaats van ze in te vullen.


Bijlage: de betrekkingen in kort bestek

De volledige afleiding staat in het Engelse artikel. Hier de vier regels die dit stuk gebruikt.

Met R het onderhoudsgetal, C het aantal onderhouden verbindingen, f de rustfractie, b het aantal open kanalen, ζ het aantal nieuwe banden per lid en q de laagverhouding:

  • bovengrens: C ≤ R
  • rustfractie: f ≥ C / R
  • tempoverhouding: σ = b / (b − 2ζ), met 2ζ < b
  • hoogte: het aantal niveaus loopt met de logaritme van R gedeeld door de logaritme van q

De eis 2ζ < b zegt dat een levende sluiting een deel van haar grens open houdt. Volledig dichtgemaakt betekent geen doorstroom.


Geannoteerde referenties

Sutcliffe, A., Dunbar, R., Binder, J. & Arrow, H. (2012). Relationships and the social brain: integrating psychological and evolutionary perspectives. British Journal of Psychology 103(2), 149–168. DOI 10.1111/j.2044-8295.2011.02061.x Het overzichtsartikel waarin de gelaagde opbouw van persoonlijke netwerken wordt samengevat. Waarom lezen? Hier staat de laagverhouding van ongeveer 3 als bevinding, en hier staat ook dat de interactiefrequentie per laag afneemt zonder dat er een getal aan hangt. Leesadvies: let er bij het lezen op waar de tekst kwantitatief wordt en waar niet — dat verschil is precies de openstaande meting uit dit stuk.

Zhou, W.-X., Sornette, D., Hill, R.A. & Dunbar, R.I.M. (2005). Discrete hierarchical organization of social group sizes. Proceedings of the Royal Society B 272, 439–444. De statistische onderbouwing van de laaggroottes en hun verhouding. Waarom lezen? Omdat hier de vertakking als getal wordt vastgesteld en niet als indruk. Zonder dit artikel is de laagverhouding een anekdote.

Roberts, S.G.B. & Dunbar, R.I.M. (2011). Communication in social networks: effects of kinship, network size, and emotional closeness. Personal Relationships 18(3), 439–452. DOI 10.1111/j.1475-6811.2010.01310.x Onderzoek onder 251 vrouwen naar de tijd tot het laatste contact, in samenhang met netwerkomvang en emotionele nabijheid. Waarom lezen? Dit is de vervalkant van het onderhoudsgetal, met gegevens eronder. Leesadvies: let op de bevinding dat vriendschappen meer contact vergen dan verwantschapsbanden — dat betekent dat het onderhoudsgetal per soort band verschilt, en dat is een verfijning die dit stuk nog niet maakt.

Roberts, S.G.B. & Dunbar, R.I.M. (2015). Managing relationship decay. Human Nature 26(4), 426–450. Het verval van relaties over een levensovergang heen, met de universiteitsovergang als proefgeval. Waarom lezen? Dit is het meest directe materiaal voor het vervaltempo. Leesadvies: te lezen náást het artikel uit 2011, want samen leveren ze de twee kanten die gedeeld moeten worden.

Aron, A., Aron, E.N. & Smollan, D. (1992). Inclusion of Other in the Self Scale and the structure of interpersonal closeness. Journal of Personality and Social Psychology 63(4), 596–612. DOI 10.1037/0022-3514.63.4.596 De zeven paar cirkels, van net rakend tot bijna volledig overlappend, waarmee mensen hun band met een ander aangeven. Waarom lezen? Omdat deze schaal een overlapfractie meet waarvoor het model een betekenis geeft. Leesadvies: de schaal wordt één keer afgenomen; de voorspelling van dit stuk gaat over het verloop tijdens de omgang, en dat is nooit gemeten.

Baader, M., Starmer, C., Tufano, F. & Gächter, S. (2024). Introducing IOS11 as an extended interactive version of the ‘Inclusion of Other in the Self’ scale to estimate relationship closeness. Scientific Reports 14, 8901. Een uitgebreide, interactieve versie van dezelfde schaal. Waarom lezen? Dit is het instrument waarmee de overlap fijner en herhaald kan worden vastgelegd — de kant die dit stuk vraagt.

Lachaux, J.-P., Rodriguez, E., Martinerie, J. & Varela, F.J. (1999). Measuring phase synchrony in brain signals. Human Brain Mapping 8(4), 194–208. De methode om fase en amplitude in een gemeten signaal uit elkaar te trekken. Waarom lezen? Omdat de derde ontbrekende meting hier volledig van afhangt. De techniek bestaat, wordt gebruikt, en scheidt precies de twee grootheden die in de veldendiscussie door elkaar lopen.

Dumas, G., Nadel, J., Soussignan, R., Martinerie, J. & Garnero, L. (2010). Inter-brain synchronization during social interaction. PLoS ONE 5(8), e12166. Twee mensen tegelijk gemeten tijdens spontane omgang. Waarom lezen? Dit is de opzet waarin de derde meting kan worden gedaan. Leesadvies: te lezen met Lachaux ernaast — de een levert de opzet, de ander de maat.

Konstapel, J. & Claude (2026). Counting the Person. constable.blog. Het Engelse artikel waar dit stuk uit voortkomt, met de volledige afleidingen en de kolommen voor geneeskunde, biochemie en veldtheorie. Waarom lezen? Daar staat per bewering of ze is afgeleid, gekozen of ingevoerd. Leesadvies: begin bij de statuslijst achterin; die zegt waar het bouwwerk kan breken.

Articles

Eén ongelijkheid, vijf vakgebieden

Er zijn twee tempo’s die overal terugkomen. Hoe snel iets vervalt als er niets meer mee gebeurt. En hoe snel het weer wordt hersteld.

Beide worden gemeten. In de moleculaire biologie als kopieerfout en als reparatie. In de geneeskunde als deconditionering en als genezing. In de sociale wetenschappen als het verwateren van een band en als het herstel ervan bij hernieuwd contact.

In geen van die vakgebieden wordt het ene getal door het andere gedeeld. En juist die verhouding blijkt vast te leggen hoe groot iets kan zijn, hoeveel rust het moet nemen, en uit hoeveel niveaus het kan bestaan.

Dit stuk laat zien dat het in vijf vakgebieden om dezelfde ongelijkheid gaat. In één ervan is ze al vijfenvijftig jaar bekend, langs een geheel andere weg, met getallen die kloppen.

De aanname, in vier zinnen

Alles wat blijft bestaan is een patroon dat zichzelf herstelt. Het materiaal wordt vervangen, het patroon niet — dat geldt voor een cel, voor een mens en voor een instelling. Verbindingen vervallen zodra er niets meer doorheen loopt, en herstel kan alleen in de tijd dat er even niets gebeurt. Voor alles wat blijft bestaan telt daarom één getal: hoeveel keer sneller het herstelt dan het vervalt.

Noem dat het onderhoudsgetal. Het is dimensieloos, en er volgen drie dingen uit.

De grootste hoeveelheid verbindingen die iets kan onderhouden, is gelijk aan het onderhoudsgetal. De kleinste rustfractie die het moet nemen, is het aantal verbindingen gedeeld door dat getal. En het aantal niveaus waaruit het kan bestaan, volgt uit hetzelfde getal langs een logaritme.

Meet er twee, en de derde ligt vast. Dat is wat samenhang hier betekent: geen verhaal dat drie verschijnselen dekt, maar één getal dat drie metingen aan elkaar bindt, zodat een fout in de ene in de andere twee zichtbaar wordt.

De moleculaire kolom, en waarom die het bewijs draagt

In 1971 stelde Manfred Eigen een omgekeerd verband vast tussen de omvang van een zichzelf kopiërend molecuul en zijn foutkans. Boven een zekere lengte gaat informatie sneller verloren dan ze wordt hersteld, hoe snel er ook wordt gekopieerd. Het product van foutkans per base en genoomlengte moet onder één blijven.

Dat is exact dezelfde ongelijkheid: de grootste hoeveelheid onderhouden verbindingen is gelijk aan het onderhoudsgetal.

En er zijn getallen. Een typisch RNA-virus heeft een genoom van ongeveer tienduizend basen en een foutkans van ongeveer één op tienduizend per base per kopieerronde. Product ongeveer één. Het virus zit op de grens, en dat is precies wat er in de literatuur over RNA-virussen bekend is.

Bij de mens brengen selectiviteit van het polymerase, proeflezen en reparatie achteraf de foutkans op ongeveer één op 10⁹ tot 10¹⁰ per basenpaar per celdeling. Het menselijk genoom telt 3,2 × 10⁹ basen. Dat ligt binnen dat bereik, niet er ruim onder: aan de nauwkeurige kant is er ruimte, aan de andere kant wordt de grens met een factor drie overschreden.

Dat is de eerlijke formulering, en de interessantere. Een drempelargument voorspelt dat wat onderhouden wordt dicht bij zijn grens zit. De meting zet het menselijk genoom daar.

Dit is de enige kolom waar de kern tegen meting is gehouden. Ze houdt stand. Dat bewijst dat de machinerie deugt, niet dat de rest klopt.

De mens: de verdeling van belasting, niet de som

De rustfractie die iemand nodig heeft, is het aantal onderhouden verbindingen gedeeld door zijn onderhoudsgetal. In die betrekking staat geen belastingterm.

Toch is er wel een verband met belasting, en het loopt anders dan verwacht. De verhouding tussen belasting en rust stelt zichzelf in — maar alleen als de doorstroom werkelijk naar nul kan zakken. Herstel loopt uitsluitend in die fasen. Worden ze verhinderd, dan zakt de bereikte rustfractie onder de vereiste, hoe bescheiden de belasting ook is.

Daaruit volgt een voorspelling die tegen de gangbare belastingmodellen ingaat. Bij gelijke totale belasting is aanhoudende lage druk schadelijker dan afgewisseld hoge druk. Niet de som van de belasting bepaalt het verlies, maar de verdeling: hoe vaak en hoe lang ze werkelijk nul raakt.

Dat is te toetsen in ploegendienst, in permanente bereikbaarheid, in chronische lage stress. En het verklaart een patroon waar cumulatieve modellen slecht raad mee weten: mensen onder matige, onafgebroken druk die sneller achteruitgaan dan mensen onder zware, onderbroken druk.

Uit dezelfde betrekking volgt waarom rust voorschrijven vaak niet werkt. Er zijn drie uitwegen en ze zijn niet gelijkwaardig. Meer rust nemen, wat een plafond heeft. Minder onderhouden, wat de enige route is zodra dat plafond in zicht komt. Of het onderhoudsgetal verhogen, wat het traagst gaat en het minst te sturen valt. Wie alleen rust voorschrijft en het aantal verplichtingen ongemoeid laat, brengt de patiënt bij hervatting in dezelfde toestand terug.

Veroudering: het verlies begint bovenaan

Veroudering komt in dit model op één plaats binnen: het onderhoudsgetal daalt.

Daaruit volgt een volgorde. Het grootste patroon dat nog vol te houden is, krimpt. De grootste patronen zitten op het hoogste niveau. Dus valt het hoogste niveau als eerste weg — het traagste, het grootste, dat met het langste geheugen. Lagere niveaus blijven binnen hun eigen grenzen.

Die volgorde is de voorspelling, en ze is meetbaar met bestaande instrumenten die het aantal onderhouden functies tellen.

Twee mensen: een drempel, geen glijdende schaal

Twee mensen vormen samen pas iets nieuws als hun gezamenlijke onderhoudscapaciteit ongeveer tweederde haalt van die van één van hen. Daaronder is er contact zonder sluiting.

De drempel ligt laag genoeg dat paren gewoon zijn, en hoog genoeg dat veel verbindingen hem niet halen. En onder de drempel bestaat de relatie niet zwak. Ze bestaat categorisch anders.

Dat maakt individualiteit en verbondenheid ook geen tegenstelling meer. Individualiteit is genoeg eigen geslotenheid hebben om een lang eigen geheugen te dragen. Verbondenheid is een deel van je grens delen. Meer verbondenheid laat geen van beide partijen verdwijnen; er komt een sluiting bovenop.

Er bestaat al een meting van die gedeelde grens: sinds 1992 kiezen deelnemers uit zeven paar cirkels met toenemende overlap om hun band met een ander aan te geven. Wat er nooit mee is gedaan, is het verloop volgen tijdens de omgang zelf. Dat is wat het model vraagt.

De samenleving: wat een groep kost

Een samenleving is in dit model geen verzameling mensen met betrekkingen ertussen. Het is zelf een geheel, met een eigen patroon en een eigen onderhoudseis. Die eis loopt lineair op met het ledental.

GroepsgrootteBenodigde onderhoudscapaciteit, ten opzichte van één mens
20,7 ×
51,7 ×
155 ×
5017 ×
15050 ×
500167 ×
1500500 ×

Daarom hebben grote groepen vergaderingen, administratie, correspondentie en rituelen. Niet als cultuur, maar als de enige manier om die capaciteit op peil te houden. Een organisatie die haar onderhoudsapparaat afbreekt en haar omvang behoudt, wordt niet slanker.

Dezelfde ongelijkheid geeft een verplichte rustfractie voor een samenleving. Sabbat, braakjaar, feestdag, reces zijn dan geen overblijfselen maar herstelfasen. En die fractie moet meegroeien: meer rollen, meer instellingen, meer regels, bij gelijke capaciteit betekent evenredig meer onbelaste tijd.

Een samenleving die haar patroon vergroot en tegelijk haar onproductieve tijd verkleint, loopt de grens uit. Op een berekenbaar moment. Wat dat zou weerleggen: een samenleving met aantoonbaar groeiend patroon, dalende onbelaste tijd, en geen meetbaar verlies.

En bij instorting geldt dezelfde volgorde als bij veroudering. Het grootste en traagste valt eerst. De staat vóór het gilde, het gilde vóór het huishouden. De omgekeerde volgorde is uitgesloten.

Het veld: fase in plaats van sterkte

Nog één laag, en die beslecht een discussie die al decennia vastzit.

Als twee mensen iets gezamenlijks vormen, loopt dat via hun grenzen. Wat blijft bestaan is wat in fase terugkomt. Sterkte doet niet mee.

Daarmee mikken beide gangbare posities op de verkeerde grootheid. Wie zulke koppeling afwijst omdat gemeten velden te zwak zijn, meet sterkte. Wie haar bevestigt op grond van gemeten veldsterkte, meet dezelfde sterkte. Het model zegt dat sterkte niets voorspelt en faseterugkeer alles.

De methode om fase en amplitude te scheiden bestaat sinds 1999 en is routine. Er is al met twee mensen tegelijk gemeten tijdens omgang. De beslissende meting ligt dus voorhanden.

Daar hoort nog een opmerking bij over de vorm waarin Maxwell zijn veldvergelijkingen oorspronkelijk schreef. Die droeg een scalair deel naast de drie richtingen. De latere, gangbare vorm heeft dat scalaire deel geschrapt. In dit model is dat scalaire deel het spanningsniveau zelf. De gangbare veldtaal beschrijft dus de draaiingen en niet het niveau waarop ze draaien. Dat is voldoende zolang het niveau overal gelijk is, en tekortschietend zodra er iets is dat zijn eigen niveau onderhoudt — wat precies de omschrijving van een levend geheel is.

Wat ontbreekt

Voor een mens is het onderhoudsgetal nooit berekend.

Het verval is gemeten en het herstel is gemeten. De twee getallen staan in verschillende vakliteraturen en zijn nooit door elkaar gedeeld. Dat is een dag werk met bestaande gegevens, en zonder dat getal blijft de hele menselijke kolom een afleiding zonder ijkpunt.

Er ontbreekt nog iets tweeds. Het is bekend dat sociale kringen in lagen van ongeveer 5, 15, 50, 150, 500 en 1500 mensen liggen, met een verhouding van ongeveer drie. Het is ook vastgesteld dat de contactfrequentie per laag afneemt. Met hoeveel per laag is niet als gemeten reeks vastgelegd. Juist dat getal legt vast hoeveel kanalen een mens tegelijk open houdt. Wie het uitleest, sluit twee tellingen af die niemand nu kent.

Wat hieraan fout kan zijn

Eén stap in de afleiding is een keuze en geen gevolg: dat een groter patroon per verbinding nauwkeuriger herstel vergt. Die keuze draagt de bovengrens.

Daar staat iets tegenover dat het overwegen waard is. In de biochemie is precies dat de reden dat organismen met grote genomen proeflees- en reparatiemachinerie dragen en kleine replicatoren niet. De enige substantiële keuze in het model staat dus op de plek waar de overeenkomst met bestaand werk het sterkst is.

Verder zijn twee getallen invoer en geen uitkomst: de rustfractie van ongeveer eenderde, en de gelijkstelling van rust met slaap. Een rustfase is gedefinieerd als een fase waarin de doorstroom bijna nul is. Of slaap die fase is, moet apart worden verdedigd.


Bijlage: de betrekkingen

Met R het onderhoudsgetal, C het aantal onderhouden verbindingen, f de rustfractie, b het aantal open kanalen per lid, ζ het aantal nieuwe banden per lid en q het aantal leden per laag:

  • retentietijd: capaciteit gedeeld door hoe open iets aan zijn grens is
  • tempoverhouding tussen naburige lagen: σ = b / (b − 2ζ), met 2ζ < b
  • bovengrens: C ≤ R
  • rustfractie: f ≥ C / R
  • groei van het patroon per laag: C(k+1) = q·C(k) + ζq
  • hoogte: het aantal niveaus loopt met de logaritme van R gedeeld door de logaritme van q

De eis 2ζ < b zegt dat een levend geheel een deel van zijn grens open houdt. Volledig dichtgemaakt betekent geen doorstroom.

Voor een groep van n leden geldt dezelfde vensterconditie, met een patroon van n keer dat van één lid plus de banden. Daaruit volgt de tabel in het hoofdstuk over groepskosten, en voor twee personen de drempel van tweederde.


Geannoteerde referenties

Eigen, M. (1971). Selforganization of matter and the evolution of biological macromolecules. Naturwissenschaften 58(10), 465–523. De foutdrempel: een omgekeerd verband tussen de omvang van een zichzelf kopiërend molecuul en zijn foutkans. Waarom lezen? Dit is dezelfde ongelijkheid als de bovengrens uit dit stuk, vijfenvijftig jaar eerder en langs een geheel andere weg. Het is het enige punt waar de kern tegen meting is gehouden.

Orgel, L.E. (1963). The maintenance of the accuracy of protein synthesis and its relevance to ageing. PNAS 49(4), 517–521. Dezelfde ongelijkheid, gelezen richting falen, en toegepast op veroudering. Waarom lezen? Omdat het hoofdstuk over veroudering in dit stuk feitelijk dit artikel is in een andere woordenschat.

Belshaw, R., Gardner, A., Rambaut, A. & Pybus, O.G. (2008). Pacing a small cage: mutation and RNA viruses. Trends in Ecology & Evolution 23(4), 188–193. De getallen voor RNA-virussen — ongeveer tienduizend basen bij ongeveer één fout op tienduizend — en tegelijk een kritische bespreking van de vraag of de foutdrempel wel de juiste verklaring is. Waarom lezen? Leesadvies: lees het om de tegenwerping, niet alleen om de cijfers. De auteurs betwisten precies de uitleg die dit stuk gebruikt.

Kunkel, T.A. (2004). DNA replication fidelity. Journal of Biological Chemistry 279(17), 16895–16898. Selectiviteit, proeflezen en reparatie achteraf als drie opeenvolgende stappen. Waarom lezen? Om te zien hoe de foutkans van één op 10⁹ tot 10¹⁰ uit drie stappen wordt opgebouwd, en hoeveel speling elke stap heeft. Dat bereik bepaalt of het menselijk genoom onder of over zijn grens ligt.

Schoenheimer, R. (1942). The Dynamic State of Body Constituents. Harvard University Press. De aantoning dat lichaamsbestanddelen doorlopend worden vervangen. Waarom lezen? Het oudste heldere bewijs van het feit waarmee dit stuk begint. Kort, en nog altijd de duidelijkste tekst erover.

Prigogine, I. & Nicolis, G. (1977). Self-Organization in Nonequilibrium Systems. Wiley. Ordening die alleen bestaat zolang er doorstroom is. Waarom lezen? De dichtstbijzijnde bestaande formulering, maar zonder identiteitspatroon en daardoor zonder bovengrens aan de omvang. Dat verschil is wat hier is toegevoegd.

West, G.B., Brown, J.H. & Enquist, B.J. (1997). A general model for the origin of allometric scaling laws in biology. Science 276(5309), 122–126. Schaalexponenten afgeleid uit vertakkingsverhoudingen in hiërarchische netwerken. Waarom lezen? Het dichtstbijzijnde bestaande werk, en het model moet ervan te onderscheiden zijn. Hun hiërarchie is ruimtelijk en eindigt bij een vaste eenheid; deze is een diepte van geslotenheid zonder ruimte. Ze lopen uiteen boven het organisme.

Aron, A., Aron, E.N. & Smollan, D. (1992). Inclusion of Other in the Self Scale and the structure of interpersonal closeness. Journal of Personality and Social Psychology 63(4), 596–612. DOI 10.1037/0022-3514.63.4.596 De zeven paar cirkels met toenemende overlap. Waarom lezen? Omdat dit de gedeelde grens meet waarvoor het model een betekenis geeft. Leesadvies: let erop dat de schaal één keer wordt afgenomen; het model vraagt om het verloop tijdens de omgang, en dat is nooit gemeten.

Sutcliffe, A., Dunbar, R., Binder, J. & Arrow, H. (2012). Relationships and the social brain: integrating psychological and evolutionary perspectives. British Journal of Psychology 103(2), 149–168. DOI 10.1111/j.2044-8295.2011.02061.x De gelaagde opbouw van persoonlijke netwerken, met de verhouding van ongeveer drie en de vaststelling dat de contactfrequentie per laag afneemt. Waarom lezen? Leesadvies: let op waar de tekst kwantitatief wordt en waar niet. Die grens is precies de ontbrekende meting uit dit stuk.

Roberts, S.G.B. & Dunbar, R.I.M. (2011). Communication in social networks: effects of kinship, network size, and emotional closeness. Personal Relationships 18(3), 439–452. DOI 10.1111/j.1475-6811.2010.01310.x Onderzoek onder 251 vrouwen naar de tijd tot het laatste contact. Waarom lezen? Dit is de vervalkant van het onderhoudsgetal, met gegevens eronder. Let op de bevinding dat vriendschappen meer contact vergen dan verwantschapsbanden — het onderhoudsgetal verschilt dus per soort band.

Lachaux, J.-P., Rodriguez, E., Martinerie, J. & Varela, F.J. (1999). Measuring phase synchrony in brain signals. Human Brain Mapping 8(4), 194–208. Het scheiden van fase en amplitude in een gemeten signaal. Waarom lezen? De hele veldensectie hangt hiervan af. De techniek bestaat en scheidt precies de twee grootheden die in die discussie door elkaar lopen.

Dumas, G., Nadel, J., Soussignan, R., Martinerie, J. & Garnero, L. (2010). Inter-brain synchronization during social interaction. PLoS ONE 5(8), e12166. Twee mensen tegelijk gemeten tijdens spontane omgang. Waarom lezen? De opzet waarin de beslissende meting gedaan kan worden. Leesadvies: te lezen met Lachaux ernaast — de een levert de opzet, de ander de maat.

Maxwell, J.C. (1873). A Treatise on Electricity and Magnetism. Oxford. De oorspronkelijke formulering, met een scalair deel naast de drie richtingen. Waarom lezen? Leesadvies: lees de passages waar de quaternionvorm wordt gebruikt en let op wat het scalaire deel daar doet. Dit stuk beweert dat het de niveauvariabele is.

Konstapel, J. & Claude (2026). Counting the Person. constable.blog. Het Engelse artikel met de volledige afleidingen, de vijf kolommen naast elkaar, de toetsenlijst en de statuslijst. Waarom lezen? Leesadvies: begin bij de statuslijst achterin. Die zegt per bewering of ze is afgeleid, gekozen, of ingevoerd — en welke meting nog openstaat.