
Jump to the Scientific Article here
J.Konstapel,1-8-2026.

Viceadmiraal Boudewijn Boots gaat met pensioen. Foto Merlijn Doomernik
Dit is een reactie op “Topmilitair Boudewijn Boots vindt dat Nederland niet voorbereid is op oorlog. ‘Wij hebben ons lang vergist in Poetins intentie’
De tien uur van de admiraal
Op de avond van 27 augustus 2024 vielen de computersystemen van de Nederlandse staat uit. Eén voor één. Defensie, andere ministeries, de luchthavens. Deuren gingen niet meer open. Passagierslijsten verdwenen.
De hoogste militair die avond was vice-admiraal Boudewijn Boots. Tien uur lang wist hij niet wat er gebeurde. Een zeemijn in Rotterdam? Een cyberaanval? Hij stelde zichzelf steeds één vraag: wat volgt?
Het bleek een technische storing. Zesenzeventig cruciale informatiesystemen hingen aan één koperen ring van tien kilometer. Eén ring viel uit, en de staat was blind.
Boots ging deze week met pensioen. In zijn afscheidsinterview zegt hij drie opmerkelijke dingen. Eén: “Wij hebben ons lang vergist in Poetins intentie.” Twee: Nederland is niet klaar voor oorlog. Drie — en dat is de verrassing — zijn remedie is geen nationale rampenoefening. Het is de straat. Maak afspraken met je buren. De één heeft een waterpomp. De ander een generator. Verdeel het noodpakket over de huizen.
Een admiraal brengt veertig jaar door in de grootste hiërarchie die de staat bezit. Aan het eind wijst hij ervan weg. Naar het kleinst denkbare weefsel van gewone mensen.
Hij heeft meer gelijk dan hij weet.
Het frame van de ene man
Het gangbare verhaal over oorlog is een verhaal over intentie. Eén man besluit. Poetin wil het, dus gebeurt het. Vervang de man, en de geschiedenis verandert.
Dat frame is oud. Het is ook gemakkelijk. Een intentie kun je afschrikken, sanctioneren, berechten. Instituties zijn gebouwd om met actoren om te gaan. Dus zien instituties overal actoren.
Maar luister naar wat Boots werkelijk zegt. “Rusland had de capaciteit al lang, maar wij vergisten ons in de intentie.” Goed gelezen is dat een bekentenis over meten. Het Westen telde wat telbaar was: tanks, raketten, divisies. Structuur. Wat het niet kon aflezen was iets anders. Een spanning in het veld tússen de stukken. Een stemming. Een druk.
Er is een tweede manier om over oorlog te denken. Ze is ouder dan de eerste, ze heeft betere getuigen, en ze doet voorspellingen die het intentie-frame niet kan doen.
Het visnet
Stel je een visnet voor.
De knopen zijn de zichtbare dingen: staten, leiders, legers. De draden zijn de relaties ertussen: handel, verdragen, angsten, herinneringen, schulden. Meestal hangt het net slap. Slap betekent vrijheid. Elke knoop heeft speling. Een ruk aan één hoek wordt door het hele weefsel opgevangen en sterft uit.
Vrede is het slappe net.
Stel je nu voor dat het net wordt aangetrokken. Jaar na jaar, draad voor draad. Bondgenootschappen verharden. Handel wordt afhankelijkheid. Herinnering wordt wrok. De speling verdwijnt. In een strak net reist elke ruk door. Een kleine scheur bij één knoop loopt langs de gespannen draden en trekt het hele weefsel kapot.
Oorlog is in dit beeld geen vreemd voorwerp dat van buiten komt. Oorlog is de ontlading van spanning die het net zelf heeft opgebouwd. Dezelfde machine draait overal in de natuur. De atmosfeer laadt spanning en ontlaadt haar als storm. De Grote Oceaan laadt jarenlang warmte en ontlaadt haar als El Niño. Een breuklijn laadt en ontlaadt als aardbeving. Het bos laadt droog hout en ontlaadt als brand.
In al die systemen doet de vonk er nauwelijks toe. Elke vonk voldoet, als de brandstof er ligt. De vraag “welke vonk veroorzaakte de brand?” is de verkeerde vraag. De goede vraag is: hoe bouwde de spanning zich op, en waar kwam ze vandaan?
De leider is in dit beeld niet de oorzaak. De leider is de knoop waar het veld doorbreekt. Zonder spanning in het net kan de knoop niets. Met genoeg spanning vindt het net wel een knoop.
De getuigen
Dit is geen nieuw idee. Het is een weggedrukt idee. En de sterkste getuigen hebben één ding gemeen: zij bedachten het niet vanachter een bureau. Zij zaten er middenin.
Tolstoj vocht bij Sebastopol en schreef daarna Oorlog en Vrede. De tweede epiloog is één lange afrekening met de grote-mannen-theorie. Napoleon besloot niets, betoogt Tolstoj. Miljoenen kleine bewegingen stuwden als een veld, en de “grote man” was het schuim op de golf. Hij dacht dat hij stuurde. Hij werd gedragen.
Lewis Fry Richardson was meteoroloog — de uitvinder van de numerieke weersvoorspelling — én quaker, die in de Eerste Wereldoorlog als ambulancechauffeur aan het front diende. Na de oorlog deed hij iets buitengewoons: hij paste de wiskunde van het weer toe op de oorlog zelf. Oorlogen blijken statistisch verdeeld als aardbevingen en stormen. Geen intenties nodig. Zijn wapenwedloop-vergelijkingen beschrijven oorlog als een gekoppeld systeem dat over een drempel drijft. Niemand wil het. De koppeling doet het.
Jung zag in 1936 iets door de Duitse psyche trekken als een drukgebied — hij noemde het Wotan. Geen plan, maar het ontwaken van een collectieve stemming die zich zou ontladen. Zijn essay leest vandaag als een weerbericht dat uitkwam.
Sornette, geofysicus, liet de moderne versie zien bij beurscrashes. Een crash heeft geen oorzaak op de dag zelf. De voortekenen zitten maanden eerder in de data. De aanleiding is inwisselbaar. De spanning niet.
En dan de gelijktijdigheid. In 1848 braken binnen wéken revoluties uit in Parijs, Wenen, Berlijn, Milaan en Boedapest. De gangbare verklaring is besmetting: het nieuws uit Parijs reisde snel en stak onderweg vuren aan. Dat is waar, en het moet gezegd. Maar besmetting verklaart de reizende vonk. Ze verklaart niet waarom elke stad kláár stond om te branden — waarom dezelfde spanning, datzelfde voorjaar, geladen stond in samenlevingen met verschillende vorsten, economieën en grieven. Een boodschap draagt alleen vuur door droog land. En 1914: het beroemde augustus-enthousiasme was, zo weten we nu, vooral stedelijk; op het platteland heerste angst. Maar juist dat is het punt: hetzelfde patroon van stemmingen — stedelijke koorts, rurale vrees — herhaalde zich in álle oorlogvoerende landen tegelijk. Dat regelt geen telegramverkeer tussen vijanden.
De Russische lijn
Hier moet de blog even stilstaan. Want de diepste traditie van dit velddenken over geschiedenis is Russisch. Dat is meer dan een voetnoot. Op het moment dat Rusland in het westerse discours wordt teruggebracht tot de intentie van één man, is het goed te weten dat juist Rusland de krachtigste denkers voortbracht tegen dat frame — en dat meerdere van hen daarvoor betaalden met hun vrijheid of hun leven.
Tsjizjevski (1897–1964) maakte de Eerste Wereldoorlog en de Revolutie zelf mee. Daarna deed hij wat geen westerse historicus durfde: hij telde. Over tweeduizend jaar bronnen zette hij opstanden, oorlogen en massabewegingen af tegen de zonnecyclus. Zijn bevinding: de prikkelbaarheid van massa’s piekt rond zonnemaxima. Stalin eiste dat hij het werk herriep — de Revolutie moest immers door klassenstrijd zijn veroorzaakt, niet door de zon gemoduleerd. Tsjizjevski weigerde. Acht jaar kamp en verbanning. Voor een bureautheorie ga je niet naar de goelag.
Kondratiev (1892–1938) vond de lange golven van de wereldeconomie — de cycli van veertig tot zestig jaar die nu zijn naam dragen. Zijn golven impliceerden dat de crisis van het kapitalisme ritmisch was, niet terminaal. Daarvoor liet Stalin hem in 1938 fusilleren. Let wel: zijn golfperiode is dezelfde als die van de oorlogscycli die Dewey’s Foundation for the Study of Cycles later in westerse data vond. Ruwweg een halve eeuw. Ruwweg één generatie vergeten.
Sorokin (1889–1968) vocht in de Revolutie aan de verliezende kant, werd ter dood veroordeeld, kreeg gratie en werd in 1922 verbannen. Aan Harvard stichtte hij de sociologiefaculteit en mat hij in vier delen de golven van oorlog, revolutie en cultuur over 2500 jaar. Oorlogen clusteren op de overgangen tussen culturele fasen. Hij had zelf zo’n overgang overleefd — ternauwernood.
Goemiljov (1912–1992), zoon van de dichters Nikolaj Goemiljov (gefusilleerd) en Anna Achmatova, zat veertien jaar in de kampen. Daar ontstond zijn theorie van de passionariteit: volken worden periodiek geladen met een overschot aan collectieve energie — hij vermoedde een kosmische bron — die zich ontlaadt in migratie, verovering en staatsvorming, waarna de lading eeuwenlang wegebt. Over elk detail valt te twisten. Maar de architectuur is onmiskenbaar: lading, ontlading, ontspanning. Het net, opnieuw.
Vier van deze vijf werden gestraft door hun eigen staat — precies omdat velddenken het intentie-frame bedreigt. Een regime dat regeert bij besluit kan niet verdragen dat geschiedenis beweegt bij druk. Dat de Sovjetstaat én het liberale Westen allebei het intentie-frame verkiezen, elk om eigen redenen, zegt iets: het frame dient de macht aan alle kanten. Het geeft de macht de vleiende rol van oorzaak.
Rusland is, kortom, niet alleen de knoop waar de huidige spanning ontlaadt. Het is ook de cultuur die eerder en dieper dan wie ook begreep dat knopen geen ontladingen veroorzaken. Daar zit een bittere ironie in — en een opening.
Waar komt de spanning dan vandaan?
Als oorlog een ontlading is, verschuift de echte vraag een niveau omhoog. Wat laadt het net? Drie antwoorden verdienen het om naast elkaar te staan. Ze sluiten elkaar niet uit.
Eén: de cyclus wekt zichzelf op. Dit is de les van El Niño. Die oscillator heeft geen externe aandrijving nodig: elke ontlading laadt langzaam de volgende lading. Vertaald: na elke oorlog ontspant het net, en juist die ontspanning — wederopbouw, welvaart, vergeten — trekt het weer strak. De veteranen sterven. De herinnering verdampt. De speling verdwijnt. De stemming vóór een oorlog komt dan nergens vandaan: ze is de terugslag van de vorige ontlading. Europa’s laatste ontlading eindigde in 1945. Tel de generaties.
Twee: de spanning wordt doorgegeven van een hogere laag. Tsjizjevski’s zonnekoppeling is de eerste sport van een ladder die veel verder omhoog gaat. Daarover zo meer.
Drie: structuurschuld. Een samenleving die zich steeds strakker organiseert — meer regels, meer centralisatie, meer koperen ringen met zesenzeventig systemen eraan — bouwt spanning op tegen haar eigen grondtoestand in. De ontspannen toestand van een menselijk netwerk is brede, redundante verbinding: veel dunne draden, veel speling. Moderne efficiëntie vervangt het weefsel door hubs. Elke hub is een strakgetrokken knoop. De stemming vóór een oorlog is dan de druk van het slappe net tegen zijn eigen overspanning: het medium wil terug.
Drie oorzaken, drie herkenbare handtekeningen: een eigen ritme, een zonneritme, of een structuurmaat. Dat maakt de vraag onderzoekbaar. En eerlijk is eerlijk: er hoort ook een verboden uitkomst bij. Als het decennium vóór gedocumenteerde ontladingen — 1848, 1914, 1939, en het heden — géén oplopende onrust in de stemmings-metingen laat zien, op geen enkele laag, dan klopt dit beeld niet.
De hogere windingen
Nu de ladder. Want het tweede antwoord is geen mystiek. Elke sport ervan is gemeten. De sterrenkunde bergt de sporten alleen op in gescheiden laden en leest ze nooit als één geheel.
De zon staat niet stil. Ze sleept het hele zonnestelsel met zo’n 230 kilometer per seconde rond het centrum van de Melkweg. Eén omloop — één galactisch jaar — duurt grofweg 225 tot 250 miljoen jaar. Daarbovenop pendelt de zon door het galactische vlak, eens per ruwweg zestig miljoen jaar, en kruist ze periodiek de spiraalarmen. De zon rijdt door een landschap: dichte armen, ijle tussengebieden, koude wolken.
En het medium onderweg verschilt echt. Op dit moment beweegt de zon door de Lokale Interstellaire Wolk, binnen de Lokale Bel — een holte, ooit leeggeblazen door oude supernova’s. De heliosfeer is letterlijk het oppervlak waar het net van de zon tegen het grotere net aanduwt. Dat is geen metafoor. De ruimtesondes Voyager 1 en 2 zijn door die grens héén gevlogen en hebben haar gemeten: de druksprong, het veld, de plooi.
Nog hoger: de Melkweg zelf valt — richting Andromeda, en met de hele Lokale Groep mee in de grote stroom naar het Laniakea-bekken. Het buitenste referentiepunt dat wij kunnen zien is de dipool in de kosmische achtergrondstraling: wij bewegen met zo’n 370 kilometer per seconde ten opzichte van het oudste licht dat er is. Minstens vier windingen draaien dus boven ons. Draaiing binnen draaiing binnen draaiing.
Bereikt daarvan iets de grond? De keten heeft schakels van ongelijke sterkte, en dat mag gezegd. De uiteinden zijn vastgebout: de heliosfeer is een gemeten schild tegen kosmische straling, en als de omgeving verdicht of de zon verzwakt, bereikt aantoonbaar méér straling de atmosfeer. Het middenstuk is levende wetenschap: Svensmark liet in zijn laboratorium zien dat die straling wolkvorming helpt kiemen; het grotere CLOUD-experiment van CERN bevestigde het mechanisme maar schatte het klimaateffect kleiner in. Shavivs koppeling van ijstijdperken aan spiraalarm-passages is gepubliceerd én omstreden. En Tsjizjevski, onderaan de ladder, verdient een moderne heranalyse meer dan blinde citatie.
Als één keten gelezen: galactisch landschap → heliosferische spanning → zon en stralingsklimaat → atmosfeer → biosfeer → het menselijke net. De stemming die aan een oorlog voorafgaat krijgt dan een adres. Het is het weer van een hogere winding, doorgegeven langs de draden. De huidige zonnecyclus piekte, voor wie het weten wil, in 2024–2025.
Niets hiervan heft de menselijke verantwoordelijkheid op — zomin als de meteoroloog de brandstichter opheft. Het verplaatst de verklaring. De brandstichter is echt. Maar de vraag “waarom brandde het hele bos?” wordt nooit beantwoord op het niveau van de lucifer.
Wat de instrumenten zouden laten zien
Alles hierboven komt samen in één voorspelling, en daarmee staat of valt het hele verhaal. De rivaliserende frames — intentie, besmetting, per laag een eigen oorzaak — kunnen elk elke losse waarneming opvangen. Wat geen van hen voorspelt, is één gedeelde handtekening over de lagen heen, tegelijk.
Een systeem dat een omslag nadert vertraagt. Zijn schommelingen worden langer en groter. Stijgende variantie, stijgende autocorrelatie — de vroege-waarschuwingssignalen die inmiddels standaard zijn in het kantelpunt-onderzoek, van meren tot klimaat tot epileptische aanvallen. Als de stemming vóór een oorlog een echte veldtoestand is, moet ze die handtekening dragen vóórdat enige leider iets doet. En over lagen tegelijk: in ziekteverzuim, in medicijngebruik, in de taal van kranten, in muziek, in geboortecijfers.
Nederland registreert, zonder het te herkennen, nu al zo’n spoor. Twintigers stromen in ongekende aantallen de arbeidsongeschiktheid in met mentale klachten. Het standaardframe verklaart dat op de standaardmanier: individueel, causaal, biografie voor biografie. Het veldframe leest het anders: dezelfde spanning die de geopolitieke laag laadt, drukt op de kleinste winding individuele knopen uit fase. Eén stemming, drie lagen — geopolitieke verharding, maatschappelijke verbrossing, persoonlijke ontregeling. In het causale frame is die gelijktijdigheid toeval. In het veldframe is het één signaal, drie keer afgelezen.
Dat verschil is toetsbaar. En dat is precies wat dit beeld onderscheidt van een mooi verhaal.
De straat van de admiraal
Terug naar Boots, en naar waarom zijn vreemdste advies zijn beste is.
De koperen ring leerde hem wat een hub is: alle spanning van een netwerk samengebald in één knoop. Zijn antwoord — de waterpomp bij de ene buurman, de generator bij de volgende, het noodpakket verdeeld over de straat — is de omgekeerde beweging. Het herstelt het weefsel. Veel dunne draden. Speling in elke knoop. Een scheur die in slapte doodloopt.
Een nationale oefening zou structuur toevoegen aan een systeem dat al aan structuurschuld lijdt. De straatafspraak voegt samenhang toe op de kleinste winding — de enige plek waar een strak net kan worden gevierd zonder het te commanderen. Boots zegt ook: iedereen bij Defensie, van kassière tot frontsoldaat, moet weten wat zijn taak is als het oorlog wordt. In nettermen: elke knoop kent zijn adres in de oorlogsconfiguratie. Een net waarvan de knopen hun plaats kennen, ontlaadt met minder geweld — of helemaal niet.
De admiraal bracht veertig jaar door bij de hub. Op weg naar buiten wees hij naar het weefsel. Het oudste Russische inzicht en het nieuwste Nederlandse instinct ontmoeten elkaar in hetzelfde beeld: geschiedenis wordt niet beslist bij de knoop. Ze wordt gedragen, geladen en — als wij de spanning op tijd leren aflezen — misschien zelfs ontspannen, langs de draden.
De oorlog, als hij komt, komt niet uit één man. Hij komt uit het net. En het net loopt door jouw straat.
Geannoteerde leeslijst — voor wie dieper wil graven
Het interview. Steven Derix & Esther Rosenberg, “Topmilitair Boudewijn Boots houdt rekening met oorlog”, NRC, 31 juli 2026. De aanleiding voor dit stuk: de koperen ring, de vergissing in de intentie, en het straatadvies. Lees vooral de passage over de mbo-leerlingen in Heerhugowaard.
Lev Tolstoj, Oorlog en Vrede (1869), tweede epiloog. Sla de roman desnoods over en lees alleen de epiloog: veertig bladzijden waarin een Sebastopol-veteraan de grote-mannen-theorie sloopt. In elke goede Nederlandse vertaling opgenomen. Het meest toegankelijke startpunt van deze hele leeslijst.
Lewis Fry Richardson, Statistics of Deadly Quarrels (1960). Antiquarisch of via bibliotheken. Voor een moderne, leesbare samenvatting: het hoofdstuk over Richardson in vrijwel elk boek over “de wiskunde van oorlog”; zoek op “Richardson’s law of war”. De brug tussen weer en oorlog, gebouwd door één man die beide kende.
C.G. Jung, “Wotan” (1936). Kort essay, opgenomen in Civilization in Transition (Collected Works 10). Ongemakkelijk, profetisch, en in een middag te lezen. Let op de weermetaforen die Jung zelf gebruikt.
Alexander Tsjizjevski. Het hoofdwerk (The Terrestrial Echo of Solar Storms, postuum 1976) is lastig te vinden; begin met de Engelstalige artikelen over “heliobiology” en “Chizhevsky” en met zijn biografie op de site van het Tsjizjevski-museum in Kaloega. De man die voor een correlatie de goelag inging.
Nikolai Kondratiev, “De lange golven in het economische leven” (1926). In het Engels breed beschikbaar als “The Long Waves in Economic Life”. Voor context: zoek op “Kondratiev wave” plus “war cycle” — de literatuur die zijn golven aan oorlogsclustering koppelt is klein maar fascinerend.
Pitirim Sorokin, Social and Cultural Dynamics (1937–1941). Vier delen; er bestaat een ingekorte eendelige editie (1957) die goed leesbaar is. Deel drie behandelt de oorlogsmetingen. Sorokins autobiografie A Long Journey vertelt het levensverhaal — ter dood veroordeeld, verbannen, Harvard.
Lev Goemiljov, Ethnogenesis and the Biosphere of Earth (Engelse editie 1990). Lees hem zoals je een visionair leest: niet elk detail, wel de architectuur. Veertien jaar kamp, en een theorie waarin volken kosmisch worden opgeladen en ontladen. De Russische editie is een klassieker; de discussie eromheen (zoek “passionarity”) is een studie op zich.
Didier Sornette, Why Stock Markets Crash (2003). Het toegankelijkste moderne boek over geladen systemen: waarom de aanleiding inwisselbaar is en de spanning niet. Wie dit uit heeft, leest de krant anders.
Marten Scheffer e.a., “Early-warning signals for critical transitions”, Nature 461 (2009). Hét overzichtsartikel over kantelpunt-signalen: critical slowing down, stijgende variantie en autocorrelatie. Gratis samenvattingen en lezingen van Scheffer (Wageningen) staan online. De toetsbare kern van dit blog.
Jeffrey Verhey, The Spirit of 1914 (2000). De moderne correctie op de mythe van het augustus-enthousiasme. Belangrijk hier omdat de correctie het veldbeeld niet verzwakt maar aanscherpt: hetzelfde pátroon van stemmingen, overal tegelijk.
Over de heliosfeer en de Voyagers. NASA’s Voyager Interstellar Mission-pagina’s, plus de vakartikelen van Stone (2013) en Burlaga & Ness (2019) over de grensovergangen van 2012 en 2018. De plek waar het net van de zon tegen dat van de Melkweg drukt — gemeten, niet gedacht.
Henrik Svensmark & het CLOUD-experiment. Svensmarks populaire boek The Chilling Stars (met Nigel Calder, 2007) geeft de kosmische-stralingshypothese; de CLOUD-publicaties van CERN (Kirkby e.a., Nature 2011 en later) geven het eerlijke tegenwicht. Lees ze samen: zo hoort levende wetenschap eruit te zien.
Nir Shaviv & Ján Veizer, “Celestial driver of Phanerozoic climate?”, GSA Today (2003). De hoogste sport: ijstijdperken tegen spiraalarm-passages. Gepubliceerd én bestreden — zoek ook de kritieken erop, dat hoort erbij.
Edward Dewey, Foundation for the Study of Cycles. Het archief van de Foundation (cycles.org en het Cycles Research Institute) bevat het oorspronkelijke oorlogscyclus-werk. Amateuristisch van vorm, intrigerend van inhoud, en de rechtstreekse westerse tegenhanger van Kondratiev.
