“The limits of my language mean the limits of my world” (Wittgenstein, 1921).

“The limits of my software mean the limits of my world” (Konstapel, 1998).

Written 1998.

Het lijkt erop alsof we gevangen zijn geraakt in de ban van software.

De automatiseringswereld is in twintig jaar getransformeerd van een kleine verzameling programmeurs naar een de mens omvattende wereld van software. Het lijkt erop alsof software de macht over ons heeft overgenomen. Software tiert net als planten, dieren en mensen. Hierbij moet groeien worden gezien als een continu proces van ontstaan, ontwikkelen en sterven van steeds nieuwe soorten. De productie aan software is zo groot en onsamenhangend geworden, dat we mee moeten gaan met de stroom. Ondanks het feit, dat er geen centrale regisseur is ontdekken we toch eilanden van structuur. Er komt software op ons af, die onze eigen softwarewereld aanvalt. Hier moeten we ons tegen verdedigen (virussen). Om de wereld om ons heen te verklaren ontlenen  we steeds meer denkbeelden uit de evolutietheorie. Het aardige is, dat deze theorie sterk in beweging is. De nieuwe inzichten hebben een brede toepassing. In dit artikel probeer ik deze inzichten te gebruiken om te achterhalen wat er aan de hand is. Ik vermoed, dat we in de ban zijn geraakt van het meme wiskunde.

De evolutietheorie kan worden verklaard uit het gedrag van een netwerk.

Richard Kauffmann toont in zijn boek “The origins of order” (1993) aan, dat ordening een eigenschap is van bepaalde zichzelf reproducerende netwerkstructuren.  Belangrijk zijn de verhouding tussen het aantal verbindingen, het aantal knooppunten en de mate van terugkoppeling in het netwerk. Netwerken met gemiddelde twee verbindingen per knooppunt vertonen vanzelf een hoge mate van ordening. Hoe meer koppelingen hoe lager de ordening. Netwerkstructuren kunnen in de tijd convergeren, divergeren en trillen op de grens tussen orde en chaos  Deze laatste toestand is de meest adaptieve toestand. De drie toestanden zijn te vergelijken met vaste stof, gas en vloeistof.

Kaufmann’s theorie is toepasbaar op vele structuren, van het DNA tot de maatschappij. We kunnen een idee-> mens-> software – netwerk bedenken.  De mens fungeert als een transformatiestation van idee naar software. Het totale netwerk kan een ordening gaan krijgen, instabiel worden of op de grens van de chaos gaan verkeren. Het past zich middels een selectiemechanisme gradueel aan. Het netwerk bevat terugkoppeling. Kaufmann’s boek gaat voor het grootste deel over de biochemie, maar in een tweetal   bladzijden probeert hij zijn theorie uit op technologie transfer en concepten. Hij komt tot de volgende conclusies:

  • Hoe meer verschillende knooppunten in het netwerk worden gekoppeld hoe meer diversiteit er ontstaat. Deze diversiteit kan omslaan in ongestructureerdheid.
    De komst van de PC en de koppeling tussen de PC’s (het Internet) schept een enorme diversiteit. Deze is aan het omslaan naar een chaotische toestand. Hierbij moet worden opgemerkt, dat we verschil moeten maken tussen de persoonlijke en de wetenschappelijke beleving van dit fenomeen. Als een mens niet meer beschikt over woorden en concepten om iets te vatten wordt het automatisch chaos genoemd. (“Our brains have a certain capacity for detecting regularity. To the extent that the world matches these characteristics of ours, we can see structure and pattern. To the extent that behavior in the world exceeds our capacities, the excess amount of sophistication in the stimulus is lost on us and turns into randomness, into apparent structure less-ness that we can’t represent”) (Crutchfield and Kann, 1996).
  • Hoe verder men vooruit denkt hoe meer diversiteit er ontstaat.
    Ad-hoc werken geeft sterke ordening en uiteindelijk stilstand. Het systeem kan niet meer reageren op grote veranderingen in de omgeving en stabiliseert. Door te spelen met de termijn van planning kunnen we de diversiteit beïnvloeden. We kunnen de software-diversiteit verminderen door geen plannen meer te maken.
  • Hoe beter een systeem ontworpen is, hoe kwetsbaarder het is voor verandering.
    Deze regel pleit er voor om ontwerpen te maken, die niet precies passen op het op te lossen probleem.  We denken altijd, dat onze oplossing eeuwigheidswaarde heeft. Niets is minder waar. Een hoge graad van redundantie vermindert de kwetsbaarheid. Wellicht moet er toch meer op “z’n beloop gelaten worden”.
  • Er komen altijd verstoringen voor. 
    Dit is de wet van Murphy. Er zit trouwens wel regelmaat in het voorkomen van dergelijke foutsituaties. Het is nodig om dit te weten, omdat men anders gaat zoeken naar oorzaken, die er niet zijn.
  • Hoe beter het model van de werkelijkheid hoe chaotischer het gedrag.
    Het loont helemaal niet om informatiesystemen te verbeteren. Uiteindelijk kan een onderneming aan een perfecte informatievoorziening ten onder gaan. Alles weten is niet goed voor een mens. We zullen het besturingsmodel van de onderneming en de mens eens op deze inzichten moeten aanpassen. Minder regelen levert op (Peters, 1987).

Het netwerk is een belangrijk concept aan het worden

Zowel in de automatisering, als in de biologie en de cognitiepsychologie is het netwerk een belangrijk concept aan het worden. In de verschillende wetenschappen zijn de knooppunten (computers, genen en neuronen) anders van inhoud. Toch worden gelijksoortige conclusies getrokken. Er is sprake van een nieuwe kandidaat voor een “Theory of everything” (Capra, 1996). Door het netwerk stroomt  informatie. Deze informatie wordt gedragen door een medium (elektronen, RNA).

Structuur ontstaat door weloverwogen met koppelingen om te gaan en de terugkoppeling in het netwerk te regelen.  Door “schotjes” tussen compartimenten te plaatsen of weg te halen ontwikkelen delen zich alleen of samen. De informatie stroomt dan via andere kanalen. Soms lopen paden dood. Andere paden sluiten in zichzelf: een “loop”. Gekoppelde delen streven naar een evenwicht. Soms lukt dit niet en wordt het patroon (tijdelijk) chaotisch. Het netwerk kan zich hierdoor aan een observator vast, vloeibaar (beweeglijk) en chaotisch van structuur tonen.

De meest flexibele structuur is vloeibaar. In vloeibare toestand kan een deel van het netwerk structuur hebben en een ander deel chaotisch zijn. Een vloeibare structuur kan zich snel reconstrueren en instellen op veranderingen in de buitenwereld. Een kleine verandering kan een gestructureerd gebied op grote schaal van structuur doen veranderen. Sommige gebieden zijn bestand tegen veranderingen. Ze herstructureren pas na grote druk.

Een organisatie is een stabiel netwerk van mensen

Als we van mensen en hun communicatie een netwerk maken ontstaan organisaties en projecten. Dit zijn patronen, die geruime tijd blijven bestaan. Ze blijven langere tijd in stand, omdat ze zichzelf reproduceren en bestand zijn tegen veranderingen (Mingers, 1995). De structuur van het netwerk bewerkstelligt dit. Er is een afbakening gemaakt tussen binnen en buiten. De mensen hebben een bril van taal op gekregen, die ze het idee geeft, dat de binnen- en buitenwereld stabiel is of voorspelbaar verandert. Deze bril noemen we vaak cultuur of visie (Dongen, 1996). Door de komst van communicatienetwerken worden steeds meer connecties tussen mensen gemaakt. Dit resulteert in andere bestendige patronen dan de huidige. We noemen deze patronen netwerkorganisaties.  De afscherming tussen bedrijfsonderdelen door een hiërarchie werkt niet meer. De “top” wordt hierdoor geïsoleerd van zijn onderlaag.  Projecten transformeren zich in  “autonome teams”, die zich in onderling overleg specialiseren in een bepaald productieproces.

Een flexibel mensennetwerk is vloeibaar.

Een vloeibare mensenstructuur is een structuur die bijna uit elkaar valt. Indien een team langdurig een vast patroon vertoont, moet de manager zorgdragen voor nieuwe “losheid”. Menselijke structuren hebben nu eenmaal de neiging om te verstarren. Het is niet de bedoeling, dat managers structuren permanent “kapot maken”. Dit geeft stress. Indien een structuur doelgericht werkt is vastigheid een noodzaak. Soms kan het verplaatsen van één medewerker al nieuwe vloeibaarheid bewerkstelligen (“never change a winning team”). Een mensennetwerk deelt concepten. Een stabiele mensenstructuur betekent een stabiel patroon (een ritme) van datauitwisseling en daardoor gedeelde concepten. Concepten veranderen mensen en mensen veranderen concepten. Hoe meer koppelingen er komen, hoe meer concepten zullen worden gedeeld. Er ontstaat een evenwichtstoestand. Ook hier moet iemand de evenwichtstoestand verstoren als binnen- en buitenwereld teveel van elkaar gaan afwijken. Mensen hebben de eigenschap om hun beeld van de buitenwereld aan te passen aan hun binnenwereld.

Onze denkwereld is een netwerk van concepten

In het boek ” Fluid concepts and creative analogies (1995)” doet Hofstadter verslag van zijn experimenten over “Fundamental mechanisms of thought”. Creativiteit is volgens hem een product van “subcognitive pressure” that probabilistically influence the building and reforming of representations […] Cognititive representations are relativily immune to contextual pressure […] A crucial role is played by the inner structure of concepts and conceptual neighborhoods”. Creativiteit verschijnt door het uitoefenen van druk, waardoor er  foutjes ontstaan in meestal stabiele structuren (“slips of the tongue”). Deze stabiele structuren bestaan uit concepten met hun omgeving.

Nieuwe concepten ontstaan in mensen onder druk. Ze komen meestal spontaan in mensen op na een periode van spanning. Op het juiste moment tijdens het examen komt een briljante inval. Kunstenaars maken gebruik van deze aanpak om bijzondere dingen te laten ontstaan. Z e stellen de creatieve daad uit tot het laatste moment (deadlinen). Inspiratie resulteert helaas niet altijd in briljante ideeën. Niet alle foutjes zijn bruikbaar net als in de evolutie.

Mensen krijgen briljante invallen. Ze maken sluiting tussen onbekende gebieden.

Sommige mensen hebben meer dan anderen last van briljantie. We noemen ze wonderkinderen of genieën. Vaak hebben ze interesse in vele haaks op elkaar staande vakgebieden. Ze brengen nog onbekende combinaties tot stand, zodat er letterlijk een nieuwe vonk kan overspringen. Naast briljante mensen zijn er mensen nodig die de gaten opvullen, die door de voortrekkers zijn gemaakt. Hofstadter (1995) heeft software gemaakt, die rare combinaties van concepten (analogieën) maakt en hun waarde onderzoekt. Hij past dit toe op een hele kleine conceptenwereld. Die is al ingewikkeld genoeg.

Concepten veranderen via mensen de werkelijkheid

Aansprekende concepten verleiden mensen tot realisatie. Deze realisatie vindt plaats in de wereld waar men deel van uitmaakt. Men zet de componenten die men kent en een beperkt aantal nieuwe, in de gewenste volgorde. Vaak zijn er standaardpatronen om een passende volgorde te bewerkstelligen.

Realisatie blijkt plaats te vinden via vaste patronen.

De architect Christopher Alexander heeft veertien jaar gewerkt aan het boek ” The Timeless Way of Building” (1979). Het boek gaat over het ontwerpen en realiseren van drie dimensionale structuren in de materiele wereld. Te denken valt aan een tuin, een gebouw of een stad. De structuren beschikken over “Quality without a name “. Dit begrip is wellicht het best te beschrijven met “het gevoel, dat het goed zit”.  “Quality without a name” ontstaat door het gebruik van “design patterns ( = ontwerppatroon)”. Een ontwerppatroon is een aanpak om in een bepaalde (fysieke) context een krachtenveld in balans te krijgen. Dit krachtenveld bestaat uit natuurlijke krachten (b.v. de zwaartekracht) en menselijke krachten. Bij de menselijke krachten kan gedacht worden aan de behoefte om in bepaalde (omschreven) gevallen alleen te zijn en de behoefte om in andere omstandigheden ruimte te delen. De krachten verkeren soms in een wankele balans. Ze trillen rondom om een evenwicht. Het ontwikkelen van een patroon gaat gepaard met vele jaren observatie en verbetering. Alexander vergelijkt de moeilijkheidsgraad met “anything in theoretical physics”. Men krijgt gauw een gevoel, maar “it is very hard to be precise, because there is never any one formulation of the pattern which is perfectly exact”. Een goede beschrijving is een “a kind of fluid image, a swirling intuition about form, which captures the invariant field”. Het formuleren van een patroon als een spanning tussen krachten is een prachtig idee.  Het hele boek geeft je trouwens het gevoel, dat er een “quality without a name” in zit. Alexander heeft in de veertien jaar van schrijven waarschijnlijk zoveel geschrapt, herschreven,  gewikt en gewogen, dat de essentie er echt in staat.

Patronen overlappen en verwekken daarmee nieuwe patronen. Een patroon kan een ander patroon starten. Dit betekent, dat er veel vanzelf gaat. Door het “goede gevoel” gaan mensen ook als vanzelfsprekend mee. Zij groeien in hun omgeving en laten hun omgeving groeien. Een combinatie van patronen noemt Alexander een taal. Een taal is “a good one”, als ze “morfologisch’ compleet is. Dit betekent, dat men het eindresultaat kan visualiseren. We kunnen het resultaat “voor ons zien”. Daarnaast moeten in alle mogelijke combinaties van patronen de krachten in evenwicht blijven. Er blijft dan harmonie bestaan. Een cultuur is een specifieke verzameling patronen. Ontwerpen is het innemen van de ideeënruimte en verwezenlijken is het veroveren van de  materiële ruimte. In beide worden patronen gevolgd. De ruimte is vrijwel nooit leeg. Zij dwingt tot aanpassing. De goede ontwerper voelt de lopende patronen in de ruimte en gaat met ze mee. De som van patronen biedt altijd ruimte tot manoeuvreren, maar geen oneindige variatie.

In het artikel “The architecture of Life” legt Donald Ingler (1998) het principe van “tensegrity” uit. Dit principe bestuurt het ontwerp van alle organische structuren in mens, dier en plant. In dergelijke structuren zijn vaste (bijv. de botten) en beweeglijke (bijv. de spieren) delen volgens een geometrisch patroon aan elkaar verbonden. Dergelijke structuren zijn ook al voorgesteld om het atoom en het heelal (D’arcy Thompson, 1942) te verklaren. Tensegrity is gelijk aan “quality without a name”. We lijken op weg naar een herwaardering van de “harmonie der  spheren”.

De denk/realisatiewereld bestaat uit vele lagen. Hoger liggende lagen schermen onderliggende lagen af voor snelle verandering. In de kern staat de tijd stil.

In de materiële wereld bevatten diepere lagen de infrastructuur. Het kost veel moeite om de materie de goede kant op te krijgen. Het implementeren van een infrastructuur kost dan ook veel tijd. Zo kost het aanleggen van een spoorlijn al gauw tien jaar. In de denkwereld komt hetzelfde voor. Een hogere ordening, een structuur, bevat regels, die invloed uitoefenen op de onderdelen van de “lagere” structuur.  De lagere structuur wordt hiermee “stil gezet”. Als men zich aan de regels houdt gaat alles goed. Hoe dieper je door de lagen in de denkwereld kijkt hoe langzamer het veranderingsproces verloopt.  We praten dan over paradigma’s. Er zijn steeds meer wetten zichtbaar. Diepe structuren kunnen letterlijk geen kant op. Ze dragen de last van de hogere structuren. In de kern staat de tijd stil. Hier bevindt zich de “eeuwige waarheid”. Je kunt een structuur in een hogere versnelling zetten als je de regels van de hogere weghaalt. Bij mensen spreken we dan van een cultuurverandering. Grote aanpassingen gaan als schokgolven door vele lagen heen. Mensen worden ziek als er een grote reorganisatie plaatsvindt. Vaak worden bij reorganisatie de echte regels niet weggehaald of onderkend. Alles blijft hetzelfde. In de storm buigen de bomen mee. Na de storm gaan de bomen weer rechtop staan.

Mensen beroeren met behulp van hun instrumenten andere diepere structuren

Men kan in diepere structuren reiken door hulpmiddelen te maken. Je kunt rijden met een auto. Het waarnemingsveld wordt tot de rand van de auto uitgebreid. Je speelt muziek met een viool. Er ontstaat een directe koppeling tussen de partituur en de hand die de snaar bespeelt. Je kunt de atomenruimte bekijken met een electronenmicroscoop. Deze instrumenten beroeren de diepere structuur. Na enige tijd zijn mensen één met hun instrument. Het instrument heeft ze van binnen geordend. Het vervangen van een instrument heeft vaak grote invloed op de mens die hem gebruikt. Men komt van de ene in de andere ruimte. De  instrumenten hebben zich in de tijd verbonden met de hand, het oog en het oor. Meestal spelen ze het spel op juiste manier. Ze veranderen de ruimte niet fundamenteel. Ze laten de schotten op de oude plaats staan. In het verleden waren alle instrumenten analoog of mechanisch van aard. Het koppelen van mechanische instrumenten met raderen en tandwielen is een hele klus. Koppelingen van instrumenten voor oog en oor werden makkelijker door de vloeibaarheid en kneedbaarheid van het licht en de electronenstroom. We gebruiken hier spiegels, lenzen en transistoren. Allemaal namen, die slaan op koppelen/ verbinden  Deze  hulpmiddelen worden nu vervangen door software (digitaal). Software is in de materie uitgekristalliseerde denkkracht. We zijn deze softwarestructuren ook weer aan het koppelen. Koppelingen tussen software zijn erg vloeibaar. Dit maakt, dat we voorheen niet gekoppelde of diepere lagen in beroering brengen. Ze komen in een gezamenlijk evenwicht of raken een tijdje chaotisch. Software koppelt steeds meer ruimten en maakt steeds  meer tussenlagen overbodig. Ook tussen softwarecomponenten zitten schotten. We noemen ze interfaces. Veel  interfaces zijn slecht gedefinieerd. Ze vallen niet op en laten dan ook weinig informatiestroom door. Softwaresystemen met dergelijke koppelingen zijn inflexibel. Het zijn meestal grote oude brokken software of stukken software die erg nieuw zijn. Ze hebben nog geen ontwikkeling doorgemaakt. De meest vloeibare koppeling tussen softwaresystemen is een koppeling via informatie. Op dit ogenblik zijn er nog vrijwel geen zelfstructurerende softwarecomplexen. Ze zullen er zeker gaan komen.

Concepten worden omgezet met behulp van taal omgezet in software.

Taal is het instrument van de hersenen, het denken. Software (“taal geordend volgens Chomsky”) bevat ook “design patterns”. De “design patterns” van Alexander zijn op dit ogenblik de nieuwe rage in de software-engineering. In dit zeer technische vakgebied probeert men om complexe softwaresystemen te bouwen, die meestal op de achtergrond functies uitvoeren in de infrastructuur.

Men heeft tientallen jaren nagedacht over hoe een structuur flexibel kan worden ontworpen. Gebleken is dat aanpassen van onderliggende lagen grote invloed heeft op de bovenliggende lagen. Men laat de zaken liever hetzelfde. Hoe dieper je in de software duikt hoe ouder ze wordt. Men is er wel achter gekomen, dat flexibele systemen moeten bestaan uit softwareonderdelen, die uitsluitend met elkaar communiceren met behulp van berichten. Denk hierbij aan mensen, die met elkaar praten. Op geen enkele wijze mag de softwarebouwsteen, object genoemd, zijn interne structuur laten zien. Op deze wijze wordt het mogelijk om de binnenkant aan te passen zonder dat de interactie moet worden aangepast. Daarnaast is men druk bezig om zoveel mogelijk onderdelen te hergebruiken. Dit doet men door verzamelingen, klassen genoemd, te onderscheiden. Een object zit in een klasse (bijv. de klasse mensen). Deze klasse heeft eigenschappen (bijv. mensen lopen). Deze eigenschap wordt doorgegeven naar een deelverzameling (bijv. vrouwen), die zelf weer eigen eigenschappen heeft (kinderen baren). Vrouwen lopen doordat ze deel uit maken van de verzameling mensen. Zo zijn enorme verzamelingstructuren ontstaan met steeds andere meestal technische (bijv. de klasse van de printer of het scherm) uitgangspunten. Er blijkt geen eenduidige indeling te bestaan. Twee ontwerpers lossen hetzelfde probleem soms totaal anders op. Dit maakt het ideaal van het één keer maken en daarna overal toepassen een “fata morgana”. De “design patterns” zijn een koppeling van meerdere objecten. Er blijken net als in de 3D-wereld een aantal zeer vaak voorkomende grotere structuren te zijn, die een software ontwerper het “goede gevoel” geven.

Krachtige memen zijn een krachtenveld in balans.

De theorie van de objecten is zonder veel problemen om te zetten naar andere vakgebieden. Ze is een ideale manier om structuur aan te brengen. Eigenlijk ben je bezig om met taal te spelen. Objecten zijn zelfstandige naamwoorden en verbindingen tussen deze objecten zijn werkwoorden. Deze analogie geeft de gelegenheid om Alexander los te laten op memen (Denett, 1991), de genen van de taal. Deze zouden de “design patterns” in onze taal zijn, die de taalruimte innemen en samengaan met bestaande patronen. Een meme is dan een “krachtenveld in balans”. Meestal de spanning, die tussen  tegendelen hangt. Een krachtig meme beschikt over “the quality without a name”.

Wiskunde is het grootste sterk samenhangende meme op aarde.

Conceptcomplexen (memen) fungeren als selectiemiddel voor andere complexen. Net als de leeuw het schaap dwingt om te veranderen in de tijd of om eeuwig als zijn voedsel te dienen. Sterke memen drukken zwakke memen weg. Het is gelukkig nog niet duidelijk welk mechanisme hier een rol speelt. Als we het zouden weten zouden met reclame/ indoctrinatie iedereen onder controle kunnen brengen. Sterke memen beschikken waarschijnlijk over zelfreferentie en bezitten in het netwerk van concepten, hun semantisch netwerk, meerdere terugkoppelingen. Op deze wijze reiken ze horizontaal in vele structuren en vormen ze verticaal een gesloten structuur. Wiskunde is de meest pure en samenhangende conceptenwereld. Een goed bewijs geeft het “gevoel, dat het goed zit”. Een wiskundige wordt door een mooi bewijs tot tranen toe geroerd. Een mooi bewijs klinkt hem als muziek in de oren. Geen wonder dat vele beroemde wiskundigen ook filosoof zijn. Ze hebben hun tovenarij met concepten ook op andere denkwerelden toegepast. Wiskundig gestructureerde muziek spreekt velen aan (Bach). In de wiskunde wordt ieder nieuw stukje naadloos aan het oude gekit. Hier bestaat een hulpmiddel voor, dat we “bewijzen” noemen. Iedereen gelooft, dat “bewijzen” de “eeuwige waarheid” schept. Het wiskundecomplex is zo groot en krachtig, dat het bestand is tegen vrijwel alle aanvallen van andere conceptstructuren.  Het complex heeft via de computer zijn weg naar de werkelijkheid gevonden en wordt steeds machtiger. Niemand is op zoek naar een verdedigingsmechanisme. Het is niet onwaarschijnlijk, dat op termijn met voldoende rekenkracht beschikbaar, de werkelijkheid zich aan de wiskunde zal gaan aanpassen. De druk om te verwezenlijken is immens. Wie dit niet acceptabel vindt zal de aanval moeten gaan inzetten en een nieuwe overtuiging, een alternatief voor “bewijzen” moeten gaan vinden.

Gedachten over een nieuwe wanorde en wellicht het “eeuwig leven”.

Kaufmann (1993) geeft uitzicht op een oplossing. Als we zijn denkbeelden over orde (en wiskunde) bekijken kunnen we een aanval tegen de wiskunde, de maximale gestructureerdheid,  formuleren. Belangrijk is, dat we accepteren, dat we continue net voorbij de grens van orde en wanorde moeten zien te blijven. We moeten net niet “verdampen”. We mogen nooit “in slaap vallen” of verveeld raken. We moeten kortom permanent “scherp” zijn. Dit soort gedachten stemt overeen met denkbeelden, die er zijn rondom het verkrijgen van “het eeuwig leven”. Men probeert “Magere Hein” te misleiden door permanent te veranderen. We komen dan tot de volgende aanbevelingen:

  • Verbreek snel oude koppelingen als zich het begin van stabilisatie voordoet. Breng permanent nieuwe verbindingen aan.
  • Richt je op de verre toekomst (het oneindige, de hemel). Kijk niet om.
  • Streef naar overlap. Passende oplossingen zijn verslavend.
  • Veroorzaak en verwelkom verstoringen en fouten.
  • Fixeer je op een paar variabelen en negeer de rest. Maak geen passend model.

Voor zover ik het kan overzien leidt dit alles tot “pure gekheid”. Het lijkt er dus op, dat we moeten kiezen tussen normaal en sterfelijk en gek en eeuwig levend. Wellicht is de dood niet zo’n gekke oplossing.

Littteratuur.

Alexander C. 1979, The Timeless Way of Building, New York, Oxford University Press.

Capra F., 1996, The web of Life, New York, First Anchor Books.

D’Arcy W. Thomson, 1942, On growth and form, Cambridge University Press.

Denett D.C., Consciousness Explained, New York, Little, Brown and Company

Crutchfield J and N. Kahn, 1996, Turbulent Landscapes: A Dialogue. Sante Fe Institute Working papers 96-07-051.

Dongen van H.J., Laat de W.A.M., Maas A.J.J.A, 1996, Een kwestie van verschil, Eberon, Delft.

Hofstadter D., 1995,  Fluid concepts and creative analogies, New York, BasicBooks.

Ingher D. E., 1998, The Architecture of Life, Scientific American 1-1998.

Kaufmann S.,. 1993, The origins of order, New York, Oxford University Press.

Mingers J. , 1995, Self Reproducing Systems, New York, Plenum Press.

Peters T., 1987, Triving on Chaos, New York, Kropf. Wittgenstein L., 1992, Tractatus Logico-Philosophicus, Pears, D.F. and McGuinness, B.F., 1974editi